Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Oost-Brabant

ECLI:NL:RBOBR:2026:6381

2026-09-04 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 26/25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Uitspraakdatum
2026-09-04
Publicatiedatum
2026-09-03
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
26/25
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Wajong. Herhaalde aanvraag. Geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Geen toegenomen beperkingen. Geen herziening voor de toekomst.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.580 tekens)
RECHTBANK OOST-BRABANT


Zittingsplaats 's-Hertogenbosch



Bestuursrecht



zaaknummer: SHE 26/25


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. M. Berkel),


en




de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [gemachtigde]).



Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de weigering van het UWV om terug te komen op eerdere besluiten waarin eiser een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) is geweigerd. Volgens eiser is er sprake van nieuwe feiten en omstandigheden, waardoor hij alsnog recht heeft op een Wajong-uitkering.



1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de weigering van het UWV om terug te komen van de eerdere besluiten in stand kan blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.




Procesverloop


2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1985. Hij heeft in het verleden meerdere malen een Wajong-uitkering aangevraagd. Met de besluiten van 1 juni 2004, 1 december 2009, 14 augustus 2012 en 2 november 2015 heeft het UWV deze aanvragen steeds afgewezen.



2.1.
Op 13 mei 2025 heeft eiser opnieuw een Wajong-uitkering aangevraagd. Met het besluit van 22 mei 2025 heeft het UWV besloten niet terug te komen van de eerdere besluiten, omdat er geen sprake zou zijn van nieuwe feiten of omstandigheden. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 28 november 2025 heeft het UWV het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.



2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. V.C.D. Klaassen, kantoorgenoot van eisers gemachtigde en de gemachtigde van het UWV.




Beoordeling door de rechtbank



Het beoordelingskader




3. Een aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere afwijzing van die uitkering moet naar zijn strekking worden beoordeeld. Met een aanvraag kan worden beoogd dat (met ingang van de datum waarop dat besluit zag) wordt teruggekomen van het eerdere besluit, dan wel een beroep wordt gedaan op een regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid (Wet Amber), ofwel om herziening wordt verzocht voor de toekomst (duuraanspraak).



3.1.
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op de datum in het verleden waarop het oorspronkelijke besluit betrekking had, is de aanvrager op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan te dragen. Het UWV moet vervolgens beoordelen of sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die aanleiding geven om terug te komen van dat eerdere besluit. Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat de afwijzing van de aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is.



3.2.
Als sprake is van een nieuwe aanvraag zoals een Amber-melding, dan zal de betrokkene feiten of omstandigheden moeten aanvoeren die deze aanvraag ondersteunen. Het UWV moet vervolgens onderzoeken of er aanleiding bestaat in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid een uitkering toe te kennen, te heropenen of te herzien. De rechter toetst vervolgens of de Amber-melding door het UWV juist is beoordeeld.



3.3.
Is sprake van een aanvraag waarbij ook voor de toekomst wordt verzocht om terug te komen van een eerder besluit, dan moet de aanvrager feiten of omstandigheden vermelden die aanleiding (kunnen) geven tot een ander, voor de aanvrager gunstiger, besluit dan het besluit waarvan herziening wordt gevraagd. Met name zijn hierbij feiten en omstandigheden relevant die – ten minste ook – zien op de voor het oorspronkelijke besluit geldende beoordelingsdatum. De aanvraag moet deugdelijk en toereikend worden onderbouwd en, voor zover mogelijk, worden voorzien van relevant bewijs. Als de aanvrager dat heeft gedaan, moet door het UWV worden onderzocht of en in hoeverre het oorspronkelijke besluit onjuist was. Als vervolgens de onjuistheid van het besluit wordt vastgesteld, is het UWV gehouden een belangenafweging te maken. Bij de bestuursrechter moet een minder terughoudende toetsing plaatsvinden.



3.4.
Bij deze beoordelingen geldt dat de omstandigheid dat door tijdsverloop de medische situatie op de relevante beoordelingsdatum niet meer (verantwoord) is vast te stellen, daarbij in de regel voor risico van de aanvrager kan worden gelaten.



De standpunten van partijen




4. Het UWV ziet geen aanleiding om terug te komen op de eerdere beslissingen om eiser een Wajong-uitkering te weigeren. Volgens het UWV is er geen sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die tot andere inzichten leiden. Er is ook geen recht op duuraanspraak en het UWV is van mening dat er geen sprake is van toegenomen beperkingen als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak voor het 23e levensjaar van eiser. Het UWV baseert dit standpunt op de rapportage van de verzekeringsarts Bezwaar en Beroep (B&B) van 27 november 2025.




4.1.
Eiser is het daar niet mee eens. Bij zijn aanvraag heeft hij een zorgovereenkomst van GGzE van 7 maart 2024 overgelegd. In bezwaar heeft hij een psychodiagnostisch onderzoek van oktober 2021 – januari 2022 toegevoegd en daarnaast een indicatiebesluit CIZ van 23 mei 2022, een zorgovereenkomst van 22 juli 2016, een ondersteuningsplan van 7 december 2015, een indicatiebesluit CIZ van 19 december 2012, een verklaring CIZ van 10 mei 2012 en een beschikking CAK van 19 juli 2011. Hij stelt dat het UWV deze medische informatie ten onrechte niet als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft beoordeeld. In die informatie wordt namelijk geen incidentele of zuiver actuele problematiek beschreven, maar een structureel en ontwikkelingsgebonden profiel geobjectiveerd. Dit betreft onder meer een lichte verstandelijke beperking met structureel lage verwerkingssnelheid en beperkingen in geheugen en informatieverwerking, in combinatie met ernstige beperkingen in initiatie, planning en uitvoering van taken en een blijvende afhankelijkheid van externe structuur en aansturing. De informatie verklaart waarom eiser, ook in eerdere jaren, niet zelfstandig kon functioneren op de manier die in eerdere besluiten is verondersteld. Het UWV had deze gegevens inhoudelijk moeten wegen bij de vraag of het eerdere oordeel over het arbeidsvermogen van eiser houdbaar is. Als ondersteuning van zijn standpunt heeft eiser in beroep een brief van 29 januari 2026 van GGzE overgelegd.



De redenen voor de beslissing van de rechtbank





Nieuwe feiten of veranderde omstandigheden

5. De rechtbank is van oordeel dat het UWV zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. De verzekeringsarts B&B legt goed uit dat de informatie over een beperking in het intelligentieniveau al bekend was en dat het rapport van het psychodiagnostisch onderzoek in 2021/2022 geen nieuwe medische feiten bevat over het intellectueel functioneren van eiser. Verder wijst de verzekeringsarts B&B erop dat het rapport informatie bevat over het functioneren van eiser op het moment van het onderzoek en dat dit meer dan 10 jaar na afloop van de referteperiode (die liep van [geboortedag] 2003 tot [geboortedag] 2008) is uitgevoerd. Vanwege het verstrijken van de tijd heeft het rapport volgens de verzekeringsarts B&B geen betekenis voor het vaststellen van het niveau van het dagelijks functioneren van eiser op 18-jarige leeftijd en tijdens de referteperiode. Datzelfde stelt hij over de noodzaak tot begeleiding die wordt beschreven in het indicatiebesluit CIZ van 23 mei 2022. Die noodzaak is gebaseerd op de situatie zoals die is op het moment van het indicatiebesluit. Ten slotte merkt de verzekeringsarts B&B op dat al in een eerdere Wajong-beoordeling werd vastgesteld dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat de psychiatrische problematiek al op 18-jarige leeftijd aanwezig was. In 2009 wordt namelijk voor het eerst melding gemaakt van die problematiek.




5.1.
Dat wat eiser heeft aangevoerd geeft de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de verzekeringsarts B&B aanvullende informatie had moeten opvragen. Hij heeft alle beschikbare informatie bij zijn beoordeling betrokken en het was aan eiser om zijn standpunt met stukken te onderbouwen. Het is de rechtbank niet gebleken dat informatie ontbrak. De rechtbank heeft ook geen aanleiding om te twijfelen aan de beoordeling van de verzekeringsarts B&B. Uit de medische rapportages van de eerdere Wajong-beoordelingen volgt dat de lagere begaafdheid van eiser al bekend was. Dat sprake is van een verstandelijke beperking is dus niet nieuw. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn standpunt dat de overgelegde informatie nieuw licht werpt op zijn functioneren in de referteperiode. Die informatie ziet namelijk op de situatie van eiser geruime tijd na de referteperiode. De medische informatie geeft geen aanknopingspunten dat het functioneren van eiser onveranderd is gebleven en dat hij ten tijde van de referteperiode net zo functioneerde als nu en dezelfde begeleidingsbehoefte had. Ten slotte bevestigt de brief van 29 januari 2026 dat de psychiatrische voorgeschiedenis sinds 2009 is ontstaan en dat is na afloop van de referteperiode. Eiser heeft tijdens de zitting nog gesteld dat de problematiek al eerder is ontstaan en dat dit kan worden afgeleid uit het rapport van de verzekeringsarts van 15 maart 2004. De anamnese verliep namelijk stroef, het dagverhaal was niet reëel en het IQ is beneden gemiddeld. Daaruit blijkt echter niet dat eiser toen al kampte met psychiatrische problematiek. Eiser heeft ook nog gewezen op een medische vragenlijst waarop het medicijn respiridon staat. Die vragenlijst is echter gedateerd op 6 juli 2009 en uit de antwoorden volgt dat eiser voor zijn psychische klachten in februari 2009 bij de huisarts is geweest en dat hij is doorverwezen naar de GGzE. Ten slotte heeft eiser tijdens de zitting nog gewezen op de brief van P. Maas van 2 oktober 2009, maar in die brief staat ook dat over eerdere psychotische episoden (voor 2009) niets bekend is.



5.2.
De afwijzing van de herhaalde aanvraag is ook niet evident onredelijk. Het is de rechtbank namelijk niet gebleken dat het oorspronkelijke besluit onmiskenbaar onjuist is.



Amber-melding


6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV de Amber-melding juist beoordeeld. De verzekeringsarts B&B heeft goed uitgelegd dat er geen sprake is van toegenomen beperkingen in de referteperiode. Hij verwijst daarvoor naar het medisch onderzoeksverslag van 13 oktober 2009 waarin is vastgesteld dat de belastbaarheid op 17/18-jarige leeftijd ook aan de orde was ten tijde van de herhaalde aanvraag in 2009, toen de referteperiode al was verstreken. Hij voegt daaraan toe dat er nu geen sprake is van nieuwe informatie, zodat er geen aanleiding is toegenomen beperkingen aan te nemen. In 5.1 heeft de rechtbank al overwogen daar niet aan te twijfelen.



Duuraanspraak


7. De rechtbank is van oordeel dat het ook terecht is dat het UWV het recht op Wajong-uitkering niet voor de toekomst heeft herzien. De verzekeringsarts B&B heeft goed gemotiveerd dat er geen informatie is aangeleverd waaruit blijkt dat de situatie van eiser medisch inhoudelijk gezien anders was tijdens de referteperiode. Hij wijst erop dat informatie is aangeleverd vanaf 2011, maar dat die geen beschrijving bevat van de medische situatie en het functioneren van eiser tijdens de referteperiode. De rechtbank kan dat volgen en twijfelt daar niet aan.




Conclusie en gevolgen


8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat hij geen Wajong-uitkering krijgt. Er is ook geen aanleiding om het UWV te veroordelen in de proceskosten van eiser. Eiser krijgt het griffierecht ook niet terug.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.







Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Jong, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Burg, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.






Centrale Raad van Beroep 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1.