Rechtbank Oost-Brabant
ECLI:NL:RBOBR:2026:6507
2026-09-10
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
25/802, 25/842 en 25/2041
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Handhaving toeristische verhuur op grond van omgevingsplan. ‘Wonen’ niet gedefinieerd. Reikwijdte last onder dwangsom: het moeten staken van het ‘gebruik van de woning ten behoeve van AirBnB’ is te verstrekkend omdat niet elk gebruik ten behoeve van AirBnB in strijd is met het omgevingsplan.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2024:631 Raad van State 14-02-2024
- ECLI:NL:RVS:2021:1218 Raad van State 09-06-2021
- ECLI:NL:RVS:2023:2077 Raad van State 31-05-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (16.731 tekens)
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: SHE 25/802, 25/842 en 25/2041 OWHAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 september 2026 in de zaken tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. M. Görsültürk),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven
(gemachtigde: mr. G.D. van Leeuwen en [gemachtigde]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een last onder dwangsom die het college aan eiseres heeft opgelegd omdat ze twee woningen verhuurde via AirBnB. Volgens het college is die verhuur in strijd met de woonbestemming die het omgevingsplan aan de woningen geeft. Omdat eiseres na de last door is gegaan met het verhuren van de woningen via AirBnB, heeft het college verschillende invorderingsbeschikkingen genomen. Eiseres is het niet eens met de last onder dwangsom en de invorderingsbeschikkingen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de last onder dwangsom te verstrekkend is geformuleerd. De last verbiedt namelijk méér dan op grond van het omgevingsplan is verboden. Eiseres krijgt dus gelijk en de beroepen zijn gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 21 augustus 2024 heeft het college aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd vanwege een overtreding van het omgevingsplan.
2.1.
Op 12 en 13 november 2024 heeft het college twee losse invorderingsbeschikkingen genomen ter invordering van € 2.000,- per besluit.
2.2.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen zowel de last onder dwangsom als de invorderingsbeschikkingen van 12 en 13 november 2024.
2.3.
Met twee aparte besluiten van 21 februari 2025 op de bezwaren van eiseres is het college bij zowel de last onder dwangsom als de invorderingsbeschikkingen gebleven.
2.4.
Eiseres heeft op 3 april 2025 beroep ingesteld tegen de besluiten op bezwaar. Het beroep tegen de last onder dwangsom heeft het zaaknummer SHE 25/802 en het beroep tegen de eerste twee invorderingsbeschikkingen heeft het zaaknummer SHE 25/842.
2.5.
Op 8 juli 2025 heeft het college een derde invorderingsbeschikking genomen ter invordering van een bedrag van € 16.000,-. Omdat eiseres het niet eens is met deze invorderingsbeschikking, heeft het beroep van eiseres op grond van artikel 5:39 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede betrekking op deze derde invorderingsbeschikking. Dit beroep heeft het zaaknummer SHE 25/2041.
2.6.
De rechtbank heeft de beroepen op 18 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Inleiding
3. Eiseres woonde op de [adres]. Zij verhuurde het naastgelegen pand op nummer [nummer] via AirBnB. Daarnaast bood zij haar eigen woning via datzelfde platform te huur aan. Het college heeft eiseres hierop een last onder dwangsom opgelegd met een dwangsom van € 2.000,- per week met een maximum van € 20.000,-. Volgens het college heeft eiseres de last overtreden. Daarom heeft het college in drie aparte invorderingsbeschikkingen de volledige dwangsom van € 20.000,- ingevorderd.
3.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot de conclusie dat de formulering van de last te verstrekkend is en dat de last daarom niet in deze vorm kon worden opgelegd. Omdat tussen partijen ook in geschil is of er überhaupt sprake was van een overtreding en of het college dus bevoegd was een last onder dwangsom op te leggen, beantwoordt de rechtbank deze vraag als eerste.
Overtreding
4. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres de woning op nummer [nummer] te huur heeft aangeboden op AirBnB. Eiseres meent echter dat het college geen overtreding aan de last ten grondslag heeft gelegd. Volgens eiseres blijkt uit het controlerapport niet dat de persoon die op dat moment in de woning aanwezig was, daar voor een (te) korte duur verbleef.
4.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de woonstemming geen hotel- of logiesfunctie toestaat en dat kortstondige verhuur niet kan worden gezien als ‘wonen’ in de zin van de planregels. De toezichthouder heeft beschreven dat er tijdens het controlebezoek op 8 augustus 2024 twee personen in de woning aanwezig waren die niet op dat adres ingeschreven stonden in de Basisregistratie Personen en die aangaven via AirBnB vijf dagen in de woning te verblijven. Dat is in strijd met het bestemmingsplan.
4.2.
De rechtbank stelt voorop dat de [adres] is gelegen in het plangebied van het bestemmingsplan [naam] (het bestemmingsplan). Dit bestemmingsplan maakt op grond van het overgangsrecht van de Omgevingswet onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Eindhoven. Artikel 16.1 van de planregels bevat, voor zover relevant, de volgende bestemmingsomschrijving:
“De voor ‘Wonen-1’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
1. wonen in de vorm van woongebouwen met daarbij behorende aan-/uitbouwen en bijgebouwen al dan niet in combinatie met een ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep als ondergeschikte nevenfunctie bij de woonfunctie tot een maximum vloeroppervlak van 50 m²”
4.3.
Het begrip ‘wonen’ is in het bestemmingsplan niet gedefinieerd. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) moet het begrip ‘wonen’ in dat geval ruim worden uitgelegd, in die zin dat hieronder uiteenlopende vormen van huisvesting moeten worden begrepen. Volgens de Afdeling impliceert het begrip ‘wonen’ wel enige bestendigheid.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat de bewoning door de twee personen die op 8 augustus 2024 werden aangetroffen, niet kan worden aangemerkt als een als ‘wonen’ aan te merken vorm van bewoning. Het college mocht de verklaringen van de personen zo begrijpen, dat zij in totaal vijf dagen in het gehuurde zouden verblijven en niet, zoals eiseres heeft bepleit, er vijf dagen verbleven en daarna nog voornemens waren om er veel langer te verblijven. Het college mocht zich in deze opvatting ook gesteund weten door het gegeven dat de woning in de periode 19 augustus – 22 augustus 2024 te huur werd aangeboden op AirBnB en het feit dat op 26 september 2024 één persoon werd aangetroffen in de woning die aangaf korte tijd in de woning te verblijven. Deze mensen gebruikten de woning dus niet met de voor ‘wonen’ vereiste mate van bestendigheid. De woning werd bovendien al deze tijd niet vast bewoond door een hoofdbewoner: de huurders hadden de gehele woning tot hun beschikking en hoefden deze niet met een hospita te delen.
4.5.
Eiseres heeft het pand op nummer [nummer] dus gebruikt op een manier die in strijd was met de bestemming. Het college was daarom bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen.
Reikwijdte last
4.6.
Volgens eiseres is de last onder dwangsom te verstrekkend geformuleerd. Volgens haar verbiedt de last méér dan het bestemmingsplan verbiedt.
4.7.
Het college stelt zich op het standpunt dat de last niet te ruim is geformuleerd.
4.8.
De beroepsgrond slaagt. De rechtbank legt hierna uit waarom dat zo is.
4.9.
De last onder dwangsom luidt:
"U moet uiterlijk over 4 weken na verzenddatum van dit besluit de volgende maatregel hebben getroffen: het staken en gestaakt houden van het (laten) gebruiken van de woningen ten behoeve van Air-bnb, Doet u dat niet, dan betaalt u een dwangsom van € 2.000,-per week, met een maximum van € 20.000.-"
4.10.
Het is vaste rechtspraak dat een last niet te verstrekkend mag worden geformuleerd. De rechtvaardiging voor het opleggen van een last onder dwangsom kan namelijk uitsluitend liggen in het feit dat sprake is van een overtreding van een wettelijk voorschrift. De last moet dus ook gericht zijn op het beëindigen van die overtreding of op het voorkomen van herhaling van een overtreding. Het is dus niet toegestaan om een last zo te formuleren, dat daarmee ook gedragingen verboden worden gesteld die niet op grond van een wettelijk voorschrift verboden zijn. Verder dient de overtreder een keuze te worden gelaten ten aanzien van de middelen die hij wenst toe te passen om aan de overtreding een einde te maken.
4.11.
De last onder dwangsom houdt een algeheel verbod in van het gebruik van de woningen ten behoeve van AirBnB. Het precieze gebruik ten behoeve van AirBnB is echter onvoldoende bepaald. Bij de gebruikte formulering valt ook langdurigere, als ‘wonen’ aan te merken verhuur via AirBnB binnen de reikwijdte van de last. Verder geldt dat de ruimtelijke uitstraling van verhuur via AirBnB ook van dien aard, omvang en intensiteit kan zijn dat met dit gebruik geen afbreuk wordt gedaan aan de woonbestemming. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als er slechts zeer incidenteel wordt verhuurd en eiseres zelf in de verhuurde woning aanwezig is tijdens de huurperiode. Ook dit soort ‘gebruik ten behoeve van AirBnB’ wordt echter onmogelijk gemaakt met de last.
4.12.
Hoewel uit de beslissing op het bezwaar tegen de last onder dwangsom wel lijkt te volgen dat deze wordt opgelegd vanwege een overtreding in de vorm van zelfstandige, kortstondige verhuur aan wisselende huishoudens, blijkt uit de last zelf onvoldoende dat deze ook tot die vorm van verhuur beperkt is. De last is daarom te verstrekkend geformuleerd.
4.13.
De rechtbank zal de beslissing op bezwaar tegen de last onder dwangsom vernietigen en ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en de last onder dwangsom te herroepen. Partijen zijn het er namelijk over eens dat eiseres is verhuisd en dat zij de woningen niet langer gebruikt voor toeristische verhuur. Als het college zou worden opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen, dan zou het college de last niet kunnen verbreden naar andere woningen die door eiseres worden gebruikt. Dat zou namelijk een verzwaring van de last betekenen. Het college zou dus geen ander besluit kunnen nemen dan het algeheel herroepen van de last onder dwangsom.
4.14.
De overige beroepsgronden hoeven geen bespreking.
Gevolgen voor de invorderingsbeschikkingen
5. Op grond van artikel 5:38, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, vervallen invorderingsbeschikkingen van rechtswege wanneer een last onder dwangsom wordt ingetrokken. Deze bepaling is ook van toepassing als de rechtbank de last onder dwangsom in haar uitspraak herroept. Dat betekent dat de drie invorderingsbeschikkingen van rechtswege komen te vervallen. Het beroep tegen de drie invorderingsbeschikkingen is dan ook gegrond. De rechtbank vernietigt het besluit op bezwaar tegen de eerste twee invorderingsbeschikkingen, omdat dat ten onrechte strekt tot handhaving van die beschikkingen. Het college hoeft niet nogmaals op dat bezwaar te beslissen.
Conclusie en gevolgen
6. De beroepen zijn gegrond omdat de last onder dwangsom te verstrekkend is. De rechtbank vernietigt daarom de besluiten van 21 februari 2025 op de bezwaren tegen de last onder dwangsom van 21 augustus 2024 en tegen de eerste twee invorderingsbeschikkingen. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een nieuwe beslissing op het bezwaar en herroept de last onder dwangsom van 21 augustus 2024. De last onder dwangsom is daarmee ongedaan gemaakt.
6.1.
De drie invorderingsbeschikkingen vervallen van rechtswege door de herroeping van de last onder dwangsom. Eiseres hoeft dus geen dwangsommen te betalen.
6.2.
Omdat de beroepen gegrond zijn moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden. Het griffierecht bedraagt in totaal 2 * 194 = € 388,-. De rechtbank merkt voor de volledigheid op dat het college, in afwijking van artikel 5:38, eerste lid, van de Awb, een apart besluit heeft genomen op het bezwaar tegen de eerste twee invorderingsbeschikkingen. Eiseres heeft daardoor twee keer beroep moeten instellen en heeft daarvoor tweemaal griffierecht moeten voldoen.
6.3.
Daarnaast krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De rechtbank ziet aanleiding om één punt toe te kennen voor het instellen van beroep. De gemachtigde van eiseres heeft namelijk twee keer pro forma beroep ingesteld en heeft de beide beroepen vervolgens in één beroepschrift toegelicht. De rechtbank beschouwt de beroepen daarom als samenhangende zaken. Verder krijgt eiseres één punt voor het door haar gemachtigde verschijnen op zitting. De vergoeding bedraagt daarom (2 * 934 =) € 1.868,-.
6.4.
Aangezien de rechtbank zelf in de zaak voorziet en de last onder dwangsom van 21 februari 2025 herroept, veroordeelt de rechtbank het college ook tot het vergoeden van de door eiseres in bezwaar gemaakte proceskosten. Eiseres heeft hier in bezwaar namelijk om verzocht. Omdat de bezwaarschriften van eiseres op grond van artikel 5:38, eerste lid, van de Awb als één bezwaar aangemerkt hadden moeten worden, ziet de rechtbank aanleiding om voor het indienen van een bezwaarschrift één punt toe te kennen. Daarnaast wordt één punt toegekend voor het verschijnen op de hoorzitting in bezwaar. In totaal wordt daarom een bedrag van (2 * 666 =) € 1.332,- toegekend.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de besluiten van 21 februari 2025 op de bezwaren tegen de last onder dwangsom van 21 augustus 2024 en tegen de invorderingsbeschikkingen van 12 en 13 november 2024;
- herroept de last onder dwangsom van 21 augustus 2024;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit van 21 februari 2025 op het bezwaar tegen de last onder dwangsom;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 388,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten (in beroep) aan eiseres;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.332,- aan proceskosten (in bezwaar) aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O.Y. Ifzaren, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Maas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie voor dit toetsingskader bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:631, overweging 5.1.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1218, overweging 7.3.
Zie in dit verband bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2077, overweging 2.3. Deze uitspraak ging over het hobbymatig opknappen van auto’s op een woonbestemming.
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: SHE 25/802, 25/842 en 25/2041 OWHAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 september 2026 in de zaken tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. M. Görsültürk),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven
(gemachtigde: mr. G.D. van Leeuwen en [gemachtigde]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een last onder dwangsom die het college aan eiseres heeft opgelegd omdat ze twee woningen verhuurde via AirBnB. Volgens het college is die verhuur in strijd met de woonbestemming die het omgevingsplan aan de woningen geeft. Omdat eiseres na de last door is gegaan met het verhuren van de woningen via AirBnB, heeft het college verschillende invorderingsbeschikkingen genomen. Eiseres is het niet eens met de last onder dwangsom en de invorderingsbeschikkingen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de last onder dwangsom te verstrekkend is geformuleerd. De last verbiedt namelijk méér dan op grond van het omgevingsplan is verboden. Eiseres krijgt dus gelijk en de beroepen zijn gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 21 augustus 2024 heeft het college aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd vanwege een overtreding van het omgevingsplan.
2.1.
Op 12 en 13 november 2024 heeft het college twee losse invorderingsbeschikkingen genomen ter invordering van € 2.000,- per besluit.
2.2.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen zowel de last onder dwangsom als de invorderingsbeschikkingen van 12 en 13 november 2024.
2.3.
Met twee aparte besluiten van 21 februari 2025 op de bezwaren van eiseres is het college bij zowel de last onder dwangsom als de invorderingsbeschikkingen gebleven.
2.4.
Eiseres heeft op 3 april 2025 beroep ingesteld tegen de besluiten op bezwaar. Het beroep tegen de last onder dwangsom heeft het zaaknummer SHE 25/802 en het beroep tegen de eerste twee invorderingsbeschikkingen heeft het zaaknummer SHE 25/842.
2.5.
Op 8 juli 2025 heeft het college een derde invorderingsbeschikking genomen ter invordering van een bedrag van € 16.000,-. Omdat eiseres het niet eens is met deze invorderingsbeschikking, heeft het beroep van eiseres op grond van artikel 5:39 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede betrekking op deze derde invorderingsbeschikking. Dit beroep heeft het zaaknummer SHE 25/2041.
2.6.
De rechtbank heeft de beroepen op 18 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Inleiding
3. Eiseres woonde op de [adres]. Zij verhuurde het naastgelegen pand op nummer [nummer] via AirBnB. Daarnaast bood zij haar eigen woning via datzelfde platform te huur aan. Het college heeft eiseres hierop een last onder dwangsom opgelegd met een dwangsom van € 2.000,- per week met een maximum van € 20.000,-. Volgens het college heeft eiseres de last overtreden. Daarom heeft het college in drie aparte invorderingsbeschikkingen de volledige dwangsom van € 20.000,- ingevorderd.
3.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot de conclusie dat de formulering van de last te verstrekkend is en dat de last daarom niet in deze vorm kon worden opgelegd. Omdat tussen partijen ook in geschil is of er überhaupt sprake was van een overtreding en of het college dus bevoegd was een last onder dwangsom op te leggen, beantwoordt de rechtbank deze vraag als eerste.
Overtreding
4. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres de woning op nummer [nummer] te huur heeft aangeboden op AirBnB. Eiseres meent echter dat het college geen overtreding aan de last ten grondslag heeft gelegd. Volgens eiseres blijkt uit het controlerapport niet dat de persoon die op dat moment in de woning aanwezig was, daar voor een (te) korte duur verbleef.
4.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de woonstemming geen hotel- of logiesfunctie toestaat en dat kortstondige verhuur niet kan worden gezien als ‘wonen’ in de zin van de planregels. De toezichthouder heeft beschreven dat er tijdens het controlebezoek op 8 augustus 2024 twee personen in de woning aanwezig waren die niet op dat adres ingeschreven stonden in de Basisregistratie Personen en die aangaven via AirBnB vijf dagen in de woning te verblijven. Dat is in strijd met het bestemmingsplan.
4.2.
De rechtbank stelt voorop dat de [adres] is gelegen in het plangebied van het bestemmingsplan [naam] (het bestemmingsplan). Dit bestemmingsplan maakt op grond van het overgangsrecht van de Omgevingswet onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Eindhoven. Artikel 16.1 van de planregels bevat, voor zover relevant, de volgende bestemmingsomschrijving:
“De voor ‘Wonen-1’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
1. wonen in de vorm van woongebouwen met daarbij behorende aan-/uitbouwen en bijgebouwen al dan niet in combinatie met een ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep als ondergeschikte nevenfunctie bij de woonfunctie tot een maximum vloeroppervlak van 50 m²”
4.3.
Het begrip ‘wonen’ is in het bestemmingsplan niet gedefinieerd. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) moet het begrip ‘wonen’ in dat geval ruim worden uitgelegd, in die zin dat hieronder uiteenlopende vormen van huisvesting moeten worden begrepen. Volgens de Afdeling impliceert het begrip ‘wonen’ wel enige bestendigheid.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat de bewoning door de twee personen die op 8 augustus 2024 werden aangetroffen, niet kan worden aangemerkt als een als ‘wonen’ aan te merken vorm van bewoning. Het college mocht de verklaringen van de personen zo begrijpen, dat zij in totaal vijf dagen in het gehuurde zouden verblijven en niet, zoals eiseres heeft bepleit, er vijf dagen verbleven en daarna nog voornemens waren om er veel langer te verblijven. Het college mocht zich in deze opvatting ook gesteund weten door het gegeven dat de woning in de periode 19 augustus – 22 augustus 2024 te huur werd aangeboden op AirBnB en het feit dat op 26 september 2024 één persoon werd aangetroffen in de woning die aangaf korte tijd in de woning te verblijven. Deze mensen gebruikten de woning dus niet met de voor ‘wonen’ vereiste mate van bestendigheid. De woning werd bovendien al deze tijd niet vast bewoond door een hoofdbewoner: de huurders hadden de gehele woning tot hun beschikking en hoefden deze niet met een hospita te delen.
4.5.
Eiseres heeft het pand op nummer [nummer] dus gebruikt op een manier die in strijd was met de bestemming. Het college was daarom bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen.
Reikwijdte last
4.6.
Volgens eiseres is de last onder dwangsom te verstrekkend geformuleerd. Volgens haar verbiedt de last méér dan het bestemmingsplan verbiedt.
4.7.
Het college stelt zich op het standpunt dat de last niet te ruim is geformuleerd.
4.8.
De beroepsgrond slaagt. De rechtbank legt hierna uit waarom dat zo is.
4.9.
De last onder dwangsom luidt:
"U moet uiterlijk over 4 weken na verzenddatum van dit besluit de volgende maatregel hebben getroffen: het staken en gestaakt houden van het (laten) gebruiken van de woningen ten behoeve van Air-bnb, Doet u dat niet, dan betaalt u een dwangsom van € 2.000,-per week, met een maximum van € 20.000.-"
4.10.
Het is vaste rechtspraak dat een last niet te verstrekkend mag worden geformuleerd. De rechtvaardiging voor het opleggen van een last onder dwangsom kan namelijk uitsluitend liggen in het feit dat sprake is van een overtreding van een wettelijk voorschrift. De last moet dus ook gericht zijn op het beëindigen van die overtreding of op het voorkomen van herhaling van een overtreding. Het is dus niet toegestaan om een last zo te formuleren, dat daarmee ook gedragingen verboden worden gesteld die niet op grond van een wettelijk voorschrift verboden zijn. Verder dient de overtreder een keuze te worden gelaten ten aanzien van de middelen die hij wenst toe te passen om aan de overtreding een einde te maken.
4.11.
De last onder dwangsom houdt een algeheel verbod in van het gebruik van de woningen ten behoeve van AirBnB. Het precieze gebruik ten behoeve van AirBnB is echter onvoldoende bepaald. Bij de gebruikte formulering valt ook langdurigere, als ‘wonen’ aan te merken verhuur via AirBnB binnen de reikwijdte van de last. Verder geldt dat de ruimtelijke uitstraling van verhuur via AirBnB ook van dien aard, omvang en intensiteit kan zijn dat met dit gebruik geen afbreuk wordt gedaan aan de woonbestemming. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als er slechts zeer incidenteel wordt verhuurd en eiseres zelf in de verhuurde woning aanwezig is tijdens de huurperiode. Ook dit soort ‘gebruik ten behoeve van AirBnB’ wordt echter onmogelijk gemaakt met de last.
4.12.
Hoewel uit de beslissing op het bezwaar tegen de last onder dwangsom wel lijkt te volgen dat deze wordt opgelegd vanwege een overtreding in de vorm van zelfstandige, kortstondige verhuur aan wisselende huishoudens, blijkt uit de last zelf onvoldoende dat deze ook tot die vorm van verhuur beperkt is. De last is daarom te verstrekkend geformuleerd.
4.13.
De rechtbank zal de beslissing op bezwaar tegen de last onder dwangsom vernietigen en ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en de last onder dwangsom te herroepen. Partijen zijn het er namelijk over eens dat eiseres is verhuisd en dat zij de woningen niet langer gebruikt voor toeristische verhuur. Als het college zou worden opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen, dan zou het college de last niet kunnen verbreden naar andere woningen die door eiseres worden gebruikt. Dat zou namelijk een verzwaring van de last betekenen. Het college zou dus geen ander besluit kunnen nemen dan het algeheel herroepen van de last onder dwangsom.
4.14.
De overige beroepsgronden hoeven geen bespreking.
Gevolgen voor de invorderingsbeschikkingen
5. Op grond van artikel 5:38, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, vervallen invorderingsbeschikkingen van rechtswege wanneer een last onder dwangsom wordt ingetrokken. Deze bepaling is ook van toepassing als de rechtbank de last onder dwangsom in haar uitspraak herroept. Dat betekent dat de drie invorderingsbeschikkingen van rechtswege komen te vervallen. Het beroep tegen de drie invorderingsbeschikkingen is dan ook gegrond. De rechtbank vernietigt het besluit op bezwaar tegen de eerste twee invorderingsbeschikkingen, omdat dat ten onrechte strekt tot handhaving van die beschikkingen. Het college hoeft niet nogmaals op dat bezwaar te beslissen.
Conclusie en gevolgen
6. De beroepen zijn gegrond omdat de last onder dwangsom te verstrekkend is. De rechtbank vernietigt daarom de besluiten van 21 februari 2025 op de bezwaren tegen de last onder dwangsom van 21 augustus 2024 en tegen de eerste twee invorderingsbeschikkingen. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een nieuwe beslissing op het bezwaar en herroept de last onder dwangsom van 21 augustus 2024. De last onder dwangsom is daarmee ongedaan gemaakt.
6.1.
De drie invorderingsbeschikkingen vervallen van rechtswege door de herroeping van de last onder dwangsom. Eiseres hoeft dus geen dwangsommen te betalen.
6.2.
Omdat de beroepen gegrond zijn moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden. Het griffierecht bedraagt in totaal 2 * 194 = € 388,-. De rechtbank merkt voor de volledigheid op dat het college, in afwijking van artikel 5:38, eerste lid, van de Awb, een apart besluit heeft genomen op het bezwaar tegen de eerste twee invorderingsbeschikkingen. Eiseres heeft daardoor twee keer beroep moeten instellen en heeft daarvoor tweemaal griffierecht moeten voldoen.
6.3.
Daarnaast krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De rechtbank ziet aanleiding om één punt toe te kennen voor het instellen van beroep. De gemachtigde van eiseres heeft namelijk twee keer pro forma beroep ingesteld en heeft de beide beroepen vervolgens in één beroepschrift toegelicht. De rechtbank beschouwt de beroepen daarom als samenhangende zaken. Verder krijgt eiseres één punt voor het door haar gemachtigde verschijnen op zitting. De vergoeding bedraagt daarom (2 * 934 =) € 1.868,-.
6.4.
Aangezien de rechtbank zelf in de zaak voorziet en de last onder dwangsom van 21 februari 2025 herroept, veroordeelt de rechtbank het college ook tot het vergoeden van de door eiseres in bezwaar gemaakte proceskosten. Eiseres heeft hier in bezwaar namelijk om verzocht. Omdat de bezwaarschriften van eiseres op grond van artikel 5:38, eerste lid, van de Awb als één bezwaar aangemerkt hadden moeten worden, ziet de rechtbank aanleiding om voor het indienen van een bezwaarschrift één punt toe te kennen. Daarnaast wordt één punt toegekend voor het verschijnen op de hoorzitting in bezwaar. In totaal wordt daarom een bedrag van (2 * 666 =) € 1.332,- toegekend.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de besluiten van 21 februari 2025 op de bezwaren tegen de last onder dwangsom van 21 augustus 2024 en tegen de invorderingsbeschikkingen van 12 en 13 november 2024;
- herroept de last onder dwangsom van 21 augustus 2024;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit van 21 februari 2025 op het bezwaar tegen de last onder dwangsom;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 388,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten (in beroep) aan eiseres;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.332,- aan proceskosten (in bezwaar) aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O.Y. Ifzaren, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Maas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie voor dit toetsingskader bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:631, overweging 5.1.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1218, overweging 7.3.
Zie in dit verband bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2077, overweging 2.3. Deze uitspraak ging over het hobbymatig opknappen van auto’s op een woonbestemming.