Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Oost-Brabant

ECLI:NL:RBOBR:2026:6660

2026-09-16 Civiel recht C/01/415311 / HA ZA 25-312
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Uitspraakdatum
2026-09-16
Publicatiedatum
2026-09-15
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
C/01/415311 / HA ZA 25-312
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad. Partijen zijn afkomstig uit Somalië. De vrouw wil dat de man zijn medewerking verleent aan de ontbinding van hun religieus huwelijk, dat in Ethiopië zou zijn voltrokken. De man ontkent dat er een huwelijk is gesloten. De rechtbank oordeelt dat sprake is van een huwelijk en dat de weigerachtige houding van de man om mee te werken aan de ontbinding een onrechtmatige daad vormt. De man wordt veroordeeld mee te werken aan de ontbinding van het huwelijk door de talaq.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (30.950 tekens)
RECHTBANK Oost-Brabant


Civiel recht



Zittingsplaats 's-Hertogenbosch



Zaaknummer: C/01/415311 / HA ZA 25-312





Vonnis van 16 september 2026




in de zaak van





[eiseres]
,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. J.M.G. Cox,



tegen





[gedaagde]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. M.H. Kroon.






1Inleiding en korte samenvatting beslissing


1.1.
Partijen zijn afkomstig uit Somalië. De vrouw wil dat de man zijn medewerking verleend aan de ontbinding van hun religieus huwelijk, dat in 2011 in Ethiopië zou zijn voltrokken. De man heeft dit steeds geweigerd. Hij ontkent dat er een huwelijk is gesloten.



1.2.
In deze procedure heeft de vrouw een rapport van het IJI overgelegd, waarin wordt ingegaan op het huwelijksrecht van Ethiopië en Somalië. De rechtbank komt mede op grond daarvan tot de conclusie dat er sprake is van een huwelijk. De man handelt onrechtmatig tegenover de vrouw door te weigeren zijn medewerking te verlenen aan de ontbinding daarvan. In dit vonnis wordt de man wordt daartoe veroordeeld, op straffe van een dwangsom.






2De procedure


2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 30 april 2025 met producties 1 tot en met 8- de conclusie van antwoord- het e-mailbericht van de griffier waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 18 december 2025
- de akte uitlating na mondelinge behandeling van de man van 4 maart 2026 met productie 1
- de akte overlegging alsmede uitlating producties van de vrouw van 29 april 2026 met producties 9 tot en met 12
- de antwoordakte van de man van 10 juni 2026
- de antwoordakte van de vrouw van 10 juni 2026.



2.2.
Ten slotte is bepaald dat schriftelijk uitspraak wordt gedaan.





3De feiten


3.1.
Partijen zijn afkomstig uit Somalië. De man verblijft vanaf 26 mei 2008 in Nederland, de vrouw vanaf 3 september 2014. De man en de vrouw zijn beiden Soennitisch moslim.



3.2.
De man en de vrouw hebben de Nederlandse nationaliteit. Zij hebben in Nederland nooit samengewoond.



3.3.
Uit de vrouw zijn twee minderjarige kinderen geboren:



[kind 1] , op [geboortedag 1] 2015 in [plaats]



[kind 2] , op [geboortedag 2] 2017 te [plaats] .


De kinderen zijn door de man erkend. De kinderen wonen bij de vrouw. Zij is alleen met het gezag over de kinderen belast.





4Het geschil


4.1.
De vrouw vordert - samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. De man te veroordelen om binnen drie dagen na betekening van het vonnis zijn

medewerking te verlenen aan de ontbinding van het religieus huwelijk van partijen
door aan de vrouw per aangetekende post een door hem ondertekende brief, onder
overlegging van een kopie van een geldig identiteitsbewijs, te sturen met de tekst:
“Ondergetekende, de heer [gedaagde] , geboren op [geboortedag 3] 1989 te

Mogadishu, wonende aan de [adres 1] te [postcode 1] [plaats] ,


verklaart hierbij te scheiden van [eiseres] , geboren op [geboortedag 4] 1995 te


Mogadishu, wonende aan de [adres 2] te [postcode 2] [plaats] , en verleent haar hierbij de drievoudige onherroepelijke Islamitische scheiding: anti taliq, anti taliq, anti taliq (jij bent gescheiden, jij bent gescheiden, jij bent gescheiden)”,
althans een zodanige handeling te verrichten als volgens het Soennitische religieuze recht noodzakelijk is om het religieus huwelijk tussen partijen te ontbinden,

2. Aan de man een dwangsom op te leggen van € 500,00 per dag voor iedere dag dat

de man een van de verplichtingen genoemd onder 1 niet nakomt, met een
maximum van € 500.000,00,

3. De man te veroordelen tot betaling van de helft van de eventuele door de vrouw te
maken kosten voor het regelen van de echtscheiding in het buitenland,
4. De man te veroordelen in de kosten van deze procedure, inclusief nakosten, en eventueel te vermeerderen met de wettelijke rente.



4.2.

De vrouw onderbouwt haar vorderingen als volgt. De man is meerdere malen verzocht zijn medewerking te verlenen aan de beëindiging van het huwelijk van partijen.
De man heeft dit steeds geweigerd, zodat de vrouw gevangen wordt gehouden in een huwelijk dat zij niet meer wil. De man handelt daarom onrechtmatig tegenover de vrouw.
Binnen de Somalische gemeenschap in [plaats] , maar ook daarbuiten, ondervindt de vrouw veel hinder van het voortdurende huwelijk. Zij geldt nog steeds als “gehuwd”, zij kan niet “los” staan van de man en (eventueel) geen contacten onderhouden met een andere man. Hierdoor voelt de vrouw zich zeer beperkt en beknot in haar vrijheid. Het is noodzakelijk dat de man zijn medewerking verleent. De vrouw kan de ontbinding van het huwelijk niet zelf bewerkstelligen. De vrouw wil dit regelen door middel van de talaq (eenzijdige verstoting).




4.3.

De man voert verweer. Hij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw, dan wel tot afwijzing van haar vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.
De man betwist dat er sprake is van een huwelijk. De vrouw heeft hiervan geen enkel bewijs geleverd. Bovendien ondervindt de vrouw geen problemen van de voortduring van het gestelde huwelijk. Zij heeft dat in ieder geval niet aangetoond. Volgens de man is de vrouw volkomen vrij om te gaan en te staan, waar zij wil en ook met wie zij wil. Daarom kan van de man niet worden verwacht dat hij zijn medewerking verleent aan de talaq. Van onrechtmatig handelen is dan ook geen sprake, aldus de man.




4.4.
Op de (overige) stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





5De beoordeling



Rechtsmacht en toepasselijk recht




5.1.
Eerst moet worden vastgesteld of de Nederlandse rechter bevoegd is om te beslissen op de vorderingen van de vrouw en, zo ja, welk recht daarbij moet worden toegepast.



5.2.
Partijen hebben allebei de Nederlandse nationaliteit. Zij hebben allebei hun gewone verblijfsplaats in Nederland. De vorderingen van de vrouw tot medewerking aan de ontbinding van het religieuze huwelijk zijn gebaseerd op een onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). De weigering van de man om daaraan zijn medewerking te verlenen en de gestelde gevolgen daarvan doen zich gezien de woonplaats van de vrouw in elk geval voor in Nederland. De Nederlandse rechter is daarom op grond van artikel 6, aanhef en onder e, Rv bevoegd van het geschil kennis te nemen.



5.3.

De Europese Verordening Rome II bepaalt welk recht van toepassing is op een (gestelde) onrechtmatige daad. Naar Nederlands recht geldt de verordening ook in gevallen die buiten de eigenlijke materiële werkingssfeer van deze verordening vallen
(art. 10:159 BW). Deze verordening is dus in Nederland hoe dan ook toepasselijk.
Artikel 4 lid 2 van de Verordening Rome II bepaalt: “Indien evenwel degene wiens aansprakelijkheid in het geding is, en degene die schade lijdt, beiden hun gewone verblijfplaats in hetzelfde land hebben op het tijdstip waarop de schade zich voordoet, is het recht van dat land van toepassing.” Zowel de man als de vrouw hebben hun gewone verblijfplaats in Nederland, zodat op de vordering Nederlands recht moet worden toegepast.




Is er sprake van een huwelijk?





5.4.
Aan de vorderingen van de vrouw ligt ten grondslag dat er sprake is van een religieus huwelijk met de man. Het meest verstrekkende verweer van de man is dat er geen sprake is van een huwelijk. De rechtbank moet daarom eerst beoordelen of het door de vrouw gestelde huwelijk bestaat.



5.5.
Volgens de stellingen van de vrouw zijn partijen in Ethiopië gehuwd, zodat op basis van het recht van Ethiopië moet worden onderzocht of er sprake is van een huwelijk.


5.6.
Naar aanleiding van de stellingen van de vrouw en de verklaringen van beide partijen heeft de rechtbank hen in de gelegenheid gesteld een akte te nemen. In die akte konden zij de rechtbank voorlichten over het toepasselijke huwelijksregime en de geldende huwelijksgebruiken.


5.7.
De vrouw heeft een rapport van het Internationaal Juridisch Instituut (hierna: IJI) overgelegd. De rechtbank ziet het IJI als onafhankelijke deskundige op het gebied van internationaal juridische aspecten. Het rapport van het IJI is deugdelijk gemotiveerd en overtuigend. De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid van de conclusies van het IJI omtrent het recht van Ethiopië.



5.8.
Uit het rapport van het IJI volgt dat in Ethiopië men drie vormen van huwelijk kent: een burgerlijk (artikel 2 Familiewet, hierna: FW), een religieus (artikel 3 FW) en een traditioneel huwelijk (artikel 4 FW). Een huwelijk wordt geacht religieus te zijn als het bruidspaar religieuze handelingen voor het huwelijk heeft verricht (artikel 26 FW). Religieuze huwelijken worden door de naar hun eigen regels bevoegde autoriteit voltrokken (artikel 1 jo 22 FW). In het rapport staat verder:



“De vrouw stelt dat partijen zijn gehuwd ten overstaan van een imam, zodat wij ervan uitgaan dat dit een religieus huwelijk betreft.





In de onderhavige kwestie kan geen huwelijksakte worden overgelegd en hebben


partijen niet als echtpaar samengeleefd. De vrouw beschouwt zich als gehuwd met de man, maar omgekeerd beschouwt de man zich niet als gehuwd met de vrouw. Dit betekent dat alleen een beroep kan worden gedaan op artikel 97 lid 2 FW, waarbij het aan de vrouw is te bewijzen dat zij de status van echtgenote heeft. Tegenbewijs is mogelijk. Uiteindelijk is het de rechter die beslist of er sprake is van een rechtsgeldig huwelijk, zie artikel 115 FW:





In de onderhavige kwestie leiden wij uit het proces-verbaal af dat de man aan de


(familie van de) vrouw een groot bedrag heeft voldaan. Het huwelijkscontract is gesloten ten overstaan van een imam bij de vrouw thuis. Volgens de vrouw waren beide partijen daarbij aanwezig in bijzijn van twee mannelijke getuigen. De vrouw stelt verder dat meer dan 50 mensen aanwezig waren. De vrouw stelt dat de man nog ongeveer 18 dagen na het huwelijk in Ethiopië is gebleven. Indien het huwelijk is gesloten op de wijze zoals geschetst door de vrouw, dan lijkt het erop dat aan de voorwaarden voor een religieus huwelijk is voldaan. Het is ons evenwel niet bekend of ook een bruidsgave is overeengekomen. Dit is in beginsel wel een voorwaarde voor een geldig islamitisch huwelijk.”





5.9.

Het IJI gaat dus uit van een religieus huwelijk. De rechtbank volgt dit en zal hierna beoordelen of sprake is van een religieus huwelijk (zoals de vrouw stelt) of niet (zoals de man stelt).

Gang van zaken rondom het huwelijk





5.10.
De rechtbank kijkt daarbij eerst naar de gang van zaken rondom het gestelde huwelijk.



5.11.
De vrouw heeft uitgebreid en gedetailleerd verklaard over het huwelijk. Zo heeft zij verklaard dat zij door haar oom is uitgehuwelijkt. De oom is in de plaats gekomen van haar overleden vader. Ook heeft de vrouw verklaard dat het huwelijk bij haar thuis heeft plaatsgevonden ten overstaan van een imam en twee getuigen en dat er andere genodigden aanwezig waren. Haar verklaringen over het huwelijk komen overeen met wat volgens het IJI gebruikelijk is binnen de Somalische gemeenschap, waar de meeste huwelijken plaatsvinden door uithuwelijking en dit wordt geregeld door ouders, broers of andere familieleden.


5.12.
De vrouw heeft haar stellingen ook nader onderbouwd met een foto van partijen. Volgens de vrouw is deze foto kort na de huwelijkssluiting gemaakt en is zij daarop te zien in haar bruidskleding en met haar sieraden. Volgens de man kan deze foto geen bewijs opleveren omdat het type telefoon dat daarop vermeld staat (“Galaxy A13”) pas in 2022 is uitgekomen. Deze betwisting overtuigt de rechtbank niet. De foto lijkt een foto van een afgedrukte foto. De vermelding Galaxy A13 kan dus ook betekenen dat deze telefoon is gebruikt om een foto van de afgedrukte foto te maken, zodat het type telefoon niets zegt over het jaar waarin de (afgedrukte) foto is genomen. Verder is volgens de man op de foto niet te zien dat het een bruidspaar betreft. De man heeft gewone kleding aan. De vrouw droeg volgens de man wel vaker mooie kleren als er een foto van haar werd gemaakt. Ook deze betwisting overtuigt de rechtbank niet. De man betwist immers niet dat de kleding die de vrouw op deze foto draagt (wel) bruidskleding is, althans bruidskleding kan zijn. Op de sieraden die de vrouw op de foto draagt is hij in het geheel niet ingegaan.



5.13.

Er zijn twee voorwaarden voor een religieus huwelijk waar volgens de stellingen van de man niet aan is voldaan. Dat zijn de bruidsgave en de minimumleeftijd van de vrouw. Op deze voorwaarden wordt hieronder nader ingegaan.


Bruidsgave





5.14.

Uit het rapport van het IJI blijkt dat de bruidsgave in beginsel een voorwaarde is voor een rechtsgeldig islamitisch huwelijk. In haar rapport vermeldt het IJI: “Tussen de families wordt onderhandeld over de bruidsgift ('yarad') die de man aan de familie van de bruid betaalt. Indien deze wordt geaccepteerd, wordt het religieuze huwelijk gesloten door aanbod en aanvaarding in bijzijn van twee mannelijke getuigen. Daarbij wordt ook een bruidsgave overeengekomen”. In de dagvaarding stelt de vrouw dat de man beloofd heeft 80 gram goud aan haar te schenken, maar dat hij deze belofte niet is nagekomen. De man betwist de belofte, maar dit is slechts een kale betwisting. De rechtbank vindt dit, in het licht van de stellingen van de vrouw, te summier. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man dus onvoldoende weersproken dat de door de vrouw gestelde bruidsgave overeen is gekomen. De man stelt verder dat volgens hem de gestelde schenking niet als een bruidsgave worden gezien omdat de bruidsgave volgens het rapport van het IJI aan de familie van de vrouw wordt betaald. Ook hier volgt de rechtbank de man niet in. De rechtbank gaat ervan uit dat bedoeld is dat de 80 gram goud aan de familie van de vrouw geschonken werd.


Minimum leeftijd





5.15.
Uit het rapport van het IJI blijkt dat de minimumleeftijd om te kunnen trouwen 18 jaar is (artikel 7 lid 1 FW). In het rapport staat ook dat de minister van justitie dispensatie kan verlenen met een maximum van twee jaar, zodat de ondergrens 16 jaar is (artikel 7 lid 2 FW). Tijdens de zitting is door haar advocaat aangegeven dat de vrouw in 2014 in het kader van gezinshereniging naar Nederland is gekomen als pleegkind van haar oom. Uitgaande van haar geboortedatum zou de vrouw toen 19 jaar zijn geweest. Voor gezinshereniging met een pleegkind geldt volgens de man echter als voorwaarde dat het pleegkind jonger is dan 18 jaar. Als de vrouw in 2014 hooguit 17 jaar was, dan was zij ten tijde van de huwelijkssluiting in 2011 hooguit 14 jaar oud. Dat heeft als gevolg dat er geen sprake is van een rechtsgeldig huwelijk, aldus de man.



5.16.
De rechtbank volgt dit betoog van de man niet. De rechtbank gaat uit van de geboortedatum zoals deze blijkt uit het uittreksel uit de basisregistratie personen dat bij de dagvaarding is overgelegd. Daarop staat [geboortedag 4] 1995 vermeld als de geboortedatum van de vrouw. De vrouw stelt dat zij in 2011 met de man is gehuwd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man onvoldoende weersproken dat de vrouw op dat moment niet de huwelijksgerechtigde leeftijd van 16 jaar had. Uit het rapport van het IJI blijkt zoals gezegd dat op die leeftijd met dispensatie kon worden getrouwd. Ook de advocaat van de vrouw wijst er op dat binnen de Somalische islamitische gemeenschap huwelijken vóór het 18e levensjaar zijn toegestaan “zodra iemand lichamelijk en geestelijk volwassen is”. Wat betreft haar komst naar Nederland heeft de vrouw aanvullend naar voren gebracht dat op dat moment in ieder geval niet werd voldaan aan eisen voor gezinshereniging met de man. In het geval de vrouw toen aan de leeftijdseis voldeed (ten minste 21 jaar), werd door de man niet voldaan aan de inkomenseis. De jaartallen van de gebeurtenissen en de daarbij behorende leeftijden van de vrouw zijn uitsluitend kloppend als uit wordt gegaan van de geboortedatum [geboortedag 4] 1995. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man dus onvoldoende weersproken dat de vrouw de minimumleeftijd om te huwen had.



Tussenconclusie





5.17.

Gelet op de door de vrouw gestelde, en door de man onvoldoende betwistte, gang van zaken rondom het huwelijk, de vaststelling dat er een bruidsgave is overeengekomen en de vaststelling dat de vrouw de minimum leeftijd om te huwen had, komt de rechtbank tot de conclusie dat is voldaan aan de voorwaarden voor het gestelde religieuze huwelijk tussen partijen.


Kinderen





5.18.
Dat er daadwerkelijk sprake is van een huwelijk, wordt naar het oordeel van de rechtbank bovendien onderbouwd door het feit dat partijen samen kinderen hebben. De kinderen zijn door de man erkend. Uit het rapport van het IJI blijkt dat geslachts-gemeenschap buiten huwelijk zeer ongebruikelijk is. Volgens het Islamitische recht is het huwelijk immers de enige aanvaardbare seksuele relatie tussen een man en een vrouw. Indien een ongehuwde vrouw een kind krijgt, dan wordt dit binnen de familie en de Somalische gemeenschap gezien als een schending van de eer van de familie. Binnen de Somalische cultuur kan dit leiden tot verstoting van de vrouw. In Nederland is de situatie anders dan in Somalië, maar ook in Nederland kan de vrouw binnen de Somalische gemeenschap te maken krijgen met stigmatisatie. In Somalië krijgen de kinderen van een ongehuwde moeder ook te maken met discriminatie en stigmatisering. In Somalië worden deze kinderen niet geaccepteerd en “bastaard” genoemd, aldus het IJI.



5.19.
De rechtbank gaat, zoals aangegeven, uit van de juistheid van het IJI rapport en vindt het dus zeer onwaarschijnlijk dat geen sprake is van een huwelijk.



5.20.
Daarbij komt dat partijen in 2016 samen naar Ethiopië zijn gereisd voor een vakantie, met hun nog jonge zoon. De vrouw was op dat moment zwanger van de dochter. Zowel de vrouw als de man hebben verklaard dat zij tijdens deze reis gezamenlijk in een kamer hebben verbleven. De rechtbank acht dit gezien de informatie van het IJI niet mogelijk als partijen op dat moment niet gehuwd zouden zijn geweest.



Is er sprake van onrechtmatig handelen?





5.21.
De conclusie van de rechtbank is dat er sprake is van een religieus Islamitisch huwelijk tussen partijen. Gezien deze conclusie is de volgende vraag of de man onrechtmatig handelt door te weigeren zijn medewerking te verlenen aan de ontbinding daarvan.


5.22.

In het Get-arrest van 22 januari 1982 heeft de Hoge Raad aanvaard dat de weigering van een man het nodige te doen om tot een religieuze echtscheiding te komen, onrechtmatig kan zijn wanneer deze weigering in strijd is met de zorgvuldigheid die de man in het maatschappelijk verkeer jegens de vrouw in acht behoort te nemen.
De man kan op de grondslag van een onrechtmatige daad, eventueel op straffe van een dwangsom, in rechte worden veroordeeld zijn medewerking te verlenen aan de religieuze echtscheiding. Of de weigering van de man om mee te werken aan een religieuze echtscheiding een onrechtmatige gedraging oplevert, hangt af van de omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoren de mate waarin de vrouw bij het uitblijven van een religieuze echtscheiding in haar verdere levensmogelijkheden wordt beperkt. Verder is van belang de aard en het gewicht van de bezwaren die bij de man tegen het verlenen van zijn medewerking bestaan. Ten slotte moet rekening worden gehouden met de kosten die aan de medewerking van de man zijn verbonden, zulks mede in verband met de vermogenspositie van partijen en de eventuele bereidheid van de vrouw deze kosten geheel of ten dele voor haar rekening te nemen.




5.23.
De vrouw stelt dat de man onrechtmatig handelt door geen medewerking te verlenen aan de ontbinding van het huwelijk. De eerste vraag is dan of de vrouw door het voortbestaan van het huwelijk in haar rechten en vrijheden wordt beperkt. Naar het oordeel van de rechtbank is dit het geval. De vrouw stelt dat zij geen nieuwe relatie kan aangaan omdat dit binnen de Somalische gemeenschap als overspel kan worden gezien. Ook kan zij geen nieuw religieus huwelijk aangaan. De omgeving van de vrouw blijft haar als gehuwd beschouwen, waardoor zij niet zelfstandig activiteiten kan ondernemen en contact met andere mannen kan onderhouden. Ook kan zij niet reizen of op vakantie gaan zonder toestemming van de man. De man betwist dit. Volgens hem heeft de vrouw een eigen leven: ze heeft haar rijbewijs gehaald, ze doet vrijwilligerswerk, ze is op vakantie gegaan zonder zijn toestemming en ze is sociaal actief. De man betwist echter niet dat als de vrouw binnen de Somalische gemeenschap als gehuwd wordt gezien dit de door de vrouw genoemde gevolgen heeft. De man heeft bovendien aangegeven dat hij die gemeenschap niet zo goed kent. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw voldoende onderbouwd dat het voor haar niet mogelijk is om haar privéleven naar eigen inzicht in te richten wat betreft het contact met mannen en het (eventueel) aangaan van een nieuwe relatie. Dit is naar het oordeel van de rechtbank al voldoende om te spreken van een beperking van het recht van de vrouw.



5.24.
Vervolgens moet beoordeeld worden of de inbreuk op het recht van de vrouw in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd kan worden. De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is. De man heeft geen omstandigheden gesteld die maken dat deze inbreuk op de vrijheid van de vrouw gerechtvaardigd zou zijn. De man stelt slechts dat er nooit sprake is geweest van een huwelijk en dat de vrouw vrij is om te gaan en te staan waar zij wil. Uit de overwegingen hiervoor blijkt dat de rechtbank hierover een ander oordeel heeft.



Conclusie





5.25.
De overwegingen hiervoor leiden tot de slotsom dat de weigerachtige houding van de man om mee te werken aan de religieuze echtscheiding een onrechtmatige daad vormt tegenover de vrouw. De rechtbank zal de vordering onder I daarom toewijzen. Dit betekent dat de man zijn medewerking moet verlenen aan ontbinding van het religieus huwelijk en, indien dit niet tot stand komt op de door de vrouw voorgestelde wijze, andere handelingen moet verrichten die volgens het Soennitische religieuze recht daarvoor noodzakelijk zijn.




Dwangsom





5.26.
De vrouw vordert oplegging van een dwangsom. De man verzoekt om afwijzing. Er is volgens hem geen sprake van een huwelijk en dus ook niet van een onrechtmatige daad. Daarnaast maakt de man bezwaar tegen de hoogte van de gevorderde dwangsom. De man heeft een uitkering op grond van de Participatiewet en zijn financiële mogelijkheden zijn beperkt.



5.27.
De rechtbank wijst de gevorderde dwangsom toe. De man houdt nog steeds vast aan zijn eigen standpunten en heeft tot dusver geweigerd om mee te werken aan de ontbinding. Daarom is een financiële prikkel op zijn plaats. Wel ziet de rechtbank aanleiding om de dwangsom tot maximeren tot € 50.000,00.



Kosten scheiding in buitenland





5.28.
De vrouw vordert dat de man wordt veroordeeld tot betaling van de helft van deze eventuele kosten. De man voert verweer. De vordering is niet onderbouwd in het lichaam van de dagvaarding. Ook is er geen grondslag voor genoemd.



5.29.
De rechtbank wijst deze vordering af omdat deze niet is onderbouwd. De man wordt veroordeeld zijn medewerking te verlenen aan de talaq. Volgens de advocaat van de vrouw zijn daaraan geen kosten verbonden. De veroordeling is daarom opgenomen voor het geval (uiteindelijk) tot een andere handeling wordt gekomen. Hoewel de hoofdveroordeling in die mogelijkheid voorziet is niet onderbouwd om welke kosten het dan zou (kunnen) gaan. Evenmin is onderbouwd waarom de helft van die kosten voor rekening van de man zou moeten komen.



Proceskosten





5.30.
De vrouw vordert veroordeling van de man in de kosten van de procedure. Bij haar akte overlegging producties heeft de vrouw de factuur van het IJI overgelegd. Daarvan is een groot deel door de gemeente betaald. Het restantbedrag van € 734,35 is voor haar rekening gebleven. De man heeft ondanks het verzoek daartoe geen bijdrage geleverd. Niet is gebleken dat hij zijn mogelijkheden daarvoor heeft onderzocht. De vrouw wil dat deze kosten worden meegenomen in de proceskostenveroordeling.


5.31.
De man voert verweer. De kosten moeten worden gecompenseerd gelet op de voormalige relatie van partijen. Er is geen verzoek gedaan tot betaling van het restantbedrag. De man is ook niet in staat het bedrag te betalen omdat hij een uitkering ontvangt. Verder valt deze bijdrage niet onder de proceskostenveroordeling en overigens is er volgens de man geen grondslag voor de vordering gesteld.



5.32.

Naar het oordeel van de rechtbank ziet de vordering van de vrouw op de proceskosten genoemd in artikel 237 Rv. Onder die bepaling vallen het salaris van de advocaat en het griffierecht. De kosten van een deskundigenbericht dat is opgesteld op verzoek van één partij, zoals in dit geval het rapport van het IJI, vallen daar niet onder.
De rechtbank moet echter op grond van artikel 25 Rv de rechtsgronden aanvullen.
De vordering van de vrouw wordt toegewezen op grond van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). Op basis van artikel 6:96 lid 2, onder b, BW komen redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid dan voor vergoeding in aanmerking. De resterende kosten van het IJI kunnen als zodanig worden aangemerkt. Dit betekent dat de man zal worden veroordeeld om dit bedrag aan de vrouw te betalen.




5.33.
Wat de (overige) proceskosten betreft is de rechtbank van oordeel dat deze moeten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De procedure vloeit namelijk voort uit het verbreken van de relatie tussen partijen. Dan is compensatie van de kosten het wettelijke uitgangspunt. De weigerachtige houding van de man is naar het oordeel van de rechtbank geen bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft om van dat uitgangspunt af te wijken.





6De beslissing


De rechtbank



6.1.

veroordeelt de man om binnen drie dagen na betekening van het vonnis zijn
medewerking te verlenen aan de ontbinding van het religieus huwelijk van partijen
door aan de vrouw per aangetekende post een door hem ondertekende brief, onder
overlegging van een kopie van een geldig identiteitsbewijs, te sturen met de tekst:



“Ondergetekende, de heer [gedaagde] , geboren op [geboortedag 3] 1989 te

Mogadishu, wonende aan de [adres 1] te [postcode 1] [plaats] ,


verklaart hierbij te scheiden van [eiseres] , geboren op [geboortedag 4] 1995 te


Mogadishu, wonende aan de [adres 2] te [postcode 2] [plaats] , en verleent


haar hierbij de drievoudige onherroepelijke Islamitische scheiding: anti taliq, anti


taliq, anti taliq (jij bent gescheiden, jij bent gescheiden, jij bent gescheiden)”,



althans een zodanige handeling te verrichten als volgens het Soennitische religieuze recht noodzakelijk is om het religieus huwelijk tussen partijen te ontbinden,




6.2.
veroordeelt de man om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag dat hij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt,



6.3.
veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 734,35 aan kosten voor de vaststelling van schade en aansprakelijkheid,



6.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,



6.5.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,



6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.






Dit vonnis is gewezen door mr. A. de Boer en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.




van 7 april 2026, zie productie 9 bij de akte van de vrouw van 29 april 2026


Productie 12


ECLI:NL:HR:1982:AG4319, NJ 1982, 489