Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Oost-Brabant

ECLI:NL:RBOBR:2026:6571

2026-09-11 Bestuursrecht; Omgevingsrecht 25/366 Einduitspraak
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Uitspraakdatum
2026-09-11
Publicatiedatum
2026-09-10
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
25/366 Einduitspraak
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; STAB-OGR-Updates.nl 2026-0214

Inhoudsindicatie

Deze uitspraak gaat over het beroep niet-tijdig beslissen, maar vooral ook over de afwijzing van het verzoek van eiseres om tot actualisatie van de Hinderwetvergunningen en milieuvergunning van het Eurocircuit over te gaan. De rechtbank geeft hiervoor een termijn van 12 maanden. Artikel 8.99, derde lid, van het Bkl bevat weliswaar geen concrete termijn voor de actualisatie van de vergunningvoorschriften, maar dit ontslaat het bevoegd gezag er niet van om de voorschriften van de omgevingsvergunning zo snel als redelijkerwijs mogelijk is te wijzigen als uit het actualisatieonderzoek blijkt dat dit noodzakelijk is. Dit vloeit namelijk voort uit artikel 5.38, eerste lid, van de Ow, Het college zal gedurende een aanzienlijke periode bezig zijn met vergaren van relevante feiten, omstandigheden en gegevens over de actualisatie vergunningvoorschriften. Daarnaast zal het college hiertoe de nodige onderzoeken moeten (laten) verrichten en adviezen van deskundigen moeten inwinnen. Alles afwegende acht de rechtbank een termijn van 12 maanden hiertoe redelijk.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (48.807 tekens)
RECHTBANK OOST-BRABANT


Zittingsplaats 's-Hertogenbosch



Bestuursrecht



zaaknummer: SHE 25/366 einduitspraak


uitspraak van de meervoudige kamer van 11 september 2026 in de zaak tussen
de vereniging Groen en Heem Valkenswaard e.o., uit Valkenswaard (eiseres)
(gemachtigde: [naam]),


en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Valkenswaard, (het college)
(gemachtigden: mr. S.M.P. Looijmans en E.L.A. Kramer).


Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de Nederlandse Rallycross Vereniging (vergunninghoudster)
(gemachtigde: [naam] ).



Samenvatting


Op 28 januari 2025 heeft eiseres beroep ingesteld wegens het niet-tijdig beslissen door het college op haar verzoek om over te gaan tot actualisatie van de Hinderwetvergunningen en milieuvergunning voor het Eurocircuit. Omdat het college bij besluit van 5 februari 2025 alsnog inhoudelijk op het verzoek heeft beslist, is het beroep van rechtswege mede gericht tegen de inhoud van dit besluit.



Deze uitspraak gaat over het beroep niet-tijdig beslissen, maar vooral ook over de afwijzing van het verzoek van eiseres om tot actualisatie van de Hinderwetvergunningen en milieuvergunning van het Eurocircuit over te gaan. Eiseres is het niet met de afwijzing van haar verzoek eens en voert hiertoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het verzoek.



De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college niet-tijdig heeft besloten en het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Onder 1 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 2 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.





Procesverloop


1. Op 4 juli 2024 heeft eiseres bij het college een verzoek ingediend tot actualisatie van de Hinderwetvergunningen en milieuvergunning die in 1993 en 1999 aan de Nederlandse Rallycross Vereniging (NRV) en de Motorsportvereniging Valkenswaard (MVM) zijn verleend voor motorsportactiviteiten aan de Victoriedijk in Valkenswaard.



1.1
Het college heeft het verzoek op 29 augustus 2024 afgewezen.



1.2
Op 3 september 2024 heeft eiseres schriftelijk op de afwijzing gereageerd.



1.3
Op 8 januari 2025 heeft eiseres het college in gebreke gesteld wegens niet-tijdig beslissen.



1.4
Eiseres heeft op 28 januari 2025 beroep wegens niet-tijdig beslissen ingesteld en de rechtbank verzocht om het college een dwangsom op te leggen.



1.5
Op 5 februari 2025 heeft het college schriftelijk gereageerd.



1.6
Op 24 april 2025 heeft de rechtbank het beroep niet-tijdig beslissen behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: de gemachtigden van eiseres en de gemachtigde van het college. De rechtbank heeft ter zitting aangegeven dat de inhoudelijke behandeling van het beroep op een later moment zal plaatsvinden. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt.



1.7
Het college heeft een verweerschrift ingediend.



1.8
Op 18 november 2025 heeft de rechtbank het inhoudelijke beroep behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het college.





Beoordeling door de rechtbank



Feiten en omstandigheden




2. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden.



2.1
Op 31 augustus 1993 heeft het college aan de NRV ingevolge de Hinderwet een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting tot het beoefenen van de autorallysport op een autorally-sportcircuit op het perceel aan de [adres] in [woonplaats] (het Eurocircuit).



2.2
Op 31 augustus 1993 heeft het college aan de MVM ingevolge de Hinderwet een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting tot het beoefenen van de motorsport op het motorsportcircuit op het Eurocircuit.



2.3
Op 15 juni 1999 heeft het college aan de NRV ingevolge artikel 8.1 Wet milieubeheer (Wm) een vergunning verleend voor het uitbreiden en/of wijzigen van de inrichting. Hierna tezamen aangeduid als “de vergunningen”.



2.4
De Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) heeft in 2020 onderzoek gedaan naar het actualiseren van de beide vergunningen en hierover op 11 juni 2020 het memo “Advies ambtshalve aanpassing voorschriften milieuvergunningen Eurocircuit” (memo) aan het college uitgebracht.



2.5
Bij besluit van 7 november 2024 heeft de raad van de gemeente Valkenswaard (raad) het bestemmingsplan "Eurocircuit" vastgesteld. Het bestemmingsplan voorziet in de planologische borging en het toekomstbestendig maken van het Eurocircuit. De gronden, waarop het Eurocircuit is gelegen, hebben onder meer de bestemmingen “Sport-Motorcrossterrein" en "Sport-Autosportterrein". Eiseres heeft bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) beroep tegen het bestemmingsplan ingesteld en gelijktijdig een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.



2.6
Bij uitspraak van 22 mei 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling het bestemmingsplan geschorst totdat uitspraak is gedaan in de bodemzaak, voor zover het betreft artikel 6.3.2, onder 11, van de planregels en artikel 9.3.2, onder 9, van de planregels voor zover daarin meer activiteiten zijn toegestaan dan weergegeven in tabel 1 en 2 in de bijlage bij de uitspraak.



Juridisch kader




2.7
Het hier van belang zijnde juridisch kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.



Beroep niet-tijdig beslissen

3. Op 4 juli 2024 zond eiseres het college een verzoek tot actualisatie van de vergunningen voor het Eurocircuit. Omdat de beslissing op bezwaar uitbleef, heeft eiseres het college bij brief van 8 januari 2025 in gebreke gesteld. Op 28 januari 2025 heeft eiseres beroep ingesteld wegens niet tijdig beslissen, de rechtbank verzocht het college op te dragen om op korte termijn alsnog een besluit op het verzoek te nemen en de dwangsom wegens niet-tijdig beslissen van € 1.442,- vast te stellen.




3.1
Het college heeft bij brief van 2 februari 2025 op de ingebrekestelling gereageerd en zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van niet tijdig beslissen.



Is het actualisatieverzoek een aanvraag?

4. Artikel 5.39, aanhef en onder a, van de Omgevingswet (Ow) in samenhang met artikel 8.98 en 8.99 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat voor het bevoegd gezag een actualiseringsplicht die het vervolg is op de onderzoeksplicht uit artikel 5.38 van de Ow. Als uit het onderzoek, bedoeld in artikel 5.38, eerste lid, onder b, van de Ow, blijkt dat de aan de vergunning voor de milieubelastende activiteit verbonden voorschriften niet meer toereikend zijn, is het bevoegd gezag in bepaalde gevallen verplicht om deze ambtshalve aan te passen.




4.1.
In artikel 5.39 van de Ow en de voorganger van dit artikel, artikel 2.31 in samenhang met artikel 2.33 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), is geen bepaling opgenomen die belanghebbenden uitdrukkelijk de bevoegdheid geeft om wijziging of intrekking van een vergunning te vragen. Echter, artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) definieert een “aanvraag” als een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen. Het verzoek van een belanghebbende om de aan een vergunning verbonden voorschriften aan te vullen, in te trekken of anderszins te wijzigen, is een verzoek om een besluit te nemen en dus een aanvraag in de zin van de Awb.



4.2.
Op grond van artikel 1:2, eerste lid van de Awb wordt als belanghebbende aangemerkt degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Volgens de statuten van eiseres richt zij zich onder meer op behoud en versterking van natuur en milieu in de gemeente Valkenswaard. Aangezien de beslissing over de actualisatie van de vergunningen dit belang rechtsreeks raakt, is eiseres belanghebbende bij het actualisatieverzoek. Daarmee is het actualisatieverzoek van eiseres naar het oordeel van de rechtbank een aanvraag.



Heeft het college tijdig beslist op de aanvraag?


5. Eiseres heeft de aanvraag tot actualisatie van de vergunningen op 4 juli 2024 ingediend. Artikel 4:13, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van een wettelijke termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag. Het tweede lid van dat artikel bepaalt - voor zover hier van belang - dat de redelijke termijn is verstreken als niet binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking is gegeven. Het college heeft de aanvraag op 29 augustus 2024, en dus binnen acht weken, afgewezen. Daarmee heeft het college binnen een redelijke termijn een beslissing genomen op de aanvraag. De rechtbank oordeelt daarom dat geen sprake is van niet-tijdig beslissen op de aanvraag tot actualisatie van de vergunningen.


Heeft het college tijdig beslist op het bezwaar?

6. Deze afwijzing van de aanvraag is een beschikking waartegen bezwaar kan worden gemaakt. Eiseres heeft op 3 september 2024 schriftelijk op de afwijzing gereageerd. De rechtbank merkt deze reactie aan als een bezwaarschrift. Eiseres heeft in de brief van 3 september 2024 aangegeven dat de grondslag waarop het college de afwijzing heeft gebaseerd, ontbreekt en dat het feit dat nog geen nieuw bestemmingsplan is vastgesteld het college niet van de actualisatieplicht ontslaat. Eiseres heeft met deze brief, gelet op de inhoud en strekking daarvan, onmiskenbaar beoogd bezwaar te maken tegen het besluit van het college van 29 augustus 2024 tot afwijzing van het actualisatieverzoek. Dat eiseres niet expliciet heeft vermeld dat het een bezwaarschrift betreft, doet hieraan niet af. Een dergelijke vermelding is namelijk niet van doorslaggevend belang voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een bezwaarschrift. De rechtbank is daarom van oordeel dat de brief van 3 september 2024 van eiseres een bezwaarschrift is.



6.1.
Met de brief van 2 februari 2025 heeft het college op het bezwaarschrift van eiseres gereageerd. De brief van 2 februari 2025 is daarom een beslissing op bezwaar. De rechtbank moet beoordelen of die beslissing tijdig is genomen. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Verordening commissie bezwaarschriften gemeente Cranendonck, Heeze-Leende, Valkenswaard en de Gemeenschappelijke Regeling Samenwerking A2-gemeente is ten behoeve van de voorbereiding van de beslissing op bezwaren een commissie ingesteld. Het betreft een adviescommissie als bedoeld in artikel 7:13, eerste lid, van de Awb. Dat betekent dat het college op grond van artikel 7:10, eerste lid, van de Awb binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken, op het bezwaar van eiseres moest beslissen. De termijn voor het indienen van bezwaar eindigde 6 weken na de datum waarop het besluit is bekendgemaakt, dus op 10 oktober 2024. Twaalf weken na 10 oktober 2024 moest het college uiterlijk op het bezwaarschrift van eiseres beslissen, dat is op 2 januari 2025. Het college heeft echter pas op 2 februari 2025 een beslissing op bezwaar genomen. De rechtbank oordeelt daarom dat de beslissing op bezwaar niet tijdig is genomen.



6.2.
De rechtbank stelt vast dat de ingebrekestelling geldig is, omdat deze is verzonden nadat de beslistermijn is verstreken en op dat moment nog geen beslissing was genomen op het bezwaar. Vervolgens heeft eiseres meer dan twee weken na de ingebrekestelling beroep ingediend. Ook op dat moment was er nog niet beslist op het bezwaar. Het beroep is daarom gegrond.



Is er een dwangsom verbeurd?


7. Bij een gegrond beroep stelt de rechtbank op grond van artikel 8:55c van de Awb de hoogte van de verbeurde dwangsom vast. Gelet op de ontvangst van de ingebrekestelling op 8 januari 2025, is 22 januari 2025 de eerste dag waarover het college een dwangsom verschuldigd zou zijn. Het college is niet meer in gebreke op het moment dat de beslissing op bezwaar is genomen. Hierbij is de laatste dag waarover de dwangsom nog is verschuldigd de dag dat de beslissing op bezwaar aan eiseres is verzonden. Het college heeft de beslissing op bezwaar op 5 februari 2025 aan eiseres gezonden. Dit betekent dat het college aan eiseres een dwangsom moet betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 14 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag. De rechtbank stelt de hoogte van de dwangsom vast op € 322,-.

8. Gelet op het bepaalde in artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep van eiseres van rechtswege mede betrekking op het alsnog genomen besluit en dus op de beslissing op bezwaar. Eiseres heeft tegen het besluit op bezwaar beroepsgronden aangevoerd. Die zal de rechtbank hierna bespreken.



Bespreking van de inhoudelijke beroepsgronden





Heeft eiseres procesbelang?


9. Het college heeft in de besluiten van 9 februari 2021, 29 augustus 2024 en de beslissing op bezwaar van 5 februari 2025 het standpunt ingenomen dat actualisatie van de vergunningen noodzakelijk is. Eiseres heeft daarom volgens het college geen procesbelang meer bij haar beroep.



9.1
Tussen partijen is niet in geschil dat er een noodzaak tot actualisatie van de voorschriften van de vergunningen bestaat. Echter, het college heeft in de beslissing op bezwaar van 5 februari 2025 besloten niet tot actualisatie van de vergunningvoorschriften over te gaan. Eiseres heeft dus niet gekregen wat zij wil. De rechtbank oordeelt dat eiseres alleen al daarom procesbelang heeft bij haar beroep.



Moet het memo van de ODZOB buiten beschouwing worden gelaten?

10. Eiseres stelt dat uit het door haar overgelegde memo van de ODZOB van 11 juni 2020 volgt dat de ODZOB aanleiding en mogelijkheden ziet tot actualisatie van de vergunningen. Volgens eiseres handelt het college in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel door de bevindingen van de ODZOB niet over te nemen.




10.1
Het college stelt dat het memo van de ODZOB een document voor intern beraad is. Het college heeft het memo bij zijn afweging betrokken, maar het memo niet tot zijn standpunt gemaakt of vastgesteld. Het memo kan daarom volgens het college niet in deze beroepsprocedure worden betrokken en het college verzoekt de rechtbank het memo niet te betrekken bij de beoordeling en de daarop gebaseerde beroepsgronden niet te bespreken.



10.2
Het memo van de ODZOB is in het kader van het besluit van het college van 9 februari 2021 opgesteld. In het memo heeft de ODZOB een analyse gemaakt of een ambtshalve aanpassing van de vergunningen van het Eurocircuit mogelijk en/of noodzakelijk is. Dit is geen deskundigenadvies. Het college hoeft daarom niet te motiveren waarom het de inhoud van het memo al dan niet overneemt. Evenmin handelt het college in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel door de inhoud van het memo niet (geheel) over te nemen. Het college heeft in zoverre gelijk.



10.3
Het enkele feit dat het memo, voor zover dat al juist zou zijn, bestemd was voor intern beraad en dat het college de daarin opgenomen standpunten niet geheel onderschrijft, vormt naar het oordeel van de rechtbank geen reden om het memo of de daarop betrekking hebbende beroepsgronden van eiseres buiten beschouwing te laten. Nu eiseres een beroep op het memo heeft gedaan, moet de rechtbank de inhoud hiervan in het kader van de daarop betrekking hebbende beroepsgrond meenemen. De rechtbank zal de inhoud van het memo dan ook bij haar oordeel betrekken. Eiseres krijgt in zoverre gelijk.



Is er een actualisatieplicht?

11. Eiseres stelt dat het college ingevolge de Ow verplicht is regelmatig te bezien of de voorschriften van de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit nog toereikend zijn gezien de ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu. Dat is sinds 1993 niet gebeurd. Eiseres vindt dat het college verplicht is de vergunningvoorschriften te actualiseren. Eiseres stelt verder dat in het memo van de ODZOB is aangegeven dat sinds de vergunningverlening nieuwe toetsingskaders zijn gaan gelden, waaronder nieuwe luchtkwaliteitseisen, strengere eisen uit de PGS-richtlijnen en het derde Landelijk Afvalbeheerplan (LAP3). Eiseres voegt hieraan toe dat de definities in de vergunningen veelal achterhaald zijn en dat de vergunningen getoetst moeten worden aan het Bal en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Ook de geluidsvoorschriften zijn sterk verouderd en er zijn verschillende mogelijkheden voor de verbetering van het milieu, zoals de opname van een geluidsvoorschrift voor trainingen in de vergunningen, de geluid(technische) eisen van de Koninklijke Nederlandse Motorrijders Vereniging en de Koninklijke Nationale Autosport Federatie, bronmaatregelen aan de motoren, geluidscontroles en geluidsmetingen, eisen aan het aantal viertakt- en tweetaktcrossmotoren dat aan wedstrijden en training mag deelnemen, inzet van elektrische voertuigen, gebruiksmaatregelen en voorschriften over de omroepinstallaties, voorkoming van stofhinder en veiligheidsmaatregelen. Ten aanzien van de mogelijkheden in het kader van de BBT verwijst eiseres naar het “Briefrapport second opinion akoestisch onderzoek Bestemmingsplan Eurocircuit” van Target advies van 13 januari 2025.




11.1
Het college is het hier niet mee eens. Op verzoek van het team Interbestuurlijk Toezicht van de provincie Noord-Brabant heeft het college door de ODZOB onderzoek laten doen naar de mogelijkheden en noodzaak tot actualisatie van de vergunningvoorschriften. Uit het naar aanleiding van dit onderzoek opgestelde memo volgt weliswaar dat er mogelijkheden en noodzaak tot actualisatie bestaan, maar dat dit niet efficiënt zou zijn. Het college stelt dat het beter is eerst het bestemmingsplan te actualiseren. Naar aanleiding van het nieuwe bestemmingsplan zullen namelijk ook nieuwe omgevingsvergunningen voor het Eurocircuit moeten worden verleend. Als de vergunningen voorafgaand aan het nieuwe bestemmingsplan zouden worden geactualiseerd, zouden deze maar een beperkte looptijd hebben. Daarom heeft het college op 9 februari 2021 besloten de omgevingsvergunningen niet te actualiseren. Het college stelt echter op grond van artikel 5.38 van de Ow beleidsruimte te hebben om de uitkomst van de beroepen tegen het bestemmingsplan af te wachten alvorens tot actualisatie over te gaan.



11.2
Tussen partijen is in geschil of op het college een actualisatieplicht rust. De rechtbank zal dit daarom hieronder beoordelen. In de wetsgeschiedenis van artikel 5.38, eerste lid, van de Ow is aangegeven: “Onderdeel CS (artikel 5.38, eerste lid, Omgevingswet) Het eerste lid van dit artikel bevat de zogeheten actualiseringsplicht voor de omgevingsvergunning. Deze plicht geldt onder meer voor de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit”. Ook bevatten artikel 5.38, eerste lid, en artikel 5.39 van de Ow de woorden “beziet” en “wijzigt”. In de wetsgeschiedenis van de voorgangers van artikel 5.38 van de Ow, artikel 2.31, in samenhang met artikel 2.30 van de Wabo is aangegeven: “Artikel 2.30, eerste lid, Wabo bevat een onderzoeksplicht. Deze plicht houdt in dat het bevoegd gezag regelmatig moet nagaan of de bestaande vergunningvoorschriften nog toereikend zijn. Toetsing geschiedt aan de ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu (beste beschikbare technieken) en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu. Artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, Wabo bevat vervolgens een actualiseringsplicht. Indien uit het onderzoek van artikel 2.30 is gebleken dat de aan de vergunning verbonden voorschriften niet meer toereikend zijn, dan is het bevoegd gezag in bepaalde gevallen verplicht deze ambtshalve aan te passen.”De rechtbank oordeelt dan ook dat op het college de verplichting tot actualisering van de voorschriften van de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit rust.



11.3
Nu op het bevoegd gezag een actualisatieplicht rust, dient het bevoegd gezag op grond van artikel 8.99, eerste lid, van het Bkl de vergunningvoorschriften te actualiseren als de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu daartoe aanleiding geven. Artikel 8.99 van het Bkl biedt dus geen ruimte om de voorschriften van de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit om andere redenen niet te actualiseren of de actualisatie uit te stellen vanwege bijvoorbeeld een nieuw bestemmingsplan of vanwege efficiency. De actualisatieplicht houdt bovendien in dat het bevoegd gezag geen ruimte heeft om de actualisatie uit te stellen als de voorschriften van de omgevingsvergunning niet toereikend zijn. Nu vaststaat dat de vergunningvoorschriften niet meer toereikend zijn, kan het college kan de actualisatie daarom niet uitstellen. De rechtbank oordeelt daarom dat het college de aanvraag van eiseres ten onrechte heeft afgewezen.


Deze beroepsgrond slaagt.


Moet het college toetsen aan BBT?

12. Eiseres stelt dat in het memo van de ODZOB is aangegeven dat sinds de verlening van de vergunningen nieuwe BBT’s zijn gaan gelden en dat de vergunningvoorschriften daarom moeten worden geactualiseerd.




12.1
Het college stelt dat er geen BBT-conclusies van toepassing zijn op de hoofdactiviteit van gemotoriseerde sporten. Daarom zou er geen actualisatieverplichting vanwege BBT-conclusies bestaan. Actualisatie van de vergunningen kan echter ook nodig zijn als er geen BBT-conclusies gelden. Dat is het geval als belangrijke veranderingen in de BBT een aanmerkelijke beperking van de emissies mogelijk maken. De door eiseres benoemde onderdelen zijn volgens het college niet als BBT benoemd.



12.2
Omdat het sporten of recreëren met motoren of auto’s niet is aangewezen in bijlage I van de RIE is deze milieubelastende activiteit geen IPPC-installatie. De rechtbank oordeelt daarom dat de actualisatieplicht van artikel 8.99, tweede lid, en onder a, van het Bkl niet van toepassing is. In zoverre heeft het college gelijk.



12.3
Echter, het feit dat geen BBT-conclusies van toepassing zijn, ontslaat het college niet van de verplichting om te bezien of actualisatie noodzakelijk is en als actualisatie noodzakelijk is, ook daadwerkelijk daartoe over te gaan. Artikel 8.99, derde lid, onder a, van het Bkl bepaalt namelijk dat ook sprake is van ontwikkeling van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu als er geen BBT-conclusies van toepassing zijn, maar belangrijke veranderingen in de BBT een aanzienlijke beperking van de emissies mogelijk maken. De rechtbank oordeelt dan ook dat het college dit had dienen te beoordelen.



Binnen welke termijn moet actualisatie plaatsvinden?

13. Eiseres heeft de rechtbank verzocht een termijn van zes maanden te stellen waarbinnen het college de voorschriften van de omgevingsvergunningen moet actualiseren.




13.1
Op 30 december 2025 is LAP3 door het CMP vervangen. Op grond van artikel 8.98, tweede lid, van het Bkl geldt voor de actualisatie wegens inwerkingtreding van het CMP een bijzondere actualisatietermijn van een jaar. Deze loopt af op 30 december 2026. De rechtbank oordeelt daarom dat het college uiterlijk op 30 december 2026 moet bezien of de omgevingsvergunningen aan de minimale hoogwaardigheid van verwerking van afzonderlijke afvalstoffen of categorieën afvalstoffen zoals beschreven in het CMP voldoen. Als uit dit onderzoek blijkt dat de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften moeten worden gewijzigd, zal het college dit ook uiterlijk op 30 december 2026 moeten doen.



13.2
Artikel 8.99, derde lid, van het Bkl bevat weliswaar geen concrete termijn voor de actualisatie van de vergunningvoorschriften, maar dit ontslaat het bevoegd gezag er niet van om de voorschriften van de omgevingsvergunning zo snel als redelijkerwijs mogelijk is te wijzigen als uit het actualisatieonderzoek blijkt dat dit noodzakelijk is. Dit vloeit namelijk voort uit artikel 5.38, eerste lid, van de Ow, waarin is aangegeven dat het college “regelmatig” beziet of de voorschriften van de vergunning nog toereikend zijn. Het college zal gedurende een aanzienlijke periode bezig zijn met vergaren van relevante feiten, omstandigheden en gegevens over de actualisatie vergunningvoorschriften. Daarnaast zal het college hiertoe de nodige onderzoeken moeten (laten) verrichten en adviezen van deskundigen moeten inwinnen. Te denken valt aan onderzoeken over onder andere geluid, trillingen, stof, uitstoot en nieuwe regels en technieken. Het college zal voorts moeten onderzoeken en zich ervan moeten vergewissen dat de verzamelde informatie, onderzoeken en adviezen volledig en juist zijn. Het college moet uiterlijk op 30 december 2026 bezien of de omgevingsvergunningen aan de minimale hoogwaardigheid van verwerking van afzonderlijke afvalstoffen of categorieën afvalstoffen zoals beschreven in het CMP voldoen. Als uit dit onderzoek blijkt dat de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften moeten worden gewijzigd, zal het college dit ook uiterlijk op 30 december 2026 moeten doen. Eiseres en de NRV en MVM zullen bovendien in de gelegenheid moeten worden gesteld hun zienswijze kenbaar te maken tegen het voorgenomen besluit van het college en het college zal de zienswijzen bij de definitieve besluitvorming moeten betrekken. Daar komt bij dat sprake is van een langlopende en complexe situatie. Dit alles maakt dat het college voldoende tijd moet hebben om tot een zorgvuldig besluit te komen. Alles afwegende acht de rechtbank een termijn van 12 maanden hiertoe redelijk. De rechtbank zal bepalen dat het college binnen die termijn een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen. Op grond van artikel 16.65, eerste lid, onder a, en tweede lid, onder a, van de Ow, in samenhang met artikel 10.24 van het Omgevingsbesluit is op de wijziging van de omgevingsvergunningen de reguliere procedure van toepassing.


Deze beroepsgrond slaagt.





Conclusie en gevolgen


14. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit niet-tijdig is genomen en omdat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 5.38, eerste lid, van de Ow, 8.98, tweede lid, en artikel 8.99, eerste lid, tweede lid, onder b, en derde lid, van het Bkl. Dit betekent dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.



14.1
De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de wijziging van de omgevingsvergunningen te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan het college op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus), gelet op de aard van de geconstateerde gebreken.



14.2
De rechtbank oordeelt dat het college binnen 12 maanden na deze uitspraak dient te beoordelen of actualisatie van de voorschriften van de omgevingsvergunningen op grond van artikel 8.99, derde lid, van het Bkl noodzakelijk is. Ook oordeelt de rechtbank dat, als het college tot het oordeel komt dat actualisatie van de voorschriften van de omgevingsvergunning noodzakelijk is, het college dit binnen 12 maanden na deze uitspraak moet doen door een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen waarin het college de voorschriften van de omgevingsvergunning wijzigt. De rechtbank geeft hierbij de aanwijzing dat het college uiterlijk op 30 december 2026 moet bezien of de omgevingsvergunningen aan de minimale hoogwaardigheid van verwerking van afzonderlijke afvalstoffen of categorieën afvalstoffen zoals beschreven in het CMP voldoen.



14.3
De rechtbank ziet geen aanleiding om een dwangsom te verbinden aan deze termijn. Het college heeft erkend dat er een noodzaak tot actualisatie van de voorschriften van de omgevingsvergunningen bestaat. De rechtbank is van oordeel dat daarom geen extra financiële stimulans nodig is om het college te doordringen van deze noodzaak en het te manen tot actualisatie van de voorschriften.



14.4
De rechtbank stelt de hoogte van de door het college verschuldigde dwangsom wegens niet-tijdig beslissen vast op € 322,-.



14.5
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden. Ook moet het college aan eiseres de reiskosten van € 50,- (€ 25,- per zitting) vergoeden.





Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep niet-tijdig beslissen gegrond;
- stelt de hoogte van de door het college verschuldigde dwangsom wegens niet-tijdig beslissen vast op € 322,-;
- verklaart het inhoudelijke beroep tegen bestreden besluit van 5 februari 2025 gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het college op om binnen 12 maanden na verzending van deze uitspraak met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;
- bepaalt dat het college de reiskosten van eiseres van € 50,- moet vergoeden;


Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kleijn Hesselink, voorzitter, en mr. J. Heijerman en mr. C.N. van der Sluis, leden, in aanwezigheid van mr. J.F.M. Emons, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2026.





De griffier is niet in de gelegenheid
om de uitspraak mede te ondertekenen.











griffier


voorzitter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



BIJLAGE





Algemene wet bestuursrecht


artikel 1:2



Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.


Ten aanzien van bestuursorganen worden de hun toevertrouwde belangen als hun belangen beschouwd.


Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.




artikel 1:3



Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.


Onder beschikking wordt verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan.


Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.


Onder beleidsregel wordt verstaan: een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan.




artikel 4:13

1. Een beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.
2. De in het eerste lid bedoelde redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een mededeling als bedoeld in artikel 4:14, derde lid, heeft gedaan.


artikel 4:14



Indien een beschikking niet binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn kan worden gegeven, deelt het bestuursorgaan dit aan de aanvrager mede en noemt het daarbij een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.


Het eerste lid is niet van toepassing indien het bestuursorgaan na het verstrijken van de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn niet langer bevoegd is.


Indien, bij het ontbreken van een bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn, een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, deelt het bestuursorgaan dit binnen deze termijn aan de aanvrager mede en noemt het daarbij een redelijke termijn binnen welke de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.




artikel 4:17

1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.
2. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35 per dag en de overige dagen € 45 per dag.
3. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
4. Beroep tegen het niet tijdig geven van de beschikking schort de dwangsom niet op.
5. Geen dwangsom is verschuldigd indien:

a.het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld,
b.de aanvrager geen belanghebbende is, of
c.de aanvraag kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is.

6. Indien er meer dan één aanvrager is, is de dwangsom aan ieder van de aanvragers voor een gelijk deel verschuldigd.


artikel 6:12



Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit dan wel het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende beschikking, is het niet aan een termijn gebonden.


Het beroepschrift kan worden ingediend zodra:



a.het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en
b.twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

3. Indien redelijkerwijs niet van de belanghebbende kan worden gevergd dat hij het bestuursorgaan in gebreke stelt, kan het beroepschrift worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen.
4. Het beroep is niet-ontvankelijk indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend.


artikel 6:20



Indien het beroep zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit, blijft het bestuursorgaan verplicht dit besluit te nemen, tenzij de belanghebbende daarbij als gevolg van de beslissing op het beroep geen belang meer heeft.


Het bestuursorgaan stelt een besluit als bedoeld in het eerste lid onverwijld ter beschikking aan het orgaan waarbij het beroep aanhangig is.


Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt.


De beslissing op het beroep kan echter worden verwezen naar een ander orgaan waarbij bezwaar of beroep tegen het alsnog genomen besluit aanhangig is, dan wel kan of kon worden gemaakt of ingesteld.


Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan alsnog gegrond worden verklaard, indien de indiener van het beroepschrift daarbij belang heeft.




artikel 7:10



Het bestuursorgaan beslist binnen zes weken of – indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld – binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.


De termijn wordt opgeschort gerekend vanaf de dag na die waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 te herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.


Het bestuursorgaan kan de beslissing voor ten hoogste zes weken verdagen.


Verder uitstel is mogelijk voor zover:


a. alle belanghebbenden daarmee instemmen,
b. de indiener van het bezwaarschrift daarmee instemt en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad, of
c. dit nodig is in verband met de naleving van wettelijke procedurevoorschriften.
5. Indien toepassing is gegeven aan het tweede, derde of vierde lid, doet het bestuursorgaan hiervan schriftelijk mededeling aan belanghebbenden.


artikel 8:55b



Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, doet de bestuursrechter binnen acht weken nadat het beroepschrift is ontvangen en aan de vereisten van artikel 6:5 is voldaan, uitspraak met toepassing van artikel 8:54, tenzij de bestuursrechter een onderzoek ter zitting nodig acht.


Indien de bestuursrechter een onderzoek ter zitting nodig acht, deelt hij dit zo spoedig mogelijk aan partijen mede.


Indien de bestuursrechter een onderzoek ter zitting nodig acht, behandelt hij het beroep zo mogelijk met toepassing van artikel 8:52. In dat geval doet de bestuursrechter zo mogelijk binnen dertien weken uitspraak.




artikel 8:55c
Indien het beroep gegrond is, stelt de bestuursrechter desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 verbeurde dwangsom vast. De artikelen 611c en 611g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.




Invoeringswet Omgevingswet


artikel 4.13
1. Een ontheffing of vergunning voor een activiteit waarop een verbodsbepaling van toepassing is als bedoeld in paragraaf 5.1.1 van de Omgevingswet en die onherroepelijk is, geldt als een omgevingsvergunning voor die activiteit.




Omgevingswet


artikel 5.1
(…)

2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:

(…)
b. een milieubelastende activiteit (…0.



artikel 5.38

1. Voor zover een omgevingsvergunning betrekking heeft op:

a.een stortingsactiviteit op zee,
b.een milieubelastende activiteit, tenzij het gaat om een op grond van artikel 5.26, vierde lid, aangewezen geval,
c.een lozingsactiviteit op:
1°.een oppervlaktewaterlichaam,
2°.een zuiveringtechnisch werk,

2. beziet het bevoegd gezag regelmatig of de voorschriften van de vergunning nog toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.
3. Onder ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu wordt ook verstaan de vaststelling van nieuwe of herziene conclusies over beste beschikbare technieken, bedoeld in artikel 13, vijfde en zevende lid, van de richtlijn industriële emissies.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden met het oog op het beschermen van het milieu regels gesteld over de wijze waarop het eerste lid wordt toegepast voor daarbij aangewezen activiteiten. Bij de maatregel kan worden bepaald dat daarbij gestelde regels alleen gelden in daarbij aangewezen gevallen.


artikel 5.39
Het bevoegd gezag wijzigt de voorschriften van een omgevingsvergunning of trekt een omgevingsvergunning in:
a.in gevallen of op gronden die bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald,
b.voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.3 of 5.4: in gevallen of op gronden die in de waterschapsverordening respectievelijk de omgevingsverordening zijn bepaald.




Besluit kwaliteit leefomgeving


artikel 8:9
(…)

2. Op de beoordeling van de aanvraag zijn de artikelen 10.14, eerste en tweede lid, en 10.29a van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing.
(…).


artikel 8.98



Het bevoegd gezag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk beziet binnen vier jaar na de bekendmaking van nieuwe of herziene BBT-conclusies over de hoofdactiviteit van de ippc-installatie of de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften voldoen aan die nieuwe BBT-conclusies, aan overige BBT-conclusies en aan informatiedocumenten als bedoeld in bijlage XVIII, onder A, die sinds de verlening van de omgevingsvergunning of de laatste toetsing zijn vastgesteld of herzien.


Het bevoegd gezag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk beziet binnen een jaar nadat het circulair materialenplan, bedoeld in artikel 10.3 van de Wet milieubeheer, is gaan gelden of de omgevingsvergunning voldoet aan de minimale hoogwaardigheid van verwerking van afzonderlijke afvalstoffen of categorieën afvalstoffen zoals beschreven in het circulair materialenplan, bedoeld in artikel 10.3 van de Wet milieubeheer.




artikel 8.99

1. Het bevoegd gezag wijzigt de aan de omgevingsvergunning voor een stortingsactiviteit op zee, een milieubelastende activiteit, een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk verbonden voorschriften als door toepassing van artikel 5.38, eerste lid, van de wet blijkt dat de milieuverontreiniging die de activiteit veroorzaakt:

a.door de ontwikkeling van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu verder kan worden ingeperkt; of
b.door de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu verder moet worden ingeperkt.


2Het bevoegd gezag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit of lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk wijzigt de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, als dit noodzakelijk is gelet op het resultaat van de toetsing, bedoeld in:

a.artikel 8.98, eerste lid: binnen vier jaar na de bekendmaking van nieuwe of herziene BBT-conclusies over de hoofdactiviteit van de ippc-installatie; of
b.artikel 8.98, tweede lid: binnen een jaar nadat het circulair materialenplan, bedoeld in artikel 10.3 van de Wet milieubeheer, is gaan gelden.

3. Van ontwikkelingen als bedoeld in het eerste lid is in ieder geval sprake als:

a.geen BBT-conclusies van toepassing zijn, maar belangrijke veranderingen in de beste beschikbare technieken een aanzienlijke beperking van de emissies mogelijk maken;
b.de door de activiteit veroorzaakte milieuverontreiniging zodanig is dat de emissiegrenswaarden die in de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften zijn opgenomen, moeten worden gewijzigd of dat in die voorschriften nieuwe emissiegrenswaarden moeten worden opgenomen;
c.de noodzaak om ongevallen te voorkomen de toepassing van andere technieken vereist; of
d.op grond van artikel 8.30 aan een nieuwe of herziene omgevingswaarde als bedoeld in artikel 2.15, eerste lid, onder a tot en met c, van de wet moet worden voldaan.

4. Als met toepassing van artikel 8.28 minder strenge emissiegrenswaarden zijn vastgesteld, wordt bij de toepassing van het eerste en tweede lid opnieuw getoetst of aan de voorwaarden van dat artikel wordt voldaan.
5. Bij toepassing van het eerste en tweede lid, aanhef en onder a, verbindt het bevoegd gezag zo nodig voorschriften aan de omgevingsvergunning die strekken tot toepassing van andere technieken dan die waarover krachtens artikel 16.55, tweede lid, van de wet in of bij de aanvraag om de omgevingsvergunning gegevens of bescheiden zijn verstrekt.



Besluit activiteiten leefomgeving


artikel 3.304



Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het exploiteren van een terrein of gebouw voor het sporten of recreëren met gemotoriseerde voertuigen.


De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat exploiteren functioneel ondersteunen.




artikel 3.305
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.304, voor zover het gaat om het sporten of recreëren met voertuigen met een verbrandingsmotor in de buitenlucht.




Wet milieubeheer


artikel 10.14
1. Ieder bestuursorgaan houdt rekening met het geldende circulair materialenplan bij het uitoefenen van een bevoegdheid krachtens deze wet of bij het uitoefenen van een taak of bevoegdheid krachtens artikel 4.1 van de Omgevingswet, voor zover de taak of bevoegdheid wordt uitgeoefend met betrekking tot afvalstoffen.
(…).




Uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2275


Kamerstukken II 2006/2007, 30 844, nr. 3, p. 117 en uitspraak van de Afdeling van 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1508, r.o. 5.2


Artikel 1:3, tweede lid van de Awb


Uitspraak van de Afdeling van 31 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2342, r.o. 2.5


Kamerstukken II 2017-2018, 34 986, nr. 3. p. 200


Kamerstukken 2011-2012, 33 135, nr. 3, p. 10