Rechtbank Oost-Brabant
ECLI:NL:RBOBR:2026:6475
2026-08-27
Civiel recht
herstelvonnis 11350089 \ CV EXPL 24-7211
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzoek herstelvonnis. Afgewezen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.820 tekens)
RECHTBANK
OOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Eindhoven
Zaaknummer: 11350089 \ CV EXPL 24-7211
Vonnis van 27 augustus 2026 op het verzoek tot herstel
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. F.P.G.F. de Moel,
tegen
[gedaagde] , t.h.o.d.n. [bedrijfsnaam gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. Ö. Kenç.
1Het verzoek tot verbetering
1.1.
Op 31 juli 2026 heeft [eiser] de kantonrechter verzocht om herstel van het op 16 april 2026 in deze zaak gewezen vonnis. [eiser] heeft toegelicht dat de huidige formulering de feitelijke executie van het vonnis blokkeert; de deurwaarder weigert de gedwongen incassering te starten omdat onder de punten 4.2 en 4.3 de term “bepaalt dat…” is gehanteerd. Hierdoor ontbreekt de voor executie vereiste veroordelende titel, aldus [eiser] . Uit rechtsoverweging 3.11 blijkt onmiskenbaar dat het de uitgesproken bedoeling van de kantonrechter was om de tegenpartij te veroordelen tot betaling van de helft van de deskundigenkosten (€ 3.250,-) en de huurachterstand. Ter correctie dient onder de punten 4.2 en 4.3 de dwingende formule "veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen..." te worden opgenomen, in plaats van het huidige "bepaalt dat...", zo stelt [eiser] .
1.2.
Op 16 augustus 2026 heeft mr. Ö. Kenç namens [gedaagde] aan de kantonrechter laten weten tegen toewijzing van dat verzoek het volgende bezwaar te hebben. Onderdeel 4.3 van het vonnis bevat reeds een uitdrukkelijk een veroordeling, niet valt in te zien welke kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout op dit onderdeel nog voor herstel in aanmerking zou kunnen komen. Ten aanzien van onderdeel 4.2 ligt de situatie anders, in dit onderdeel is de term “veroordeelt” niet gebruikt, maar de door [eiser] voorgestelde wijziging heeft niet slechts een taalkundig of redactioneel gevolg. De wijziging strekt er dan immers toe aan het dictum een executoriale werking toe te kennen die het dictum volgens [eiser] thans niet bezet. Daarbij komt betekenis toe aan het feit dat onderdeel 4.2 geen concreet bedrag noemt waarvoor [gedaagde] wordt veroordeeld. Voor zover [eiser] met zijn verzoek beoogt een bepaald bedrag aan huurachterstand executabel te maken, terwijl dat bedrag niet in het oorspronkelijke dictum is opgenomen, gaat het verzoek reeds daarom de grenzen van artikel 31 Rv te buiten, aldus [gedaagde] .
1.3.
Bij e-mailbericht van 21 augustus 2026 heeft [eiser] de actuele stand van zaken omtrent de nakoming van de beslissing door [gedaagde] aan de rechtbank doorgegeven. [eiser] heeft toegelicht dat [gedaagde] aan artikel 4.3 van het vonnis heeft voldaan en het bedrag van € 3.250- exclusief btw heeft betaald. [gedaagde] weigert tot op heden te voldoen aan artikel 4.2 van het vonnis, aldus [eiser] .
2De beoordeling
2.1.
Op grond van artikel 31 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) verbetert de rechter te allen tijde, op verzoek van een partij of ambtshalve, in zijn vonnis een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. Dit is het geval als het gaat om duidelijke verschrijvingen of fouten waarvan direct duidelijk is dat sprake is van een vergissing.
2.2.
De kantonrechter oordeelt dat in het vonnis van 16 april 2026 geen sprake is van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. In het vonnis is toegewezen wat door [eiser] , na wijziging van zijn eis, is gevorderd; [eiser] heeft gevorderd “te bepalen dat…” en niet “te veroordelen tot …”. Het had [eiser] vrijgestaan om in de loop van de procedure een geldvordering te presenteren. [eiser] heeft daar echter niet voor gekozen. Het verzoek van [eiser] valt buiten het toepassingsbereik van artikel 31 Rv. De kantonrechter zal het verzoek tot verbetering van het vonnis dan ook afwijzen.
3De beslissing
De kantonrechter
3.1.
wijst het verzoek om verbetering van het op 16 april 2026 tussen partijen gewezen vonnis af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.G. Roovers en in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2026.
OOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Eindhoven
Zaaknummer: 11350089 \ CV EXPL 24-7211
Vonnis van 27 augustus 2026 op het verzoek tot herstel
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. F.P.G.F. de Moel,
tegen
[gedaagde] , t.h.o.d.n. [bedrijfsnaam gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. Ö. Kenç.
1Het verzoek tot verbetering
1.1.
Op 31 juli 2026 heeft [eiser] de kantonrechter verzocht om herstel van het op 16 april 2026 in deze zaak gewezen vonnis. [eiser] heeft toegelicht dat de huidige formulering de feitelijke executie van het vonnis blokkeert; de deurwaarder weigert de gedwongen incassering te starten omdat onder de punten 4.2 en 4.3 de term “bepaalt dat…” is gehanteerd. Hierdoor ontbreekt de voor executie vereiste veroordelende titel, aldus [eiser] . Uit rechtsoverweging 3.11 blijkt onmiskenbaar dat het de uitgesproken bedoeling van de kantonrechter was om de tegenpartij te veroordelen tot betaling van de helft van de deskundigenkosten (€ 3.250,-) en de huurachterstand. Ter correctie dient onder de punten 4.2 en 4.3 de dwingende formule "veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen..." te worden opgenomen, in plaats van het huidige "bepaalt dat...", zo stelt [eiser] .
1.2.
Op 16 augustus 2026 heeft mr. Ö. Kenç namens [gedaagde] aan de kantonrechter laten weten tegen toewijzing van dat verzoek het volgende bezwaar te hebben. Onderdeel 4.3 van het vonnis bevat reeds een uitdrukkelijk een veroordeling, niet valt in te zien welke kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout op dit onderdeel nog voor herstel in aanmerking zou kunnen komen. Ten aanzien van onderdeel 4.2 ligt de situatie anders, in dit onderdeel is de term “veroordeelt” niet gebruikt, maar de door [eiser] voorgestelde wijziging heeft niet slechts een taalkundig of redactioneel gevolg. De wijziging strekt er dan immers toe aan het dictum een executoriale werking toe te kennen die het dictum volgens [eiser] thans niet bezet. Daarbij komt betekenis toe aan het feit dat onderdeel 4.2 geen concreet bedrag noemt waarvoor [gedaagde] wordt veroordeeld. Voor zover [eiser] met zijn verzoek beoogt een bepaald bedrag aan huurachterstand executabel te maken, terwijl dat bedrag niet in het oorspronkelijke dictum is opgenomen, gaat het verzoek reeds daarom de grenzen van artikel 31 Rv te buiten, aldus [gedaagde] .
1.3.
Bij e-mailbericht van 21 augustus 2026 heeft [eiser] de actuele stand van zaken omtrent de nakoming van de beslissing door [gedaagde] aan de rechtbank doorgegeven. [eiser] heeft toegelicht dat [gedaagde] aan artikel 4.3 van het vonnis heeft voldaan en het bedrag van € 3.250- exclusief btw heeft betaald. [gedaagde] weigert tot op heden te voldoen aan artikel 4.2 van het vonnis, aldus [eiser] .
2De beoordeling
2.1.
Op grond van artikel 31 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) verbetert de rechter te allen tijde, op verzoek van een partij of ambtshalve, in zijn vonnis een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. Dit is het geval als het gaat om duidelijke verschrijvingen of fouten waarvan direct duidelijk is dat sprake is van een vergissing.
2.2.
De kantonrechter oordeelt dat in het vonnis van 16 april 2026 geen sprake is van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. In het vonnis is toegewezen wat door [eiser] , na wijziging van zijn eis, is gevorderd; [eiser] heeft gevorderd “te bepalen dat…” en niet “te veroordelen tot …”. Het had [eiser] vrijgestaan om in de loop van de procedure een geldvordering te presenteren. [eiser] heeft daar echter niet voor gekozen. Het verzoek van [eiser] valt buiten het toepassingsbereik van artikel 31 Rv. De kantonrechter zal het verzoek tot verbetering van het vonnis dan ook afwijzen.
3De beslissing
De kantonrechter
3.1.
wijst het verzoek om verbetering van het op 16 april 2026 tussen partijen gewezen vonnis af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.G. Roovers en in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2026.