Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2014:6317
2014-11-17
Civiel recht; Personen- en familierecht
3529192 EJ VERZ 14-214
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Erfrecht. Verzoek tot opheffing van de vereffening. Griffierechten ten laste van de staat. Publicatie hieromtrent zoals voorgeschreven in art. 4:209 lid 4 BW kan beperkt blijven tot het internet, zijnde www.rechtspraak.nl.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.528 tekens)
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer : 3529192 EJ VERZ 14-214
Datum : 17 november 2014
Beschikking op een verzoek tot opheffing van de vereffening ex artikel 4:209 BW en mededeling negatieve nalatenschap ex artikel 4:199 lid 2 BW.
van
[verzoekster 1],
wonende te [woonplaats],
[verzoekster 2],
wonende te [woonplaats],
[verzoekster 3],
wonende te [woonplaats],
[verzoekster 4],
wonende te [woonplaats],
[verzoekster 5],
wonende te [woonplaats],
gemachtigde: mw. mr. M. Vrielink, kandidaat-notaris te Vriezenveen.
inzake
de nalatenschap van [erflaatster], geboren te [geboorteplaats] op [1953] en overleden op [2013], laatst wonende te [plaats], [adres], hierna te noemen erflaatster.
De procedure
De kantonrechter heeft kennis genomen van:
- het op 14 oktober 2014 ter griffie ingediende verzoekschrift.
De beoordeling van het verzoek
Verzoekers verzoeken om opheffing van de vereffening. Daarbij verzoeken zij de vereffeningskosten vast te stellen alsmede de griffierechten ten laste van de Staat te doen komen. Daarnaast doen verzoekers ingevolge artikel 4:199 lid 2 BW mededeling van de negatieve nalatenschap .
De nalatenschap van erflaatster is door verzoekers beneficiair aanvaard.
Uit de overgelegde voorlopige boedelbeschrijving blijkt dat de schulden van de nalatenschap de baten van de nalatenschap overtreffen en een negatief saldo nalatenschap resteert.
De kantonrechter is van oordeel dat een en ander voldoende aanleiding geeft om op grond van artikel 4: 209 lid 1 BW opheffing van de vereffening te bevelen. De kantonrechter ziet in de onderhavige zaak aanleiding om het griffierecht ten laste van de Staat te doen komen.
De kantonrechter dient ingevolge artikel 4:209 lid 2 BW het bedrag van de reeds gemaakte vereffeningskosten vast te stellen. Verzoekers verzoeken de reeds gemaakte vereffeningskosten vast te stellen op € 6.462,25. De kantonrechter zal dit verzoek toewijzen en de reeds gemaakte vereffeningskosten vaststellen op € 6.462,25.
Verzoekers hebben afgezien van het recht om ingevolge artikel 4:209 lid 1 BW te worden gehoord.
De in artikel 4:209 lid 4 BW voorgeschreven publikatie van de opheffing van de vereffening kan beperkt blijven tot bekendmaking via internet.
Voorts zal de griffier zorgdragen voor inschrijving van de opheffing van de vereffening in het boedelregister.
De beslissing
- Beveelt de opheffing van de vereffening van de nalatenschap van voornoemde
erflaatster.
- Stelt het bedrag der reeds gemaakte vereffeningskosten vast op € 6.462,25.
- Bepaalt dat de aan dit verzoek verbonden griffierechten ten laste van de Staat komen.
- Verstaat dat de opheffing van de vereffening wordt bekend gemaakt via internet.
Aldus gegeven te Almelo door mr. G. van Eerden, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 november 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer : 3529192 EJ VERZ 14-214
Datum : 17 november 2014
Beschikking op een verzoek tot opheffing van de vereffening ex artikel 4:209 BW en mededeling negatieve nalatenschap ex artikel 4:199 lid 2 BW.
van
[verzoekster 1],
wonende te [woonplaats],
[verzoekster 2],
wonende te [woonplaats],
[verzoekster 3],
wonende te [woonplaats],
[verzoekster 4],
wonende te [woonplaats],
[verzoekster 5],
wonende te [woonplaats],
gemachtigde: mw. mr. M. Vrielink, kandidaat-notaris te Vriezenveen.
inzake
de nalatenschap van [erflaatster], geboren te [geboorteplaats] op [1953] en overleden op [2013], laatst wonende te [plaats], [adres], hierna te noemen erflaatster.
De procedure
De kantonrechter heeft kennis genomen van:
- het op 14 oktober 2014 ter griffie ingediende verzoekschrift.
De beoordeling van het verzoek
Verzoekers verzoeken om opheffing van de vereffening. Daarbij verzoeken zij de vereffeningskosten vast te stellen alsmede de griffierechten ten laste van de Staat te doen komen. Daarnaast doen verzoekers ingevolge artikel 4:199 lid 2 BW mededeling van de negatieve nalatenschap .
De nalatenschap van erflaatster is door verzoekers beneficiair aanvaard.
Uit de overgelegde voorlopige boedelbeschrijving blijkt dat de schulden van de nalatenschap de baten van de nalatenschap overtreffen en een negatief saldo nalatenschap resteert.
De kantonrechter is van oordeel dat een en ander voldoende aanleiding geeft om op grond van artikel 4: 209 lid 1 BW opheffing van de vereffening te bevelen. De kantonrechter ziet in de onderhavige zaak aanleiding om het griffierecht ten laste van de Staat te doen komen.
De kantonrechter dient ingevolge artikel 4:209 lid 2 BW het bedrag van de reeds gemaakte vereffeningskosten vast te stellen. Verzoekers verzoeken de reeds gemaakte vereffeningskosten vast te stellen op € 6.462,25. De kantonrechter zal dit verzoek toewijzen en de reeds gemaakte vereffeningskosten vaststellen op € 6.462,25.
Verzoekers hebben afgezien van het recht om ingevolge artikel 4:209 lid 1 BW te worden gehoord.
De in artikel 4:209 lid 4 BW voorgeschreven publikatie van de opheffing van de vereffening kan beperkt blijven tot bekendmaking via internet.
Voorts zal de griffier zorgdragen voor inschrijving van de opheffing van de vereffening in het boedelregister.
De beslissing
- Beveelt de opheffing van de vereffening van de nalatenschap van voornoemde
erflaatster.
- Stelt het bedrag der reeds gemaakte vereffeningskosten vast op € 6.462,25.
- Bepaalt dat de aan dit verzoek verbonden griffierechten ten laste van de Staat komen.
- Verstaat dat de opheffing van de vereffening wordt bekend gemaakt via internet.
Aldus gegeven te Almelo door mr. G. van Eerden, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 november 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.