Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Overijssel

ECLI:NL:RBOVE:2026:1264

2026-03-10 Civiel recht 11997332 \ CV EXPL 25-3553
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2026-03-10
Publicatiedatum
2026-03-10
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
11997332 \ CV EXPL 25-3553
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

NS vordert veroordeling van gedaagde, omdat gedaagde met de trein heeft gereisd en geen geldig vervoersbewijs aan de conducteur heeft kunnen laten zien. Gedaagde voert verweer. Gedaagde voert dat hij reed met een lege batterij van de telefoon waarop het vervoersbewijs stond. Omdat gedaagde tijdens zijn treinreis geen geldig vervoersbewijs kon laten zien, is hij op grond van artikel 48 lid 2 juncto lid 3 van het Besluit personenvervoer 2000, direct de wettelijke verhoging van € 50,00 verschuldigd. De kantonrechter wijst de andere vorderingen af.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.527 tekens)
RECHTBANK
OVERIJSSEL



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Enschede



Zaaknummer: 11997332 \ CV EXPL 25-3553




Vonnis van 10 maart 2026




in de zaak van



de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NS REIZIGERS B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht,
eisende partij,
hierna te noemen: NS ,
gemachtigde: LAVG Gerechtsdeurwaarders,



tegen





[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.






1De procedure


1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek.




1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.






2Het geschil


2.1.
NS vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 90,30, vermeerderd met rente en proceskosten.



2.2.
NS legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] heeft op 1 mei 2025 gereisd met de NS van Utrecht Centraal naar Hengelo. [gedaagde] was tijdens deze reis niet in het bezit van een geldig vervoersbewijs. [gedaagde] voldeed daarom niet aan de verplichtingen van het Besluit Personenvervoer 2000 en hij overtrad de Wet op Personenvervoer 2000. [gedaagde] is daarom volgens NS, naast de ritprijs van € 25,30, de wettelijke verhoging van € 50,00 en de administratiekosten van € 15,00 verschuldigd. [gedaagde] heeft niets betaald.



2.3.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van NS, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van NS, met veroordeling van NS in de kosten van deze procedure.



2.4.

[gedaagde] voert daartoe aan dat hij wel een geldig (elektronisch) vervoersbewijs had, maar dat de batterij van zijn telefoon tijdens de reis leeg was geraakt en hij het vervoersbewijs niet kon laten zien aan de conducteur. De conducteur heeft tegen [gedaagde] gezegd dat hij achteraf kon aantonen dat hij wel een geldig vervoersbewijs had en hij dan geen bijkomende kosten verschuldigd zou zijn. [gedaagde] zou nog een brief van de NS krijgen.



2.5.

[gedaagde] is van 10 mei 2025 tot 16 juni 2025 in Suriname geweest voor familiebezoek en vakantie. In deze periode is de brief van de NS bij [gedaagde] bezorgd. Direct na zijn vakantie heeft [gedaagde] samen met zijn vader contact opgenomen met NS, maar de zaak was inmiddels uit handen gegeven aan [bedrijf]. De vader van [gedaagde] heeft gebeld met [bedrijf] en heeft op 7 juli 2025 een e-mail met het vervoersbewijs als bijlage naar [bedrijf] gestuurd (bijlage 1 conclusie van antwoord). [gedaagde] heeft van [bedrijf] slechts een ontvangstbevestiging van deze mail ontvangen en geen inhoudelijke reactie.



2.6.
In de eerste week van oktober 2025 ontving [gedaagde] een sommatie van LAVG, de gemachtigde van NS. Hierop heeft [gedaagde] gereageerd met de e-mail van 9 oktober 2025 (bijlage 3 conclusie van antwoord). [gedaagde] heeft nog enkele keren gecorrespondeerd en getelefoneerd met LAVG. Uiteindelijk heeft [gedaagde] op 28 oktober 2025 een dagvaarding ontvangen. [gedaagde] is van mening dat hij er alles aan heeft gedaan om buiten een procedure tot een oplossing te komen, maar dat hij constant tegen een muur aanliep en geen inhoudelijke reacties ontving.



2.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.






3De beoordeling


3.1.

[gedaagde] erkent dat hij op 1 mei 2025 met de trein heeft gereisd en geen geldig vervoersbewijs aan de conducteur heeft kunnen laten zien. De daarvoor door [gedaagde] genoemde reden, een lege batterij van de telefoon waarop het vervoersbewijs stond, komt voor rekening en risico van [gedaagde] .



3.2.
Omdat [gedaagde] tijdens zijn treinreis geen geldig vervoersbewijs kon laten zien, is hij op grond van artikel 48 lid 2 juncto lid 3 van het Besluit personenvervoer 2000, direct de wettelijke verhoging van € 50,00 verschuldigd. [gedaagde] zal daarom ook worden veroordeeld tot betaling daarvan.



3.3.

NS heeft gesteld (maar niet onderbouwd) dat zij op 2 mei 2025 (volgens [gedaagde]
6 mei 2025) een aanmaning heeft gestuurd waarbij zij [gedaagde] 14 dagen heeft gegeven om de ritprijs en de wettelijke verhoging te betalen. Omdat [gedaagde] hierop niet tijdig heeft gereageerd, heeft NS (op grond van artikel 48 lid 6 Besluit personenvervoer 2000) [gedaagde] op 20 mei 2025 nogmaals in de gelegenheid gesteld genoemde bedragen te betalen, verhoogd met de administratiekosten van € 15,00. NS heeft haar stellingen echter niet onderbouwd door het overleggen van afschriften van deze brieven, zodat de kantonrechter niet kan beoordelen of zij aan de wettelijke vereisten heeft voldaan. De kantonrechter zal daarom de gevorderde administratiekosten van € 15,00 als niet onderbouwd afwijzen.




3.4.

[gedaagde] heeft gesteld, en door het overleggen van een schermafdruk van zijn telefoon onderbouwd, dat hij een elektronisch vervoersbewijs met de datum 1 mei 2025 had voor het traject Hoofddorp naar Hengelo. Dit vervoersbewijs heeft [gedaagde] ook al op 3 juli 2025 naar [bedrijf] gestuurd. [bedrijf] heeft hierop geen inhoudelijke reactie gegeven en ook heeft NS niet betwist dat dit een geldig vervoersbewijs voor 1 mei 2025 betreft. De kantonrechter is daarom van oordeel dat [gedaagde] voldoende heeft aangetoond dat hij op 1 mei 2025 in het bezit was van een geldig vervoersbewijs. [gedaagde] heeft dus al voor zijn treinreis betaald en hoeft dit niet nog een keer te doen. De gevorderde ritprijs van € 25,30 zal daarom worden afgewezen.



3.5.
De kantonrechter is van oordeel dat NS een zeer summiere (standaard-)dagvaarding zonder enige onderbouwing van haar vordering aan [gedaagde] heeft uitgebracht en bij de kantonrechter heeft ingediend. Tevens heeft de kantonrechter geconstateerd dat NS niet heeft voldaan aan haar substantiëringsplicht (artikel 111 lid 3 Rv).



3.6.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.






4De beslissing


De kantonrechter



4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan NS te betalen een bedrag van € 50,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag, met ingang van 23 oktober 2025, tot de dag van volledige betaling,



4.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,



4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,



4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.



Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.S. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.