Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Overijssel

ECLI:NL:RBOVE:2023:4606

2023-11-16 Bestuursrecht ak_22_1761
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2023-11-16
Publicatiedatum
2023-11-16
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ak_22_1761
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Last onder bestuursdwang opgelegd door middel van het aanbrengen van een sticker op de gestalde fiets met mededeling dat deze zal worden verwijderd en dat de kosten daarvan op eiser zullen worden verhaald; ter zitting primaire besluit alsnog herroepen; eiser geen belang meer bij inhoudelijke beoordeling van zijn beroep; verzoek om vergoeding van immateriële schade niet onderbouwd; rechtbank verklaart beroep ongegrond.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.005 tekens)
RECHTBANK OVERIJSSEL


Zittingsplaats Zwolle


Bestuursrecht


zaaknummer: ZWO 22/1761


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen



[eiser] , uit [woonplaats] , eiser


en




het college van burgemeester en wethouders van Dalfsen
(gemachtigde: A. Pasma).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het opleggen van een last onder bestuursdwang door middel van het aanbrengen van een sticker op een gestalde fiets met de mededeling dat deze zal worden verwijderd en dat de kosten daarvan op eiser zullen worden verhaald.



1.1.
Met het bestreden besluit van 17 augustus 2022 op het bezwaar van eiser heeft het college zijn bezwaar tegen dit besluit gegrond verklaard. Verweerder heeft het primaire besluit (de sticker) in het bestreden besluit niet herroepen.



1.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college, vergezeld door N. van der Wal en J. Zwiers.





Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser voldoende procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit.

3. Nu het college in de uitspraak op bezwaar niet het primaire besluit heeft herroepen, terwijl artikel 7:11, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hier wel om vraagt, en eiser in zijn beroepschrift heeft verzocht om immateriële schadevergoeding, heeft eiser een procesbelang.

4. De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.


5. Ter zitting heeft het college het primaire besluit alsnog herroepen. Nu verweerder in de uitspraak op bezwaar volledig tegemoet is gekomen aan eisers bezwaren en het primaire besluit in de beroepsfase alsnog is herroepen, heeft eiser geen belang meer bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. De rechtbank ziet geen reden om het beroep gegrond te verklaren en de uitspraak op bezwaar te vernietigen, omdat eiser niet in zijn belangen is geschaad. Eiser heeft immers reeds bereikt wat hij wilde nu het primaire besluit is herroepen en zijn fiets niet uit de stalling is verwijderd. De rechtbank passeert het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.



Het verzoek om vergoeding van immateriële schade



6. Eiser heeft in zijn beroepschrift verzocht om de vergoeding van de door hem geleden immateriële schade wegens de frustratie die de procedure hem heeft veroorzaakt.

7. Voor de beoordeling van een verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt, volgens vaste jurisprudentie, aansluiting gezocht bij het civiele schadevergoedings-recht. In artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek is, voor zover hier van belang, bepaald dat de benadeelde voor nadeel dat niet bestaat in vermogensschade, recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van aantasting in de persoon op andere wijze dan schending van eer of goede naam kan sprake zijn als de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen of een fundamenteel recht is geschonden.

8. De rechtbank stelt vast dat eiser zijn verzoek om vergoeding van immateriële schade niet met stukken of anderszins heeft onderbouwd. Gelet hierop en op bovenstaande maatstaf, oordeelt de rechtbank dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat in dit geval sprake is van immateriële schade als gevolg van de procedure die voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank wijst zijn verzoek om vergoeding van immateriële schade dan ook af.




Conclusie en gevolgen


9. Het beroep is ongegrond. Het college moet wel het griffierecht aan eiser vergoeden omdat het college pas na het instellen van beroep door eiser het primaire besluit heeft herroepen.




Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden.




Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.P. Fortuin, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op















griffier


De rechter is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen.









Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:



















Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 25 augustus 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN4952.