Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Oost-Brabant

ECLI:NL:RBOBR:2026:6439

2026-08-12 Civiel recht K/4802/12351879
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Uitspraakdatum
2026-08-12
Publicatiedatum
2026-09-07
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Proces-verbaal
Zaaknummer
K/4802/12351879
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; AR-Updates.nl 2026-1499

Inhoudsindicatie

Loonvordering zieke werknemer in kort geding; afwijzing; geen deskundigenoordeel of andere onderbouwing arbeidsongeschiktheid; discussie over bestaan arbeidsovereenkomst.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.638 tekens)
RECHTBANK
OOST-BRABANT


Civiel recht
Kantonrechter


Zittingsplaats Eindhoven


Zaaknummer: 12351879 \ CV EXPL 26-6709


Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 12 augustus 2026


in de zaak van





[eiser] ,

wonend in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. A. Willemsen,



tegen





[gedaagde] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. S. Wouters.



Het kort geding wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in ‘s-Hertogenbosch.



De zaak wordt, nadat deze is verwezen door de kantonrechter te ‘s-Hertogenbosch (en aldaar bekend was onder zaaknummer 12266063 CV EXPL 26-3612), verder behandeld door mr. J.T.G. Roovers, kantonrechter, bijgestaan door mr. N. Mourmans als griffier.




[eiser] is op de mondelinge behandeling verschenen, bijgestaan door mr. Willemsen voornoemd. Namens [gedaagde] is de heer [A] (directeur groot aandeelhouder) verschenen, bijgestaan door mr. Wouters voornoemd en mr. M. Charitos (kantoorgenoot).
Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de kantonrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.




1. De beoordeling




1.1.
Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit (onder meer) een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De kantonrechter zal daarbij niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen moet de kantonrechter mede betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen.



1.2.

[eiser] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij recht heeft op de doorbetaling van haar loon terwijl zij - kort gezegd – wegens arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte niet in staat was om de bedongen arbeid te verrichten als bedoeld in artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek (BW). In artikel 7:629a BW is bepaald dat de rechter een dergelijke loonvordering afwijst als bij de eis niet een verklaring is gevoegd van een deskundige, benoemd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen over de verhindering van de werknemer om de bedongen of andere passende arbeid te verrichten. Weliswaar geldt deze verplichting in beginsel niet in kort geding, maar gelet op het aanzienlijke tijdsverloop waarbij [eiser] stelt dat zij haar loon reeds sinds september 2025 niet meer ontvangt waarna zij deze procedure pas in juni 2026 aanhangig heeft gemaakt had het op haar weg gelegen om (op z’n minst) een verklaring van een arts te overleggen waaruit blijkt dat zij sinds 10 september 2025 (de datum waarop zij zich heeft ziekgemeld) ten gevolge van ziekte niet in staat was om de bedongen arbeid of andere passende arbeid te verrichten. Daarvoor is ruimschoots voldoende tijd beschikbaar geweest. Voor zover [eiser] tijdens de mondelinge behandeling heeft gesteld dat zij haar vordering heeft gegrond op het bepaalde in artikel 7:628 BW, heeft [eiser] daartoe onvoldoende gesteld.



1.3.
Daar komt bij dat [gedaagde] gemotiveerd heeft betwist dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. Dat maakt dat de zaak te complex is om in kort geding te beoordelen. Weliswaar heeft [eiser] aanknopingspunten gegeven waaruit zou kunnen blijken dat zij bij [gedaagde] in dienst was, zoals het overleggen van een loonstrook en een aan haar aangeboden vaststellingsovereenkomst waarin staat vermeld dat [eiser] bij [gedaagde] (als werknemer) in dienst was, maar vanwege het massieve verweer op dat onderdeel kan niet nu al voldoende worden uitgesloten dat in een eventuele bodemprocedure door [gedaagde] bewijs zal worden geleverd van haar stelling dat sprake was van een zogenoemde schijnconstructie. Daardoor is thans onvoldoende aannemelijk dat de rechter de vorderingen in een bodemprocedure zal toewijzen.



1.4.
Gelet op het voorgaande wijst de kantonrechter de vorderingen van [eiser] af.



1.5.

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:









- salaris advocaat


€


865,00







- nakosten


€


144,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


1.009,00.

























2. De beslissing



De kantonrechter




2.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,



2.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.009,00, te vermeerderen met de kosten van betekening als het vonnis wordt betekend.


Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. J.T.G. Roovers en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.










Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter.