Rechtbank Oost-Brabant
ECLI:NL:RBOBR:2026:6633
2026-09-02
Civiel recht
C/01/420530 / HA ZA 25-649
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Tussenvonnis. Bewijsopdracht. Handtekening. Is tussen partijen een bemiddelingsovereenkomst tot stand gekomen?
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (34.625 tekens)
RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/420530 / HA ZA 25-649
Vonnis van 2 september 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. drs. A.L. van den Bergh,
tegen
1 [gedaagde 1] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,2. [gedaagde 2] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,3. [gedaagde 3] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. D.N. Lavain.
1De zaak in het kort
1.1.
Het gaat in deze zaak over de vraag of tussen partijen een bemiddelingsovereenkomst tot stand is gekomen. En zo ja, of [gedaagden] een bemiddelingsvergoeding aan [eiser] moet betalen.
1.2.
De rechtbank ziet aanleiding [eiser] in de gelegenheid stellen te bewijzen dat de handtekening op de bemiddelingsovereenkomst (in de procedure gebracht als productie 1 bij dagvaarding) van [A] afkomstig is.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties,- de conclusie van antwoord,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte met aanvullende productie 9 van [eiser] ,
- de mondelinge behandeling van 20 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Mr. Van den Bergh heeft tijdens de zitting spreekaantekeningen voorgelezen en een volmacht van [eiser] aan de heer [B] in de procedure gebracht. Deze stukken zijn toegevoegd aan het procesdossier,
- de akte van [eiser] van 17 juni 2026, met producties,
- de akte van [gedaagden] van 17 juni 2026, met producties,
- de antwoordakte van [eiser] van 15 juli 2026,
- de antwoordakte van [gedaagden] van 15 juli 2026.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
3.1.
[gedaagden] is eigenaar van [C] . De heer [A] (hierna te noemen: [A] ) is de bestuurder van [gedaagde 1] B.V. (gedaagde 1), die op haar beurt bestuurster is van [gedaagde 2] B.V. (gedaagde 2), die op haar beurt bestuurster is van [gedaagde 3] B.V. (gedaagde 3).
3.2.
[eiser] is horecamakelaar. De heer [B] is werkzaam voor [eiser] (hierna te noemen: [B] ).
3.3.
Partijen hebben contact met elkaar gehad over de verkoop van [C] in [plaats] .
3.4.
[B] heeft tijdens zijn werkzaamheden voor [eiser] een logboek bijgehouden. Daarin heeft hij notities gemaakt over contacten die in het kader van [C] hebben plaatsgehad. Voor zover van belang, heeft [B] in zijn logboek, het volgende genoteerd (productie 11 bij akte van [eiser] ):
“(…) 15 augustus 2023
[A] gebeld en direct afspraak kunnen maken.
(…)
Onderstaande mail met brochure verzonden:
Van: [B] [...]
Datum: dinsdag 15 augustus 2023 om 11:53
Aan: [rechtbank: [A] ]
Onderwerp: Afspraakbevestiging
Beste [A] ,
Bij deze bevestig ik onze afspraak donderdag 31 augustus 13.00 uur in [C] [plaats] .
(…)
15 augustus 2023
Mail verzonden naar kandidaten:
[D]
[E] (…)
[F] (…)
Van: [B] […]
Datum: dinsdag 15 augustus 2023 om 12:51
Onderwerp: [adres] en [naam] [plaats]
Beste [E] en [F] ,
Met de eigenaar van [C] heb ik een afspraak kunnen maken voor eind van deze maand. Ging niet eerder i.v.m. drukte ( [I] concerten) en aansluitende vakantie. Ik zal jullie op de hoogte houden.
(…)
31 augustus 2023 (13.00)
B.O.-afspraak met [A] :
> Huur € 160.000,-- per jaar.
> Omzet € 1.2 milj.
> Vroeg heel direct welke verkoopprijs in gedachte had. Aangegeven € 800.000,-.
Bemiddelingsopdracht getekend.
(…)
Van: [B] […]
Datum: maandag 11 september 2023 om 11:11
Aan: " [G] " […]
Onderwerp: [adres] [plaats] [C]
Geachte mevrouw [G] ,
Wij hebben opdracht gekregen om een nieuwe huurder/exploitant te vinden voor het pand [adres] ( [postcode] ) [plaats] [C] . I.v.m. deze opdracht verzoek ik u mij een kopie te mailen van de, in het verleden, verleende Drank & Horecavergunning en de terrasvergunning. Is het mogelijk ook de plattegrondtekening m.b.t. de gebruiksvergunning te ontvangen?
(…)
11 september 2023
Onderstaande mail verzonden:
Van: [B] […]
Datum: maandag 11 september 2023 om 19:47
Aan: [rechtbank: [A] ]
Onderwerp: [adres] [plaats]
Beste [A] ,
Bij deze de overeenkomst. Bij de Gemeente [plaats] heb ik de vergunningen opgevraagd i.v.m. de oppervlakten.
Ter informatie heb ik een checklist bijgevoegd hier is geen haast mee.
Kun jij aangeven hoeveel zitplaatsen er binnen zijn en hoeveel op het terras?
Heb je voor mij de huurovereenkomst en de laatste huurfactuur.
(…)
> Bijlage: B.O., algemene voorwaarden en checklist.
(…)
28 september 2023 (Do.)
In [plaats] met [A] gesproken, foto's gemaakt en via Whatsapp huurcontract en huurfactuur ontvangen.
(…)
Datum: maandag 2 oktober 2023 om 09:58
Aan: [rechtbank: [H] ]
Onderwerp: [C] [plaats]
Beste [E] en [F] ,
Afgelopen week heb ik gesproken met [A] van [C] en bijgevoegde huurovereenkomst en huurfactuur ontvangen. De verhuurder is een advocaat.
[A] is niet bereid de overnamesom of een gedeelte daarvan te financieren. Hoe denken jullie de financiering te kunnen realiseren?
(…)
Brochure verzonden naar:
[D]
[E] (…)
[F] (…)
25 oktober 2023
Brochure verzonden naar [A] .
Van: [B] […]
Datum: woensdag 25 oktober 2023 om 16:31
Aan: [rechtbank: [A] ]
Onderwerp: Verkoopbrochure [C]
Beste [A] ,
Zou jij bijgevoegde brochure willen controleren.
Ik hoor het graag als ik de brochure ergens moet aanpassen.
Als je nog namen met e-mailadressen hebt van mensen die misschien geïnteresseerd zijn kun je mij die doorgeven dan stuur ik ze vrijblijvend de brochure.
(…)
Onderstaand antwoord ontvangen:
Van: [A] […]
Datum: donderdag 26 oktober 2023 om 19:46
Aan: [B] […]
Onderwerp: Re: Verkoopbrochure [C]
Beste [B] , ziet er goed uit. Hartelijke groet [A]
(…)
Datum: zondag 22 december 2024 om 19:27
Aan: [B] […]
Onderwerp: Re: Verkoop [C]
Beste [B] , ik ga dit jaar [I] nog zelf draaien. Ik ben er morgen zelf niet. Ik heb een hele nieuw team die weten van niets. Daarom is discretie vereist en kunnen jullie alleen het publiek toegankelijke deel zien van de zaak. Hartelijke groet en fijne dagen [A]
(…)
12 januari 2025 (zondag)
Pand bezocht:
> Geconstateerd dat de zaak is overgenomen door [F] en [E] .
> Op de kassabon staat [A] [J] als ontvanger vermeld.
> Kort gesproken met de nieuwe uitbater en vernomen dat de naam volgend jaar veranderd wordt naar de oude naam van [J] .
> De vorige exploitant [A] had hem met de overname geholpen door een kleine geldlening te verstrekken.
> Zaak zag er niet uit en wij waren, op enig moment, de enige twee klanten binnen.
(…)
3 januari 2025
Pand nogmaals samen met (…) bezocht. Is toch echt door [F] en [E] overgenomen.
Zie kassabon.
(…)
9 februari 2025
Onderstaande mail verzonden en antwoord ontvangen:
Van: [A] […]
Datum: zondag 9 februari 2025 om 19:46
Aan: [B] […]
Onderwerp: Re: Verkoop [C] [plaats]
Beste [B] , helaas is het nog niet zover. De plannen zijn er wel. En ik blijf als dat doorgaat er nog bij betrokken als eigenaar. Ik ben vooralsnog nog steeds volledig huurder en exploitant. [E] en [F] zijn bij mij in dienst momenteel als manager. Ik hou je op de hoogte mochten er ontwikkelingen zijn. Met vriendelijke groet [A]
(…)
Van: [B] […]
Verzonden: donderdag, februari 6, 2025 10:39 AM
Aan: [rechtbank: [A] ]
Onderwerp: Verkoop [C] [plaats]
Beste [A] ,
Naar ik begrepen heb is de exploitatie van [C] [adres] [plaats] verkocht aan de eerder door ons voorgestelde kandidaten [E] en [F] nu handelend onder de naam [J] B.V.
Graag wil ik met je overleggen over de afhandeling van onze opdracht. (…)
(…)
11 februari 2025
Onderstaande reactie verzonden met diverse bijlagen:
Van: [B] [...]
Datum: dinsdag 11 februari 2025 om 10:59
Aan: [A] […]
Onderwerp: Re: Verkoop [C] [plaats]
Beste [A] ,
Bedankt voor je bericht maar ik deel je mening niet. Er wordt gefactureerd (zie bijlage kassabonnen) op [J] B.V. Dit bedrijf is van [K] B.V. eigendom van [E] en [F] . Of jij als tussenhuurder of financier van de verkoop betrokken blijft doet daar niets aan af. Er is verkocht en er zijn nieuwe ondernemers. Ik ben dan ook van mening dat wij, volgens de getekende bemiddelingsopdracht, gerechtigd zijn onze courtage te factureren uitgaande van de in de brochure opgenomen verkoopprijs. (…)”
3.5.
Op 12 januari en 3 februari 2025 heeft [B] , zoals ook uit zijn logboek blijkt, [C] bezocht (producties 4 en 5 van [eiser] ).
3.6.
Op 1 april 2025 heeft [eiser] een factuur aan [gedaagden] gezonden ter hoogte van € 48.400,00 als vergoeding voor de bemiddeling door [eiser] .
3.7.
[gedaagden] heeft deze factuur onbetaald gelaten.
3.8.
Op 22 mei 2026 heeft [gedaagden] de bemiddelingsovereenkomst, voor zover die tot stand zou zijn gekomen, ontbonden (productie 3 bij akte van [gedaagden] ).
4Het geschil
4.1.
[eiser] vordert - samengevat - [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan hem te voldoen:
een bedrag van € 40.000,00 exclusief btw, € 48.400,00 inclusief btw, wegens provisie, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente (ex artikel 6:119a BW),
een bedrag van primair € 6.000,00, subsidiair € 3.025,00, meer subsidiair € 500,00 wegens buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente (ex artikel 6:119 BW),
de kosten van de procedure en nakosten.
[eiser] vordert dat deze veroordelingen (voor zover de wet dat toelaat) uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
4.2.
[gedaagden] voert verweer. [gedaagden] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
5.1.
Tussen partijen is in geschil of tussen hen een bemiddelingsovereenkomst tot stand is gekomen.
5.2.
Volgens [eiser] hebben partijen een schriftelijke bemiddelingsovereenkomst gesloten. Daartoe stelt [eiser] , kort samengevat, het volgende.
Hij had een gerucht gehoord dat [gedaagden] [C] zou willen verkopen. Op 31 augustus 2023 is tussen [B] en [A] gesproken over de huurprijs per jaar en heeft [A] een bedrag van € 800.000,00 als verkoopprijs genoemd. Tijdens de zitting heeft [B] toegelicht hoe die bemiddelingsovereenkomst tot stand is gekomen. Kort gezegd heeft [B] uitgelegd dat [A] zijn handtekening op de overeenkomst (productie 1 bij dagvaarding) heeft gezet op 31 augustus 2023. Dat was om 13.00 uur en op het terras. Zo’n document (dat wil zeggen: een bemiddelingsovereenkomst) heeft [B] , zo lichtte hij verder toe, altijd bij zich. Volgens hem heeft [A] de bemiddelingsovereenkomst toen gezien, gelezen, getekend en gezegd ‘ik ben akkoord’.
5.3.
[gedaagden] betwist dat de handtekening op de door [eiser] als productie 1 in de procedure ingebrachte bemiddelingsovereenkomst van [A] is. Zijn beide zoons zijn advocaat en hij laat alles door hen lezen voordat hij iets tekent. Als er al een overeenkomst tot stand zou zijn gekomen, dan is volgens [gedaagden] niet aan de voorwaarden uit die bemiddelingsovereenkomst voldaan en is die overeenkomst beëindigd, zodat [gedaagden] in geen geval een bemiddelingsvergoeding aan [eiser] verschuldigd is.
5.4.
De vraag of partijen de bemiddelingsovereenkomst, zoals door [eiser] overgelegd als productie 1 bij dagvaarding, zijn overeengekomen, kan de rechtbank bij de huidige stand van zaken nog niet beantwoorden. De rechtbank ziet aanleiding [eiser] in de gelegenheid stellen de echtheid van de handtekening van de heer [A] op die overeenkomst te bewijzen. De volgende overwegingen leiden tot dit oordeel.
5.5.
[gedaagden] heeft als subsidiair verweer gevoerd dat zelfs als zou komen vast te staan dat [A] de bemiddelingsovereenkomst wél heeft ondertekend aan [eiser] geen bemiddelingsvergoeding toekomt, omdat niet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een vergoeding is voldaan. Volgens [gedaagden] heeft er namelijk geen ‘transactie’ plaatsgevonden zoals in de bemiddelingsovereenkomst is omschreven. Zou dit verweer van [gedaagden] slagen dan is nader onderzoek naar de handtekening van [A] niet nodig en daarom behandelt de rechtbank eerst dit verweer.
Heeft een ‘transactie’ plaatsgevonden?
5.6.
Volgens [eiser] is [gedaagden] de volledige provisie (zoals bedoeld onder ‘overige voorwaarden’ in de overeenkomst in productie 1 bij dagvaarding) verschuldigd, omdat buiten hem om (en tijdens de looptijd van de overeenkomst) een transactie tussen [gedaagden] en [F] en [E] tot stand is gekomen.
5.7.
Voor het antwoord op de vraag of tussen [gedaagden] en [F] en [E] een transactie heeft plaatsgevonden, zijn de volgende bepalingen uit de bemiddelingsovereenkomst van belang:
“(…) Bij tussentijdse opzegging is men de afgesproken provisie verschuldigd. Opdrachtgever is, los van de provisie bij aanvang van de opdracht, een bijdrage in de kosten verschuldigd ter hoogte van € 850,00 excl. BTW. (…)
De onderneming (goodwill/inventaris/eventueel handelsnaam) en/of het onroerend goed worden in het navolgende aangeduid met: “het object”. Onder “transactie” wordt verstaan: verkoop, verhuur, verpachting, huurkoop of een andere vorm van vervreemding of overdracht van het object. Onder “transactie” wordt mede verstaan de verkoop van (direct of indirect, al dan niet middels de verkoop van aandelen in directe of indirecte moedervennootschappen) aandelen in een vennootschap die eigenaresse is van het object of het wijzigen van de gerechtigden tot een vennootschap (…)
Overige voorwaarden
Tijdens de looptijd van deze overeenkomst is opdrachtgever niet gerechtigd met derden over een transactie met betrekking tot het object te onderhandelen. Indien tijdens de looptijd van deze overeenkomst buiten [eiser] om een transactie met betrekking tot het object tot stand komt, is opdrachtgever de volledige provisie aan [eiser] verschuldigd.
(…)
(…)
e “volledige provisie”, als bedoeld onder A en B, is verschuldigd ongeacht de inhoud, de condities en de wijze waarop de transactie tot stand is gekomen en ongeacht de verplichting(en) van de opdrachtgever jegens derden. Deze provisie wordt berekend over voormelde vraagprijs, tenzij deze niet beschikbaar is in welk geval de gerealiseerde prijs tot uitgangspunt wordt genomen. Is [eiser] met de gerealiseerde prijs niet bekend dan wordt een schatting van [eiser] van die prijs tot uitgangspunt genomen, De provisie wordt (voorts) over de gerealiseerde prijs berekend indien [eiser] daarvoor (alsnog) kiest of indien opdrachtgever binnen veertien dagen nadat hij door [eiser] is aangeschreven aantoont hoe hoog die prijs was en aantoont dat sprake was van een economisch reële prijs. In alle gevallen bedraagt de provisie ten minste € 6.000,00 excl. BTW.
Eventuele kosten, zowel in als buiten rechte, veroorzaakt door niet-nakoming van opdrachtgever van zijn verplichtingen wegens niet strikte naleving van deze opdracht, zijn voor rekening van opdrachtgever. De buitengerechtelijke kosten worden vastgesteld op 15% van de hoofdsom.”
5.8.
De rechtbank is van oordeel dat, in de situatie dat vast zou komen te staan dat de bemiddelingsovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen, sprake is geweest van een transactie zoals bedoeld in de hiervoor geciteerde bepalingen. Daartoe wordt het volgende overwogen.
5.9.
Bij de uitleg van de inhoud van een overeenkomst, specifiek de uitleg van de afspraak over de voorwaarden waaronder een vergoeding aan [eiser] verschuldigd zou zijn, is van belang welke betekenis partijen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan de term ‘transactie’ mochten toekennen en wat ze dienaangaande redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
5.10.
[A] heeft tijdens de zitting toegelicht dat [F] en [E] met [J] B.V. sinds 1 oktober 2025 [C] exploiteren, dat zij de omzet draaien en dat de winst tussen hen en hemzelf wordt gedeeld, maar ook dat hijzelf (nog) opdraait voor eventuele verliezen. Die samenwerking is volgens hem in november 2024 tot stand gekomen. Toen is ook afgesproken dat [F] en [E] aandelen van [A] (op termijn) kunnen overnemen uit de winst, voor een bedrag van € 250.000,00. Daarbij is als uitgangspunt een termijn van vijf jaar genomen, maar het zou ook korter of langer kunnen duren volgens [A] . Tot die tijd is sprake van een samenwerking in de vorm van management, waarbij [F] en [E] werkzaam zijn op basis van arbeidsovereenkomsten.
5.11.
De door [A] omschreven samenwerking, kwalificeert naar het oordeel van de rechtbank als een ‘andere vorm van vervreemding of overdracht van het object’. De formulering in de bemiddelingsovereenkomst is dusdanig breed opgezet, dat daarmee ook is beoogd deze vorm van uitgestelde overdracht te omvatten. Juist omdat ook in de overeenkomst is bepaald dat een vergoeding verschuldigd is bij (tussentijdse) opzegging van de bemiddelingsovereenkomst en -onder omstandigheden- binnen een periode van twaalf maanden na het beëindigen van de overeenkomst, ligt het in de rede dat ook een uitgestelde overdracht binnen het bereik van de afspraken valt. Daarbij neemt de rechtbank mee dat het gaat om een ‘no cure no pay’ afspraak. Is er tijdens de looptijd van de overeenkomst geen transactie tot stand gekomen dan ontvangt Klaasen geen vergoeding voor de werkzaamheden die zijn verricht. [eiser] heeft in de bemiddelingsovereenkomst het begrip transactie dan ook ruim omschreven. [gedaagden] heeft onvoldoende aangevoerd waaruit kan volgen dat de inhoud van deze afspraak op een andere manier zou moeten worden uitgelegd.
5.12.
De door [A] tijdens de zitting beschreven transactie heeft in dit geval plaatsgevonden tijdens de looptijd van de overeenkomst en buiten [eiser] om, zoals bedoeld onder A van de ‘Overige voorwaarden’. Van een stilzwijgende (tussentijdse) beëindiging van de bemiddelingsovereenkomst is in dit geval geen sprake. Uit het logboek van [B] blijkt namelijk dat hij in elk geval tot en met november 2024 werkzaamheden in het kader van [C] heeft verricht (die werkzaamheden bestonden onder andere uit het verzenden van de brochure aan potentiële kandidaten). Van een opzegging of beëindiging eerder dan op 22 mei 2026, is niet gebleken. [gedaagden] heeft ook niet gemotiveerd weersproken dat [B] deze werkzaamheden heeft verricht, zodat de rechtbank ervan uit gaat dat de overeenkomst pas op 22 mei 2026 tot een einde is gekomen (zie rov. 3.8). Dat betekent dat – in het geval komt vast te staan dat de hiervoor geciteerde bepalingen tussen partijen zijn overeengekomen als onderdeel van de bemiddelingsovereenkomst – [gedaagden] een vergoeding verschuldigd is aan [eiser] . Een beslissing over wat de hoogte van die vergoeding dan zou moeten zijn, zal – in afwachting van bewijslevering – nog niet worden genomen.
Bewijslevering door [eiser]
5.13.
Het voorgaande leidt ertoe dat wordt toegekomen aan beoordeling van de vraag of de handtekening op de bemiddelingsovereenkomst door [A] is gezet.
5.14.
[gedaagden] voert aan dat de handtekening op de overeenkomst niet van [A] is, althans dat die handtekening niet door hem is gezet. [eiser] stelt dat uit het in de procedure gebrachte rijbewijs en paspoort blijkt dat geen sprake kan zijn van een valse handtekening.
5.15.
De rechtbank kan bij de huidige stand van zaken niet vaststellen of de handtekening op de bemiddelingsovereenkomst (in productie 1 bij dagvaarding) door [A] is gezet op 31 augustus 2023. Dat betekent dat vooralsnog niet vast staat dat [eiser] en [gedaagden] deze bemiddelingsovereenkomst met elkaar hebben gesloten. Daartoe wordt het volgende overwogen.
5.16.
De stelling van [eiser] dat [gedaagden] nooit heeft geprotesteerd tegen de op 11 september 2023 door [B] aan [A] toegezonden getekende bemiddelingsovereenkomst, is onvoldoende om te kunnen concluderen dat de handtekening op de bemiddelingsovereenkomst van [A] afkomstig is. Tijdens de zitting heeft [A] verklaard dat hij die mail nooit heeft gezien, omdat hij die – hoewel gericht aan zijn e-mailadres – gemist heeft. [eiser] heeft geen afschrift van deze e-mail van 11 september 2023, met daarbij gevoegd de – getekende – bemiddelingsovereenkomst, in de procedure gebracht. Dat mocht gelet op de betwisting van [A] , wel van [eiser] worden verwacht.
5.17.
[eiser] heeft in de dagvaarding aanvankelijk gesteld dat de bemiddelingsovereenkomst op 5 september 2023 tot stand zou zijn gekomen (deze datum is ook -deels handgeschreven- rechts onderaan op de bemiddelingsovereenkomst te lezen; ‘5-9-2023’). De stelling dat de bemiddelingsovereenkomst al op 31 augustus 2023 is getekend door [A] , heeft [eiser] vervolgens pas tijdens de zitting ingenomen aan de hand van het logboek van [B] . Ook roept de verklaring van [B] tijdens de mondelinge behandeling vragen op. [B] verklaarde dat [A] tijdens het eerste fysieke contact op het terras op 31 augustus 2023 de overeenkomst zou hebben getekend. ”Ik heb altijd zo’n document bij me”, verklaarde [B] . Opvallend is dat in de bemiddelingsovereenkomst al veel gegevens met betrekking tot [gedaagden] (voor)ingevuld waren. Dat vereist onderzoek en planning vooraf en is geen exemplaar dat iemand altijd bij zich heeft. De nog niet (voor)ingevulde gegevens, zoals de vraagprijs zijn vervolgens niet handgeschreven aangevuld.
5.18.
Tot slot heeft [eiser] ook niet kunnen bevestigen dat [gedaagden] in de bemiddelingsovereenkomst genoemde bijdrage in de kosten (van € 850,00 exclusief btw), heeft voldaan. Een factuur en/of betalingsbewijs heeft [eiser] desgevraagd niet in de procedure gebracht, terwijl [B] tijdens de zitting verklaarde dat dit bedrag in rekening is gebracht en ook was betaald door [gedaagden]
5.19.
Ook de enkele opmerking van [B] , dat hij zich afvraagt hoe hij een handtekening kan vervalsen als hij niet eens weet hoe die eruit ziet, is onvoldoende om gelet op voornoemde omstandigheden uit te gaan van de echtheid van de handtekening die op de bemiddelingsovereenkomst staat.
5.20.
Het voorgaande leidt ertoe dat de bemiddelingsovereenkomst – gelet op de stellige ontkenning van de ondertekening daarvan door [A] – niet tot uitgangspunt van de tussen partijen gemaakte afspraken kan worden genomen, zolang niet is bewezen dat de ondertekening van [A] afkomstig is. Het is in dat geval aan [eiser] om de echtheid van de handtekening op de bemiddelingsovereenkomst in productie 1 te bewijzen. Dit staat in artikel 159 lid 2 Rv. [eiser] heeft daartoe tijdens de zitting bewijs aangeboden. De rechtbank zal [eiser] conform dit bewijsaanbod tot bewijslevering toelaten.
5.21.
Gelet op wat hiervoor is overwogen zal [eiser] moeten bewijzen dat de handtekening onder de bemiddelingsovereenkomst (in productie 1 bij dagvaarding) van [A] afkomstig is. [eiser] zal bij akte in de gelegenheid worden gesteld om zich uit te laten over de vraag of hij dit bewijs wil leveren, en, zo ja, op welke wijze.
5.22.
Als [eiser] het gevraagde bewijs wil leveren door een (handschrift)deskundige geldt het volgende. [eiser] kan zich dan bij (dezelfde) akte uitlaten over de te benoemen (handschrift)deskundige en over de vragen die aan de deskundige moeten worden gesteld. [eiser] zal daarbij het origineel van de bemiddelingsovereenkomst aan de deskundige ter hand dienen te stellen. Daarnaast zal de rechtbank bepalen dat [A] de deskundige op zijn of haar verzoek moet voorzien van origineel referentiemateriaal.
5.23.
De rechtbank is in dat geval voornemens aan de deskundige in ieder geval de volgende twee vragen voor te leggen:
Kunt u vaststellen of en zo ja met welke mate van waarschijnlijkheid de handtekening onder de naam “ [A] ” op de bemiddelingsovereenkomst (productie 1 bij dagvaarding) door [A] is geplaatst? Kunt u toelichten hoe u tot uw antwoord bent gekomen?
Heeft u nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zouden kunnen zijn?
5.24.
Het eventuele voorschot op de kosten van het deskundigenbericht zal door [eiser] moeten worden betaald.
5.25.
Het staat [eiser] vrij om het bewijs van zijn stelling dat [A] de bemiddelingsovereenkomst (productie 1 bij dagvaarding) heeft ondertekend op andere wijze te leveren, bijvoorbeeld door middel van het horen van getuigen.
5.26.
De zaak zal worden verwezen naar de rol voor het nemen van een akte door [eiser] als bedoeld onder rov. 5.21. Nadat [eiser] zich bij akte heeft uitgelaten over de vraag of, en, zo ja, hoe hij bewijs wenst te leveren, zal [gedaagden] de gelegenheid krijgen om bij antwoordakte te reageren. In het geval [eiser] bewijs wil leveren door middel van een handschriftdeskundige, dienen beide partijen zich in hun aktes uit te laten over de persoon van de deskundige en de aan de deskundige te stellen vragen. Als [eiser] afziet van bewijslevering, zal eindvonnis worden gewezen.
Geen strijd met eisen goede procesorde
5.27.
De rechtbank gaat voorbij aan het bezwaar van [eiser] dat [gedaagden] te laat is met zijn betoog dat de handtekening op de bemiddelingsovereenkomst van hem zou zijn. Tijdens de zitting hebben partijen over en weer op elkaars standpunten kunnen reageren. Ook bij akte en antwoordakte hebben partijen hun standpunten vervolgens nader kunnen toelichten. [eiser] heeft ook kunnen reageren op de nadere stukken van [gedaagden] (waaronder het rijbewijs en het paspoort van [A] ). Dat leidt ertoe dat [eiser] niet in zijn procesbelang is geschaad.
5.28.
Het beroep van [eiser] op artikel 128 lid 3 Rv (in verbinding van artikel 111 Rv en 21 Rv) slaagt ook niet. Artikel 128 lid 3 Rv strekt er kort gezegd toe dat processuele verweren uiterlijk bij antwoord aan de rechter voorgelegd moeten worden. De stellige ontkenning van ondertekening van de bemiddelingsovereenkomst, raakt aan de inhoud van het geschil en is daarmee materieel van aard.
Het vervolg van de procedure
5.29.
In afwachting van de aktewisseling, zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.
6De beslissing
De rechtbank
6.1.
stelt [eiser] in de gelegenheid om bewijs te leveren van zijn stelling dat de handtekening op de bemiddelingsovereenkomst (zoals in de procedure gebracht als productie 1 bij dagvaarding) van [A] afkomstig is,
6.2.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 16 september 2026 voor uitlating door [eiser] of hij dit bewijs wil leveren en zo ja, of hij het bewijs wil leveren door middel van een onderzoek door een handschriftdeskundige dan wel op andere wijze (zoals het horen van getuigen);
6.3.
bepaalt dat, als [eiser] het bewijs (ook) wil leveren door een deskundige, [eiser] zich ook uitlaat over wat is vermeld in rov. 5.22 t/m 5.24 van dit tussenvonnis;
6.4.
bepaalt dat [eiser] , als hij getuigen wil laten horen, op voornoemde roldatum opgave zal doen van de naam en woonplaats van de te horen getuigen met de verhinderdata van partijen, hun advocaten en de getuigen voor een periode van vijf maanden na genoemde roldatum, waarna dag, uur en plaats van het getuigenverhoor zullen worden bepaald;
6.5.
bepaalt dat, als [eiser] bewijsstukken wil overleggen, hij die stukken dan direct bij de in rov. 6.2 bedoelde akte in de procedure moet brengen;
6.6.
bepaalt dat, als [eiser] in zijn akte aangeeft dat hij bewijs wil leveren door middel van een onderzoek door een handschriftdeskundige dan wel bewijsstukken in de procedure brengt, [gedaagden] op de rol van woensdag 30 september 2026 bij antwoordakte op de akte van [eiser] kan reageren ten aanzien van de overgelegde bewijsstukken en/of datgene wat is vermeld onder rov. 5.22 t/m 5.24 van dit tussenvonnis;
6.7.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Wijsman - Van Veen en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/420530 / HA ZA 25-649
Vonnis van 2 september 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. drs. A.L. van den Bergh,
tegen
1 [gedaagde 1] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,2. [gedaagde 2] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,3. [gedaagde 3] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. D.N. Lavain.
1De zaak in het kort
1.1.
Het gaat in deze zaak over de vraag of tussen partijen een bemiddelingsovereenkomst tot stand is gekomen. En zo ja, of [gedaagden] een bemiddelingsvergoeding aan [eiser] moet betalen.
1.2.
De rechtbank ziet aanleiding [eiser] in de gelegenheid stellen te bewijzen dat de handtekening op de bemiddelingsovereenkomst (in de procedure gebracht als productie 1 bij dagvaarding) van [A] afkomstig is.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties,- de conclusie van antwoord,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte met aanvullende productie 9 van [eiser] ,
- de mondelinge behandeling van 20 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Mr. Van den Bergh heeft tijdens de zitting spreekaantekeningen voorgelezen en een volmacht van [eiser] aan de heer [B] in de procedure gebracht. Deze stukken zijn toegevoegd aan het procesdossier,
- de akte van [eiser] van 17 juni 2026, met producties,
- de akte van [gedaagden] van 17 juni 2026, met producties,
- de antwoordakte van [eiser] van 15 juli 2026,
- de antwoordakte van [gedaagden] van 15 juli 2026.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
3.1.
[gedaagden] is eigenaar van [C] . De heer [A] (hierna te noemen: [A] ) is de bestuurder van [gedaagde 1] B.V. (gedaagde 1), die op haar beurt bestuurster is van [gedaagde 2] B.V. (gedaagde 2), die op haar beurt bestuurster is van [gedaagde 3] B.V. (gedaagde 3).
3.2.
[eiser] is horecamakelaar. De heer [B] is werkzaam voor [eiser] (hierna te noemen: [B] ).
3.3.
Partijen hebben contact met elkaar gehad over de verkoop van [C] in [plaats] .
3.4.
[B] heeft tijdens zijn werkzaamheden voor [eiser] een logboek bijgehouden. Daarin heeft hij notities gemaakt over contacten die in het kader van [C] hebben plaatsgehad. Voor zover van belang, heeft [B] in zijn logboek, het volgende genoteerd (productie 11 bij akte van [eiser] ):
“(…) 15 augustus 2023
[A] gebeld en direct afspraak kunnen maken.
(…)
Onderstaande mail met brochure verzonden:
Van: [B] [...]
Datum: dinsdag 15 augustus 2023 om 11:53
Aan: [rechtbank: [A] ]
Onderwerp: Afspraakbevestiging
Beste [A] ,
Bij deze bevestig ik onze afspraak donderdag 31 augustus 13.00 uur in [C] [plaats] .
(…)
15 augustus 2023
Mail verzonden naar kandidaten:
[D]
[E] (…)
[F] (…)
Van: [B] […]
Datum: dinsdag 15 augustus 2023 om 12:51
Onderwerp: [adres] en [naam] [plaats]
Beste [E] en [F] ,
Met de eigenaar van [C] heb ik een afspraak kunnen maken voor eind van deze maand. Ging niet eerder i.v.m. drukte ( [I] concerten) en aansluitende vakantie. Ik zal jullie op de hoogte houden.
(…)
31 augustus 2023 (13.00)
B.O.-afspraak met [A] :
> Huur € 160.000,-- per jaar.
> Omzet € 1.2 milj.
> Vroeg heel direct welke verkoopprijs in gedachte had. Aangegeven € 800.000,-.
Bemiddelingsopdracht getekend.
(…)
Van: [B] […]
Datum: maandag 11 september 2023 om 11:11
Aan: " [G] " […]
Onderwerp: [adres] [plaats] [C]
Geachte mevrouw [G] ,
Wij hebben opdracht gekregen om een nieuwe huurder/exploitant te vinden voor het pand [adres] ( [postcode] ) [plaats] [C] . I.v.m. deze opdracht verzoek ik u mij een kopie te mailen van de, in het verleden, verleende Drank & Horecavergunning en de terrasvergunning. Is het mogelijk ook de plattegrondtekening m.b.t. de gebruiksvergunning te ontvangen?
(…)
11 september 2023
Onderstaande mail verzonden:
Van: [B] […]
Datum: maandag 11 september 2023 om 19:47
Aan: [rechtbank: [A] ]
Onderwerp: [adres] [plaats]
Beste [A] ,
Bij deze de overeenkomst. Bij de Gemeente [plaats] heb ik de vergunningen opgevraagd i.v.m. de oppervlakten.
Ter informatie heb ik een checklist bijgevoegd hier is geen haast mee.
Kun jij aangeven hoeveel zitplaatsen er binnen zijn en hoeveel op het terras?
Heb je voor mij de huurovereenkomst en de laatste huurfactuur.
(…)
> Bijlage: B.O., algemene voorwaarden en checklist.
(…)
28 september 2023 (Do.)
In [plaats] met [A] gesproken, foto's gemaakt en via Whatsapp huurcontract en huurfactuur ontvangen.
(…)
Datum: maandag 2 oktober 2023 om 09:58
Aan: [rechtbank: [H] ]
Onderwerp: [C] [plaats]
Beste [E] en [F] ,
Afgelopen week heb ik gesproken met [A] van [C] en bijgevoegde huurovereenkomst en huurfactuur ontvangen. De verhuurder is een advocaat.
[A] is niet bereid de overnamesom of een gedeelte daarvan te financieren. Hoe denken jullie de financiering te kunnen realiseren?
(…)
Brochure verzonden naar:
[D]
[E] (…)
[F] (…)
25 oktober 2023
Brochure verzonden naar [A] .
Van: [B] […]
Datum: woensdag 25 oktober 2023 om 16:31
Aan: [rechtbank: [A] ]
Onderwerp: Verkoopbrochure [C]
Beste [A] ,
Zou jij bijgevoegde brochure willen controleren.
Ik hoor het graag als ik de brochure ergens moet aanpassen.
Als je nog namen met e-mailadressen hebt van mensen die misschien geïnteresseerd zijn kun je mij die doorgeven dan stuur ik ze vrijblijvend de brochure.
(…)
Onderstaand antwoord ontvangen:
Van: [A] […]
Datum: donderdag 26 oktober 2023 om 19:46
Aan: [B] […]
Onderwerp: Re: Verkoopbrochure [C]
Beste [B] , ziet er goed uit. Hartelijke groet [A]
(…)
Datum: zondag 22 december 2024 om 19:27
Aan: [B] […]
Onderwerp: Re: Verkoop [C]
Beste [B] , ik ga dit jaar [I] nog zelf draaien. Ik ben er morgen zelf niet. Ik heb een hele nieuw team die weten van niets. Daarom is discretie vereist en kunnen jullie alleen het publiek toegankelijke deel zien van de zaak. Hartelijke groet en fijne dagen [A]
(…)
12 januari 2025 (zondag)
Pand bezocht:
> Geconstateerd dat de zaak is overgenomen door [F] en [E] .
> Op de kassabon staat [A] [J] als ontvanger vermeld.
> Kort gesproken met de nieuwe uitbater en vernomen dat de naam volgend jaar veranderd wordt naar de oude naam van [J] .
> De vorige exploitant [A] had hem met de overname geholpen door een kleine geldlening te verstrekken.
> Zaak zag er niet uit en wij waren, op enig moment, de enige twee klanten binnen.
(…)
3 januari 2025
Pand nogmaals samen met (…) bezocht. Is toch echt door [F] en [E] overgenomen.
Zie kassabon.
(…)
9 februari 2025
Onderstaande mail verzonden en antwoord ontvangen:
Van: [A] […]
Datum: zondag 9 februari 2025 om 19:46
Aan: [B] […]
Onderwerp: Re: Verkoop [C] [plaats]
Beste [B] , helaas is het nog niet zover. De plannen zijn er wel. En ik blijf als dat doorgaat er nog bij betrokken als eigenaar. Ik ben vooralsnog nog steeds volledig huurder en exploitant. [E] en [F] zijn bij mij in dienst momenteel als manager. Ik hou je op de hoogte mochten er ontwikkelingen zijn. Met vriendelijke groet [A]
(…)
Van: [B] […]
Verzonden: donderdag, februari 6, 2025 10:39 AM
Aan: [rechtbank: [A] ]
Onderwerp: Verkoop [C] [plaats]
Beste [A] ,
Naar ik begrepen heb is de exploitatie van [C] [adres] [plaats] verkocht aan de eerder door ons voorgestelde kandidaten [E] en [F] nu handelend onder de naam [J] B.V.
Graag wil ik met je overleggen over de afhandeling van onze opdracht. (…)
(…)
11 februari 2025
Onderstaande reactie verzonden met diverse bijlagen:
Van: [B] [...]
Datum: dinsdag 11 februari 2025 om 10:59
Aan: [A] […]
Onderwerp: Re: Verkoop [C] [plaats]
Beste [A] ,
Bedankt voor je bericht maar ik deel je mening niet. Er wordt gefactureerd (zie bijlage kassabonnen) op [J] B.V. Dit bedrijf is van [K] B.V. eigendom van [E] en [F] . Of jij als tussenhuurder of financier van de verkoop betrokken blijft doet daar niets aan af. Er is verkocht en er zijn nieuwe ondernemers. Ik ben dan ook van mening dat wij, volgens de getekende bemiddelingsopdracht, gerechtigd zijn onze courtage te factureren uitgaande van de in de brochure opgenomen verkoopprijs. (…)”
3.5.
Op 12 januari en 3 februari 2025 heeft [B] , zoals ook uit zijn logboek blijkt, [C] bezocht (producties 4 en 5 van [eiser] ).
3.6.
Op 1 april 2025 heeft [eiser] een factuur aan [gedaagden] gezonden ter hoogte van € 48.400,00 als vergoeding voor de bemiddeling door [eiser] .
3.7.
[gedaagden] heeft deze factuur onbetaald gelaten.
3.8.
Op 22 mei 2026 heeft [gedaagden] de bemiddelingsovereenkomst, voor zover die tot stand zou zijn gekomen, ontbonden (productie 3 bij akte van [gedaagden] ).
4Het geschil
4.1.
[eiser] vordert - samengevat - [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan hem te voldoen:
een bedrag van € 40.000,00 exclusief btw, € 48.400,00 inclusief btw, wegens provisie, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente (ex artikel 6:119a BW),
een bedrag van primair € 6.000,00, subsidiair € 3.025,00, meer subsidiair € 500,00 wegens buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente (ex artikel 6:119 BW),
de kosten van de procedure en nakosten.
[eiser] vordert dat deze veroordelingen (voor zover de wet dat toelaat) uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
4.2.
[gedaagden] voert verweer. [gedaagden] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
5.1.
Tussen partijen is in geschil of tussen hen een bemiddelingsovereenkomst tot stand is gekomen.
5.2.
Volgens [eiser] hebben partijen een schriftelijke bemiddelingsovereenkomst gesloten. Daartoe stelt [eiser] , kort samengevat, het volgende.
Hij had een gerucht gehoord dat [gedaagden] [C] zou willen verkopen. Op 31 augustus 2023 is tussen [B] en [A] gesproken over de huurprijs per jaar en heeft [A] een bedrag van € 800.000,00 als verkoopprijs genoemd. Tijdens de zitting heeft [B] toegelicht hoe die bemiddelingsovereenkomst tot stand is gekomen. Kort gezegd heeft [B] uitgelegd dat [A] zijn handtekening op de overeenkomst (productie 1 bij dagvaarding) heeft gezet op 31 augustus 2023. Dat was om 13.00 uur en op het terras. Zo’n document (dat wil zeggen: een bemiddelingsovereenkomst) heeft [B] , zo lichtte hij verder toe, altijd bij zich. Volgens hem heeft [A] de bemiddelingsovereenkomst toen gezien, gelezen, getekend en gezegd ‘ik ben akkoord’.
5.3.
[gedaagden] betwist dat de handtekening op de door [eiser] als productie 1 in de procedure ingebrachte bemiddelingsovereenkomst van [A] is. Zijn beide zoons zijn advocaat en hij laat alles door hen lezen voordat hij iets tekent. Als er al een overeenkomst tot stand zou zijn gekomen, dan is volgens [gedaagden] niet aan de voorwaarden uit die bemiddelingsovereenkomst voldaan en is die overeenkomst beëindigd, zodat [gedaagden] in geen geval een bemiddelingsvergoeding aan [eiser] verschuldigd is.
5.4.
De vraag of partijen de bemiddelingsovereenkomst, zoals door [eiser] overgelegd als productie 1 bij dagvaarding, zijn overeengekomen, kan de rechtbank bij de huidige stand van zaken nog niet beantwoorden. De rechtbank ziet aanleiding [eiser] in de gelegenheid stellen de echtheid van de handtekening van de heer [A] op die overeenkomst te bewijzen. De volgende overwegingen leiden tot dit oordeel.
5.5.
[gedaagden] heeft als subsidiair verweer gevoerd dat zelfs als zou komen vast te staan dat [A] de bemiddelingsovereenkomst wél heeft ondertekend aan [eiser] geen bemiddelingsvergoeding toekomt, omdat niet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een vergoeding is voldaan. Volgens [gedaagden] heeft er namelijk geen ‘transactie’ plaatsgevonden zoals in de bemiddelingsovereenkomst is omschreven. Zou dit verweer van [gedaagden] slagen dan is nader onderzoek naar de handtekening van [A] niet nodig en daarom behandelt de rechtbank eerst dit verweer.
Heeft een ‘transactie’ plaatsgevonden?
5.6.
Volgens [eiser] is [gedaagden] de volledige provisie (zoals bedoeld onder ‘overige voorwaarden’ in de overeenkomst in productie 1 bij dagvaarding) verschuldigd, omdat buiten hem om (en tijdens de looptijd van de overeenkomst) een transactie tussen [gedaagden] en [F] en [E] tot stand is gekomen.
5.7.
Voor het antwoord op de vraag of tussen [gedaagden] en [F] en [E] een transactie heeft plaatsgevonden, zijn de volgende bepalingen uit de bemiddelingsovereenkomst van belang:
“(…) Bij tussentijdse opzegging is men de afgesproken provisie verschuldigd. Opdrachtgever is, los van de provisie bij aanvang van de opdracht, een bijdrage in de kosten verschuldigd ter hoogte van € 850,00 excl. BTW. (…)
De onderneming (goodwill/inventaris/eventueel handelsnaam) en/of het onroerend goed worden in het navolgende aangeduid met: “het object”. Onder “transactie” wordt verstaan: verkoop, verhuur, verpachting, huurkoop of een andere vorm van vervreemding of overdracht van het object. Onder “transactie” wordt mede verstaan de verkoop van (direct of indirect, al dan niet middels de verkoop van aandelen in directe of indirecte moedervennootschappen) aandelen in een vennootschap die eigenaresse is van het object of het wijzigen van de gerechtigden tot een vennootschap (…)
Overige voorwaarden
Tijdens de looptijd van deze overeenkomst is opdrachtgever niet gerechtigd met derden over een transactie met betrekking tot het object te onderhandelen. Indien tijdens de looptijd van deze overeenkomst buiten [eiser] om een transactie met betrekking tot het object tot stand komt, is opdrachtgever de volledige provisie aan [eiser] verschuldigd.
(…)
(…)
e “volledige provisie”, als bedoeld onder A en B, is verschuldigd ongeacht de inhoud, de condities en de wijze waarop de transactie tot stand is gekomen en ongeacht de verplichting(en) van de opdrachtgever jegens derden. Deze provisie wordt berekend over voormelde vraagprijs, tenzij deze niet beschikbaar is in welk geval de gerealiseerde prijs tot uitgangspunt wordt genomen. Is [eiser] met de gerealiseerde prijs niet bekend dan wordt een schatting van [eiser] van die prijs tot uitgangspunt genomen, De provisie wordt (voorts) over de gerealiseerde prijs berekend indien [eiser] daarvoor (alsnog) kiest of indien opdrachtgever binnen veertien dagen nadat hij door [eiser] is aangeschreven aantoont hoe hoog die prijs was en aantoont dat sprake was van een economisch reële prijs. In alle gevallen bedraagt de provisie ten minste € 6.000,00 excl. BTW.
Eventuele kosten, zowel in als buiten rechte, veroorzaakt door niet-nakoming van opdrachtgever van zijn verplichtingen wegens niet strikte naleving van deze opdracht, zijn voor rekening van opdrachtgever. De buitengerechtelijke kosten worden vastgesteld op 15% van de hoofdsom.”
5.8.
De rechtbank is van oordeel dat, in de situatie dat vast zou komen te staan dat de bemiddelingsovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen, sprake is geweest van een transactie zoals bedoeld in de hiervoor geciteerde bepalingen. Daartoe wordt het volgende overwogen.
5.9.
Bij de uitleg van de inhoud van een overeenkomst, specifiek de uitleg van de afspraak over de voorwaarden waaronder een vergoeding aan [eiser] verschuldigd zou zijn, is van belang welke betekenis partijen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan de term ‘transactie’ mochten toekennen en wat ze dienaangaande redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
5.10.
[A] heeft tijdens de zitting toegelicht dat [F] en [E] met [J] B.V. sinds 1 oktober 2025 [C] exploiteren, dat zij de omzet draaien en dat de winst tussen hen en hemzelf wordt gedeeld, maar ook dat hijzelf (nog) opdraait voor eventuele verliezen. Die samenwerking is volgens hem in november 2024 tot stand gekomen. Toen is ook afgesproken dat [F] en [E] aandelen van [A] (op termijn) kunnen overnemen uit de winst, voor een bedrag van € 250.000,00. Daarbij is als uitgangspunt een termijn van vijf jaar genomen, maar het zou ook korter of langer kunnen duren volgens [A] . Tot die tijd is sprake van een samenwerking in de vorm van management, waarbij [F] en [E] werkzaam zijn op basis van arbeidsovereenkomsten.
5.11.
De door [A] omschreven samenwerking, kwalificeert naar het oordeel van de rechtbank als een ‘andere vorm van vervreemding of overdracht van het object’. De formulering in de bemiddelingsovereenkomst is dusdanig breed opgezet, dat daarmee ook is beoogd deze vorm van uitgestelde overdracht te omvatten. Juist omdat ook in de overeenkomst is bepaald dat een vergoeding verschuldigd is bij (tussentijdse) opzegging van de bemiddelingsovereenkomst en -onder omstandigheden- binnen een periode van twaalf maanden na het beëindigen van de overeenkomst, ligt het in de rede dat ook een uitgestelde overdracht binnen het bereik van de afspraken valt. Daarbij neemt de rechtbank mee dat het gaat om een ‘no cure no pay’ afspraak. Is er tijdens de looptijd van de overeenkomst geen transactie tot stand gekomen dan ontvangt Klaasen geen vergoeding voor de werkzaamheden die zijn verricht. [eiser] heeft in de bemiddelingsovereenkomst het begrip transactie dan ook ruim omschreven. [gedaagden] heeft onvoldoende aangevoerd waaruit kan volgen dat de inhoud van deze afspraak op een andere manier zou moeten worden uitgelegd.
5.12.
De door [A] tijdens de zitting beschreven transactie heeft in dit geval plaatsgevonden tijdens de looptijd van de overeenkomst en buiten [eiser] om, zoals bedoeld onder A van de ‘Overige voorwaarden’. Van een stilzwijgende (tussentijdse) beëindiging van de bemiddelingsovereenkomst is in dit geval geen sprake. Uit het logboek van [B] blijkt namelijk dat hij in elk geval tot en met november 2024 werkzaamheden in het kader van [C] heeft verricht (die werkzaamheden bestonden onder andere uit het verzenden van de brochure aan potentiële kandidaten). Van een opzegging of beëindiging eerder dan op 22 mei 2026, is niet gebleken. [gedaagden] heeft ook niet gemotiveerd weersproken dat [B] deze werkzaamheden heeft verricht, zodat de rechtbank ervan uit gaat dat de overeenkomst pas op 22 mei 2026 tot een einde is gekomen (zie rov. 3.8). Dat betekent dat – in het geval komt vast te staan dat de hiervoor geciteerde bepalingen tussen partijen zijn overeengekomen als onderdeel van de bemiddelingsovereenkomst – [gedaagden] een vergoeding verschuldigd is aan [eiser] . Een beslissing over wat de hoogte van die vergoeding dan zou moeten zijn, zal – in afwachting van bewijslevering – nog niet worden genomen.
Bewijslevering door [eiser]
5.13.
Het voorgaande leidt ertoe dat wordt toegekomen aan beoordeling van de vraag of de handtekening op de bemiddelingsovereenkomst door [A] is gezet.
5.14.
[gedaagden] voert aan dat de handtekening op de overeenkomst niet van [A] is, althans dat die handtekening niet door hem is gezet. [eiser] stelt dat uit het in de procedure gebrachte rijbewijs en paspoort blijkt dat geen sprake kan zijn van een valse handtekening.
5.15.
De rechtbank kan bij de huidige stand van zaken niet vaststellen of de handtekening op de bemiddelingsovereenkomst (in productie 1 bij dagvaarding) door [A] is gezet op 31 augustus 2023. Dat betekent dat vooralsnog niet vast staat dat [eiser] en [gedaagden] deze bemiddelingsovereenkomst met elkaar hebben gesloten. Daartoe wordt het volgende overwogen.
5.16.
De stelling van [eiser] dat [gedaagden] nooit heeft geprotesteerd tegen de op 11 september 2023 door [B] aan [A] toegezonden getekende bemiddelingsovereenkomst, is onvoldoende om te kunnen concluderen dat de handtekening op de bemiddelingsovereenkomst van [A] afkomstig is. Tijdens de zitting heeft [A] verklaard dat hij die mail nooit heeft gezien, omdat hij die – hoewel gericht aan zijn e-mailadres – gemist heeft. [eiser] heeft geen afschrift van deze e-mail van 11 september 2023, met daarbij gevoegd de – getekende – bemiddelingsovereenkomst, in de procedure gebracht. Dat mocht gelet op de betwisting van [A] , wel van [eiser] worden verwacht.
5.17.
[eiser] heeft in de dagvaarding aanvankelijk gesteld dat de bemiddelingsovereenkomst op 5 september 2023 tot stand zou zijn gekomen (deze datum is ook -deels handgeschreven- rechts onderaan op de bemiddelingsovereenkomst te lezen; ‘5-9-2023’). De stelling dat de bemiddelingsovereenkomst al op 31 augustus 2023 is getekend door [A] , heeft [eiser] vervolgens pas tijdens de zitting ingenomen aan de hand van het logboek van [B] . Ook roept de verklaring van [B] tijdens de mondelinge behandeling vragen op. [B] verklaarde dat [A] tijdens het eerste fysieke contact op het terras op 31 augustus 2023 de overeenkomst zou hebben getekend. ”Ik heb altijd zo’n document bij me”, verklaarde [B] . Opvallend is dat in de bemiddelingsovereenkomst al veel gegevens met betrekking tot [gedaagden] (voor)ingevuld waren. Dat vereist onderzoek en planning vooraf en is geen exemplaar dat iemand altijd bij zich heeft. De nog niet (voor)ingevulde gegevens, zoals de vraagprijs zijn vervolgens niet handgeschreven aangevuld.
5.18.
Tot slot heeft [eiser] ook niet kunnen bevestigen dat [gedaagden] in de bemiddelingsovereenkomst genoemde bijdrage in de kosten (van € 850,00 exclusief btw), heeft voldaan. Een factuur en/of betalingsbewijs heeft [eiser] desgevraagd niet in de procedure gebracht, terwijl [B] tijdens de zitting verklaarde dat dit bedrag in rekening is gebracht en ook was betaald door [gedaagden]
5.19.
Ook de enkele opmerking van [B] , dat hij zich afvraagt hoe hij een handtekening kan vervalsen als hij niet eens weet hoe die eruit ziet, is onvoldoende om gelet op voornoemde omstandigheden uit te gaan van de echtheid van de handtekening die op de bemiddelingsovereenkomst staat.
5.20.
Het voorgaande leidt ertoe dat de bemiddelingsovereenkomst – gelet op de stellige ontkenning van de ondertekening daarvan door [A] – niet tot uitgangspunt van de tussen partijen gemaakte afspraken kan worden genomen, zolang niet is bewezen dat de ondertekening van [A] afkomstig is. Het is in dat geval aan [eiser] om de echtheid van de handtekening op de bemiddelingsovereenkomst in productie 1 te bewijzen. Dit staat in artikel 159 lid 2 Rv. [eiser] heeft daartoe tijdens de zitting bewijs aangeboden. De rechtbank zal [eiser] conform dit bewijsaanbod tot bewijslevering toelaten.
5.21.
Gelet op wat hiervoor is overwogen zal [eiser] moeten bewijzen dat de handtekening onder de bemiddelingsovereenkomst (in productie 1 bij dagvaarding) van [A] afkomstig is. [eiser] zal bij akte in de gelegenheid worden gesteld om zich uit te laten over de vraag of hij dit bewijs wil leveren, en, zo ja, op welke wijze.
5.22.
Als [eiser] het gevraagde bewijs wil leveren door een (handschrift)deskundige geldt het volgende. [eiser] kan zich dan bij (dezelfde) akte uitlaten over de te benoemen (handschrift)deskundige en over de vragen die aan de deskundige moeten worden gesteld. [eiser] zal daarbij het origineel van de bemiddelingsovereenkomst aan de deskundige ter hand dienen te stellen. Daarnaast zal de rechtbank bepalen dat [A] de deskundige op zijn of haar verzoek moet voorzien van origineel referentiemateriaal.
5.23.
De rechtbank is in dat geval voornemens aan de deskundige in ieder geval de volgende twee vragen voor te leggen:
Kunt u vaststellen of en zo ja met welke mate van waarschijnlijkheid de handtekening onder de naam “ [A] ” op de bemiddelingsovereenkomst (productie 1 bij dagvaarding) door [A] is geplaatst? Kunt u toelichten hoe u tot uw antwoord bent gekomen?
Heeft u nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zouden kunnen zijn?
5.24.
Het eventuele voorschot op de kosten van het deskundigenbericht zal door [eiser] moeten worden betaald.
5.25.
Het staat [eiser] vrij om het bewijs van zijn stelling dat [A] de bemiddelingsovereenkomst (productie 1 bij dagvaarding) heeft ondertekend op andere wijze te leveren, bijvoorbeeld door middel van het horen van getuigen.
5.26.
De zaak zal worden verwezen naar de rol voor het nemen van een akte door [eiser] als bedoeld onder rov. 5.21. Nadat [eiser] zich bij akte heeft uitgelaten over de vraag of, en, zo ja, hoe hij bewijs wenst te leveren, zal [gedaagden] de gelegenheid krijgen om bij antwoordakte te reageren. In het geval [eiser] bewijs wil leveren door middel van een handschriftdeskundige, dienen beide partijen zich in hun aktes uit te laten over de persoon van de deskundige en de aan de deskundige te stellen vragen. Als [eiser] afziet van bewijslevering, zal eindvonnis worden gewezen.
Geen strijd met eisen goede procesorde
5.27.
De rechtbank gaat voorbij aan het bezwaar van [eiser] dat [gedaagden] te laat is met zijn betoog dat de handtekening op de bemiddelingsovereenkomst van hem zou zijn. Tijdens de zitting hebben partijen over en weer op elkaars standpunten kunnen reageren. Ook bij akte en antwoordakte hebben partijen hun standpunten vervolgens nader kunnen toelichten. [eiser] heeft ook kunnen reageren op de nadere stukken van [gedaagden] (waaronder het rijbewijs en het paspoort van [A] ). Dat leidt ertoe dat [eiser] niet in zijn procesbelang is geschaad.
5.28.
Het beroep van [eiser] op artikel 128 lid 3 Rv (in verbinding van artikel 111 Rv en 21 Rv) slaagt ook niet. Artikel 128 lid 3 Rv strekt er kort gezegd toe dat processuele verweren uiterlijk bij antwoord aan de rechter voorgelegd moeten worden. De stellige ontkenning van ondertekening van de bemiddelingsovereenkomst, raakt aan de inhoud van het geschil en is daarmee materieel van aard.
Het vervolg van de procedure
5.29.
In afwachting van de aktewisseling, zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.
6De beslissing
De rechtbank
6.1.
stelt [eiser] in de gelegenheid om bewijs te leveren van zijn stelling dat de handtekening op de bemiddelingsovereenkomst (zoals in de procedure gebracht als productie 1 bij dagvaarding) van [A] afkomstig is,
6.2.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 16 september 2026 voor uitlating door [eiser] of hij dit bewijs wil leveren en zo ja, of hij het bewijs wil leveren door middel van een onderzoek door een handschriftdeskundige dan wel op andere wijze (zoals het horen van getuigen);
6.3.
bepaalt dat, als [eiser] het bewijs (ook) wil leveren door een deskundige, [eiser] zich ook uitlaat over wat is vermeld in rov. 5.22 t/m 5.24 van dit tussenvonnis;
6.4.
bepaalt dat [eiser] , als hij getuigen wil laten horen, op voornoemde roldatum opgave zal doen van de naam en woonplaats van de te horen getuigen met de verhinderdata van partijen, hun advocaten en de getuigen voor een periode van vijf maanden na genoemde roldatum, waarna dag, uur en plaats van het getuigenverhoor zullen worden bepaald;
6.5.
bepaalt dat, als [eiser] bewijsstukken wil overleggen, hij die stukken dan direct bij de in rov. 6.2 bedoelde akte in de procedure moet brengen;
6.6.
bepaalt dat, als [eiser] in zijn akte aangeeft dat hij bewijs wil leveren door middel van een onderzoek door een handschriftdeskundige dan wel bewijsstukken in de procedure brengt, [gedaagden] op de rol van woensdag 30 september 2026 bij antwoordakte op de akte van [eiser] kan reageren ten aanzien van de overgelegde bewijsstukken en/of datgene wat is vermeld onder rov. 5.22 t/m 5.24 van dit tussenvonnis;
6.7.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Wijsman - Van Veen en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.