Rechtbank Oost-Brabant
ECLI:NL:RBOBR:2026:6857
2026-09-24
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
25/2233
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Intrekking huisnummer, verblijfsobject, nevenadres, vertrouwensbeginsel, evenredigheid, Wet BAG, gebonden bevoegdheid, beroep gegrond, rechtsgevolgen in stand.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RVS:2025:2656 Raad van State 11-06-2025
- ECLI:NL:RVS:2013:60 Raad van State 26-06-2013
- ECLI:NL:RVS:2023:772 Raad van State 01-03-2023
- ECLI:NL:CBB:2024:190 College van Beroep voor het bedrijfsleven 26-03-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (26.852 tekens)
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/2233
uitspraak van de meervoudige kamer van 24 september 2026 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] , uit 's-Hertogenbosch, eisers,
(gemachtigden: mr. W.H. Lindhout en mr. M.E.G. Claessen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Hertogenbosch, het college,
(gemachtigden: mr. B. Timmermans en [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van het nevenadres [adres 1] in
’s-Hertogenbosch. Eisers zijn het niet eens met dit besluit. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, maar dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Dat betekent dat de intrekking van het nevenadres in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 29 juli 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij het besluit tot intrekking van het nevenadres [adres 1] in ’s-Hertogenbosch (het bestreden besluit) gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Eisers hebben nog een aanvullend stuk met bijlagen toegestuurd en het college nog een brief met aanvullende informatie.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 8 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigden van eisers en de gemachtigden van het college.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eisers zijn eigenaar van het pand aan de [adres 2] in ’s-Hertogenbosch. Dit hoekpand kent twee adressen. Naast het hoofdadres [adres 2] , waar de hoofdentree van het pand zich bevindt, heeft de andere zijde het nevenadres [adres 1] , waar de toegang tot de tuin en de parkeerkelder zich bevindt.
4. Op 3 februari 2025 heeft het college aan eisers het voornemen gestuurd om het nevenadres [adres 1] in te trekken. Het college heeft daarbij uitgelegd dat zij alleen adressen mag toekennen aan functioneel zelfstandige ruimten die afsluitbaar zijn en voldoende voorzieningen hebben en dat zij aan een woning geen nevenadres uitgeeft. Eisers hebben daarop een zienswijze ingediend.
5. Bij besluit van 24 maart 2025 heeft het college, na delegatie door de gemeenteraad, het nevenadres [adres 1] ingetrokken. Het college heeft in het besluit toegelicht dat de gemeente verplicht is om op grond van de Wet BAG een juiste administratie bij te houden van adressen en gebouwen en daarom ook verplicht is om nummeraanduidingen te corrigeren in geval van onjuistheid. Nummeraanduidingen worden toegekend aan verblijfsobjecten. Volgens het college is het pand [adres 2] slechts één verblijfsobject, omdat het pand feitelijk in gebruik is als woonhuis en zowel het kantoor daarin en de parkeerkelder daarbij geen zelfstandige verblijfsobjecten zijn. Ook is het volgens het college niet mogelijk om een nevenadres toe te kennen aan de parkeerkelder. Tot slot heeft het college erop gewezen dat artikel 6, eerste lid, van de Wet BAG dwingendrechtelijk is geformuleerd en dat daarom geen ruimte bestaat voor een nadere belangenafweging.
6. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit bij brief van 29 april 2025, waarna op 2 juli 2025 een hoorzitting heeft plaatsgevonden.
7. Het college heeft in het bestreden besluit het advies van de commissie van advies voor de bezwaarschriften (de commissie) gevolgd en het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Voor de motivering heeft het college verwezen naar zijn verweerschrift en het advies van de commissie. Kort gezegd blijft het college bij het standpunt dat het verplicht is het nevenadres [adres 1] in te trekken, omdat sprake is van slechts één verblijfsobject en er geen nevenadres kan worden toegekend. Ook blijft het college bij het standpunt dat het dwingendrechtelijk karakter van de toepasselijke regelgeving met zich brengt dat voor een belangenafweging geen plaats is, zodat geen rekening kan worden gehouden met de gevolgen die eisers stellen te ondervinden door de intrekking van het nevenadres.
Beoordeling door de rechtbank
8. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van eisers. Bij de beoordeling gaat de rechtbank uit van de volgende feitelijke situatie die niet in geschil is. Voor de verbouwing tot woonhuis is aan eisers op 21 februari 2022 een omgevingsvergunning verleend. Gelet op de tekeningen bij deze vergunning bestaat de begane grond uit een entree, woonkamer, lounge, keuken, bijkeuken en tuinkamer, de eerste verdieping uit drie slaapkamers, twee badkamers, een werkkamer en een wasruimte en daarboven nog een zolderruimte. Aan de [adres 2] is de hoofdentree van het pand gelegen en aan de [adres 1] is een poort gelegen die toegang geeft tot de tuin met daarin de parkeerkelder. De tuin is ook bereikbaar vanuit de woning via verschillende deuren aan de achterzijde van de woning. De parkeerkelder is gelegen in de tuin en werkt met een liftsysteem voor de auto’s. Op het moment van de zitting is de parkeergarage niet (deels) verhuurd of verkocht aan derden.
9. Hieronder wordt per onderwerp steeds eerst de beroepsgrond van eisers weergegeven, vervolgens het beoordelingskader en daarna het oordeel van de rechtbank waarin het standpunt van het college wordt betrokken.
Verblijfsobject(en)
10. Eisers betogen dat het college ten onrechte uitgaat van slechts één verblijfsobject. Volgens eisers is zowel het kantoor als de parkeerkelder aan te merken als een afzonderlijk verblijfsobject.
11. Een object is alleen een afzonderlijk verblijfsobject als sprake is van:
- een kleinste binnen één of meer panden gelegen en voor woon-, bedrijfsmatige, of recreatieve doeleinden geschikte eenheid van gebruik;
- die ontsloten wordt via een eigen afsluitbare toegang vanaf de openbare weg, een erf of een gedeelde verkeersruimte;
- onderwerp kan zijn van goederenrechtelijke rechtshandelingen; en
- in functioneel opzicht zelfstandig is.
Dit zijn cumulatieve voorwaarden. Dit betekent dat als aan één voorwaarde al niet is voldaan, geen sprake is van een afzonderlijk verblijfsobject. De feitelijke situatie is hierbij leidend.
12. De rechtbank is van oordeel dat het college op grond van de feitelijke situatie zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van één verblijfsobject, te weten het woonhuis [adres 2], en dat de kantoorruimte en de parkeerkelder niet voldoen aan de voorwaarden om te kunnen worden aangemerkt als afzonderlijk verblijfsobject.
13. De kantoorruimte op de eerste verdieping kan niet als afzonderlijk verblijfsobject worden aangemerkt, omdat niet is voldaan aan de voorwaarde dat deze ruimte ontsloten wordt via een eigen afsluitbare toegang vanaf de openbare weg, een erf of een gedeelde verkeersruimte. De kantoorruimte is namelijk alleen te bereiken via de voordeur van het woonhuis en de trap naar de eerste verdieping, waar zich onder meer ook de slaapkamers bevinden. Dat, zoals eisers stellen, door bouwkundige ingrepen een eigen afsluitbare toegang voor de kantoorruimte zou kunnen worden gemaakt, leidt niet tot een ander oordeel, omdat de feitelijke situatie leidend is. Ditzelfde geldt voor eisers stelling dat [adres 2] en [adres 1] goederenrechtelijk kunnen worden gesplitst voor een gedeelte wonen en een gedeelte kantoor. Ook eisers verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2013 leidt niet tot een ander oordeel in deze zaak, al omdat in die uitspraak de kantoorruimte wel een eigen afsluitbare toegang had. Overigens heeft het college in het verweerschrift terecht erop gewezen dat voor de kantoorruimte ook niet is voldaan aan de voorwaarde ‘eenheid van gebruik’, omdat daarvoor is vereist dat die eenheid exclusief beschikt over alle basisvoorzieningen die zijn vereist voor alle gebruiksdoelen van het verblijfsobject, zoals bij een kantoorfunctie de basisvoorzieningen water en toilet. De feitelijke situatie is, zoals door eisers op de zitting ook bevestigd, dat de kantoorruimte op de eerste verdieping niet exclusief beschikt over eigen water en toilet. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de inpandige kantoorruimte - binnen de context van de BAG - niet verschilt van een reguliere slaap- of werkkamer in een woning.
14. Ook de parkeerkelder kan niet als afzonderlijk verblijfsobject worden aangemerkt, omdat niet is voldaan aan de voorwaarde dat deze in functioneel opzicht zelfstandig is. De feitelijke situatie is namelijk dat de parkeerkelder als zodanig exclusief door eisers als bewoners van het pand wordt gebruikt en in hun achtertuin is gelegen. De auto’s moeten om bij de lift naar de parkeerkelder te komen langs in ieder geval één van de tuingerichte deuren van de woning rijden. De parkeerkelder wordt aldus ondersteunend aan de woning gebruikt en is ruimtelijk met de woning verbonden. Daarbij komt dat niet kan worden gezegd dat de poort naar de parkeerkelder zodanig is gelegen dat het niet duidelijk is bij welk woonobject de garage hoort. De poort bevindt zich om de hoek van de hoofdentree in de gevel van het pand. Dat, zoals eisers stellen, zij hun auto’s ook anderszins op hun perceel kunnen parkeren en de parkeerkelder in de toekomst kan worden verhuurd of verkocht, leidt niet tot een ander oordeel, omdat de feitelijke situatie leidend is.
15. Al omdat voor de kantoorruimte en de parkeerkelder aan één of meer van de cumulatieve voorwaarden niet is voldaan, kunnen beide niet worden aangemerkt als zelfstandige verblijfsobject. Wat eisers hebben aangevoerd over de overige voorwaarden, behoeft dan ook geen bespreking.
16. De beroepsgronden van eisers over de verblijfsobjecten slagen niet.
Nevenadres
17. Eisers betogen dat het college ten onrechte geen nevenadres heeft toegekend. Volgens eisers heeft het pand [adres 2] meerdere relevante toegangen; het adres [adres 2] betreft de hoofdentree van de woning en het adres [adres 1] leidt naar de parkeerkelder. Het adres [adres 1] heeft dan ook een wezenlijke betekenis bij het aanduiden van het object, aldus eisers.
18. Een nevenadres mag alleen worden toegekend wanneer:
- er meerdere relevante toegangen zijn; én
- een toegang een wezenlijke betekenis heeft bij het aanduiden van het object (zoals een leveranciersingang).
Een nevenadres is een eigenschap van het geheel van hetzelfde verblijfsobject als het hoofdadres en niet van slechts een gedeelte ervan. Een nevenadres wordt niet toegekend aan woningen.
19. De rechtbank is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de toegang naar de parkeerkelder geen wezenlijke betekenis heeft bij de aanduiding daarvan. Het gaat hier om een poort die toegang geeft tot de tuin die exclusief behoort bij de woning van eisers en waarin de parkeerkelder is gelegen die exclusief door eisers wordt gebruikt. De poort is gelegen in de gevel van het hoekpand en de toegang is alleen van belang voor eisers en hun bezoek. Dat een adres de vindbaarheid van de poort zou vergroten, is in dit geval onvoldoende om van een wezenlijke betekenis te spreken. Verder zijn er geen andere redenen om te zeggen dat de toegang een wezenlijke betekenis heeft bij het aanduiden van het object en dat de toegang voor derden bekend zou moeten zijn. Welke rol het door eisers gestelde kantoorhouden van eisers’ B.V. in de kantoorruimte op de eerste verdieping van de woning hierbij speelt, valt, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet in te zien. Verder is van een (gedeeltelijke) verhuur of verkoop van de garage aan derden op dit moment geen sprake. Het college had dan ook geen nevenadres hoeven toekennen.
20. De beroepsgrond van eisers over het nevenadres slaagt niet.
Vertrouwensbeginsel
21. Eisers betogen dat het college door het intrekken van het nevenadres [adres 1] in strijd handelt met het vertrouwensbeginsel. Eisers wijzen op de door de gemeente verleende bouwvergunning van 21 februari 2022 en de door de gemeente afgestempelde bouwtekeningen, waaronder die van ‘Boink’. Hierop staan twee elektriciteitsaansluitingen en eisers stellen dat daarvoor twee adressen nodig zijn. Volgens eisers heeft het college hiermee het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat de monumentale hoekpanden over twee elektriciteitsaansluitingen mogen beschikken en in dat kader ook mogen behouden. Door het nevenadres [adres 1] nu in te trekken, dreigen eisers de tweede aansluiting te verliezen. Volgens eisers handelt het college door de intrekking jegens eisers in strijd met het vertrouwensbeginsel door deze gerechtvaardigde verwachtingen bij eisers niet te honoreren. Tijdens het lange intensieve overlegtraject voorafgaand aan de vergunningverlening in 2022 is een nummerintrekking volgens eisers niet ter sprake gekomen. Ook is de afdeling Belastingen volgens eisers al sinds 2011 op de hoogte van de situatie en heeft de vergunning uit 2022 ook geen aanleiding gevormd voor die afdeling om één van de huisnummers in te trekken.
22. Voor een geslaagd beroep het vertrouwensbeginsel is vereist dat eisers aannemelijk maken dat van de kant van het college toezeggingen of uitlatingen zijn gedaan waaruit eisers in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs konden en mochten afleiden dat, in dit geval, het college het nevenadres [adres 1] niet zou intrekken.
23. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eisers op het vertrouwensbeginsel niet slaagt, omdat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat er toezeggingen of uitlatingen zijn gedaan waaruit zij de gerechtvaardigde verwachting mochten hebben dat het college niet over zou gaan tot intrekking van het nevenadres [adres 1] . Wat eisers aanvoeren, heeft betrekking op de elektriciteitsaansluitingen. Anders dan eisers betogen, is een elektriciteitsaansluiting niet gebonden aan een adres. Het college heeft zich daarover terecht op het standpunt gesteld dat een huisnummerbesluit of een BAG-registratie niet bepaalt hoeveel aansluitingen zijn toegestaan, maar dat leidend is het criterium uit de Wet waardering onroerende zaken. De rechtbank wijst op artikel 1.1, aanhef en onder a, van de Energiewet, waarin staat wat onder een aansluiting moet worden verstaan. Het afstempelen van de bouwtekeningen en verlenen van de vergunning zijn dan ook geen uitlatingen of gedragingen waaruit kon en mocht worden afgeleid dat het college niet tot intrekking van het nevenadres [adres 1] zou overgaan. Ook overigens zijn zulke toezeggingen of uitlatingen niet aannemelijk gemaakt. In eisers beroepsgronden staat dat een nummerintrekking in het hele voortraject niet ter sprake is gekomen. Het college is op grond van de Wet BAG, een wet in formele zin, verplicht om nummeraanduidingen te corrigeren in geval van onjuistheid. Dat het college al eerder op de hoogte kon zijn van de onjuistheid maar niet onmiddellijk tot intrekking is overgegaan, levert geen gerechtvaardigd vertrouwen op dat het college geen uitvoering meer zou geven aan de op hem rustende wettelijke verplichting.
24. De beroepsgrond van eisers over het vertrouwensbeginsel slaagt niet.
Evenredigheid
25. Eisers betogen dat de bijzondere omstandigheden die zij hebben aangedragen, maken dat de gevolgen van het besluit onevenredig zijn, waardoor de toepassing van de wettelijke bepaling achterwege had moet worden gelaten. Eisers betogen dat het college dit ten onrechte niet heeft beoordeeld. Eisers verwijzen hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 1 maart 2023 en de uitspraak van 26 maart 2024 van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb). Eisers noemen de volgende bijzondere omstandigheden.
Door de intrekking van het nevenadres [adres 1] zal het pand terug moeten gaan naar de enkele elektriciteitsaansluiting van [adres 2] , want zij hebben destijds juist vanwege het tweede adres een tweede aansluiting gekregen. Eisers stellen dat zij dan op slopershoogte zijn, omdat muren en vloeren opengebroken moeten worden om de gehele elektrische installatie opnieuw aan te leggen en het geheel aan te passen naar verwarming op gas. Ter onderbouwing hebben eisers schermafbeeldingen van een website van Enexis en een brief van hun aannemer overgelegd.
Door de intrekking van het nevenadres [adres 1] vervalt het daarbij horende monumentnummer waarmee het adres is ingeschreven in het Rijksmonumentenregister en gaat de monumentale status ervan verloren. Eisers verwijzen naar de bouwhistorische notitie ' [adres 2] / [adres 1] ' van januari 2011. Eisers vrezen dat zij als gevolg hiervan de voor de uitgevoerde werkzaamheden ontvangen subsidie moeten terugbetalen en dat de mogelijkheid om subsidie te krijgen voor de instandhouding van het monument verloren dreigt te gaan. Ter zitting hebben eisers toegelicht dat zij subsidie hebben gekregen op het monumentnummer. Verder stellen eisers dat ook de cultuurhistorische waarde verloren zal gaan bij intrekking van het adres. Hiervoor wijzen zij op het contact dat zij hebben gehad met een ambtenaar van de afdeling Erfgoed van de gemeente 's-Hertogenbosch.
26. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit tot intrekking van het nevenadres [adres 1] berust op een gebonden bevoegdheid die haar grondslag vindt in een wet in formele zin, te weten artikel 6, eerste lid, van de Wet BAG. Volgens vaste rechtspraak, door eisers ook genoemd, verzet het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet zich tegen een toetsing van artikel 6, eerste lid, van de Wet BAG aan het evenredigheidsbeginsel. Dit neemt niet weg dat als sprake is van bijzondere omstandigheden die niet (ten volle) zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en die leiden tot gevolgen die niet stroken met wat de wetgever kan hebben bedoeld of voorzien, de toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven.
27. De rechtbank stelt vast dat het college in het bestreden besluit heeft volstaan met de stelling dat het dwingendrechtelijk karakter van de toepasselijke regelgeving met zich brengt dat voor een belangenafweging geen plaats is, zodat geen rekening kan worden gehouden met de gevolgen die eisers stellen te ondervinden door de intrekking van het nevenadres. Hiermee heeft het college naar het oordeel van de rechtbank bovenstaand beoordelingskader miskend. Het college had kenbaar moeten onderzoeken en motiveren of in wat eisers hebben gesteld bijzondere omstandigheden zijn gelegen om artikel 6, eerste lid, van de Wet BAG niet toe te passen. Door dit niet te doen, heeft het college gehandeld in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.
28. De beroepsgrond slaagt. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.
29. De rechtbank zal vervolgens beoordelen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten. Hiervoor moet de rechtbank beoordelen of in wat eisers hebben gesteld bijzondere omstandigheden zijn gelegen. De rechtbank stelt vast dat de door eisers genoemde omstandigheden in wezen zijn terug te voeren op gevreesde financiële gevolgen. Ten eerste een dure verbouwing door het kwijtraken van hun tweede elektriciteitsaansluiting. Ten tweede het moeten terugbetalen van ontvangen subsidie en het in de toekomst geen aanspraak kunnen maken op subsidie door het vervallen van het monumentnummer. De rechtbank is van oordeel dat deze omstandigheden niet aannemelijk zijn geworden. Zo hebben eisers niet onderbouwd dat als gevolg van de intrekking van het nevenadres [adres 1] de tweede elektriciteitsaansluiting zal worden verwijderd. Eisers hebben dit niet onderbouwd met stukken. De door eisers overgelegde screenshots van de website van Enexis zijn daarvoor onvoldoende, omdat deze zien op het verkrijgen van een nieuwe aansluiting en dat is hier niet aan de orde. Daar staat tegenover dat, zoals hiervoor onder 23. is overwogen, een huisnummerbesluit of een BAG-registratie niet bepaalt hoeveel aansluitingen zijn toegestaan, maar dat leidend is het criterium uit de Wet waardering onroerende zaken. Het college heeft nog bij brief van 25 augustus 2026 een uitdraai van een e-mail van een medewerker van Enexis netbeheer B.V. overgelegd, waarin, onder meer, het volgende staat:
“Voor ons is het WOZ object leidend – niet adresgegevens in de BAG. Er is dus geen enkel verschil voor ons tussen het wel of niet in stand houden van het nevenadres – het is 1 WOZ object en blijft 1 WOZ object, met dus in principe recht op 1 aansluiting. Dat deze klant twee losse aansluitingen heeft gekregen is dus al mazzel geweest voor de klant. Uitgangspunt blijft uiteraard hetzelfde: wij gaan niks proactief verwijderen en respecteren de huidige situatie uit coulance naar de klant.
Maar de intrekking van het nevenadres is dus irrelevant wat ons betreft voor de mogelijkheden van de klant in de toekomst.”
De door eisers gestelde financiële gevolgen van de verwijdering van de aansluiting zijn daarmee ook niet aannemelijk geworden.
Ook hebben eisers niet onderbouwd dat het vervallen van het monumentnummer door de intrekking van het nevenadres [adres 1] voor hen financiële of andere gevolgen zal hebben. Eisers vrezen dit, maar hebben dit niet onderbouwd met stukken. Daar staat tegenover dat het college op de zitting heeft gesteld eisers op dat punt te kunnen geruststellen, omdat de monumentenstatus op het pand rust en dat één en ander kan worden opgelost door aanpassing van de beschrijving van het monumentnummer behorende bij [adres 2] . Hoe dan ook is niet aannemelijk geworden dat het vervallen van het monumentnummer behorende bij het nevenadres [adres 1] de gestelde gevolgen heeft voor eisers.
30. Omdat de gestelde bijzondere omstandigheden niet aannemelijk zijn gemaakt, behoeft de vervolgvraag, of deze omstandigheden al dan niet (ten volle) door wetgever zijn verdisconteerd, geen beantwoording meer. Niet aannemelijk gemaakte omstandigheden kunnen namelijk niet leiden tot het buiten toepassing laten van een wettelijke bepaling. Wat eisers in dit kader hebben aangevoerd, leidt dan ook niet tot een andere uitkomst. Dit betekent dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten.
Conclusie en gevolgen
31. Gelet op het geconstateerde zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek (onder 27.) is het beroep gegrond. Gelet op de beoordeling onder 29. en 30. blijven de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dat betekent dat de intrekking van het nevenadres [adres 1] in stand blijft. Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding voor hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De hoogte van de vergoeding stelt de rechtbank op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt vast. De proceskosten van eisers bestaan uit kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De vergoeding hiervoor stelt de rechtbank vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroep en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van het college van 29 juli 2025;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van
€ 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Bos, voorzitter, en mr. M.M.L. Wijnen en mr. M.P. Schutte, leden, in aanwezigheid van mr. V. Vonk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 6, eerste en vierde lid, van de Wet basisregistraties adressen en gebouwen (Wet BAG) en artikel 2, aanhef en vierde en vijfde lid, van de Verordening naamgeving en nummering 2018.
Artikel 1, aanhef en onder m, van de Wet BAG, artikel 17, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet BAG, Catalogus BAG 2018, paragrafen 6.8 en 10.8, en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 11 juni 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2656).
ECLI:NL:RVS:2013:60.
Catalogus BAG 2018, paragraaf 10.8, onder 2.
Catalogus BAG 2018, paragraaf 10.2.
artikel 5, aanhef en onder 2, van de Verordening naamgeving en nummering 2018.
een deel van een transmissie- of distributiesysteem dat bestaat uit één of meer leidingen en daarmee verbonden hulpmiddelen, tussen een transmissie- of distributiesysteem en een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken.
ECLI:NL:RVS:2023:772.
ECLI:NL:CBB:2024:190.
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/2233
uitspraak van de meervoudige kamer van 24 september 2026 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] , uit 's-Hertogenbosch, eisers,
(gemachtigden: mr. W.H. Lindhout en mr. M.E.G. Claessen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Hertogenbosch, het college,
(gemachtigden: mr. B. Timmermans en [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van het nevenadres [adres 1] in
’s-Hertogenbosch. Eisers zijn het niet eens met dit besluit. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, maar dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Dat betekent dat de intrekking van het nevenadres in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 29 juli 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij het besluit tot intrekking van het nevenadres [adres 1] in ’s-Hertogenbosch (het bestreden besluit) gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Eisers hebben nog een aanvullend stuk met bijlagen toegestuurd en het college nog een brief met aanvullende informatie.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 8 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigden van eisers en de gemachtigden van het college.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eisers zijn eigenaar van het pand aan de [adres 2] in ’s-Hertogenbosch. Dit hoekpand kent twee adressen. Naast het hoofdadres [adres 2] , waar de hoofdentree van het pand zich bevindt, heeft de andere zijde het nevenadres [adres 1] , waar de toegang tot de tuin en de parkeerkelder zich bevindt.
4. Op 3 februari 2025 heeft het college aan eisers het voornemen gestuurd om het nevenadres [adres 1] in te trekken. Het college heeft daarbij uitgelegd dat zij alleen adressen mag toekennen aan functioneel zelfstandige ruimten die afsluitbaar zijn en voldoende voorzieningen hebben en dat zij aan een woning geen nevenadres uitgeeft. Eisers hebben daarop een zienswijze ingediend.
5. Bij besluit van 24 maart 2025 heeft het college, na delegatie door de gemeenteraad, het nevenadres [adres 1] ingetrokken. Het college heeft in het besluit toegelicht dat de gemeente verplicht is om op grond van de Wet BAG een juiste administratie bij te houden van adressen en gebouwen en daarom ook verplicht is om nummeraanduidingen te corrigeren in geval van onjuistheid. Nummeraanduidingen worden toegekend aan verblijfsobjecten. Volgens het college is het pand [adres 2] slechts één verblijfsobject, omdat het pand feitelijk in gebruik is als woonhuis en zowel het kantoor daarin en de parkeerkelder daarbij geen zelfstandige verblijfsobjecten zijn. Ook is het volgens het college niet mogelijk om een nevenadres toe te kennen aan de parkeerkelder. Tot slot heeft het college erop gewezen dat artikel 6, eerste lid, van de Wet BAG dwingendrechtelijk is geformuleerd en dat daarom geen ruimte bestaat voor een nadere belangenafweging.
6. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit bij brief van 29 april 2025, waarna op 2 juli 2025 een hoorzitting heeft plaatsgevonden.
7. Het college heeft in het bestreden besluit het advies van de commissie van advies voor de bezwaarschriften (de commissie) gevolgd en het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Voor de motivering heeft het college verwezen naar zijn verweerschrift en het advies van de commissie. Kort gezegd blijft het college bij het standpunt dat het verplicht is het nevenadres [adres 1] in te trekken, omdat sprake is van slechts één verblijfsobject en er geen nevenadres kan worden toegekend. Ook blijft het college bij het standpunt dat het dwingendrechtelijk karakter van de toepasselijke regelgeving met zich brengt dat voor een belangenafweging geen plaats is, zodat geen rekening kan worden gehouden met de gevolgen die eisers stellen te ondervinden door de intrekking van het nevenadres.
Beoordeling door de rechtbank
8. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van eisers. Bij de beoordeling gaat de rechtbank uit van de volgende feitelijke situatie die niet in geschil is. Voor de verbouwing tot woonhuis is aan eisers op 21 februari 2022 een omgevingsvergunning verleend. Gelet op de tekeningen bij deze vergunning bestaat de begane grond uit een entree, woonkamer, lounge, keuken, bijkeuken en tuinkamer, de eerste verdieping uit drie slaapkamers, twee badkamers, een werkkamer en een wasruimte en daarboven nog een zolderruimte. Aan de [adres 2] is de hoofdentree van het pand gelegen en aan de [adres 1] is een poort gelegen die toegang geeft tot de tuin met daarin de parkeerkelder. De tuin is ook bereikbaar vanuit de woning via verschillende deuren aan de achterzijde van de woning. De parkeerkelder is gelegen in de tuin en werkt met een liftsysteem voor de auto’s. Op het moment van de zitting is de parkeergarage niet (deels) verhuurd of verkocht aan derden.
9. Hieronder wordt per onderwerp steeds eerst de beroepsgrond van eisers weergegeven, vervolgens het beoordelingskader en daarna het oordeel van de rechtbank waarin het standpunt van het college wordt betrokken.
Verblijfsobject(en)
10. Eisers betogen dat het college ten onrechte uitgaat van slechts één verblijfsobject. Volgens eisers is zowel het kantoor als de parkeerkelder aan te merken als een afzonderlijk verblijfsobject.
11. Een object is alleen een afzonderlijk verblijfsobject als sprake is van:
- een kleinste binnen één of meer panden gelegen en voor woon-, bedrijfsmatige, of recreatieve doeleinden geschikte eenheid van gebruik;
- die ontsloten wordt via een eigen afsluitbare toegang vanaf de openbare weg, een erf of een gedeelde verkeersruimte;
- onderwerp kan zijn van goederenrechtelijke rechtshandelingen; en
- in functioneel opzicht zelfstandig is.
Dit zijn cumulatieve voorwaarden. Dit betekent dat als aan één voorwaarde al niet is voldaan, geen sprake is van een afzonderlijk verblijfsobject. De feitelijke situatie is hierbij leidend.
12. De rechtbank is van oordeel dat het college op grond van de feitelijke situatie zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van één verblijfsobject, te weten het woonhuis [adres 2], en dat de kantoorruimte en de parkeerkelder niet voldoen aan de voorwaarden om te kunnen worden aangemerkt als afzonderlijk verblijfsobject.
13. De kantoorruimte op de eerste verdieping kan niet als afzonderlijk verblijfsobject worden aangemerkt, omdat niet is voldaan aan de voorwaarde dat deze ruimte ontsloten wordt via een eigen afsluitbare toegang vanaf de openbare weg, een erf of een gedeelde verkeersruimte. De kantoorruimte is namelijk alleen te bereiken via de voordeur van het woonhuis en de trap naar de eerste verdieping, waar zich onder meer ook de slaapkamers bevinden. Dat, zoals eisers stellen, door bouwkundige ingrepen een eigen afsluitbare toegang voor de kantoorruimte zou kunnen worden gemaakt, leidt niet tot een ander oordeel, omdat de feitelijke situatie leidend is. Ditzelfde geldt voor eisers stelling dat [adres 2] en [adres 1] goederenrechtelijk kunnen worden gesplitst voor een gedeelte wonen en een gedeelte kantoor. Ook eisers verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2013 leidt niet tot een ander oordeel in deze zaak, al omdat in die uitspraak de kantoorruimte wel een eigen afsluitbare toegang had. Overigens heeft het college in het verweerschrift terecht erop gewezen dat voor de kantoorruimte ook niet is voldaan aan de voorwaarde ‘eenheid van gebruik’, omdat daarvoor is vereist dat die eenheid exclusief beschikt over alle basisvoorzieningen die zijn vereist voor alle gebruiksdoelen van het verblijfsobject, zoals bij een kantoorfunctie de basisvoorzieningen water en toilet. De feitelijke situatie is, zoals door eisers op de zitting ook bevestigd, dat de kantoorruimte op de eerste verdieping niet exclusief beschikt over eigen water en toilet. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de inpandige kantoorruimte - binnen de context van de BAG - niet verschilt van een reguliere slaap- of werkkamer in een woning.
14. Ook de parkeerkelder kan niet als afzonderlijk verblijfsobject worden aangemerkt, omdat niet is voldaan aan de voorwaarde dat deze in functioneel opzicht zelfstandig is. De feitelijke situatie is namelijk dat de parkeerkelder als zodanig exclusief door eisers als bewoners van het pand wordt gebruikt en in hun achtertuin is gelegen. De auto’s moeten om bij de lift naar de parkeerkelder te komen langs in ieder geval één van de tuingerichte deuren van de woning rijden. De parkeerkelder wordt aldus ondersteunend aan de woning gebruikt en is ruimtelijk met de woning verbonden. Daarbij komt dat niet kan worden gezegd dat de poort naar de parkeerkelder zodanig is gelegen dat het niet duidelijk is bij welk woonobject de garage hoort. De poort bevindt zich om de hoek van de hoofdentree in de gevel van het pand. Dat, zoals eisers stellen, zij hun auto’s ook anderszins op hun perceel kunnen parkeren en de parkeerkelder in de toekomst kan worden verhuurd of verkocht, leidt niet tot een ander oordeel, omdat de feitelijke situatie leidend is.
15. Al omdat voor de kantoorruimte en de parkeerkelder aan één of meer van de cumulatieve voorwaarden niet is voldaan, kunnen beide niet worden aangemerkt als zelfstandige verblijfsobject. Wat eisers hebben aangevoerd over de overige voorwaarden, behoeft dan ook geen bespreking.
16. De beroepsgronden van eisers over de verblijfsobjecten slagen niet.
Nevenadres
17. Eisers betogen dat het college ten onrechte geen nevenadres heeft toegekend. Volgens eisers heeft het pand [adres 2] meerdere relevante toegangen; het adres [adres 2] betreft de hoofdentree van de woning en het adres [adres 1] leidt naar de parkeerkelder. Het adres [adres 1] heeft dan ook een wezenlijke betekenis bij het aanduiden van het object, aldus eisers.
18. Een nevenadres mag alleen worden toegekend wanneer:
- er meerdere relevante toegangen zijn; én
- een toegang een wezenlijke betekenis heeft bij het aanduiden van het object (zoals een leveranciersingang).
Een nevenadres is een eigenschap van het geheel van hetzelfde verblijfsobject als het hoofdadres en niet van slechts een gedeelte ervan. Een nevenadres wordt niet toegekend aan woningen.
19. De rechtbank is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de toegang naar de parkeerkelder geen wezenlijke betekenis heeft bij de aanduiding daarvan. Het gaat hier om een poort die toegang geeft tot de tuin die exclusief behoort bij de woning van eisers en waarin de parkeerkelder is gelegen die exclusief door eisers wordt gebruikt. De poort is gelegen in de gevel van het hoekpand en de toegang is alleen van belang voor eisers en hun bezoek. Dat een adres de vindbaarheid van de poort zou vergroten, is in dit geval onvoldoende om van een wezenlijke betekenis te spreken. Verder zijn er geen andere redenen om te zeggen dat de toegang een wezenlijke betekenis heeft bij het aanduiden van het object en dat de toegang voor derden bekend zou moeten zijn. Welke rol het door eisers gestelde kantoorhouden van eisers’ B.V. in de kantoorruimte op de eerste verdieping van de woning hierbij speelt, valt, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet in te zien. Verder is van een (gedeeltelijke) verhuur of verkoop van de garage aan derden op dit moment geen sprake. Het college had dan ook geen nevenadres hoeven toekennen.
20. De beroepsgrond van eisers over het nevenadres slaagt niet.
Vertrouwensbeginsel
21. Eisers betogen dat het college door het intrekken van het nevenadres [adres 1] in strijd handelt met het vertrouwensbeginsel. Eisers wijzen op de door de gemeente verleende bouwvergunning van 21 februari 2022 en de door de gemeente afgestempelde bouwtekeningen, waaronder die van ‘Boink’. Hierop staan twee elektriciteitsaansluitingen en eisers stellen dat daarvoor twee adressen nodig zijn. Volgens eisers heeft het college hiermee het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat de monumentale hoekpanden over twee elektriciteitsaansluitingen mogen beschikken en in dat kader ook mogen behouden. Door het nevenadres [adres 1] nu in te trekken, dreigen eisers de tweede aansluiting te verliezen. Volgens eisers handelt het college door de intrekking jegens eisers in strijd met het vertrouwensbeginsel door deze gerechtvaardigde verwachtingen bij eisers niet te honoreren. Tijdens het lange intensieve overlegtraject voorafgaand aan de vergunningverlening in 2022 is een nummerintrekking volgens eisers niet ter sprake gekomen. Ook is de afdeling Belastingen volgens eisers al sinds 2011 op de hoogte van de situatie en heeft de vergunning uit 2022 ook geen aanleiding gevormd voor die afdeling om één van de huisnummers in te trekken.
22. Voor een geslaagd beroep het vertrouwensbeginsel is vereist dat eisers aannemelijk maken dat van de kant van het college toezeggingen of uitlatingen zijn gedaan waaruit eisers in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs konden en mochten afleiden dat, in dit geval, het college het nevenadres [adres 1] niet zou intrekken.
23. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eisers op het vertrouwensbeginsel niet slaagt, omdat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat er toezeggingen of uitlatingen zijn gedaan waaruit zij de gerechtvaardigde verwachting mochten hebben dat het college niet over zou gaan tot intrekking van het nevenadres [adres 1] . Wat eisers aanvoeren, heeft betrekking op de elektriciteitsaansluitingen. Anders dan eisers betogen, is een elektriciteitsaansluiting niet gebonden aan een adres. Het college heeft zich daarover terecht op het standpunt gesteld dat een huisnummerbesluit of een BAG-registratie niet bepaalt hoeveel aansluitingen zijn toegestaan, maar dat leidend is het criterium uit de Wet waardering onroerende zaken. De rechtbank wijst op artikel 1.1, aanhef en onder a, van de Energiewet, waarin staat wat onder een aansluiting moet worden verstaan. Het afstempelen van de bouwtekeningen en verlenen van de vergunning zijn dan ook geen uitlatingen of gedragingen waaruit kon en mocht worden afgeleid dat het college niet tot intrekking van het nevenadres [adres 1] zou overgaan. Ook overigens zijn zulke toezeggingen of uitlatingen niet aannemelijk gemaakt. In eisers beroepsgronden staat dat een nummerintrekking in het hele voortraject niet ter sprake is gekomen. Het college is op grond van de Wet BAG, een wet in formele zin, verplicht om nummeraanduidingen te corrigeren in geval van onjuistheid. Dat het college al eerder op de hoogte kon zijn van de onjuistheid maar niet onmiddellijk tot intrekking is overgegaan, levert geen gerechtvaardigd vertrouwen op dat het college geen uitvoering meer zou geven aan de op hem rustende wettelijke verplichting.
24. De beroepsgrond van eisers over het vertrouwensbeginsel slaagt niet.
Evenredigheid
25. Eisers betogen dat de bijzondere omstandigheden die zij hebben aangedragen, maken dat de gevolgen van het besluit onevenredig zijn, waardoor de toepassing van de wettelijke bepaling achterwege had moet worden gelaten. Eisers betogen dat het college dit ten onrechte niet heeft beoordeeld. Eisers verwijzen hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 1 maart 2023 en de uitspraak van 26 maart 2024 van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb). Eisers noemen de volgende bijzondere omstandigheden.
Door de intrekking van het nevenadres [adres 1] zal het pand terug moeten gaan naar de enkele elektriciteitsaansluiting van [adres 2] , want zij hebben destijds juist vanwege het tweede adres een tweede aansluiting gekregen. Eisers stellen dat zij dan op slopershoogte zijn, omdat muren en vloeren opengebroken moeten worden om de gehele elektrische installatie opnieuw aan te leggen en het geheel aan te passen naar verwarming op gas. Ter onderbouwing hebben eisers schermafbeeldingen van een website van Enexis en een brief van hun aannemer overgelegd.
Door de intrekking van het nevenadres [adres 1] vervalt het daarbij horende monumentnummer waarmee het adres is ingeschreven in het Rijksmonumentenregister en gaat de monumentale status ervan verloren. Eisers verwijzen naar de bouwhistorische notitie ' [adres 2] / [adres 1] ' van januari 2011. Eisers vrezen dat zij als gevolg hiervan de voor de uitgevoerde werkzaamheden ontvangen subsidie moeten terugbetalen en dat de mogelijkheid om subsidie te krijgen voor de instandhouding van het monument verloren dreigt te gaan. Ter zitting hebben eisers toegelicht dat zij subsidie hebben gekregen op het monumentnummer. Verder stellen eisers dat ook de cultuurhistorische waarde verloren zal gaan bij intrekking van het adres. Hiervoor wijzen zij op het contact dat zij hebben gehad met een ambtenaar van de afdeling Erfgoed van de gemeente 's-Hertogenbosch.
26. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit tot intrekking van het nevenadres [adres 1] berust op een gebonden bevoegdheid die haar grondslag vindt in een wet in formele zin, te weten artikel 6, eerste lid, van de Wet BAG. Volgens vaste rechtspraak, door eisers ook genoemd, verzet het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet zich tegen een toetsing van artikel 6, eerste lid, van de Wet BAG aan het evenredigheidsbeginsel. Dit neemt niet weg dat als sprake is van bijzondere omstandigheden die niet (ten volle) zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en die leiden tot gevolgen die niet stroken met wat de wetgever kan hebben bedoeld of voorzien, de toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven.
27. De rechtbank stelt vast dat het college in het bestreden besluit heeft volstaan met de stelling dat het dwingendrechtelijk karakter van de toepasselijke regelgeving met zich brengt dat voor een belangenafweging geen plaats is, zodat geen rekening kan worden gehouden met de gevolgen die eisers stellen te ondervinden door de intrekking van het nevenadres. Hiermee heeft het college naar het oordeel van de rechtbank bovenstaand beoordelingskader miskend. Het college had kenbaar moeten onderzoeken en motiveren of in wat eisers hebben gesteld bijzondere omstandigheden zijn gelegen om artikel 6, eerste lid, van de Wet BAG niet toe te passen. Door dit niet te doen, heeft het college gehandeld in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.
28. De beroepsgrond slaagt. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.
29. De rechtbank zal vervolgens beoordelen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten. Hiervoor moet de rechtbank beoordelen of in wat eisers hebben gesteld bijzondere omstandigheden zijn gelegen. De rechtbank stelt vast dat de door eisers genoemde omstandigheden in wezen zijn terug te voeren op gevreesde financiële gevolgen. Ten eerste een dure verbouwing door het kwijtraken van hun tweede elektriciteitsaansluiting. Ten tweede het moeten terugbetalen van ontvangen subsidie en het in de toekomst geen aanspraak kunnen maken op subsidie door het vervallen van het monumentnummer. De rechtbank is van oordeel dat deze omstandigheden niet aannemelijk zijn geworden. Zo hebben eisers niet onderbouwd dat als gevolg van de intrekking van het nevenadres [adres 1] de tweede elektriciteitsaansluiting zal worden verwijderd. Eisers hebben dit niet onderbouwd met stukken. De door eisers overgelegde screenshots van de website van Enexis zijn daarvoor onvoldoende, omdat deze zien op het verkrijgen van een nieuwe aansluiting en dat is hier niet aan de orde. Daar staat tegenover dat, zoals hiervoor onder 23. is overwogen, een huisnummerbesluit of een BAG-registratie niet bepaalt hoeveel aansluitingen zijn toegestaan, maar dat leidend is het criterium uit de Wet waardering onroerende zaken. Het college heeft nog bij brief van 25 augustus 2026 een uitdraai van een e-mail van een medewerker van Enexis netbeheer B.V. overgelegd, waarin, onder meer, het volgende staat:
“Voor ons is het WOZ object leidend – niet adresgegevens in de BAG. Er is dus geen enkel verschil voor ons tussen het wel of niet in stand houden van het nevenadres – het is 1 WOZ object en blijft 1 WOZ object, met dus in principe recht op 1 aansluiting. Dat deze klant twee losse aansluitingen heeft gekregen is dus al mazzel geweest voor de klant. Uitgangspunt blijft uiteraard hetzelfde: wij gaan niks proactief verwijderen en respecteren de huidige situatie uit coulance naar de klant.
Maar de intrekking van het nevenadres is dus irrelevant wat ons betreft voor de mogelijkheden van de klant in de toekomst.”
De door eisers gestelde financiële gevolgen van de verwijdering van de aansluiting zijn daarmee ook niet aannemelijk geworden.
Ook hebben eisers niet onderbouwd dat het vervallen van het monumentnummer door de intrekking van het nevenadres [adres 1] voor hen financiële of andere gevolgen zal hebben. Eisers vrezen dit, maar hebben dit niet onderbouwd met stukken. Daar staat tegenover dat het college op de zitting heeft gesteld eisers op dat punt te kunnen geruststellen, omdat de monumentenstatus op het pand rust en dat één en ander kan worden opgelost door aanpassing van de beschrijving van het monumentnummer behorende bij [adres 2] . Hoe dan ook is niet aannemelijk geworden dat het vervallen van het monumentnummer behorende bij het nevenadres [adres 1] de gestelde gevolgen heeft voor eisers.
30. Omdat de gestelde bijzondere omstandigheden niet aannemelijk zijn gemaakt, behoeft de vervolgvraag, of deze omstandigheden al dan niet (ten volle) door wetgever zijn verdisconteerd, geen beantwoording meer. Niet aannemelijk gemaakte omstandigheden kunnen namelijk niet leiden tot het buiten toepassing laten van een wettelijke bepaling. Wat eisers in dit kader hebben aangevoerd, leidt dan ook niet tot een andere uitkomst. Dit betekent dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten.
Conclusie en gevolgen
31. Gelet op het geconstateerde zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek (onder 27.) is het beroep gegrond. Gelet op de beoordeling onder 29. en 30. blijven de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dat betekent dat de intrekking van het nevenadres [adres 1] in stand blijft. Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding voor hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De hoogte van de vergoeding stelt de rechtbank op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt vast. De proceskosten van eisers bestaan uit kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De vergoeding hiervoor stelt de rechtbank vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroep en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van het college van 29 juli 2025;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van
€ 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Bos, voorzitter, en mr. M.M.L. Wijnen en mr. M.P. Schutte, leden, in aanwezigheid van mr. V. Vonk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 6, eerste en vierde lid, van de Wet basisregistraties adressen en gebouwen (Wet BAG) en artikel 2, aanhef en vierde en vijfde lid, van de Verordening naamgeving en nummering 2018.
Artikel 1, aanhef en onder m, van de Wet BAG, artikel 17, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet BAG, Catalogus BAG 2018, paragrafen 6.8 en 10.8, en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 11 juni 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2656).
ECLI:NL:RVS:2013:60.
Catalogus BAG 2018, paragraaf 10.8, onder 2.
Catalogus BAG 2018, paragraaf 10.2.
artikel 5, aanhef en onder 2, van de Verordening naamgeving en nummering 2018.
een deel van een transmissie- of distributiesysteem dat bestaat uit één of meer leidingen en daarmee verbonden hulpmiddelen, tussen een transmissie- of distributiesysteem en een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken.
ECLI:NL:RVS:2023:772.
ECLI:NL:CBB:2024:190.