Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2023:2740
2023-07-14
Bestuursrecht; Belastingrecht
ak_23_1124
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Deze zaak gaat over een beroep wegens niet tijdig beslissen door de Dienst Toeslagen op het bezwaar van eiseres.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RBMNE:2023:1702 Rechtbank Midden-Nederland 14-04-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:1085 Rechtbank Rotterdam 24-02-2023
- ECLI:NL:RBOVE:2023:1420 Rechtbank Overijssel 20-04-2023
- ECLI:NL:RVS:2021:2346 Raad van State 20-10-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.800 tekens)
RECHTBANK OVERIJSSEL
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 23/1124
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. Y.N. Teke-Bozkurt),
en
Belastingdienst/Toeslagen, verweerder.
Inleiding
1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op haar bezwaar van 20 september 2022.
1.1.
Verweerder heeft op 6 juni 2023 een verweerschrift ingediend.
1.2.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
2. Op grond van het bepaalde in artikel 8:1, in samenhang met artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb kan tegen het niet tijdig nemen van een besluit rechtstreeks beroep bij de rechtbank worden ingesteld.
3. Op grond van artikel 6:12, eerste lid, van de Awb is het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet aan een termijn gebonden. Op grond van het tweede lid van dit artikel, kan het beroepschrift onder meer worden ingediend zodra:
het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en
twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
4. In artikel 7:10, eerste lid, van de Awb staat dat het bestuursorgaan moet beslissen op een bezwaar binnen zes weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken of binnen twaalf weken als een bezwaarcommissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld. De langere beslistermijnen, zoals genoemd in artikel 6.2, eerste en tweede lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) hebben alleen betrekking op aanvragen en niet op besluiten op bezwaar. Dit betekent dat in dit geval de termijnen in artikel 7:10, eerste lid, van de Awb van toepassing zijn.
5. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn is overschreden. Bij brief van 30 maart 2023, ontvangen op 31 maart 2023, heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld. Eiseres heeft meer dan twee weken daarna beroep ingesteld. Aan de vereisten van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is voldaan.
6. Het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen is daarom kennelijk gegrond.
7. Verweerder heeft bij besluit van 31 mei 2023 de maximale dwangsom van
€ 1.442,- aan eiseres toegekend. De rechtbank zal dit punt verder onbesproken laten.
8. Omdat verweerder nog geen besluit op het bezwaar heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn bepalen.
9. Verweerder heeft in het verweerschrift primair verzocht om een langere beslistermijn en aan te sluiten bij de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
14 april 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:1702. Verweerder heeft verzocht om de termijn om te beslissen op het bezwaar op 1 juli 2024 te stellen. Verweerder heeft aangegeven dat eiseres meer baat heeft bij het behandelen van aanvragen conform de planning van verweerder. Dat is eerlijker en efficiënter. De uiteenlopende jurisprudentie leidt er toe dat een deel van de ouders op volgorde van binnenkomst wordt behandeld en aan een ander deel voorrang gegeven moet worden. Dat leidt tot rechtsongelijkheid en is moeilijk uitvoerbaar voor verweerder. Een uniforme lijn is bovendien duidelijker en eerlijker voor de groep ouders als geheel. Door de beslistermijn vast te stellen op 1 juli 2024 kan verweerder de bezwaren blijven oppakken volgens het beginsel ‘first in, first out’. Hiermee wordt vermeden dat (gedupeerde) ouders die niet kiezen voor een beroep niet tijdig de plaats in de wachtrij bij de bezwaarbehandeling telkens naar achteren opgeschoven zien worden. Subsidiair verzoekt verweerder om een beslistermijn van 20 weken, gerekend vanaf de datum van de uitspraak. Verweerder heeft in het verweerschrift het behandelproces bij een bezwaarschrift beschreven. Daarbij heeft verweerder de doorlopen stappen beschreven, waaronder het toezenden van het dossier aan de indiener van het bezwaar, het aanvullen van de bezwaargronden, een gesprek met de indiener of het bezwaar tussen de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen en de indiener van het bezwaar (informeel) kan worden beslecht, het zo nodig plannen van een hoorzitting, het formuleren van een advies en het nemen van een beslissing op bezwaar. Als het bezwaarschrift voor advisering wordt doorgestuurd aan de bezwaarschriftenadviescommissie (BAC), dan zal de BAC in de regel ook een hoorzitting houden en volgt vervolgens een advies van de BAC.
De zittingscapaciteit van de BAC is begrensd. Dit zijn volgens verweerder moeilijk te voorspellen omstandigheden. Verweerder acht een termijn van 20 weken aangewezen om het bezwaarproces zorgvuldig te kunnen doorlopen.
10. Eiseres heeft in haar beroepschrift aangesloten bij de wettelijke termijn van twee weken. Ter onderbouwing is verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
24 februari 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:1085.
11. De rechtbank ziet vanwege het grote aantal door verweerder te behandelen aanvragen en de toelichting van verweerder aanleiding om te oordelen dat sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor verweerder niet binnen de wettelijke termijn op het bezwaar heeft kunnen beslissen. De rechtbank moet thans een nadere termijn stellen die niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort is. De rechtbank moet een op dit moment verantwoorde keuze maken in het dilemma tussen snelheid en zorgvuldigheid. Als het bestuursorgaan dit dilemma heeft veroorzaakt, rechtvaardigt dit niet zonder meer dat zorgvuldigheid wordt opgeofferd aan snelheid. De termijn moet recht doen aan de reële mogelijkheden om op het verzoek te beslissen en aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing op het verzoek te ontvangen.
12. De rechtbank ziet geen aanleiding om de hierboven genoemde uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland te volgen. In onder meer de uitspraak van 20 april 2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:1420, heeft deze rechtbank overwogen dat voortaan de lijn wordt aangehouden dat een beslistermijn van 12 weken, vanaf het verweerschrift wordt toegekend voor het beslissen op een bezwaar. In hetgeen verweerder heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om in dit geval anders te oordelen. De rechtbank acht een termijn van 12 weken, vanaf de datum van het verweerschrift, een redelijke termijn.
13. Daarom zal de rechtbank verweerder opdragen om binnen 12 weken na de datum van het verweerschrift alsnog een besluit te nemen. De rechtbank overweegt in dit geval dat verweerder al na de ontvangst van de ingebrekestelling het behandelproces moet starten. Dit proces gaat niet pas lopen als deze uitspraak is gedaan.
14. De rechtbank realiseert zich dat de door haar te geven opdracht, gelet op de vele en omvangrijke bezwaarschriften en herbeoordelingsverzoeken die verweerder heeft ontvangen over de kinderopvangtoeslag, mogelijk als gevolg heeft dat het langer duurt voordat op andere bezwaren of herbeoordelingsverzoeken een besluit wordt genomen, zoals verweerder heeft aangevoerd. Dat is echter het gevolg van het recht dat bestaat om tegen het uitblijven van een besluit beroep in te stellen.
15. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (www.rechtspraak.nl) dat verweerder een dwangsom van € 100,- is verschuldigd voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.
16. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 418,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 0,5 (licht)). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.
17. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
draagt verweerder op binnen twaalf weken na de datum van het verweerschrift alsnog een beslissing op het bezwaar van eiseres te nemen;
bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van
€ 15.000,-;
veroordeelt verweerder tot betaling van € 418,50 aan proceskosten aan eiseres;
bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 50,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, rechter, in aanwezigheid van
S.H.J. van de Looi, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
ECLI:NL:RVS:2021:2346.
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 23/1124
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. Y.N. Teke-Bozkurt),
en
Belastingdienst/Toeslagen, verweerder.
Inleiding
1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op haar bezwaar van 20 september 2022.
1.1.
Verweerder heeft op 6 juni 2023 een verweerschrift ingediend.
1.2.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
2. Op grond van het bepaalde in artikel 8:1, in samenhang met artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb kan tegen het niet tijdig nemen van een besluit rechtstreeks beroep bij de rechtbank worden ingesteld.
3. Op grond van artikel 6:12, eerste lid, van de Awb is het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet aan een termijn gebonden. Op grond van het tweede lid van dit artikel, kan het beroepschrift onder meer worden ingediend zodra:
het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en
twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
4. In artikel 7:10, eerste lid, van de Awb staat dat het bestuursorgaan moet beslissen op een bezwaar binnen zes weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken of binnen twaalf weken als een bezwaarcommissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld. De langere beslistermijnen, zoals genoemd in artikel 6.2, eerste en tweede lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) hebben alleen betrekking op aanvragen en niet op besluiten op bezwaar. Dit betekent dat in dit geval de termijnen in artikel 7:10, eerste lid, van de Awb van toepassing zijn.
5. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn is overschreden. Bij brief van 30 maart 2023, ontvangen op 31 maart 2023, heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld. Eiseres heeft meer dan twee weken daarna beroep ingesteld. Aan de vereisten van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is voldaan.
6. Het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen is daarom kennelijk gegrond.
7. Verweerder heeft bij besluit van 31 mei 2023 de maximale dwangsom van
€ 1.442,- aan eiseres toegekend. De rechtbank zal dit punt verder onbesproken laten.
8. Omdat verweerder nog geen besluit op het bezwaar heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn bepalen.
9. Verweerder heeft in het verweerschrift primair verzocht om een langere beslistermijn en aan te sluiten bij de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
14 april 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:1702. Verweerder heeft verzocht om de termijn om te beslissen op het bezwaar op 1 juli 2024 te stellen. Verweerder heeft aangegeven dat eiseres meer baat heeft bij het behandelen van aanvragen conform de planning van verweerder. Dat is eerlijker en efficiënter. De uiteenlopende jurisprudentie leidt er toe dat een deel van de ouders op volgorde van binnenkomst wordt behandeld en aan een ander deel voorrang gegeven moet worden. Dat leidt tot rechtsongelijkheid en is moeilijk uitvoerbaar voor verweerder. Een uniforme lijn is bovendien duidelijker en eerlijker voor de groep ouders als geheel. Door de beslistermijn vast te stellen op 1 juli 2024 kan verweerder de bezwaren blijven oppakken volgens het beginsel ‘first in, first out’. Hiermee wordt vermeden dat (gedupeerde) ouders die niet kiezen voor een beroep niet tijdig de plaats in de wachtrij bij de bezwaarbehandeling telkens naar achteren opgeschoven zien worden. Subsidiair verzoekt verweerder om een beslistermijn van 20 weken, gerekend vanaf de datum van de uitspraak. Verweerder heeft in het verweerschrift het behandelproces bij een bezwaarschrift beschreven. Daarbij heeft verweerder de doorlopen stappen beschreven, waaronder het toezenden van het dossier aan de indiener van het bezwaar, het aanvullen van de bezwaargronden, een gesprek met de indiener of het bezwaar tussen de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen en de indiener van het bezwaar (informeel) kan worden beslecht, het zo nodig plannen van een hoorzitting, het formuleren van een advies en het nemen van een beslissing op bezwaar. Als het bezwaarschrift voor advisering wordt doorgestuurd aan de bezwaarschriftenadviescommissie (BAC), dan zal de BAC in de regel ook een hoorzitting houden en volgt vervolgens een advies van de BAC.
De zittingscapaciteit van de BAC is begrensd. Dit zijn volgens verweerder moeilijk te voorspellen omstandigheden. Verweerder acht een termijn van 20 weken aangewezen om het bezwaarproces zorgvuldig te kunnen doorlopen.
10. Eiseres heeft in haar beroepschrift aangesloten bij de wettelijke termijn van twee weken. Ter onderbouwing is verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
24 februari 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:1085.
11. De rechtbank ziet vanwege het grote aantal door verweerder te behandelen aanvragen en de toelichting van verweerder aanleiding om te oordelen dat sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor verweerder niet binnen de wettelijke termijn op het bezwaar heeft kunnen beslissen. De rechtbank moet thans een nadere termijn stellen die niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort is. De rechtbank moet een op dit moment verantwoorde keuze maken in het dilemma tussen snelheid en zorgvuldigheid. Als het bestuursorgaan dit dilemma heeft veroorzaakt, rechtvaardigt dit niet zonder meer dat zorgvuldigheid wordt opgeofferd aan snelheid. De termijn moet recht doen aan de reële mogelijkheden om op het verzoek te beslissen en aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing op het verzoek te ontvangen.
12. De rechtbank ziet geen aanleiding om de hierboven genoemde uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland te volgen. In onder meer de uitspraak van 20 april 2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:1420, heeft deze rechtbank overwogen dat voortaan de lijn wordt aangehouden dat een beslistermijn van 12 weken, vanaf het verweerschrift wordt toegekend voor het beslissen op een bezwaar. In hetgeen verweerder heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om in dit geval anders te oordelen. De rechtbank acht een termijn van 12 weken, vanaf de datum van het verweerschrift, een redelijke termijn.
13. Daarom zal de rechtbank verweerder opdragen om binnen 12 weken na de datum van het verweerschrift alsnog een besluit te nemen. De rechtbank overweegt in dit geval dat verweerder al na de ontvangst van de ingebrekestelling het behandelproces moet starten. Dit proces gaat niet pas lopen als deze uitspraak is gedaan.
14. De rechtbank realiseert zich dat de door haar te geven opdracht, gelet op de vele en omvangrijke bezwaarschriften en herbeoordelingsverzoeken die verweerder heeft ontvangen over de kinderopvangtoeslag, mogelijk als gevolg heeft dat het langer duurt voordat op andere bezwaren of herbeoordelingsverzoeken een besluit wordt genomen, zoals verweerder heeft aangevoerd. Dat is echter het gevolg van het recht dat bestaat om tegen het uitblijven van een besluit beroep in te stellen.
15. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (www.rechtspraak.nl) dat verweerder een dwangsom van € 100,- is verschuldigd voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.
16. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 418,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 0,5 (licht)). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.
17. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
draagt verweerder op binnen twaalf weken na de datum van het verweerschrift alsnog een beslissing op het bezwaar van eiseres te nemen;
bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van
€ 15.000,-;
veroordeelt verweerder tot betaling van € 418,50 aan proceskosten aan eiseres;
bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 50,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, rechter, in aanwezigheid van
S.H.J. van de Looi, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
ECLI:NL:RVS:2021:2346.