Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Overijssel

ECLI:NL:RBOVE:2023:555

2023-02-14 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht ak_22_1464
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2023-02-14
Publicatiedatum
2023-02-14
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ak_22_1464
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Artikel 57 van de Wet WIA. Ongegrond beroep.

Citeert (2)

Geciteerd door (1)

Volledige tekst

Volledige tekst (15.558 tekens)
RECHTBANK OVERIJSSEL


Zittingsplaats Almelo


Bestuursrecht


zaaknummer: ZWO 22/1464


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen



[eiseres], uit [woonplaats], eiseres,
gemachtigde: [gemachtigde 1],


en




de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (verweerder),
gemachtigde: [gemachtigde 2].



Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Novon Schoonmaak Gebouwen B.V. (werknemer) uit Zwolle,
gemachtigde: [gemachtigde 3].





Inleiding


Bij besluit van 6 januari 2022 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat zij met ingang van 26 maart 2021 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).



Met het bestreden besluit van 19 juli 2022 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven.



De rechtbank heeft het beroep op 7 december 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. Eiseres en haar gemachtigde hebben via een beeldverbinding deelgenomen aan de zitting.





Beoordeling door de rechtbank



Geen inzage medische stukken door werkgever




1. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen toestemming heeft verleend voor het toezenden aan werknemer van stukken die medische gegevens bevatten. Om die reden kan de rechtbank in deze uitspraak de medische stukken niet volledig weergeven. De rechtbank zal daarom in deze uitspraak slechts in algemene zin de medische klachten van eiseres benoemen.





Wat aan de besluitvorming vooraf is gegaan




2.1
Eiseres is werkzaam geweest als voorvrouw/objectleidster voor ongeveer 29 uur per week. Zij heeft zich op 26 augustus 2013 ziek gemeld. Naar aanleiding van de aanvraag van eiseres om een uitkering op grond van de Wet WIA heeft verweerder vastgesteld dat zij vanaf 21 augustus 2016 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering, omdat zij per die datum 36,79% arbeidsongeschikt is. Deze uitkering is met ingang van 21 augustus 2018 voortgezet als een WGA-vervolguitkering.



2.2

Namens werkgever is verweerder op 17 april 2018 verzocht om de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres opnieuw te beoordelen. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft verweerder met het besluit van 25 januari 2019 de WIA-uitkering van eiseres ingetrokken met ingang van 26 maart 2019. Het bezwaar van eiseres tegen dit besluit is bij besluit van 7 mei 2019 ongegrond verklaard. Deze rechtbank heeft het hiertegen ingestelde beroep bij uitspraak van 23 december 2019 ongegrond verklaard.
De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft deze uitspraak op 17 maart 2021 bevestigd.




2.3
Op 26 maart 2021 heeft eiseres verweerder om een herbeoordeling gevraagd in verband met een toename van haar klachten. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld in de Inleiding.



Standpunten van partijen





3.1
Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiseres per 26 maart 2021 geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat zij nog steeds minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Haar beperkingen zijn ten opzichte van de eerdere beoordeling niet toegenomen. Met deze beperkingen kan eiseres werk verrichten. Met dit werk zou zij hetzelfde kunnen verdienen als haar maatman, zodat er geen sprake is van verlies aan verdiencapaciteit.



3.2
Eiseres is van mening dat zij wegens een verslechtering van haar medische situatie inmiddels recht heeft op een IVA-uitkering. Het onderzoek dat verweerder heeft verricht is onzorgvuldig geweest. Volgens eiseres is ten onrechte geen nieuw en volledig onderzoek verricht, gericht op de datum van de gestelde toename. Eiseres heeft gewezen op de rapportages die zij heeft ingebracht van 16 augustus 2019 van professor dr. F.C. Visser en de medische rapportages van 16 augustus 2019 en 30 augustus 2022 van dr. C.M.C. van Campen, waarin wordt ingegaan op de aangenomen beperkingen. Deze beperkingen zijn alleen maar toegenomen. Volgens eiseres ging de discussie bij de CRvB vooral over de vraag of de medische stukken betekenis hadden voor de datum in geding en is de door eiseres ingebrachte informatie in die procedure niet meegewogen. Dat had verweerder nu wel moeten doen, maar verweerder heeft in het medisch rapport de informatie alleen genoemd en volstaan met de opmerking “reeds meegenomen”. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ook niet inhoudelijk gereageerd op de wetenschappelijke artikelen die eiseres heeft ingebracht. Verweerder had volgens eiseres bij haar behandelaar Visser moeten informeren hoe het nu met eiseres ging. Met de beperkingen die uit de ernstige aandoening van eiseres voortvloeien is geen rekening gehouden. Eiseres heeft verder verwezen naar de gronden in bezwaar, waarin is aangevoerd dat de beoordeling is verricht in strijd is met "De beoordeling van cliënten met ME/CVS bij UWV”, Beleidsstuk UWV 2018, de inhoud van de brief van 11 december 2018 van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan de Tweede Kamer en met het advies van 19 maart 2019 van de Gezondheidsraad en de uitspraak van de CRvB van 13 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1842.



Het beoordelingskader





4.1.
Op grond van artikel 57, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA herleeft het recht op een WGA-uitkering op de dag dat de verzekerde weer arbeidsongeschikt wordt, als hij op de dag hieraan voorafgaand een mate van arbeidsongeschiktheid had van minder dan 35% en de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak op grond waarvan hij eerder recht had op een WGA-uitkering.


4.2.
In dit geval is sprake van een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid na een eerdere intrekking van de WIA-uitkering. De intrekking heeft in hoger beroep stand gehouden. Bij een melding van toename van arbeidsongeschiktheid moet eerst de vraag worden beoordeeld of de beperkingen zijn toegenomen. Dit moet in dit geval plaatsvinden aan de hand van een vergelijking tussen de beperkingen zoals die zijn neergelegd in de Functionele mogelijkhedenlijst van 2 november 2018, die ten grondslag lag aan de intrekking per 26 maart 2019, en de beperkingen die zijn vastgelegd naar aanleiding van de melding van toegenomen ongeschiktheid met ingang van 26 maart 2021. Anders dan namens eiseres is gesteld gaat het dus om een vergelijkende beoordeling en is een volledig nieuwe keuring niet aan de orde.


4.3.

In geschil is daarom de vraag of verweerder terecht heeft vastgesteld dat voor eiseres met ingang van 26 maart 2021 geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA is ontstaan, omdat ten opzichte van de eerdere beoordeling geen sprake is van toegenomen beperkingen.

Het medisch onderzoek




5. De rechtbank ziet geen aanleiding te concluderen dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest.




5.1.
De verzekeringsarts heeft eiseres op 5 november 2021 op zijn spreekuur gezien en haar psychisch en lichamelijk onderzocht. Ook heeft hij eiseres gevraagd naar de toegenomen klachten en haar dagverhaal en de lopende behandelingen besproken. Vervolgens heeft de verzekeringsarts informatie ingewonnen bij de fysiotherapeut. In bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de dossiergegevens bestudeerd en eiseres gesproken tijdens de hoorzitting. Zijn bevindingen heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep uitgebreid en voor de rechtbank inzichtelijk neergelegd in zijn rapport van 15 juli 2022. Gelet op deze onderzoeksactiviteiten is het onderzoek naar het oordeel van de rechtbank voldoende zorgvuldig geweest. Dat het onderzoek na de ingebrekestelling versneld is opgepakt, zoals eiseres heeft aangevoerd, maakt dit niet anders. De rechtbank ziet in de rapportages geen aanknopingspunten om te concluderen dat de artsen overhaast te werk zijn gegaan of ten onrechte afzagen van het raadplegen van de behandelaars van eiseres. Informatie werd immers wel opgevraagd bij de fysiotherapeut waar eiseres onder behandeling was. Omdat eiseres zelf meldde vanaf 2019 alleen nog telefonisch te worden begeleid heeft verweerder het opvragen van informatie bij Cardiozorg achterwege kunnen laten. Overigens stelt de rechtbank vast dat ook in beroep geen informatie is ingebracht van de behandelend cardioloog bij CardioZorg. De informatie van 22 maart 2022 is afkomstig van Van Campen, die volgens de gemachtigde van eiseres weliswaar geldt als deskundige op het terrein van de ziekte van eiseres, maar die haar niet persoonlijk heeft gezien.


6. De volgende vraag is of de rechtbank reden ziet te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Daarover merkt de rechtbank het volgende op.




6.1
Naar aanleiding van de melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid heeft de verzekeringsarts in het rapport van 27 december 2021 de toegenomen klachten van eiseres besproken. De verzekeringsarts heeft vervolgens voor de rechtbank overtuigend gemotiveerd waarom dit niet leidt tot het aannemen van verdergaande medische beperkingen, hoewel eiseres meer belemmeringen ervaart. Onder meer is besproken dat eiseres overdag meer rustmomenten neemt dan in het verleden. Eiseres zelf heeft tegenover de verzekeringsarts toegelicht dat zij het inlassen van rustpauzes had afgebouwd op advies van haar ergotherapeut, maar dat deze er gaandeweg weer zijn ingeslopen. Bij onderzoek werden verder geen aanwijzingen gevonden voor het aannemen van meer belemmeringen. In het rapport van 15 juli 2022 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat het uit de verkregen gegevens in bezwaar ten aanzien van de bij eiseres bekende aandoeningen géén nieuwe medische feiten of omstandigheden naar voren komen, voortvloeiend uit dezelfde aandoening.



6.2

Namens eiseres heeft Van Campen op 30 augustus 2022 gereageerd op het bovengenoemde standpunt. Samengevat komt de reactie erop neer dat eiseres lijdt aan een progressieve ziekte, waarvan verweerder de ernst onderschat. Revalidatie is geprobeerd maar heeft het probleem niet opgelost en voor de rustmomenten die eiseres neemt is wel degelijk een objectief medische noodzaak aanwezig. Bij afwezigheid van expertise bij verweerder is er bij voorbaat geen sprake van zorgvuldig onderzoek en wordt de informatie vanuit de behandelend sector ten onrechte opzij geschoven.
In reactie op deze brief heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 19 oktober 2022 uiteengezet dat vanuit de wet- en regelgeving uitgegaan moet worden van geobjectiveerde ernst van aandoeningen. Er zijn geen medische parameters geweest die de conclusie rechtvaardigen dat de ernst van het medisch feitencomplex is toegenomen. De klachtentoename kan volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep evenzeer het gevolg zijn van de voortgaande geringe mate van activiteiten door eiseres, vanuit het advies van de behandelaar tot het nemen van voldoende liggende rustmomenten en het mijden van activiteiten of prikkels wanneer deze de grenzen van ervaren hinder overschrijden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hierbij ook gewezen op het feit dat het onderzoek van de behandelend cardioloog dateert van begin 2019 en dat er nadien behalve telefonische contacten ook geen vervolgonderzoek meer is geweest. Daarmee is er geen enkel geobjectiveerd medisch feit wijzend op verslechtering vastgesteld. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep ontbreekt bij een gelijkblijvend medisch feitencomplex, zowel naar aard als ernst, de indicatie tot het aannemen van méér beperkingen dan waarvan werd uitgegaan bij de WIA-beoordeling in 2019.




6.3
Voor de rechtbank is dit betoog inzichtelijk en overtuigend. Daarbij wijst de rechtbank er nogmaals op dat het in deze zaak gaat om het vaststellen van een toename van beperkingen ten opzichte van de eerdere WIA-beoordeling, die door de CRvB is geaccordeerd. Voor de thans gestelde toename ziet de rechtbank evenmin als verweerder objectieve aanwijzingen.



6.4
Met betrekking tot de stelling van eiseres dat verweerder de ingebrachte informatie van Van Campen en Visser van 16 augustus 2019 en het rapport van de Gezondheidsraad ten onrechte niet heeft meegewogen, en ook de op de hoorzitting meegenomen documentatie niet bij de beoordeling is betrokken, merkt de rechtbank tot slot het volgende op. De conclusies van de beide cardiologen zijn in de eerdere procedure bij de rechtbank uitvoerig besproken en gaven de rechtbank geen reden de bevindingen van verweerder met betrekking tot de datum in geding in twijfel te trekken. De CRvB heeft de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd. Verweerder heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien in het kader van de melding van toegenomen ongeschiktheid deze informatie opnieuw uitputtend te bespreken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op basis van de aanwezige informatie kunnen concluderen dat geen sprake is van een toename van de medische beperkingen van eiseres.



6.5
Omdat geen sprake is van een toename van de medische beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak, ziet de rechtbank geen aanleiding tot beoordeling van de arbeidskundige aspecten. Op dit punt heeft eiseres ook geen gronden aangevoerd.



Conclusie en gevolgen



7. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.

8. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.






Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. M.I. van Meel, rechter, in aanwezigheid van
W. Veldman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op














de griffier


de rechter is verhinderd te ondertekenen








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 31 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1683