Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Oost-Nederland

ECLI:NL:RBONE:2013:BZ3887

2013-02-13 Civiel recht 235249
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Nederland
Uitspraakdatum
2013-02-13
Publicatiedatum
2013-04-08
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
235249
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Nu de advocaat niet tijdig tot betaling van het griffierecht is overgegaan en hem geen beroep op de hardheidsclausule van artikel 127a lid 3 Rv toekomt, moet ingevolge het bepaalde in artikel 128 lid 6 Rv juncto artikel 139 Rv verstek tegen gedaagde worden verleend. Omdat de advocaat evenwel, zo is gebleken, op 30 november 2012 het verschuldigde griffierecht alsnog heeft voldaan, zijn op grond van artikel 142 Rv de gevolgen van het tegen gedaagde verleende verstek vervallen, behalve ten aanzien van de daardoor veroorzaakte kosten.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (4.432 tekens)
vonnis
RECHTBANK OOST-NEDERLAND



Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem


zaaknummer / rolnummer: C/05/235249 / HA ZA 12-738

Vonnis van 13 februari 2013

in de zaak van


[eiseres]
eiseres,
advocaat mr. [...]


tegen


[gedaagde]
gedaagde,
adv[advocaat]mr. [.....]


Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.



De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de akte van [gedaagde]
- de antwoordakte van [eiseres].
Daarna is vonnis bepaald.




De motivering van de beslissing
1. [eiseres] heeft bij dagvaarding van 19 september 2012 de onderhavige vordering tegen [gedaagde] ingesteld.


2. Mr. [advocaat] heeft zich op de rolzitting van 24 oktober 2012 als advocaat voor [gedaagde] gesteld. Ingevolge art. 3 lid 3 Wet griffierechten burgerlijke zaken diende [gedaagde] te zorgen dat het door hem verschuldigde griffierecht binnen vier weken nadien zou zijn bijgeschreven op de bankrekening van de rechtbank. Die termijn liep af op 21 november 2012.

3. Mr. [advocaat] heeft niet bestreden dat de betaling te laat is gedaan. Hij heeft een beroep gedaan op het buiten toepassing laten van het bepaalde in artikel 128 lid 6 Rv op de in artikel 127a lid 3 genoemde grond, de zogenoemde hardheidsclausule. Daartoe heeft hij aangevoerd dat per abuis het volledige griffierecht ad € 267,-- in rekening is gebracht, terwijl bij de stelbrief de aanvraag om een toevoeging was meegezonden. Inmiddels is toegezegd dat een creditnota zal worden toegezonden en alsnog het juiste griffierecht ad € 73,-- in rekening zal worden gebracht. Met het oog hierop is alsnog, zij het te laat, betaald.

4. [eiseres] heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

5. De door mr. [advocaat] aangevoerde omstandigheden rechtvaardigen een beroep op de hardheidsclausule niet. Het betreft hier omstandigheden die in de risicosfeer van mr. [advocaat] liggen. Het behoort immers tot zijn verantwoordelijkheid in de door hem bedoelde omstandigheden zodanige maatregelen te treffen dat wordt zorggedragen voor de (tijdige) voldoening van het verschuldigde griffierecht. Daarbij dient bedacht te worden dat, volgens inmiddels vaste rechtspraak, de advocaat op grond van zijn deskundigheid en kennis ten aanzien van onder meer de onderhavige procedure zonder meer geacht moet worden op de hoogte te zijn van de hier aan de orde zijnde termijn en van de verstrekkende gevolgen die de wet verbindt aan (ook een geringe) overschrijding daarvan. In dat licht bezien had mr. [advocaat], teneinde te zorgen voor tijdige betaling van het griffierecht, actie kunnen en moeten ondernemen. Zo had hij het volgens hem wel verschuldigde deel van het griffierecht tijdig kunnen voldoen. De omstandigheid dat hij het griffierecht inmiddels heeft betaald leidt er echter toe dat de zaak alsnog zal worden verwezen naar de rol voor conclusie van antwoord. Daartoe wordt het volgende overwogen.

6. Nu mr. [advocaat] niet tijdig tot betaling van het griffierecht is overgegaan en hem geen beroep op de hardheidsclausule van artikel 127a lid 3 Rv toekomt, moet ingevolge het bepaalde in artikel 128 lid 6 Rv juncto artikel 139 Rv verstek tegen [gedaagde] worden verleend. Omdat mr. [advocaat] evenwel, zo is gebleken, op 30 november 2012 het verschuldigde griffierecht alsnog heeft voldaan, zijn op grond van artikel 142 Rv de gevolgen van het tegen [gedaagde] verleende verstek vervallen, behalve ten aanzien van de daardoor veroorzaakte kosten. Die kosten kunnen aan de zijde van [eiseres] worden begroot op € 192,-- voor salaris van de advocaat (0,5 punt liquidatietarief I). [gedaagde] zal te zijner tijd, bij het eindvonnis, in deze kosten worden veroordeeld.


7. De zaak zal worden verwezen naar de rolzitting voor conclusie van antwoord.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.




De beslissing
De rechtbank


verwijst de zaak naar de zitting van 13 maart 2013 voor conclusie van antwoord,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2013.


Coll.: ED