Rechtbank Oost-Brabant
ECLI:NL:RBOBR:2026:6226
2026-08-26
Civiel recht
C-01-421012 - HA ZA 25-679
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Tussenvonnis benoeming deskundige ten aanzien van gestelde gebreken aan verbouwing van een woning en schuur tot bedrijfshal aan woning, geen wettelijke rente verschuldigd omdat de op de factuur vermelde betalingstermijn niet is overeengekomen, gedeeltelijk ten onrechte uitgeoefend retentie recht en overeenkomst is gedeeltelijk ontbonden.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2016:2517 Hoge Raad 04-11-2016
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (74.079 tekens)
RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/421012 / HA ZA 25-679
Vonnis van 26 augustus 2026
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. H. Knotter,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente [plaats ] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. J.C.M. van der Biezen.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van [eiser] met bijlagen (genummerd 1 tot en met 33);
- de akte aantonen domicilie tevens wijziging eis van [eiser] met bijlagen (genummerd 34 tot en met 39); - de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie van [gedaagde] met bijlagen (genummerd 1 tot en met 11);
- de conclusie van antwoord in reconventie van [eiser] zonder bijlagen;
- de brief van deze rechtbank waarin is meegedeeld dat een datum voor mondelinge behandeling is bepaald;- het bericht van [eiser] met bijlage (genummerd 40);- het bericht van [gedaagde] met bijlage (genummerd 12);- de mondelinge behandeling van 29 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is de datum voor het vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[eiser] is eigenaar van de onroerende zaak staande en gelegen aan de [adres] in [plaats ] (hierna te noemen: het Perceel). [eiser] was in het verleden bestuurder en aandeelhouder van [A] B.V. (hierna te noemen: [A] ). [gedaagde] drijft een onderneming waarbij zij (onder meer) verbouwingen verricht voor opdrachtgevers.
2.2.
Op het Perceel is een schuur verbouwd tot bedrijfshal met woning en werd (of wordt) een bestaande woning verbouwd (hierna gezamenlijk te noemen: de Verbouwing). [eiser] heeft de Verbouwing aanvankelijk aan een andere aannemer in opdracht gegeven. Die aannemer is met de Verbouwing gestart, maar heeft de werkzaamheden op enig moment beëindigd.
2.3.
Daarna zijn [eiser] en [gedaagde] in gesprek gegaan over het voortzetten van de Verbouwing. [gedaagde] heeft zich bereid verklaard om de werkzaamheden op regiebasis te verrichten, waarbij [gedaagde] aan [eiser] termijnfacturen zou sturen. De overeenkomst tussen partijen is niet schriftelijk vastgelegd. Het stond [eiser] vrij om bepaalde werkzaamheden ten aanzien van de Verbouwing door derde partijen te laten verrichten en om bepaalde materialen zelf direct, dus buiten [gedaagde] om, aan te schaffen. [B] B.V. (hierna te noemen: [B] ) was als architect ook betrokken bij de Verbouwing en maakte (in ieder geval) bouwtekeningen.
2.4.
Op een gegeven moment heeft [eiser] een aantal facturen van [gedaagde] onbetaald gelaten. Dat ging uiteindelijk om facturen met een totale hoofdsom van € 184.419,09.
2.5.
Omdat de facturen onbetaald bleven, heeft [gedaagde] vanaf 25 oktober 2024 een retentierecht uitgeoefend op een deel van het Perceel, namelijk de woning in aanbouw en de daarbij horende achtertuin. [gedaagde] had daarover al de feitelijke macht en heeft om de woning in aanbouw en achtertuin bouwhekken geplaatst. Het retentierecht zag niet op de bedrijfshal met woning. Deze heeft [eiser] inmiddels in gebruik.
2.6.
Over de onbetaald gebleven facturen heeft [eiser] in een e-mail van 9 december 2024 het volgende geschreven:
“Het feit dat de facturen tot op heden niet zijn betaald is zeker geen kwestie van onwil maar onmacht op dit moment, hetgeen ik uiterst betreur.”
2.7.
[gedaagde] is bij dagvaarding van 27 januari 2025 een kort geding gestart tegen [eiser] . Daarin vorderde [gedaagde] , voor zover relevant voor deze zaak, (a) een bedrag van € 200.348,51 (waaronder wettelijke rente tot 9 oktober 2024), (b) wettelijke rente daarover vanaf 9 oktober 2024 en (c) vergoeding van haar kosten voor de uitoefening van het retentierecht.
2.8.
In de kortgedingprocedure heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld dat bepaalde werkzaamheden van [gedaagde] in het kader van de Verbouwing gebrekkig en/of niet volledig uitgevoerd waren en dat [gedaagde] bepaalde spullen niet had geleverd waarvoor [eiser] wel had betaald. [B] heeft in dat kader per e-mail van 3 februari 2025 aan [eiser] een overzicht verstrekt van door [gedaagde] uitgevoerde werkzaamheden die niet gereed zouden zijn, niet uitgevoerd zouden zijn of niet naar tevredenheid en volgens afspraak zouden zijn uitgevoerd. Daarover zou met [gedaagde] zou zijn gesproken.
2.9.
Bij vonnis van 19 februari 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vordering van [gedaagde] in kort geding toegewezen tot een bedrag van € 184.419,09. De door [gedaagde] gevorderde wettelijke rente tot 9 oktober 2024 heeft hij afgewezen, evenals haar vordering tot vergoeding van kosten voor de uitoefening van het retentierecht. De voorzieningenrechter heeft over de uitoefening van het retentierecht en over de wettelijke rente tot 9 oktober 2024 het volgende overwogen:
“4.5… Op grond van de tussen partijen gemaakte afspraken moet [eiser] de nog openstaande facturen in beginsel gewoon voldoen. Aan het verweer van [eiser] dat hij de
factuurbedragen niet heeft erkend, gaat de voorzieningenrechter voorbij. Dat blijkt immers
onomstotelijk uit de hiervoor onder 2.13. geciteerde e-mail, waarin [eiser] schrijft dat hij wel
wil, maar niet kan betalen. Dat [eiser] toen kanttekeningen heeft geplaatst bij de facturen, omdat bepaalde werkzaamheden niet of niet goed zijn verricht is gesteld noch gebleken. In
dit kort geding voert [eiser] aan dat er het afgelopen jaar tal van discussies liepen over de
uitvoering van bepaalde werkzaamheden, maar dat blijkt niet uit de door [gedaagde] in het geding gebrachte correspondentie, waaronder de e-mail van [eiser] waarin hij de
verschuldigdheid van de facturen ruiterlijk erkent. Onder verwijzing naar e-mails van 3 februari 2025, dus na het uitbrengen van de kort geding dagvaarding, van [eiser] aan zijn raadsman en van de op de bouw toezichthoudende architect aan [eiser] , stelt [eiser] nu dat het een ander mankeert aan de tot nu toe verrichte werkzaamheden en dat herstelwerkzaamheden nodig zijn. Wat daar ook van zij, gesteld noch gebleken is dat [eiser] na ontvangst van de facturen een beroep op opschorting heeft gedaan. [eiser] dient de facturen dus te voldoen. Dat neemt niet weg dat, voor zover bepaalde werkzaamheden gebrekkig zijn uitgevoerd, op [gedaagde] de verplichting rust die gebreken na betaling door [eiser] te herstellen. In dit verband wordt nog opgemerkt dat tussen partijen niet in geschil is dat de bouw van de woning nog niet is opgeleverd. De slotsom is, nu met voldoende zekerheid kan worden aangenomen dat de bodemrechter een gelijksoortige vordering zal toewijzen, dat de vordering tot betaling van de openstaande facturen kan worden toegewezen.
4.6.
Tegen de rentecomponent (berekend tot en met 9 oktober 2024) in het door
[gedaagde] gevorderde bedrag van € 200.348,51 heeft [eiser] verweer gevoerd. Hij voert
daartoe aan dat er geen rechtsregel is die [gedaagde] verplicht om rente in rekening te
brengen en dat [gedaagde] tot en met het 3e kwartaal van 2024 ondanks de diverse
betalingsherinneringen ook nooit rente aan hem in rekening heeft gebracht. Dat was volgens [eiser] inherent aan de manier van facturatie en betaling waarvoor [eiser] en [gedaagde] bewust hebben gekozen. [gedaagde] betwist dat in het verleden geen rente in rekening is gebracht en verwijst daarvoor naar productie 4. Zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, blijkt daaruit voor de voorzieningenrechter niet dat [gedaagde] in het verleden ook rente in rekening bracht Dat volgens [gedaagde] uit de stellingen van partijen niet kan worden opgemaakt dat geen rente in rekening gebracht zou worden, is geen gemotiveerde betwisting van [eiser] stelling dat het niet in rekening brengen van rente inherent was aan de door partijen gekozen manier van facturatie en betaling. Voorshands gaat de voorzieningenrechter er daarom vanuit dat de rentecomponent in de vordering van [gedaagde] niet verschuldigd is en daarop dus in mindering moet worden gebracht. Dat neemt niet weg dat de door [gedaagde] op grond van de wet gevorderde wettelijke rente vanaf 9 oktober 2025, waartegen door [eiser] geen verweer is gevoerd, wel toewijsbaar is.
4.7
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering van [gedaagde] op de
primaire grondslag zal worden toegewezen tot een bedrag van € 184.419,09, vermeerderd
met de wettelijke rente van 9 oktober 2024 tot de dag van betaling.”
2.10.
[eiser] is op 12 maart 2025 tegen het vonnis van de voorzieningenrechter in hoger beroep gegaan. De hoger beroepsprocedure staat op de zogenoemde parkeerrol in afwachting van de uitkomst in deze procedure.
2.11.
Per brief van 2 april 2025 aan [gedaagde] heeft [A] zich (onder meer) met een beroep op onverschuldigde betaling en ongerechtvaardigde verrijking op het standpunt gesteld dat zij ten onrechte facturen voor de Verbouwing heeft voldaan aan [gedaagde] . De Verbouwing is volgens [A] een privéaangelegenheid van [eiser] . [A] stelt in totaal een bedrag van € 704.495,- ten onrechte aan [gedaagde] te hebben voldaan.
2.12.
Op 3 mei 2025 heeft [eiser] een bedrag van € 202.082,53 betaald aan [gedaagde] en daarmee voldaan aan het kortgedingvonnis van 19 februari 2025.
2.13.
Hierna heeft een e-mailwisseling plaatsgevonden tussen (de gemachtigden van) [eiser] en [gedaagde] . [eiser] stelde zich daarbij onder meer op het standpunt dat het retentierecht diende te worden opgeheven omdat hij volledig aan het kortgedingvonnis had voldaan. Bovendien had hij aan [gedaagde] een bedrag van € 21.389,68 te veel betaald. De voorzieningenrechter had immers per abuis een bedrag toegewezen inclusief wettelijke rente tot 9 oktober 2024, terwijl hij deze rentecomponent in de motivering van het vonnis had afgewezen. [eiser] heeft [gedaagde] verder aansprakelijk gesteld voor de schade die [eiser] zou lijden uit hoofde van het ten onrechte uitgeoefende retentierecht. [gedaagde] stelde zich op haar beurt op het standpunt dat zij het retentierecht in stand mocht houden omdat zij nog een (restant)vordering had op [eiser] , bijvoorbeeld uit hoofde van huur van roerende zaken en gemaakte (en te maken) redelijke kosten voor uitoefening van het retentierecht. Ook nam [gedaagde] het standpunt in dat [eiser] niet ten onrechte ook de wettelijke rentecomponent tot 9 oktober 2024 aan haar had betaald.
2.14.
Op 10 juli 2025 heeft [eiser] uit eigen beweging een bedrag van € 4.000,- betaald aan [gedaagde] ter opheffing van het retentierecht. Per e-mail van 18 juli 2025 heeft [gedaagde] laten weten dit bedrag te hebben ontvangen en te hebben gecrediteerd op de uitstaande vordering. Omdat deze volgens [gedaagde] hoger was dan € 4.000,-, heeft [gedaagde] op dat moment het retentierecht niet opgeheven.
2.15.
Per e-mail van 4 november 2025 heeft [eiser] [gedaagde] bericht over te gaan tot partiële ontbinding van de aannemingsovereenkomst. Deze ontbinding heeft [eiser] gericht op de werkzaamheden die als onderdeel van de aannemingsovereenkomst in de toekomst nog door [gedaagde] zouden moeten worden uitgevoerd. De ontbinding was niet gericht op de reeds uitgevoerde en betaalde werkzaamheden, de herstelwerkzaamheden, de verplichting tot terugbetaling van te veel betaalde bedragen en de garantie op de reeds uitgevoerde werkzaamheden.
2.16.
Op 17 december 2025 heeft [gedaagde] het retentierecht opgeheven.
2.17.
Op 26 maart 2026 heeft de heer [C] van Loyal Experts, bouwkundig inspecteur, de bedrijfshal met woning en de woning in aanbouw en de daaraan verrichte werkzaamheden in het kader van de Verbouwing in opdracht van [eiser] visueel geïnspecteerd. [gedaagde] en haar advocaat zijn bij deze inspectie aanwezig geweest. Van haar bevindingen heeft Loyal Experts een rapport opgemaakt (hierna: het Rapport).
3Het geschil
in conventie en in reconventie
3.1.
[eiser] vordert in conventie - samengevat – na eiswijziging bij akte en ter zitting:
- een verklaring voor recht dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de aannemingsovereenkomst;
- veroordeling van [gedaagde] om binnen vier weken na betekening van het vonnis (of een door de rechtbank te bepalen termijn) de gebreken aan de Verbouwing te herstellen op straffe van het verbeuren van een dwangsom van € 5.000,- per dag met een maximum tot € 50.000,-, althans een dwangsom met de hoogte te bepalen door de rechtbank;
- een verklaring voor recht dat [gedaagde] jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld door te weigeren het retentierecht op te heffen, althans te weigeren om daaraan mee te werken, en dat [gedaagde] jegens [eiser] gehouden is alle dientengevolge verschenen en nog te verschijnen schade te vergoeden, met verwijzing naar de schadestaatprocedure;
-een verklaring voor recht dat [eiser] de aannemingsovereenkomst op goede gronden heeft ontbonden en veroordeling van [gedaagde] tot voldoening van de hiermee verband houdende schade, met verwijzing naar de schadestaatprocedure;
- een verklaring voor recht dat de kosten voor een door de rechtbank in te schakelen deskundige voor rekening komen van [gedaagde] ;
- veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 21.398,68, vermeerderd met de wettelijke rente;
- veroordeling van [gedaagde] om binnen vier weken na betekening van het vonnis ook de overige ten onrechte aan [eiser] in rekening gebrachte en door [eiser] betaalde bedragen aan [eiser] terug te betalen, vermeerderd met wettelijke rente;
- veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de buitengerechtelijke kosten en de kosten van deze procedure.
3.2.
[gedaagde] voert verweer in conventie. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.3.
[gedaagde] vordert in reconventie - samengevat - veroordeling van [eiser] tot betaling van € 39.761,55, vermeerderd met rente en kosten.
3.4.
[eiser] voert verweer in reconventie. [eiser] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.
3.5.
Gezien de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze hieronder gezamenlijk worden behandeld. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
[gedaagde] heeft retentierecht op 25 oktober 2024 rechtmatig uitgeoefend
4.1.
De rechtbank zal allereerst beoordelen of [gedaagde] het retentierecht op 25 oktober 2024 mocht uitoefenen. [eiser] heeft immers primair het standpunt ingenomen dat dit niet het geval is. Op 25 oktober 2024 liepen immers al tal van discussies over de uitvoering van de werkzaamheden door [gedaagde] . [eiser] heeft weliswaar erkend dat de facturen betaald moesten worden, maar hij heeft ook constant aangegeven dat [gedaagde] gebreken moest herstellen en dat zij het werk moest afmaken. Onder die omstandigheden mocht [gedaagde] het retentierecht niet uitoefenen.
[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat zij het retentierecht op 25 oktober 2024 mocht inroepen. Zij had immers een opeisbare vordering op [eiser] uit hoofde van niet betaalde facturen. Van enige discussies rondom door haar uitgevoerde werkzaamheden was geen sprake.
4.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Het retentierecht is de bevoegdheid om de nakoming van de verplichting tot afgifte van de zaak aan de wederpartij op te schorten totdat de wederpartij de vordering van degene die de zaak onder zich heeft, heeft voldaan. Het retentierecht geeft een schuldeiser met andere woorden het recht om de zaak van de schuldenaar onder zich te houden. Voor het bestaan van een retentierecht is vereist dat de retentor een opeisbare vordering op de schuldenaar heeft en dat er voldoende samenhang bestaat tussen de vordering van de retentor op de schuldenaar en de vordering van de schuldenaar tot afgifte van de zaak. Tot slot is vereist dat de retentor de feitelijke macht uitoefent over de zaak.
4.3.
In deze zaak staat tussen partijen niet ter discussie dat sprake was van feitelijke macht door [gedaagde] en/of voldoende samenhang tussen de door [gedaagde] gestelde opeisbare vordering en de vordering van [eiser] tot afgifte van (of verschaffen van toegang tot) het woonhuis in aanbouw met achtertuin. Wel staat ter discussie of sprake was van een opeisbare vordering van [gedaagde] op [eiser] .
Uit de stellingen van partijen leidt de rechtbank af dat partijen een aannemingsovereenkomst op regiebasis met elkaar hebben gesloten. Dat blijkt uit de werkwijze, waarbij [gedaagde] telkens aan [eiser] specificaties met geleverde materialen en gewerkte uren heeft verstrekt en op grond daarvan vervolgens termijnfacturen aan [eiser] heeft gestuurd. Op grond van de tussen partijen gemaakte afspraken moest [eiser] de op dat moment uitstaande facturen in principe voldoen. Vaststaat dat hij dit aanvankelijk niet heeft gedaan. Pas op 3 mei 2025 heeft hij aan het kortgedingvonnis voldaan en daarmee de facturen betaald. Aan het verweer van [eiser] dat hij destijds de factuurbedragen niet heeft erkend, gaat de rechtbank voorbij. [eiser] heeft in zijn e-mail van 9 december 2024 (zie r.o. 2.6. hierboven) immers geschreven dat hij wel wil, maar niet kan betalen. Dat kwalificeert als een erkenning. Dat [eiser] toen kanttekeningen bij de facturen heeft geplaatst en/of het standpunt heeft ingenomen dat bepaalde werkzaamheden niet of niet goed zouden zijn verricht is niet gebleken. Ook is de rechtbank niet gebleken dat er destijds discussies liepen over het afgeleverde werk. De e-mail van [B] van 3 februari 2025, dus nadat [gedaagde] de kortgedingprocedure was gestart, verandert niets aan het feit dat [eiser] zich ten aanzien van de facturen ten tijde van het uitoefenen van het retentierecht niet heeft verweerd of op opschorting heeft beroepen.
4.4.
Uit bovenstaande volgt dat [gedaagde] tot het moment dat [eiser] op 3 mei 2025 aan het kortgedingvonnis heeft voldaan in ieder geval een opeisbare vordering had op [eiser] uit hoofde van betaling van openstaande facturen. Tot dat moment had [gedaagde] dus in ieder geval de bevoegdheid om het retentierecht uit te oefenen.
4.5.
[eiser] stelt zich subsidiair op het standpunt dat [gedaagde] het retentierecht na 3 mei 2025 – de datum waarop [eiser] aan het kortgedingvonnis van 19 februari 2025 heeft voldaan – ten onrechte is blijven uitoefenen. Meer subsidiair stelt [eiser] zich op het standpunt dat [gedaagde] het retentierecht vanaf 17 juni 2025 ten onrechte is blijven uitoefenen, omdat [eiser] op 16 juni 2025 een redelijk voorstel had gedaan ter beëindiging daarvan. Nog meer subsidiair stelt [eiser] zich op het standpunt dat [gedaagde] het retentierecht vanaf 11 juli 2025 ten onrechte is blijven uitoefenen, nadat [eiser] op 10 juli 2025 een bedrag van € 4.000,- aan [gedaagde] heeft betaald voor explootkosten en kosten voor uitoefening van het retentierecht.
[gedaagde] voert verweer en stelt zich op het standpunt dat zij het retentierecht op die data mocht blijven uitoefenen. Zij had immers ook na voldoening aan het kortgedingvonnis en na voldoening van de additionele € 4.000,- nog een opeisbare vordering op [eiser] uit hoofde van (onder meer) wettelijke rente, huur van roerende zaken en redelijke kosten voor de uitoefening van het retentierecht. [gedaagde] heeft de betalingen van [eiser] ex artikel 6:44 BW in mindering gebracht op deze vordering. Op 17 december 2025 heeft [gedaagde] om haar moverende reden besloten om vrijwillig over te gaan tot beëindiging van het retentierecht.
4.6.
De rechtbank zal hieronder ingaan op de vraag of [gedaagde] na 3 mei 2025, dan wel na 16 juni 2025, dan wel na 10 juli 2025 het retentierecht mocht blijven uitoefenen. Daarvoor moet zij vaststellen welke vorderingen partijen op die momenten over en weer hadden. De rechtbank zal in dat kader allereerst de vraag beantwoorden of (a) [eiser] wettelijke rente verschuldigd was aan [gedaagde] tot 9 oktober 2024 en (b) of [eiser] met voldoening aan het kortgedingvonnis wettelijke rente tot 9 oktober 2024 heeft betaald.
De vorderingen uit hoofde van rente: algemeen
4.7.
Tussen partijen staat vast dat de voorzieningenrechter in zijn kortgedingvonnis van 19 februari 2025 de door [gedaagde] gevorderde wettelijke rente tot 9 oktober 2024 heeft willen afwijzen. [eiser] stelt dat de voorzieningenrechter door een bedrag van € 184.419,09 toe te wijzen per abuis ook betaling van de rentecomponent tot 9 oktober 2024 heeft toegewezen. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat dit niet het geval is.
4.8.
De rechtbank overweegt in dit kader als volgt. In kort geding kan de rechter in spoedeisende zaken op grond van een voorlopig oordeel over het geschil van partijen een voorlopige voorziening geven. Het voorlopige karakter van een beslissing in kort geding brengt mee dat aan die beslissing geen gezag van gewijsde toekomt en dat partijen en de rechter niet aan die beslissing zijn gebonden in een bodemprocedure of een later kort geding. Verder geldt dat de beslissing in het dictum van een uitspraak in kort geding vervalt als een andersluidende uitspraak is gedaan in de bodemprocedure. Als het dictum in de kortgedinguitspraak een veroordeling tot betaling van een geldsom bevat, vervalt bij een andersluidende uitspraak in de bodemprocedure de rechtsgrond voor deze betalingsverplichting.
De rechtbank zal dus opnieuw beoordelen of [eiser] wettelijke rente tot 9 oktober 2024 aan [gedaagde] was verschuldigd. Daarnaast zal de rechtbank beoordelen of [eiser] deze wettelijke rente heeft betaald aan [gedaagde] door voldoening aan het kortgedingvonnis. Als de rechtbank van oordeel is dat [eiser] geen wettelijke rente tot 9 oktober 2024 was verschuldigd, maar deze wel heeft voldaan door voldoening aan het kortgedingvonnis van 19 februari 2025, dan heeft [eiser] het bedrag aan wettelijke rente onverschuldigd betaald.
Wettelijke rente tot 9 oktober 2024 niet verschuldigd
4.9.
[eiser] stelt dat hij tot 9 oktober 2024 – de datum van de eerste ingebrekestelling van [gedaagde] – geen wettelijke rente aan [gedaagde] hoeft te betalen over de facturen. Dat volgt uit de aard van de afspraken tussen [eiser] en [gedaagde] . Tussen partijen was immers afgesproken dat [eiser] de facturen zou betalen als zijn liquiditeit dat toeliet. Een concrete betalingstermijn was niet afgesproken. Dat was ook logisch, omdat [gedaagde] de frequentie van de facturatie bepaalde. Dat op de facturen van [gedaagde] een betalingstermijn van acht dagen stond vermeld, maakt dit niet anders. Dit is kennelijk de standaard betalingstermijn die [gedaagde] op haar facturen vermeldt, maar deze termijn is tussen partijen niet overeengekomen. Dat blijkt ook uit het feit dat [eiser] de facturen in de praktijk zelden binnen acht dagen voldeed. Dat was voor [gedaagde] (aanvankelijk) ook nooit een probleem.
[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat wel degelijk (stilzwijgend) een betalingstermijn van acht dagen is overeengekomen. Alle facturen vermelden deze betalingstermijn immers en hierover heeft [eiser] nooit geklaagd. Het was bovendien niet [gedaagde] die het tempo van de facturatie bepaalde. Het tempo van facturatie hing af van de omvang van de werkzaamheden van [gedaagde] en het werktempo dat van haar werd verlangd door [eiser] (al dan niet via [B] ). [eiser] bepaalde dus het werktempo en daarmee het facturatietempo. Ook het gegeven dat [eiser] in de praktijk vaak te laat betaalde, betekent niet dat de termijn van acht dagen wel degelijk tussen partijen was afgesproken. Bovendien kan uit het feit dat [gedaagde] aanvankelijk geen wettelijke rente vorderde, niet worden afgeleid dat zij geen aanspraak meer kan maken op wettelijke rente.
4.10.
De rechtbank overweegt als volgt. Voor toewijzing van een vordering tot betaling van wettelijke rente is vereist dat [eiser] in verzuim verkeert (zie artikel 6:119, 6:96 lid 6 en 6:265 lid 2 BW). [gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd dat [eiser] in verzuim is geraakt na het verstrijken van de betalingstermijn van acht dagen zoals vermeld op de facturen. Een betalingstermijn op een factuur is op zichzelf immers geen fatale termijn als bedoeld in artikel 6:83 aanhef en onder a BW. Daarvoor is in beginsel een voor nakoming overeengekomen termijn vereist. [gedaagde] heeft haar standpunt dat partijen daadwerkelijk (stilzwijgend) een betalingstermijn van acht dagen zijn overeengekomen niet voldoende onderbouwd. Dit kan immers niet worden afgeleid uit het enkele feit dat facturen een betalingstermijn bevatten waartegen [eiser] niet heeft geprotesteerd. De rechtbank acht in dat kader relevant dat [gedaagde] deze betalingstermijn in de praktijk gedurende geruime periode niet strak hanteerde, zodat er voor [eiser] ook geen reden was om daartegen te protesteren. Het is de rechtbank ook anderszins niet gebleken dat partijen deze betalingstermijn zijn overeengekomen. De gevorderde rente is daarom niet toewijsbaar vanaf het verstrijken van de betalingstermijn die op de facturen waren vermeld.
4.11.
Uit de in dit geding overgelegde stukken blijkt dat [gedaagde] [eiser] eerst op 9 oktober 2024 in gebreke heeft gesteld met aankondiging dat aanspraak zal worden gemaakt op wettelijke rente. Daarin zijn ook de gevorderde bedragen en de daarbij behorende facturen genoemd. Het staat vast dat [eiser] niet binnen de in deze brief gestelde termijn van vijf kalenderdagen heeft betaald, waardoor het verzuim (alsnog) is ingetreden en wettelijke rente (eerst) vanaf dat moment is verschuldigd.
4.12.
Omdat de rechtbank van oordeel is dat [eiser] tot 9 oktober 2024 geen wettelijke rente verschuldigd is, zal de rechtbank de vordering van [gedaagde] in reconventie voor dit gedeelte afwijzen. De voorzieningenrechter heeft de rentecomponent vanaf 9 oktober 2024 tot aan de dag van betaling toegewezen in zijn kortgedingvonnis van 19 februari 2025. Daarmee staat vast dat [eiser] eventueel door hem verschuldigde wettelijke rente over de periode na 9 oktober 2024 tot en met de volledige voldoening aan het vonnis van 3 mei 2025, heeft betaald. Voor zover de vordering in reconventie van [gedaagde] ziet op deze periode, zal de rechtbank deze vordering ook afwijzen.
[eiser] heeft wettelijke rente tot 9 oktober 2024 wél aan [gedaagde] betaald
4.13.
Tussen partijen is vervolgens in geschil of [eiser] door op 3 mei 2025 te voldoen aan het kortgedingvonnis wél een bedrag aan wettelijke rente tot 9 oktober 2024 heeft betaald.
4.14.
[eiser] stelt dat hij de wettelijke rente tot 9 oktober 2024 ten onrechte heeft betaald door te voldoen aan het kortgedingvonnis van 19 februari 2025. Uit de overwegingen van de voorzieningenrechter volgt dat hij de wettelijke rente tot 9 oktober 2024 heeft afgewezen (althans heeft willen afwijzen). In de door de voorzieningenrechter toegewezen hoofdsom van € 184.419,09 was echter per abuis wél de wettelijke rentecomponent tot 9 oktober 2024 opgenomen. Dat volgt onder meer uit de specificatie die [eiser] op 12 oktober 2024 van [gedaagde] ontving. Deze specificatie bevat een post “bijkomende kosten”. Onder deze post staat een bedrag van € 15.978,23 opgenomen aan “kosten tbv laat betaalde facturen”. Deze post ziet op de wettelijke rente. [gedaagde] heeft dit bedrag vermeerderd met 6% aan ‘algemene kosten’, 4% aan ‘Winst & Risico’, 0,40% aan ‘CAR verzekering’ en 21% aan btw. Dat komt neer op een totaalbedrag van € 21.398,68. Uit de specificatie volgt verder dat [eiser] bij betaling van alle door [gedaagde] gestuurde facturen (vrijwel) het volledige openstaande bedrag aan [gedaagde] heeft voldaan, inclusief € 21.398,68 aan ‘kosten tbv laat betaalde facturen’ zoals genoemd in de specificatie. [gedaagde] heeft deze wettelijke rente in rekening gebracht bij factuur met nummer [nummer] . Omdat de voorzieningenrechter [eiser] heeft veroordeeld tot betaling van alle facturen en [eiser] volledig aan het kortgedingvonnis heeft voldaan, heeft [eiser] dus ook wettelijke rente tot 9 oktober 2024 betaald.
[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat de factuur met factuurnummer [nummer] geen rentecomponent bevat. Er is dan ook geen sprake van een dubbeltelling. Het ging destijds bovendien niet over een eindafrekening. Los daarvan maakt [gedaagde] aanspraak op kosten voor huur van roerende zaken na 1 oktober 2024 en van redelijke kosten voor de uitoefening van het retentierecht. Alle bedragen die [eiser] heeft betaald aan [gedaagde] heeft [gedaagde] meegenomen in latere specificaties, waaronder de specificatie die ten grondslag ligt aan haar vordering in reconventie. Uit deze latere specificaties, waarin geen rentebedrag staat opgenomen, volgt dat [eiser] ook na voldoening aan het kortgedingvonnis een bedrag verschuldigd is aan [gedaagde] (en niet andersom). De vordering van [eiser] is daarom sowieso achterhaald.
4.15.
De rechtbank is van oordeel dat [eiser] op 3 mei 2025 ook een bedrag van € 21.398,68 aan (niet-verschuldigde) wettelijke rente tot 9 oktober 2024 aan [gedaagde] heeft voldaan. Uit de specificatie die [gedaagde] op 12 oktober 2024 naar [eiser] heeft gestuurd volgt immers duidelijk dat een bedrag van € 15.978,23 is opgenomen aan “kosten tbv laat betaalde facturen”. Dat komt inclusief kosten en btw neer op een bedrag van € 21.398,68. Ter zitting heeft de gemachtigde van [gedaagde] erkend dat deze post ziet op wettelijke rente. Uit de specificatie volgt daarnaast dat als de tot dat moment onbetaald gebleven facturen door [eiser] zouden worden voldaan, [eiser] (nagenoeg) alle kosten van [gedaagde] die in de specificatie staan opgesomd – inclusief het bedrag aan rente – zou hebben voldaan. In het kortgedingvonnis is [eiser] veroordeeld tot betaling van die facturen. Daarmee komt vast te staan dat [eiser] door voldoening aan het kortgedingvonnis ook de wettelijke rente component heeft voldaan die in de specificatie is opgenomen. Dat de wettelijke rentecomponent niet genoemd staat in factuur met nummer [nummer] acht de rechtbank niet doorslaggevend. Uit de specificatie van 1 oktober 2024 volgt immers voldoende duidelijk dat met betaling van alle openstaande facturen ook een wettelijke rentecomponent is betaald. Dat op latere specificaties geen rentecomponent is opgenomen en daaruit volgt dat [gedaagde] met inachtneming van alle betalingen door [eiser] alsnog een vordering op [eiser] zou hebben, acht de rechtbank ook niet relevant. Dat laat immers onverlet dat de betaling van wettelijke rente op 3 mei 2025 op dat moment onverschuldigd was. Bovendien dient de rechtbank te bepalen of het retentierecht op dat moment in stand kon worden gehouden en dus wat partijen op dat moment over en weer van elkaar te vorderen hadden. Als blijkt dat [gedaagde] het retentierecht op dat moment niet in stand mocht houden, dan komt een groot deel van de gevorderde (huur)kosten van [gedaagde] over de periode daarna, die zijn opgenomen in latere specificaties, niet voor vergoeding in aanmerking.
Vordering in reconventie
4.16.
Uit bovenstaande volgt dat [eiser] na voldoening van het kortgedingvonnis op 3 mei 2025 een opeisbare vordering had op [gedaagde] van € 21.398,68 uit hoofde van onverschuldigde betaling. De rechtbank zal nu beoordelen of [gedaagde] op dat moment op haar beurt ook een opeisbare vordering had op [eiser] . Zoals reeds besproken in r.o. 4.2. hierboven is voor uitoefening van het retentierecht immers (onder meer) vereist dat de retentor een opeisbare vordering heeft. Vanwege de verwevenheid van de onderliggende feiten zal de rechtbank daarbij ook ingaan op de reconventionele vordering van [gedaagde] . [gedaagde] vordert in reconventie betaling van een bedrag van € 39.761,55 door [eiser] . Dit bestaat enerzijds uit een component aan wettelijke rente en anderzijds uit een vordering uit hoofde van verschuldigde huurkosten en/of door [gedaagde] gemaakte kosten bij de uitoefening van het retentierecht.
4.17.
De rechtbank overweegt in dat kader allereerst als volgt over de gevorderde wettelijke rente. Uit hetgeen de rechtbank heeft geoordeeld in r.o. 4.12. volgt dat de vordering in reconventie van [gedaagde] zal worden afgewezen voor zover deze ziet op wettelijke rente tot 9 oktober 2024 en de wettelijke rente die is ontstaan na 9 oktober 2024 tot aan voldoening aan het kortgedingvonnis van 3 mei 2025. Daaruit volgt dat [gedaagde] hooguit een bedrag aan wettelijke rente toegewezen zou kunnen krijgen vanaf 3 mei 2025. Of [gedaagde] daarop recht heeft, hangt onder meer af van het antwoord op de vraag of [gedaagde] na voldoening door [eiser] aan het kortgedingvonnis een opeisbare vordering had op [eiser] .
4.18.
[gedaagde] beroept zich voor de door haar gemaakte huurkosten en kosten voor de uitoefening van het retentierecht primair op nakoming door [eiser] van zijn betalingsverplichting onder de aannemingsovereenkomst. Subsidiair beroept [gedaagde] zich op wanprestatie ex artikel 6:74 BW en meer subsidiair beroept [gedaagde] zich op ongerechtvaardigde verrijking ex artikel 6:212 BW. Volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv rust de stelplicht en – bij betwisting – de bewijslast daarvan op [gedaagde] . [gedaagde] beroept zich immers op de rechtsgevolgen van haar stellingen, namelijk diverse betalingen door [eiser] aan [gedaagde] .
4.19.
[gedaagde] heeft haar vordering in reconventie onderbouwd met een eigen specificatie van 18 december 2025. In die specificatie heeft [gedaagde] de kosten gearceerd die zij stelt te hebben gemaakt en waarvan zij van mening is dat [eiser] die moet vergoeden. Deze extra kosten zien volgens [gedaagde] op (a) het laden, plaatsen en opruimen van bouwhekken en het afvoeren en opruimen van spullen in dat kader, (b) het brengen van tegels en laden van spullen, (c) het afvoeren van twee containers en (d) de huur van diverse zaken waaronder bouwhekken. De rechtbank zal deze door [gedaagde] gevorderde kosten hieronder bespreken.
4.20.
Door [gedaagde] wordt gesteld dat hij kosten heeft gemaakt voor het laden, plaatsen en opruimen van de bouwhekken die zijn gebruikt voor het retentierecht. De door [gedaagde] gevorderde kosten hiervoor bedragen € 2.408,96 exclusief kosten en btw (bestaande uit € 297,60 voor het laden van de spullen en hekken e.d., € 952,32 voor het plaatsen van de hekken, € 119,04 voor het opruimen van spullen ten tijde van het vestigen van het retentierecht en € 1.040,- voor het afvoeren van de spullen en het uitzoeken en opruimen van de spullen tijdens het beëindigen van het retentierecht). [eiser] betwist niet dat werknemers van [gedaagde] 43 hekken hebben geplaatst en ook weer hebben opgeruimd. [eiser] betwist wel dat de werknemers van [gedaagde] daarvoor daadwerkelijk de in de specificatie opgenomen uren hebben gewerkt. Ook betwist [eiser] het gehanteerde uurtarief. Daarnaast betwist [eiser] de door [gedaagde] gerekende algemene kosten, winst-en risicokosten, kosten voor CAR-verzekering en btw.
De rechtbank heeft in r.o. 4.4. hierboven geoordeeld dat [gedaagde] het retentierecht van 25 oktober 2024 tot en met 3 mei 2025 in ieder geval terecht heeft uitgeoefend. Het retentierecht is een species van het opschortingsrecht dat is geregeld in afdeling 6.1.7 van het BW. Daarom zijn de bepalingen die zien op het opschortingsrecht in principe ook van toepassing op het retentierecht. Hierdoor is artikel 6:63 BW (betreffende de vergoeding van redelijke kosten) ook van toepassing. Tussen partijen is niet in geschil dat in ieder geval 43 bouwhekken zijn geplaatst en ook weer zijn afgebroken. De rechtbank overweegt dat voldoende is komen vast te staan dat [gedaagde] de door haar in de specificatie opgenomen kosten voor het plaatsen en afbreken van de bouwhekken heeft gemaakt. De enkele betwisting van het aantal gewerkte uren en het gehanteerde uurtarief zonder een nadere onderbouwing daarvan baat [eiser] niet. Het uurtarief is immers in lijn met eerdere specificaties en het opgenomen aantal uren komt de rechtbank niet onredelijk voor. Ten aanzien van de in rekening gebrachte kosten en btw geldt dat [gedaagde] deze ook ten tijde van de aannemingsovereenkomst in rekening bracht en dat [eiser] daartegen nooit bezwaar heeft gehad. De rechtbank zal de vordering van [gedaagde] daarom voor een bedrag van € 2.408,96 exclusief kosten en btw toewijzen. Inclusief de algemene kosten van 6%, winst- en risicokosten van 4% en de CAR-verzekering van 0,4% en inclusief btw bedroeg kom dit neer op een bedrag € 3.226,17. De vordering van € 1.040,- exclusief kosten en btw, zijnde € 1.392,81 inclusief kosten en btw zijn pas in december 2025 gemaakt en ook vanaf dat moment pas verschuldigd. Op 3 mei 2025 had [gedaagde] dus een vordering van € 1.833,36 op [eiser] .
4.21.
De kosten voor het brengen en laden van tegels. De door [gedaagde] gevorderde kosten bedragen € 390,- exclusief kosten en btw. De rechtbank overweegt het volgende. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] tegels bij [gedaagde] had besteld. Deze moeten in dat geval ook worden afgeleverd. De uren die [gedaagde] daarvoor rekent zijn niet betwist door [eiser] . De rechtbank zal deze kosten daarom toewijzen. Deze kosten komen inclusief de algemene kosten van 6%, winst- en risicokosten van 4% en de CAR-verzekering van 0,4% en inclusief btw neer op € 522,30. [gedaagde] heeft de tegels gebracht op 18 december 2025. Deze vordering bestond dus daarvoor dus nog niet.
4.22.
De kosten voor het verwijderen van twee containers. De door [gedaagde] gevorderde kosten bedragen € 319,82 (twee maal € 159,91) exclusief kosten en btw. Inclusief de algemene kosten van 6%, winst- en risicokosten van 4% en de CAR-verzekering van 0,4% en inclusief btw bedragen de kosten € 428,32. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] op de hoogte was van het feit dat twee containers door [gedaagde] op het Perceel waren geplaatst. Deze containers stonden ook al genoemd op de specificatie die [eiser] op 12 oktober 2024 van [gedaagde] heeft ontvangen en hij heeft daartegen destijds niet geprotesteerd. Tegen die achtergrond vallen de kosten voor het verwijderen van die containers ook onder de aannemingsovereenkomst. Deze komen daarom voor vergoeding in aanmerking. Op 3 mei 2025 was slechts één container verwijderd. Op dat moment bedroeg de vordering van [gedaagde] dus € 159,91 exclusief kosten en btw € 214,16 inclusief kosten en btw.
4.23.
Doorberekening van de kosten voor huur van bouwhekken. [gedaagde] heeft voor de huur van vijftig bouwhekken een bedrag van € 20.017,50 exclusief kosten en btw opgenomen in haar specificatie voor – naar de rechtbank begrijpt – de totale periode van 25 oktober 2024 tot en met 17 december 2025. Dit zijn volgens [gedaagde] de kosten die zij op haar beurt heeft gemaakt voor het huren van de bouwhekken van een zustermaatschappij. [eiser] heeft verweer gevoerd en naar voren gebracht dat [gedaagde] in dit kader enkel een factuur van haarzelf in het geding heeft gebracht en niet van haar zustermaatschappij. Ook mag [gedaagde] geen commerciële prijs rekenen voor de bouwhekken: dat kwalificeert niet als redelijke kosten voor uitoefening van het retentierecht. Uit een zoektocht op internet volgt dat een redelijke huurprijs voor vijftig bouwhekken € 196,- per maand is. Bovendien gaat het niet om 50, maar om 43 bouwhekken. Een redelijke prijs voor de huur van deze bouwhekken voor een maand is daarom hooguit € 168,56.
De rechtbank overweegt in dit kader als volgt. [gedaagde] heeft de hekken geplaatst ter uitoefening van een retentierecht dat zij van 25 oktober 2024 tot en met 3 mei 2025 in ieder mocht uitoefenen. Hierdoor heeft [gedaagde] ex artikel 6:63 BW recht op vergoeding van redelijke kosten. De rechtbank oordeelt echter dat [gedaagde] haar vordering voor de huurkosten van bouwhekken gezien de gemotiveerde betwisting van [eiser] niet voldoende heeft onderbouwd. Zij heeft ter zitting weliswaar gesteld dat zij deze hekken huurt van een zustermaatschappij, maar heeft geen factuur van die zustermaatschappij of een andere onderbouwing overgelegd. Een eigen specificatie en een eigen factuur kwalificeren naar oordeel van de rechtbank niet als een afdoende onderbouwing. De rechtbank zal deze vordering daarom afwijzen.
4.24.
[gedaagde] vordert daarnaast ook de huurkosten van diverse andere zaken en opslagkosten voor tegels. [eiser] heeft daartegen verweer gevoerd. [gedaagde] heeft de kosten hiervoor vervolgens niet nader onderbouwd met stukken, zoals facturen. Het enkel opnemen van deze posten in een eigen specificatie geldt naar oordeel van de rechtbank niet als een voldoende onderbouwing bij een betwisting. De rechtbank zal deze gevorderde kosten daarom afwijzen.
4.25.
[gedaagde] vordert tot slot betaling door [eiser] van een huursom van € 10,- per dag voor het gebruik van een bouwstroomkast. [gedaagde] stelt in dat kader dat dat zij de bouwstroomkast niet kan afsluiten. Dit dient via Enexis te verlopen en er hangt een slot om de kast. Bovendien functioneert de kast als meterkast en elektra-aansluiting voor [eiser] . [eiser] heeft dit betwist en zich op het standpunt gesteld dat [gedaagde] de bouwstroomkast al lang had moeten weghalen. Hij heeft contact opgenomen met Enexis en Enexis is niet op de hoogte van de bouwstroomkast. Medewerking of toestemming van Enexis voor het weghalen van de bouwstroomkast is niet vereist.
De rechtbank overweegt het volgende. Het is niet komen vast te staan dat de bouwstroomkast enkel kan worden weggehaald met behulp/toestemming van Enexis. Ook is gebleken dat [eiser] geen prijs stelt op de aanwezigheid van de bouwstroomkast. Tegen die achtergrond kan [gedaagde] geen huur in rekening brengen voor de bouwstroomkast. De rechtbank zal deze vordering van [gedaagde] daarom afwijzen.
4.26.
Uit bovenstaande volgt dat de vordering van [gedaagde] in reconventie voor huurkosten en redelijke kosten voor de uitoefening van het retentierecht wordt toegewezen voor een bedrag van € 4.176,79, inclusief kosten en btw (€ 3.226,17+ € 522,30 + € 428,32). Ook komt vast te staan dat [eiser] ten tijde van voldoening aan het kortgedingvonnis op 3 mei 2025 een bedrag van € 2.047,52 aan [gedaagde] verschuldigd was aan huurkosten en redelijke kosten voor het retentierecht (€ 1.833,36 + € 214,16). Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] op 3 mei 2025 daarnaast explootkosten ter hoogte van € 1.089,10 verschuldigd was aan [gedaagde] . In totaal had [gedaagde] een opeisbare vordering op [eiser] van € 3.136,52, terwijl [eiser] een opeisbare vordering op [gedaagde] had van € 21.398,68.
4.27.
De rechtbank overweegt daarover het volgende. Het feit dat [eiser] op 3 mei 2025 een hogere opeisbare vordering had op [gedaagde] dan [gedaagde] op [eiser] , brengt niet zonder meer met zich mee dat [gedaagde] haar retentierecht niet langer mocht uitoefenen. Dat zou mogelijk anders zijn als [eiser] zich zou beroepen op verrekening. Gesteld nog gebleken is dat [eiser] zich daarop op 3 mei 2025 heeft beroepen. Meer subsidiair stelt [eiser] dat het retentierecht op 16 juni 2025 had moeten worden opgeheven, toen hij een redelijk voorstel heeft gedaan voor de oplossing van het geschil. [eiser] heeft echter niet onderbouwd op welke grondslag een dergelijk voorstel zou moeten leiden tot opheffing van het retentierecht. Nog meer subsidiair stelt [eiser] dat het retentierecht opgeheven had moeten worden op 10 juli 2025, het moment dat hij € 4.000,- heeft betaald aan [gedaagde] voor de huur van spullen, retentiekosten en explootkosten. De rechtbank overweegt daarover het volgende. Omdat [eiser] op 10 juli 2025 een bedrag van € 4.000,- heeft overgemaakt voor de redelijke kosten van het retentierecht, komt vast te staan dat [gedaagde] op dat moment niet langer een opeisbare vordering had op [eiser] . Dit bedrag overstijgt immers het bedrag van € 3.136,52 dat [gedaagde] van [eiser] te vorderen had. Dat betekent dat [gedaagde] vanaf 10 juli 2025 niet langer gerechtigd was om het retentierecht te handhaven. De door haar gevorderde kosten vanaf dat moment komen dan ook niet voor vergoeding in aanmerking, behoudens de kosten voor het beëindigen van het retentierecht, die zij ook had moeten maken als zij het – op dat moment rechtmatige – retentierecht had beëindigd op 10 juli 2025. Deze kosten heeft de rechtbank hierboven reeds behandeld.
4.28.
Bovenstaande betekent het volgende voor de door [gedaagde] gevorderde wettelijke rente. Omdat [gedaagde] (a) vanaf 10 juli 2025 geen opeisbare vordering meer had op [eiser] en (b) tot 3 mei 2025 geen vordering (meer) heeft op [eiser] uit hoofde van wettelijke rente, zal hoogstens eventuele wettelijke rente kunnen worden toegewezen van 4 mei 2025 tot 10 juli 2025. [gedaagde] heeft echter niet onderbouwd dat [eiser] over het op dat moment uitstaande bedrag wettelijke rente verschuldigd zou zijn. De rechtbank zal de vordering van [gedaagde] in reconventie tot betaling van wettelijke rente daarom in het geheel afwijzen.
Gevolgen voor vorderingen in conventie: toerekenbare tekortkoming in de nakoming door [gedaagde]
4.29.
Nu is vast komen te staan dat [gedaagde] op 10 juli 2025 geen opeisbare vordering meer had op [eiser] is de volgende vraag of [gedaagde] nog wel het retentierecht mocht blijven uitoefenen en of, als zij dat niet mocht, [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst door dit retentierecht te handhaven tot 17 december 2025.
4.30.
[gedaagde] heeft zich in dat kader beroepen op het feit dat [A] per brief van 2 april 2025 het standpunt heeft ingenomen jegens [gedaagde] dat [A] een bedrag van € 704.495.- heeft te vorderen uit hoofde van door [A] onverschuldigd betaalde facturen ten aanzien van de Verbouwing. De achtergrond daarvan is, kort gezegd, dat een aantal van de facturen van [gedaagde] voor de Verbouwing zijn betaald door [A] op het moment dat [eiser] daar nog bestuurder en aandeelhouder was. [A] stelt zich op het standpunt dat deze onverschuldigd zijn betaald omdat de Verbouwing een privéaangelegenheid van [eiser] was. [gedaagde] stelt zich in deze procedure op het standpunt dat zij, als zij inderdaad dit bedrag moet betalen aan [A] , op haar beurt een vordering heeft op [eiser] ter hoogte van ditzelfde bedrag. [gedaagde] is wel van mening dat de vordering van [A] ongegrond is. Dat laat onverlet dat [A] haar vordering nog niet heeft prijsgegeven. Daarom mocht [gedaagde] het retentierecht handhaven. [eiser] brengt daartegenin dat de betalingen die [eiser] vanuit [A] heeft gedaan in zijn rekening-courant met [A] zijn geboekt en dat deze vordering daarom ongegrond is. [A] heeft zich dit ook beseft, hetgeen blijkt uit het feit dat [A] na haar brief van 2 april 2025 geen enkele actie meer heeft ondernomen om haar vermeende vordering af te dwingen. De vermeende vordering van [A] was daarom geen rechtvaardiging om het retentierecht in stand te houden.
4.31.
Zoals hiervoor al overwogen is het retentierecht een species van het opschortingsrecht dat is geregeld in afdeling 6.1.7 van het BW. Daarom zijn de bepalingen die zien op het opschortingsrecht in principe ook van toepassing op het retentierecht. De Hoge Raad heeft in het kader van het opschortingsrecht geoordeeld dat het feit dat een vordering van een derde die de opschortende partij heeft gebruikt als reden voor opschorting achteraf ongegrond bleek en als gevolg daarvan het beroep op opschorting ook geheel of ten dele ongegrond is gebleken, niet per definitie meebrengt dat degene die dit beroep deed (in dit geval: [gedaagde] ), meteen als schuldenaar zonder ingebrekestelling in verzuim komt te verkeren. Daarvoor moet namelijk eerst worden bepaald of de opschorting gezien de uitleg van de overeenkomst en alle omstandigheden van het geval een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst oplevert. Hoewel het voor de rechtbank in deze zaak niet is komen vast te staan of de vordering van [A] ongegrond is, volgt uit dit arrest wél dat een vordering van een derde onder omstandigheden een rechtvaardiging kan zijn voor het inroepen (of in stand houden) van een retentierecht. De rechtbank oordeelt echter dat de vordering van [A] geen rechtvaardiging vormde voor [gedaagde] om het retentierecht tot 17 december 2025 te handhaven.
4.32.
Geen van de partijen heeft gesteld dat zij over de vermeende vordering van [A] afspraken hebben gemaakt. De uitleg van de aannemingsovereenkomst speelt daarom geen rol en de rechtbank moet kijken naar de overige omstandigheden van het geval. De vermeende vordering van [A] vloeit voort uit het feit dat [eiser] in het verleden bepaalde facturen aan [gedaagde] heeft betaald vanuit [A] . Als komt vast te staan dat de vordering van [A] gegrond is, dan ligt het in de rede dat deze in de onderlinge verhouding tussen [eiser] en [gedaagde] voor rekening van [eiser] komen. Hij heeft immers de betalingen uitgevoerd. [eiser] en [gedaagde] zijn het er echter ook over eens dat de vordering van [A] ongegrond is. Bovendien is het de rechtbank niet gebleken dat [A] enige actie heeft ondernomen na haar brief van 2 april 2025 om haar recht geldend te maken of dat zij haar vordering nadien (nader) heeft onderbouwd, zodat [gedaagde] op dit moment geen goede reden heeft om aan te nemen dat [A] voornemens is haar vordering in rechte af te dwingen. [gedaagde] heeft in dat kader enkel gesteld dat [A] haar vordering nog niet heeft prijsgegeven en niet uit te sluiten valt dat op een later moment actie wordt ondernomen. Dat is onvoldoende voor het in stand houden van een retentierecht. De vermeende vordering van [A] vormde naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen reden voor [A] om het retentierecht tot 17 december 2025 in stand te houden.
4.33.
Uit bovenstaande volgt dat [gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank op 10 juli 2025 niet langer een opeisbare vordering had op [eiser] en dat de vermeende vordering van [A] ook geen reden vormde om het retentierecht te handhaven. De rechtbank is daarom van oordeel dat [gedaagde] door handhaven van het retentierecht na 10 juli 2025 tekort is geschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst. Aan de (herhaalde) mededeling van [gedaagde] , bijvoorbeeld in haar e-mail van 18 juli 2025, dat zij niet bereid was het retentierecht op te heffen, mocht [eiser] ex artikel 6:83(c) BW afleiden dat [gedaagde] zou (blijven) tekortschieten in de nakoming. Er was vanaf dat moment dus ook sprake van verzuim.
Gevolgen voor vorderingen in conventie: [eiser] heeft de overeenkomst op 4 november 2025 op goede gronden ontbonden
4.34.
[eiser] vordert een verklaring voor recht dat hij de aannemingsovereenkomst per e-mail van 4 november 2025 op goede gronden partieel heeft ontbonden en om [gedaagde] te veroordelen om de hiermee verband houdende schade te vergoeden, met verwijzing naar de schadestaatprocedure. [eiser] stelt dat hij op 3 mei 2025 volledig aan het kortgedingvonnis heeft voldaan en op 10 juli 2025 zelfs € 4.000,- extra heeft betaald voor explootkosten en redelijke kosten voor uitoefening van het retentierecht. Daarmee was zijn eerdere verzuim vanwege het niet betalen van de facturen, als daarvan sprake was, opgeheven. [gedaagde] verkeerde op haar beurt wel in verzuim. [gedaagde] weigerde het te veel betaalde bedrag aan wettelijke rente terug te betalen, weigerde garanties te verstrekken voor door haar uitgevoerde werkzaamheden en wilde de resterende werkzaamheden niet uitvoeren. Ook wilde zij materialen waarvoor [eiser] betaald heeft niet leveren en weigerde zij het retentierecht op te heffen. [gedaagde] voert verweer. Zij stelt zich op het standpunt dat niet [gedaagde] , maar [eiser] in verzuim was door te weigeren te voldoen aan zijn (verdere) betalingsverplichtingen onder de aannemingsovereenkomst. Onder die omstandigheden is ontbinding niet mogelijk. [gedaagde] mocht het retentierecht blijven uitoefenen omdat zij een vordering op [eiser] had. Verder heeft [gedaagde] zich ter zitting de vraag gesteld of het door [eiser] gevorderde herstel ten aanzien van de Verbouwing zich wel verenigt met diens vordering tot partiële ontbinding.
4.35.
De rechtbank overweegt als volgt. Voor een geslaagd beroep op ontbinding is, kort gezegd, een tekortkoming in de nakoming van een overeenkomst en verzuim nodig. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft in beginsel aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst te ontbinden (artikel 6:265 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW). Een partij die bevoegd is de overeenkomst in geheel te ontbinden kan deze op grond van artikel 6:270 BW in principe ook partieel ontbinden.
4.36.
De rechtbank heeft in r.o. 4.33. overwogen dat [gedaagde] op 10 juli 2025 tekort is geschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst en dat sprake is van verzuim van haar kant. [eiser] had het verzuim aan zijn kant gezuiverd door de vordering van [gedaagde] volledig te voldoen. Aan de vereisten voor ontbinding is dus voldaan. [eiser] heeft de ontbinding beperkt tot de werkzaamheden die [gedaagde] in de toekomst nog zou moeten verrichten onder de aannemingsovereenkomst en de ontbindingsverklaring niet gericht tegen de reeds uitgevoerde en betaalde werkzaamheden. [gedaagde] heeft de vraag gesteld of de vordering van [eiser] tot herstel door [gedaagde] van gestelde gebreken in reeds gedane werkzaamheden zich wel verenigt met de partiële ontbinding van de overeenkomst voor in de toekomst te verrichten werkzaamheden, maar verder niet onderbouwd waarom zij daarover twijfelt. De rechtbank is van oordeel dat een partiële ontbinding gericht op toekomstige werkzaamheden niet onverenigbaar is met een herstelvordering voor reeds uitgevoerde en betaalde werkzaamheden. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] de aannemingsovereenkomst op goede gronden partieel heeft ontbonden.
4.37.
[eiser] vordert vervolgens verwijzing naar de schadestaatprocedure voor de ontbindingsschade die hij heeft geleden of zal lijden. [eiser] stelt in dat kader dat hij door de ontbinding vermoedelijk schade zal lijden. [eiser] moet immers op zoek naar een nieuwe aannemer en zal in dat kader extra kosten moeten maken. Ook kon hij door uitoefening van het retentierecht tot 17 december 2025 tot dat moment niet op zoek naar een nieuwe aannemer. [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen het feit dat [eiser] vermoedelijk schade heeft geleden als blijkt dat de partiële ontbinding gerechtvaardigd was.
4.38.
De rechtbank stelt vast dat voor verwijzing naar de schadestaat voldoende maar ook vereist is dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is geworden. Dit is geen streng vereiste. Het is wel aan [eiser] om hiervoor voldoende te stellen. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] hiervoor voldoende heeft gesteld, ook gezien het feit dat [gedaagde] zich hiertegen niet heeft verweerd.
Geen verwijzing naar de schadestaatprocedure voor gevorderde onrechtmatige uitoefening retentierecht
4.39.
[eiser] vordert daarnaast een verklaring voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door te weigeren het retentierecht op te heffen, althans geweigerd heeft om haar medewerking daaraan te verlenen, met verwijzing naar de schadestaatprocedure. [eiser] heeft in dat kader dezelfde argumenten naar voren gebracht zoals hierboven omschreven in r.o. 4.1., 4.5. en 4.27. Voor de argumentatie van [eiser] en het verweer van [gedaagde] verwijst de rechtbank naar deze rechtsoverwegingen.
4.40.
Zoals hierboven reeds uiteengezet in r.o. 4.38. is voor verwijzing naar de schadestaatprocedure vereist dat de mogelijkheid dat schade door [eiser] zal worden geleden aannemelijk is. [eiser] heeft in het kader van het vermeende onrechtmatige retentierecht niets gesteld over de aannemelijkheid van de door hem geleden (of te lijden) schade. De rechtbank zal deze vordering daarom afwijzen.
Benoeming deskundige in verband met gestelde gebreken, voorschot voor rekening van [eiser]
4.41.
Op verzoek van [eiser] heeft de heer [C] van Loyal Experts de bedrijfshal met woning en woning in aanbouw visueel geïnspecteerd. Meer in het bijzonder heeft hij de door [gedaagde] (of derden) verrichte werkzaamheden geïnspecteerd. Daarbij waren [eiser] en [gedaagde] met gemachtigden aanwezig. [gedaagde] heeft aangegeven daarbij alleen als toeschouwer aanwezig te zijn. Ook de heer [B] was aanwezig. Na deze visuele inspectie heeft de heer [C] het Rapport opgesteld. In het Rapport wordt, kort gezegd, als doel van het onderzoek genoemd (a) het objectief vastleggen van de bouwkundige toestand van de bedrijfshal met woning en de woning in aanbouw, (b) het visueel beoordelen van de kwaliteit van het uitgevoerde werk en (c) het onderbouwen van de bevindingen. De conclusies uit dit rapport zijn, kort gezegd en voor zover relevant voor deze zaak, dat (a) [gedaagde] ten aanzien van 17 punten gebrekkig en/of onvolledig werk heeft geleverd in afwijking van wat [eiser] mocht verwachten en (b) de kosten om dit door een derde te laten herstellen in totaal € 80.150,- bedragen.
[gedaagde] heeft een uitgebreide reactie gegeven op dit rapport. Zij heeft zich onder meer op het standpunt gesteld dat (a) een deel van de in het rapport genoemde punten niet als gebrek aan te merken is, (b) een deel van de punten niet af is en [eiser] daarvoor ook niet aan [gedaagde] heeft betaald en (c) een aantal punten niet onder haar verantwoordelijkheid vielen. Daarnaast heeft [gedaagde] aangegeven dat het Rapport niet inzichtelijk maakt of, en zo ja, op welke documenten en tekeningen Loyal Experts haar conclusies baseert. Het Rapport gaat er bovendien ten onrechte vanuit dat [gedaagde] offertes opstelde voor haar werk voor [eiser] . Dit is exemplarisch voor het feit dat Loyal Experts niet goed op de hoogte was van de situatie en de specifieke afspraken tussen [eiser] en [gedaagde] . Loyal Experts heeft bovendien de verkeerde regelgeving als uitgangspunt genomen bij haar beoordeling en het Rapport vermeldt ten onrechte dat [C] zijn bevindingen met partijen heeft gedeeld ten tijde van de inspectie. Ook wijst [gedaagde] erop dat het bedrag van € 80.150,- niet (voldoende) is onderbouwd. Zo is de door Loyal Experts berekende 40 procent opslag voor het herstellen van de vermeende gebreken door een derde in het geheel niet onderbouwd.
4.42.
De rechtbank overweegt het volgende. Gezien de onderbouwde betwisting van [gedaagde] is niet komen vast te staan dat de in het rapport genoemde punten kwalificeren als gebrek waarvoor [gedaagde] verantwoordelijk is. De rechtbank is daarom voornemens om een onderzoek door een deskundige in te laten stellen. De rechtbank zal deze deskundige vragen om de kwaliteit van het door [gedaagde] geleverde werk te beoordelen. Meer in het bijzonder zal de rechtbank de deskundige vragen of de in het Rapport genoemde punten naar zijn oordeel als gebrek kwalificeren en of [gedaagde] verantwoordelijk was voor deze punten. De rechtbank zal de deskundige daarbij vragen om onder meer rekening te houden met het feit dat (a) een aantal werkzaamheden mogelijk niet onder de verantwoordelijkheid vielen van [gedaagde] omdat deze door een direct door [eiser] ingeschakelde partij zijn uitgevoerd, (b) de werkzaamheden niet volledig zijn afgerond, (c) [eiser] de schuur met bedrijfshal in gebruik heeft genomen, (d) [gedaagde] ten aanzien van de woning in aanbouw tot 10 juli 2025 het retentierecht mocht uitoefenen. De deskundige zal daarnaast gevraagd worden om, als hij tot de conclusie komt dat bepaalde werkzaamheden door [gedaagde] gebrekkig zijn uitgevoerd, de kosten te berekenen om dit door een derde te laten herstellen.
4.43.
De rechtbank is voorlopig van oordeel dat kan worden volstaan met de benoeming van één bouwkundig deskundige en dat de volgende vragen moeten worden gesteld:
In het Rapport heeft Loyal Experts na een visuele inspectie van de bedrijfshal met woning en woning in aanbouw ten aanzien van 17 punten geconcludeerd dat sprake is van, kort gezegd, gebrekkige en/of onvolledig uitgevoerde werkzaamheden.
- Kunt u ten aanzien van ieder afzonderlijk punt in het Rapport aangeven of dit, mede gezien de reactie van [gedaagde] op het Rapport en de door de partijen te verstrekken gegevens waaronder in ieder geval de bouwtekeningen, de notulen van de bouwvergaderingen en eventueel andere documenten waaruit de afspraken tussen partijen volgen, onder de verantwoordelijkheid viel van [gedaagde] ?
- Als u oordeelt dat bepaalde punten onder de verantwoordelijkheid van [gedaagde] vielen, kunt u ten aanzien van deze punten dan beoordelen of de werkzaamheden door [gedaagde] gebrekkig zijn uitgevoerd?
o Kunt u daarbij bij de punten die zien op de bedrijfshal met woning rekening houden met de mogelijke invloed van het feit dat [eiser] deze sinds enige tijd in gebruik heeft?
o Kunt u daarbij bij de punten die zien op de woning in aanbouw rekening houden met het feit dat de werkzaamheden niet volledig zijn gefactureerd, betaald en afgerond?
o Kunt u daarbij ook rekening houden met de mogelijke invloed die het heeft gehad dat de werkzaamheden geruime tijd hebben stilgelegen en dat [gedaagde] vanaf 25 oktober tot 10 juli 2025 met recht een retentierecht heeft uitgeoefend en vanaf 11 juli 2025 tot en met 17 december 2017 ten onrechte een retentierecht heeft uitgeoefend?
- Als u van oordeel bent dat bepaalde punten onder de verantwoordelijkheid vielen van [gedaagde] en dat deze gebrekkig en/of onvolledig zijn uitgevoerd terwijl daarvoor is betaald door [eiser] , kunt u dan de kosten berekenen om deze te laten herstellen door een andere partij?.
- Als u van oordeel bent dat bepaalde punten onder de verantwoordelijkheid vielen van [gedaagde] en dat deze gebrekkig zijn uitgevoerd, kunt u dan inschatten wanneer deze kenbaar konden zijn bij [eiser] ?
- Zou u daarnaast kunnen kijken of de ‘problemen met de vouwpuien’ (a) kwalificeren als gebrek en (b) of deze volgens de aannemingsovereenkomst onder de verantwoordelijkheid van [gedaagde] vielen? Als u van oordeel bent dat dit punt gebrekkig is en onder de verantwoordelijkheid van [gedaagde] viel, kunt u dan de kosten berekenen om dit te laten herstellen door een andere partij?
4.44.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt in de wet dat het voorschot op de kosten van de deskundige door [eiser] als eisende partij moet worden
betaald. In het eindvonnis zal de rechtbank beslissen wie van partijen uiteindelijk de kosten van de deskundige moet betalen. Voor zover [eiser] met zijn vordering om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de kosten van de deskundige ook heeft gedoeld op het voorschot, heeft zij haar vordering niet onderbouwd en gaat de rechtbank hieraan voorbij.
4.45.
De rechtbank gaat ervan uit dat partijen in onderling overleg overeenstemming bereiken over de persoon die als deskundige gaat optreden. Voor zover partijen daarover geen overeenstemming kunnen bereiken en om die reden iedere partij een deskundige voorstelt, moeten partijen gemotiveerd aangeven waarom zij de voorkeur geven aan de door henzelf voorgestelde deskundige en waarom de door de wederpartij voorgestelde deskundige niet voor benoeming in aanmerking mag komen. Daarbij valt te denken aan zwaarwegende redenen als gebrek aan deskundigheid of gerechtvaardigde twijfels met betrekking tot de onpartijdigheid van de deskundige. Die zwaarwegende redenen moeten worden onderbouwd. De rechtbank zal dan, na weging van de onderbouwing vóór en tegen de benoeming van een potentiële deskundige, een door partijen aangedragen deskundige of een eigen deskundige benoemen.
4.46.
De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen van 23 september 2026, zodat partijen zich bij akte kunnen uitlaten over de persoon die als deskundige gaat optreden en aan de deskundige te stellen vragen. Partijen moeten de concept-akte uiterlijk een week vóór de roldatum naar elkaar toesturen, zodat zij in hun definitieve akte op de akte van de wederpartij kunnen reageren.
Overige gebreken
4.47.
Een groot deel van de door [eiser] gestelde en door [gedaagde] betwiste gebreken zijn onderdeel van het voorgenomen deskundigenonderzoek. Dat geldt niet voor de stellingen van [eiser] dat (a) [gedaagde] haar uurtarief in 2024 eenzijdig heeft verhoogd, (b) hij de kosten voor een tweede container/bouwkeet ten onrechte aan [gedaagde] heeft betaald, (c) hij ten onrechte een bedrag van € 11.249,28 heeft betaald aan [gedaagde] voor herstelwerkzaamheden en (d) hij voor de afdekramen en afzuiging voor de bedrijfshal met woning heeft betaald, maar dat [gedaagde] deze niet heeft geleverd of gemonteerd. Daarover oordeelt de rechtbank als volgt.
4.48.
Volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv rust de stelplicht en – bij betwisting – de bewijslast van de hierboven genoemde stellingen op [eiser] . [eiser] beroept zich immers op de rechtsgevolgen van deze stellingen, namelijk (terug)betaling door [gedaagde] en levering van de afdekramen en afzuiging (of terugbetaling van het door [eiser] in dat kader betaalde bedrag).
4.49.
[eiser] heeft gesteld dat [gedaagde] in 2024 eenzijdig en zonder overeenstemming haar uurtarief met 15% heeft verhoogd. Daarnaast heeft [eiser] gesteld dat [gedaagde] ten onrechte kosten in rekening heeft gebracht voor een tweede keet/container. Ten aanzien van de tweede keet/container heeft [eiser] gesteld dat deze ‘plotseling’ in de specificatie van 1 oktober 2024 van [gedaagde] was opgenomen.
[gedaagde] heeft hier ten aanzien van de verhoging van haar uurtarief tegenin gebracht dat [eiser] met die verhoging – al dan niet stilzwijgend – heeft ingestemd, omdat hij de facturen en specificatie daarbij onder zich heeft gehad en daartegen nooit bezwaar heeft gemaakt. Voor de tweede keet/container geldt volgens [gedaagde] ook dat deze op verzoek van [eiser] is geplaatst en dat de huur daarvoor in de specificatie van 1 oktober 2024 was opgenomen.
De rechtbank oordeelt dat voldoende is komen vast te staan dat [eiser] (al dan niet stilzwijgend) heeft ingestemd met de verhoging van 15%. [eiser] heeft immers regelmatig facturen en specificaties ontvangen met daarop het verhoogde uurtarief en daartegen niet geprotesteerd. Ten aanzien van de tweede keet/bouwcontainer geldt dat [eiser] niet heeft weersproken dat hij op de hoogte was van het feit dat deze was geplaatst. Tegen die achtergrond wist [eiser] , of had hij moeten weten, dat daarvoor ook kosten in rekening zouden worden gebracht. De vordering van [eiser] tot (terug)betaling van deze bedragen zal de rechtbank daarom afwijzen.
4.50.
[eiser] heeft gesteld dat [gedaagde] ten onrechte een bedrag van € 11.249,28 voor herstelwerkzaamheden in rekening heeft gebracht. [gedaagde] heeft daartegenin gebracht dat voor zover zij herstelwerkzaamheden heeft uitgevoerd, dit zag op werkzaamheden die dienden te worden uitgevoerd omdat plannen (van [eiser] of [B] ) veranderden. Dat deze extra werkzaamheden moesten worden verricht was dus niet te wijten aan [gedaagde] .
De rechtbank overweegt als volgt. [eiser] heeft niet gespecificeerd op welke herstelwerkzaamheden hij precies doelt en heeft niet onderbouwd dat dit zou gaan om werkzaamheden die [gedaagde] eerder gebrekkig had uitgevoerd en daarom hersteld moesten worden. [eiser] heeft zijn vordering gezien de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] dus niet voldoende onderbouwd. De rechtbank zal deze vordering afwijzen.
4.51.
[eiser] stelt dat [gedaagde] de afdekramen elektra en afzuiging voor de bedrijfshal met woning niet heeft geleverd en gemonteerd, terwijl [eiser] daarvoor wel heeft betaald. [gedaagde] heeft betwist dat [eiser] haar heeft verzocht om de afdekramen en afzuiging in de bedrijfshal te leveren en monteren en dat [eiser] daarvoor heeft betaald. De rechtbank overweegt dat [eiser] zijn stelling in dit kader niet nader heeft onderbouwd. Gezien de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] zal de rechtbank deze vordering van [eiser] afwijzen.
4.52.
Ter zitting heeft [eiser] toegelicht dat zijn vordering tot veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van de overige ten onrechte aan [eiser] in rekening gebrachte en door [eiser] betaalde bedragen zag op de onderwerpen die de rechtbank hierboven in r.o. 4.47.-4.51. heeft behandeld. Omdat [eiser] ten aanzien van al deze onderwerpen in het ongelijk is gesteld, zal de rechtbank deze vordering van [eiser] afwijzen.
Voortgang van de procedure
4.53.
Als volgende stap zal de rechtbank de zaak naar de rol verwijzen van 23 september 2026, zodat partijen zich bij akte kunnen uitlaten over de persoon die als deskundige gaat optreden en aan de deskundige te stellen vragen.
4.54.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.
5De beslissing
De rechtbank
in conventie
5.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 23 september 2026 om beide partijen in de gelegenheid te stellen een akte in te dienen waarin zij zich uitlaten over het aangekondigde deskundigenbericht,
5.2.
bepaalt dat partijen elkaar uiterlijk een week vóór de genoemde roldatum de concept-akte moeten toesturen, zodat zij ieder in hun eigen akte nog kunnen reageren op de standpunten van de wederpartij,
5.3.
houdt iedere verdere beslissing aan,
in reconventie
5.4.
houdt iedere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. de Gruijter en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.
HR 4 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2517.
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/421012 / HA ZA 25-679
Vonnis van 26 augustus 2026
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. H. Knotter,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente [plaats ] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. J.C.M. van der Biezen.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van [eiser] met bijlagen (genummerd 1 tot en met 33);
- de akte aantonen domicilie tevens wijziging eis van [eiser] met bijlagen (genummerd 34 tot en met 39); - de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie van [gedaagde] met bijlagen (genummerd 1 tot en met 11);
- de conclusie van antwoord in reconventie van [eiser] zonder bijlagen;
- de brief van deze rechtbank waarin is meegedeeld dat een datum voor mondelinge behandeling is bepaald;- het bericht van [eiser] met bijlage (genummerd 40);- het bericht van [gedaagde] met bijlage (genummerd 12);- de mondelinge behandeling van 29 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is de datum voor het vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[eiser] is eigenaar van de onroerende zaak staande en gelegen aan de [adres] in [plaats ] (hierna te noemen: het Perceel). [eiser] was in het verleden bestuurder en aandeelhouder van [A] B.V. (hierna te noemen: [A] ). [gedaagde] drijft een onderneming waarbij zij (onder meer) verbouwingen verricht voor opdrachtgevers.
2.2.
Op het Perceel is een schuur verbouwd tot bedrijfshal met woning en werd (of wordt) een bestaande woning verbouwd (hierna gezamenlijk te noemen: de Verbouwing). [eiser] heeft de Verbouwing aanvankelijk aan een andere aannemer in opdracht gegeven. Die aannemer is met de Verbouwing gestart, maar heeft de werkzaamheden op enig moment beëindigd.
2.3.
Daarna zijn [eiser] en [gedaagde] in gesprek gegaan over het voortzetten van de Verbouwing. [gedaagde] heeft zich bereid verklaard om de werkzaamheden op regiebasis te verrichten, waarbij [gedaagde] aan [eiser] termijnfacturen zou sturen. De overeenkomst tussen partijen is niet schriftelijk vastgelegd. Het stond [eiser] vrij om bepaalde werkzaamheden ten aanzien van de Verbouwing door derde partijen te laten verrichten en om bepaalde materialen zelf direct, dus buiten [gedaagde] om, aan te schaffen. [B] B.V. (hierna te noemen: [B] ) was als architect ook betrokken bij de Verbouwing en maakte (in ieder geval) bouwtekeningen.
2.4.
Op een gegeven moment heeft [eiser] een aantal facturen van [gedaagde] onbetaald gelaten. Dat ging uiteindelijk om facturen met een totale hoofdsom van € 184.419,09.
2.5.
Omdat de facturen onbetaald bleven, heeft [gedaagde] vanaf 25 oktober 2024 een retentierecht uitgeoefend op een deel van het Perceel, namelijk de woning in aanbouw en de daarbij horende achtertuin. [gedaagde] had daarover al de feitelijke macht en heeft om de woning in aanbouw en achtertuin bouwhekken geplaatst. Het retentierecht zag niet op de bedrijfshal met woning. Deze heeft [eiser] inmiddels in gebruik.
2.6.
Over de onbetaald gebleven facturen heeft [eiser] in een e-mail van 9 december 2024 het volgende geschreven:
“Het feit dat de facturen tot op heden niet zijn betaald is zeker geen kwestie van onwil maar onmacht op dit moment, hetgeen ik uiterst betreur.”
2.7.
[gedaagde] is bij dagvaarding van 27 januari 2025 een kort geding gestart tegen [eiser] . Daarin vorderde [gedaagde] , voor zover relevant voor deze zaak, (a) een bedrag van € 200.348,51 (waaronder wettelijke rente tot 9 oktober 2024), (b) wettelijke rente daarover vanaf 9 oktober 2024 en (c) vergoeding van haar kosten voor de uitoefening van het retentierecht.
2.8.
In de kortgedingprocedure heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld dat bepaalde werkzaamheden van [gedaagde] in het kader van de Verbouwing gebrekkig en/of niet volledig uitgevoerd waren en dat [gedaagde] bepaalde spullen niet had geleverd waarvoor [eiser] wel had betaald. [B] heeft in dat kader per e-mail van 3 februari 2025 aan [eiser] een overzicht verstrekt van door [gedaagde] uitgevoerde werkzaamheden die niet gereed zouden zijn, niet uitgevoerd zouden zijn of niet naar tevredenheid en volgens afspraak zouden zijn uitgevoerd. Daarover zou met [gedaagde] zou zijn gesproken.
2.9.
Bij vonnis van 19 februari 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vordering van [gedaagde] in kort geding toegewezen tot een bedrag van € 184.419,09. De door [gedaagde] gevorderde wettelijke rente tot 9 oktober 2024 heeft hij afgewezen, evenals haar vordering tot vergoeding van kosten voor de uitoefening van het retentierecht. De voorzieningenrechter heeft over de uitoefening van het retentierecht en over de wettelijke rente tot 9 oktober 2024 het volgende overwogen:
“4.5… Op grond van de tussen partijen gemaakte afspraken moet [eiser] de nog openstaande facturen in beginsel gewoon voldoen. Aan het verweer van [eiser] dat hij de
factuurbedragen niet heeft erkend, gaat de voorzieningenrechter voorbij. Dat blijkt immers
onomstotelijk uit de hiervoor onder 2.13. geciteerde e-mail, waarin [eiser] schrijft dat hij wel
wil, maar niet kan betalen. Dat [eiser] toen kanttekeningen heeft geplaatst bij de facturen, omdat bepaalde werkzaamheden niet of niet goed zijn verricht is gesteld noch gebleken. In
dit kort geding voert [eiser] aan dat er het afgelopen jaar tal van discussies liepen over de
uitvoering van bepaalde werkzaamheden, maar dat blijkt niet uit de door [gedaagde] in het geding gebrachte correspondentie, waaronder de e-mail van [eiser] waarin hij de
verschuldigdheid van de facturen ruiterlijk erkent. Onder verwijzing naar e-mails van 3 februari 2025, dus na het uitbrengen van de kort geding dagvaarding, van [eiser] aan zijn raadsman en van de op de bouw toezichthoudende architect aan [eiser] , stelt [eiser] nu dat het een ander mankeert aan de tot nu toe verrichte werkzaamheden en dat herstelwerkzaamheden nodig zijn. Wat daar ook van zij, gesteld noch gebleken is dat [eiser] na ontvangst van de facturen een beroep op opschorting heeft gedaan. [eiser] dient de facturen dus te voldoen. Dat neemt niet weg dat, voor zover bepaalde werkzaamheden gebrekkig zijn uitgevoerd, op [gedaagde] de verplichting rust die gebreken na betaling door [eiser] te herstellen. In dit verband wordt nog opgemerkt dat tussen partijen niet in geschil is dat de bouw van de woning nog niet is opgeleverd. De slotsom is, nu met voldoende zekerheid kan worden aangenomen dat de bodemrechter een gelijksoortige vordering zal toewijzen, dat de vordering tot betaling van de openstaande facturen kan worden toegewezen.
4.6.
Tegen de rentecomponent (berekend tot en met 9 oktober 2024) in het door
[gedaagde] gevorderde bedrag van € 200.348,51 heeft [eiser] verweer gevoerd. Hij voert
daartoe aan dat er geen rechtsregel is die [gedaagde] verplicht om rente in rekening te
brengen en dat [gedaagde] tot en met het 3e kwartaal van 2024 ondanks de diverse
betalingsherinneringen ook nooit rente aan hem in rekening heeft gebracht. Dat was volgens [eiser] inherent aan de manier van facturatie en betaling waarvoor [eiser] en [gedaagde] bewust hebben gekozen. [gedaagde] betwist dat in het verleden geen rente in rekening is gebracht en verwijst daarvoor naar productie 4. Zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, blijkt daaruit voor de voorzieningenrechter niet dat [gedaagde] in het verleden ook rente in rekening bracht Dat volgens [gedaagde] uit de stellingen van partijen niet kan worden opgemaakt dat geen rente in rekening gebracht zou worden, is geen gemotiveerde betwisting van [eiser] stelling dat het niet in rekening brengen van rente inherent was aan de door partijen gekozen manier van facturatie en betaling. Voorshands gaat de voorzieningenrechter er daarom vanuit dat de rentecomponent in de vordering van [gedaagde] niet verschuldigd is en daarop dus in mindering moet worden gebracht. Dat neemt niet weg dat de door [gedaagde] op grond van de wet gevorderde wettelijke rente vanaf 9 oktober 2025, waartegen door [eiser] geen verweer is gevoerd, wel toewijsbaar is.
4.7
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering van [gedaagde] op de
primaire grondslag zal worden toegewezen tot een bedrag van € 184.419,09, vermeerderd
met de wettelijke rente van 9 oktober 2024 tot de dag van betaling.”
2.10.
[eiser] is op 12 maart 2025 tegen het vonnis van de voorzieningenrechter in hoger beroep gegaan. De hoger beroepsprocedure staat op de zogenoemde parkeerrol in afwachting van de uitkomst in deze procedure.
2.11.
Per brief van 2 april 2025 aan [gedaagde] heeft [A] zich (onder meer) met een beroep op onverschuldigde betaling en ongerechtvaardigde verrijking op het standpunt gesteld dat zij ten onrechte facturen voor de Verbouwing heeft voldaan aan [gedaagde] . De Verbouwing is volgens [A] een privéaangelegenheid van [eiser] . [A] stelt in totaal een bedrag van € 704.495,- ten onrechte aan [gedaagde] te hebben voldaan.
2.12.
Op 3 mei 2025 heeft [eiser] een bedrag van € 202.082,53 betaald aan [gedaagde] en daarmee voldaan aan het kortgedingvonnis van 19 februari 2025.
2.13.
Hierna heeft een e-mailwisseling plaatsgevonden tussen (de gemachtigden van) [eiser] en [gedaagde] . [eiser] stelde zich daarbij onder meer op het standpunt dat het retentierecht diende te worden opgeheven omdat hij volledig aan het kortgedingvonnis had voldaan. Bovendien had hij aan [gedaagde] een bedrag van € 21.389,68 te veel betaald. De voorzieningenrechter had immers per abuis een bedrag toegewezen inclusief wettelijke rente tot 9 oktober 2024, terwijl hij deze rentecomponent in de motivering van het vonnis had afgewezen. [eiser] heeft [gedaagde] verder aansprakelijk gesteld voor de schade die [eiser] zou lijden uit hoofde van het ten onrechte uitgeoefende retentierecht. [gedaagde] stelde zich op haar beurt op het standpunt dat zij het retentierecht in stand mocht houden omdat zij nog een (restant)vordering had op [eiser] , bijvoorbeeld uit hoofde van huur van roerende zaken en gemaakte (en te maken) redelijke kosten voor uitoefening van het retentierecht. Ook nam [gedaagde] het standpunt in dat [eiser] niet ten onrechte ook de wettelijke rentecomponent tot 9 oktober 2024 aan haar had betaald.
2.14.
Op 10 juli 2025 heeft [eiser] uit eigen beweging een bedrag van € 4.000,- betaald aan [gedaagde] ter opheffing van het retentierecht. Per e-mail van 18 juli 2025 heeft [gedaagde] laten weten dit bedrag te hebben ontvangen en te hebben gecrediteerd op de uitstaande vordering. Omdat deze volgens [gedaagde] hoger was dan € 4.000,-, heeft [gedaagde] op dat moment het retentierecht niet opgeheven.
2.15.
Per e-mail van 4 november 2025 heeft [eiser] [gedaagde] bericht over te gaan tot partiële ontbinding van de aannemingsovereenkomst. Deze ontbinding heeft [eiser] gericht op de werkzaamheden die als onderdeel van de aannemingsovereenkomst in de toekomst nog door [gedaagde] zouden moeten worden uitgevoerd. De ontbinding was niet gericht op de reeds uitgevoerde en betaalde werkzaamheden, de herstelwerkzaamheden, de verplichting tot terugbetaling van te veel betaalde bedragen en de garantie op de reeds uitgevoerde werkzaamheden.
2.16.
Op 17 december 2025 heeft [gedaagde] het retentierecht opgeheven.
2.17.
Op 26 maart 2026 heeft de heer [C] van Loyal Experts, bouwkundig inspecteur, de bedrijfshal met woning en de woning in aanbouw en de daaraan verrichte werkzaamheden in het kader van de Verbouwing in opdracht van [eiser] visueel geïnspecteerd. [gedaagde] en haar advocaat zijn bij deze inspectie aanwezig geweest. Van haar bevindingen heeft Loyal Experts een rapport opgemaakt (hierna: het Rapport).
3Het geschil
in conventie en in reconventie
3.1.
[eiser] vordert in conventie - samengevat – na eiswijziging bij akte en ter zitting:
- een verklaring voor recht dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de aannemingsovereenkomst;
- veroordeling van [gedaagde] om binnen vier weken na betekening van het vonnis (of een door de rechtbank te bepalen termijn) de gebreken aan de Verbouwing te herstellen op straffe van het verbeuren van een dwangsom van € 5.000,- per dag met een maximum tot € 50.000,-, althans een dwangsom met de hoogte te bepalen door de rechtbank;
- een verklaring voor recht dat [gedaagde] jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld door te weigeren het retentierecht op te heffen, althans te weigeren om daaraan mee te werken, en dat [gedaagde] jegens [eiser] gehouden is alle dientengevolge verschenen en nog te verschijnen schade te vergoeden, met verwijzing naar de schadestaatprocedure;
-een verklaring voor recht dat [eiser] de aannemingsovereenkomst op goede gronden heeft ontbonden en veroordeling van [gedaagde] tot voldoening van de hiermee verband houdende schade, met verwijzing naar de schadestaatprocedure;
- een verklaring voor recht dat de kosten voor een door de rechtbank in te schakelen deskundige voor rekening komen van [gedaagde] ;
- veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 21.398,68, vermeerderd met de wettelijke rente;
- veroordeling van [gedaagde] om binnen vier weken na betekening van het vonnis ook de overige ten onrechte aan [eiser] in rekening gebrachte en door [eiser] betaalde bedragen aan [eiser] terug te betalen, vermeerderd met wettelijke rente;
- veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de buitengerechtelijke kosten en de kosten van deze procedure.
3.2.
[gedaagde] voert verweer in conventie. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.3.
[gedaagde] vordert in reconventie - samengevat - veroordeling van [eiser] tot betaling van € 39.761,55, vermeerderd met rente en kosten.
3.4.
[eiser] voert verweer in reconventie. [eiser] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.
3.5.
Gezien de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze hieronder gezamenlijk worden behandeld. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
[gedaagde] heeft retentierecht op 25 oktober 2024 rechtmatig uitgeoefend
4.1.
De rechtbank zal allereerst beoordelen of [gedaagde] het retentierecht op 25 oktober 2024 mocht uitoefenen. [eiser] heeft immers primair het standpunt ingenomen dat dit niet het geval is. Op 25 oktober 2024 liepen immers al tal van discussies over de uitvoering van de werkzaamheden door [gedaagde] . [eiser] heeft weliswaar erkend dat de facturen betaald moesten worden, maar hij heeft ook constant aangegeven dat [gedaagde] gebreken moest herstellen en dat zij het werk moest afmaken. Onder die omstandigheden mocht [gedaagde] het retentierecht niet uitoefenen.
[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat zij het retentierecht op 25 oktober 2024 mocht inroepen. Zij had immers een opeisbare vordering op [eiser] uit hoofde van niet betaalde facturen. Van enige discussies rondom door haar uitgevoerde werkzaamheden was geen sprake.
4.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Het retentierecht is de bevoegdheid om de nakoming van de verplichting tot afgifte van de zaak aan de wederpartij op te schorten totdat de wederpartij de vordering van degene die de zaak onder zich heeft, heeft voldaan. Het retentierecht geeft een schuldeiser met andere woorden het recht om de zaak van de schuldenaar onder zich te houden. Voor het bestaan van een retentierecht is vereist dat de retentor een opeisbare vordering op de schuldenaar heeft en dat er voldoende samenhang bestaat tussen de vordering van de retentor op de schuldenaar en de vordering van de schuldenaar tot afgifte van de zaak. Tot slot is vereist dat de retentor de feitelijke macht uitoefent over de zaak.
4.3.
In deze zaak staat tussen partijen niet ter discussie dat sprake was van feitelijke macht door [gedaagde] en/of voldoende samenhang tussen de door [gedaagde] gestelde opeisbare vordering en de vordering van [eiser] tot afgifte van (of verschaffen van toegang tot) het woonhuis in aanbouw met achtertuin. Wel staat ter discussie of sprake was van een opeisbare vordering van [gedaagde] op [eiser] .
Uit de stellingen van partijen leidt de rechtbank af dat partijen een aannemingsovereenkomst op regiebasis met elkaar hebben gesloten. Dat blijkt uit de werkwijze, waarbij [gedaagde] telkens aan [eiser] specificaties met geleverde materialen en gewerkte uren heeft verstrekt en op grond daarvan vervolgens termijnfacturen aan [eiser] heeft gestuurd. Op grond van de tussen partijen gemaakte afspraken moest [eiser] de op dat moment uitstaande facturen in principe voldoen. Vaststaat dat hij dit aanvankelijk niet heeft gedaan. Pas op 3 mei 2025 heeft hij aan het kortgedingvonnis voldaan en daarmee de facturen betaald. Aan het verweer van [eiser] dat hij destijds de factuurbedragen niet heeft erkend, gaat de rechtbank voorbij. [eiser] heeft in zijn e-mail van 9 december 2024 (zie r.o. 2.6. hierboven) immers geschreven dat hij wel wil, maar niet kan betalen. Dat kwalificeert als een erkenning. Dat [eiser] toen kanttekeningen bij de facturen heeft geplaatst en/of het standpunt heeft ingenomen dat bepaalde werkzaamheden niet of niet goed zouden zijn verricht is niet gebleken. Ook is de rechtbank niet gebleken dat er destijds discussies liepen over het afgeleverde werk. De e-mail van [B] van 3 februari 2025, dus nadat [gedaagde] de kortgedingprocedure was gestart, verandert niets aan het feit dat [eiser] zich ten aanzien van de facturen ten tijde van het uitoefenen van het retentierecht niet heeft verweerd of op opschorting heeft beroepen.
4.4.
Uit bovenstaande volgt dat [gedaagde] tot het moment dat [eiser] op 3 mei 2025 aan het kortgedingvonnis heeft voldaan in ieder geval een opeisbare vordering had op [eiser] uit hoofde van betaling van openstaande facturen. Tot dat moment had [gedaagde] dus in ieder geval de bevoegdheid om het retentierecht uit te oefenen.
4.5.
[eiser] stelt zich subsidiair op het standpunt dat [gedaagde] het retentierecht na 3 mei 2025 – de datum waarop [eiser] aan het kortgedingvonnis van 19 februari 2025 heeft voldaan – ten onrechte is blijven uitoefenen. Meer subsidiair stelt [eiser] zich op het standpunt dat [gedaagde] het retentierecht vanaf 17 juni 2025 ten onrechte is blijven uitoefenen, omdat [eiser] op 16 juni 2025 een redelijk voorstel had gedaan ter beëindiging daarvan. Nog meer subsidiair stelt [eiser] zich op het standpunt dat [gedaagde] het retentierecht vanaf 11 juli 2025 ten onrechte is blijven uitoefenen, nadat [eiser] op 10 juli 2025 een bedrag van € 4.000,- aan [gedaagde] heeft betaald voor explootkosten en kosten voor uitoefening van het retentierecht.
[gedaagde] voert verweer en stelt zich op het standpunt dat zij het retentierecht op die data mocht blijven uitoefenen. Zij had immers ook na voldoening aan het kortgedingvonnis en na voldoening van de additionele € 4.000,- nog een opeisbare vordering op [eiser] uit hoofde van (onder meer) wettelijke rente, huur van roerende zaken en redelijke kosten voor de uitoefening van het retentierecht. [gedaagde] heeft de betalingen van [eiser] ex artikel 6:44 BW in mindering gebracht op deze vordering. Op 17 december 2025 heeft [gedaagde] om haar moverende reden besloten om vrijwillig over te gaan tot beëindiging van het retentierecht.
4.6.
De rechtbank zal hieronder ingaan op de vraag of [gedaagde] na 3 mei 2025, dan wel na 16 juni 2025, dan wel na 10 juli 2025 het retentierecht mocht blijven uitoefenen. Daarvoor moet zij vaststellen welke vorderingen partijen op die momenten over en weer hadden. De rechtbank zal in dat kader allereerst de vraag beantwoorden of (a) [eiser] wettelijke rente verschuldigd was aan [gedaagde] tot 9 oktober 2024 en (b) of [eiser] met voldoening aan het kortgedingvonnis wettelijke rente tot 9 oktober 2024 heeft betaald.
De vorderingen uit hoofde van rente: algemeen
4.7.
Tussen partijen staat vast dat de voorzieningenrechter in zijn kortgedingvonnis van 19 februari 2025 de door [gedaagde] gevorderde wettelijke rente tot 9 oktober 2024 heeft willen afwijzen. [eiser] stelt dat de voorzieningenrechter door een bedrag van € 184.419,09 toe te wijzen per abuis ook betaling van de rentecomponent tot 9 oktober 2024 heeft toegewezen. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat dit niet het geval is.
4.8.
De rechtbank overweegt in dit kader als volgt. In kort geding kan de rechter in spoedeisende zaken op grond van een voorlopig oordeel over het geschil van partijen een voorlopige voorziening geven. Het voorlopige karakter van een beslissing in kort geding brengt mee dat aan die beslissing geen gezag van gewijsde toekomt en dat partijen en de rechter niet aan die beslissing zijn gebonden in een bodemprocedure of een later kort geding. Verder geldt dat de beslissing in het dictum van een uitspraak in kort geding vervalt als een andersluidende uitspraak is gedaan in de bodemprocedure. Als het dictum in de kortgedinguitspraak een veroordeling tot betaling van een geldsom bevat, vervalt bij een andersluidende uitspraak in de bodemprocedure de rechtsgrond voor deze betalingsverplichting.
De rechtbank zal dus opnieuw beoordelen of [eiser] wettelijke rente tot 9 oktober 2024 aan [gedaagde] was verschuldigd. Daarnaast zal de rechtbank beoordelen of [eiser] deze wettelijke rente heeft betaald aan [gedaagde] door voldoening aan het kortgedingvonnis. Als de rechtbank van oordeel is dat [eiser] geen wettelijke rente tot 9 oktober 2024 was verschuldigd, maar deze wel heeft voldaan door voldoening aan het kortgedingvonnis van 19 februari 2025, dan heeft [eiser] het bedrag aan wettelijke rente onverschuldigd betaald.
Wettelijke rente tot 9 oktober 2024 niet verschuldigd
4.9.
[eiser] stelt dat hij tot 9 oktober 2024 – de datum van de eerste ingebrekestelling van [gedaagde] – geen wettelijke rente aan [gedaagde] hoeft te betalen over de facturen. Dat volgt uit de aard van de afspraken tussen [eiser] en [gedaagde] . Tussen partijen was immers afgesproken dat [eiser] de facturen zou betalen als zijn liquiditeit dat toeliet. Een concrete betalingstermijn was niet afgesproken. Dat was ook logisch, omdat [gedaagde] de frequentie van de facturatie bepaalde. Dat op de facturen van [gedaagde] een betalingstermijn van acht dagen stond vermeld, maakt dit niet anders. Dit is kennelijk de standaard betalingstermijn die [gedaagde] op haar facturen vermeldt, maar deze termijn is tussen partijen niet overeengekomen. Dat blijkt ook uit het feit dat [eiser] de facturen in de praktijk zelden binnen acht dagen voldeed. Dat was voor [gedaagde] (aanvankelijk) ook nooit een probleem.
[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat wel degelijk (stilzwijgend) een betalingstermijn van acht dagen is overeengekomen. Alle facturen vermelden deze betalingstermijn immers en hierover heeft [eiser] nooit geklaagd. Het was bovendien niet [gedaagde] die het tempo van de facturatie bepaalde. Het tempo van facturatie hing af van de omvang van de werkzaamheden van [gedaagde] en het werktempo dat van haar werd verlangd door [eiser] (al dan niet via [B] ). [eiser] bepaalde dus het werktempo en daarmee het facturatietempo. Ook het gegeven dat [eiser] in de praktijk vaak te laat betaalde, betekent niet dat de termijn van acht dagen wel degelijk tussen partijen was afgesproken. Bovendien kan uit het feit dat [gedaagde] aanvankelijk geen wettelijke rente vorderde, niet worden afgeleid dat zij geen aanspraak meer kan maken op wettelijke rente.
4.10.
De rechtbank overweegt als volgt. Voor toewijzing van een vordering tot betaling van wettelijke rente is vereist dat [eiser] in verzuim verkeert (zie artikel 6:119, 6:96 lid 6 en 6:265 lid 2 BW). [gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd dat [eiser] in verzuim is geraakt na het verstrijken van de betalingstermijn van acht dagen zoals vermeld op de facturen. Een betalingstermijn op een factuur is op zichzelf immers geen fatale termijn als bedoeld in artikel 6:83 aanhef en onder a BW. Daarvoor is in beginsel een voor nakoming overeengekomen termijn vereist. [gedaagde] heeft haar standpunt dat partijen daadwerkelijk (stilzwijgend) een betalingstermijn van acht dagen zijn overeengekomen niet voldoende onderbouwd. Dit kan immers niet worden afgeleid uit het enkele feit dat facturen een betalingstermijn bevatten waartegen [eiser] niet heeft geprotesteerd. De rechtbank acht in dat kader relevant dat [gedaagde] deze betalingstermijn in de praktijk gedurende geruime periode niet strak hanteerde, zodat er voor [eiser] ook geen reden was om daartegen te protesteren. Het is de rechtbank ook anderszins niet gebleken dat partijen deze betalingstermijn zijn overeengekomen. De gevorderde rente is daarom niet toewijsbaar vanaf het verstrijken van de betalingstermijn die op de facturen waren vermeld.
4.11.
Uit de in dit geding overgelegde stukken blijkt dat [gedaagde] [eiser] eerst op 9 oktober 2024 in gebreke heeft gesteld met aankondiging dat aanspraak zal worden gemaakt op wettelijke rente. Daarin zijn ook de gevorderde bedragen en de daarbij behorende facturen genoemd. Het staat vast dat [eiser] niet binnen de in deze brief gestelde termijn van vijf kalenderdagen heeft betaald, waardoor het verzuim (alsnog) is ingetreden en wettelijke rente (eerst) vanaf dat moment is verschuldigd.
4.12.
Omdat de rechtbank van oordeel is dat [eiser] tot 9 oktober 2024 geen wettelijke rente verschuldigd is, zal de rechtbank de vordering van [gedaagde] in reconventie voor dit gedeelte afwijzen. De voorzieningenrechter heeft de rentecomponent vanaf 9 oktober 2024 tot aan de dag van betaling toegewezen in zijn kortgedingvonnis van 19 februari 2025. Daarmee staat vast dat [eiser] eventueel door hem verschuldigde wettelijke rente over de periode na 9 oktober 2024 tot en met de volledige voldoening aan het vonnis van 3 mei 2025, heeft betaald. Voor zover de vordering in reconventie van [gedaagde] ziet op deze periode, zal de rechtbank deze vordering ook afwijzen.
[eiser] heeft wettelijke rente tot 9 oktober 2024 wél aan [gedaagde] betaald
4.13.
Tussen partijen is vervolgens in geschil of [eiser] door op 3 mei 2025 te voldoen aan het kortgedingvonnis wél een bedrag aan wettelijke rente tot 9 oktober 2024 heeft betaald.
4.14.
[eiser] stelt dat hij de wettelijke rente tot 9 oktober 2024 ten onrechte heeft betaald door te voldoen aan het kortgedingvonnis van 19 februari 2025. Uit de overwegingen van de voorzieningenrechter volgt dat hij de wettelijke rente tot 9 oktober 2024 heeft afgewezen (althans heeft willen afwijzen). In de door de voorzieningenrechter toegewezen hoofdsom van € 184.419,09 was echter per abuis wél de wettelijke rentecomponent tot 9 oktober 2024 opgenomen. Dat volgt onder meer uit de specificatie die [eiser] op 12 oktober 2024 van [gedaagde] ontving. Deze specificatie bevat een post “bijkomende kosten”. Onder deze post staat een bedrag van € 15.978,23 opgenomen aan “kosten tbv laat betaalde facturen”. Deze post ziet op de wettelijke rente. [gedaagde] heeft dit bedrag vermeerderd met 6% aan ‘algemene kosten’, 4% aan ‘Winst & Risico’, 0,40% aan ‘CAR verzekering’ en 21% aan btw. Dat komt neer op een totaalbedrag van € 21.398,68. Uit de specificatie volgt verder dat [eiser] bij betaling van alle door [gedaagde] gestuurde facturen (vrijwel) het volledige openstaande bedrag aan [gedaagde] heeft voldaan, inclusief € 21.398,68 aan ‘kosten tbv laat betaalde facturen’ zoals genoemd in de specificatie. [gedaagde] heeft deze wettelijke rente in rekening gebracht bij factuur met nummer [nummer] . Omdat de voorzieningenrechter [eiser] heeft veroordeeld tot betaling van alle facturen en [eiser] volledig aan het kortgedingvonnis heeft voldaan, heeft [eiser] dus ook wettelijke rente tot 9 oktober 2024 betaald.
[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat de factuur met factuurnummer [nummer] geen rentecomponent bevat. Er is dan ook geen sprake van een dubbeltelling. Het ging destijds bovendien niet over een eindafrekening. Los daarvan maakt [gedaagde] aanspraak op kosten voor huur van roerende zaken na 1 oktober 2024 en van redelijke kosten voor de uitoefening van het retentierecht. Alle bedragen die [eiser] heeft betaald aan [gedaagde] heeft [gedaagde] meegenomen in latere specificaties, waaronder de specificatie die ten grondslag ligt aan haar vordering in reconventie. Uit deze latere specificaties, waarin geen rentebedrag staat opgenomen, volgt dat [eiser] ook na voldoening aan het kortgedingvonnis een bedrag verschuldigd is aan [gedaagde] (en niet andersom). De vordering van [eiser] is daarom sowieso achterhaald.
4.15.
De rechtbank is van oordeel dat [eiser] op 3 mei 2025 ook een bedrag van € 21.398,68 aan (niet-verschuldigde) wettelijke rente tot 9 oktober 2024 aan [gedaagde] heeft voldaan. Uit de specificatie die [gedaagde] op 12 oktober 2024 naar [eiser] heeft gestuurd volgt immers duidelijk dat een bedrag van € 15.978,23 is opgenomen aan “kosten tbv laat betaalde facturen”. Dat komt inclusief kosten en btw neer op een bedrag van € 21.398,68. Ter zitting heeft de gemachtigde van [gedaagde] erkend dat deze post ziet op wettelijke rente. Uit de specificatie volgt daarnaast dat als de tot dat moment onbetaald gebleven facturen door [eiser] zouden worden voldaan, [eiser] (nagenoeg) alle kosten van [gedaagde] die in de specificatie staan opgesomd – inclusief het bedrag aan rente – zou hebben voldaan. In het kortgedingvonnis is [eiser] veroordeeld tot betaling van die facturen. Daarmee komt vast te staan dat [eiser] door voldoening aan het kortgedingvonnis ook de wettelijke rente component heeft voldaan die in de specificatie is opgenomen. Dat de wettelijke rentecomponent niet genoemd staat in factuur met nummer [nummer] acht de rechtbank niet doorslaggevend. Uit de specificatie van 1 oktober 2024 volgt immers voldoende duidelijk dat met betaling van alle openstaande facturen ook een wettelijke rentecomponent is betaald. Dat op latere specificaties geen rentecomponent is opgenomen en daaruit volgt dat [gedaagde] met inachtneming van alle betalingen door [eiser] alsnog een vordering op [eiser] zou hebben, acht de rechtbank ook niet relevant. Dat laat immers onverlet dat de betaling van wettelijke rente op 3 mei 2025 op dat moment onverschuldigd was. Bovendien dient de rechtbank te bepalen of het retentierecht op dat moment in stand kon worden gehouden en dus wat partijen op dat moment over en weer van elkaar te vorderen hadden. Als blijkt dat [gedaagde] het retentierecht op dat moment niet in stand mocht houden, dan komt een groot deel van de gevorderde (huur)kosten van [gedaagde] over de periode daarna, die zijn opgenomen in latere specificaties, niet voor vergoeding in aanmerking.
Vordering in reconventie
4.16.
Uit bovenstaande volgt dat [eiser] na voldoening van het kortgedingvonnis op 3 mei 2025 een opeisbare vordering had op [gedaagde] van € 21.398,68 uit hoofde van onverschuldigde betaling. De rechtbank zal nu beoordelen of [gedaagde] op dat moment op haar beurt ook een opeisbare vordering had op [eiser] . Zoals reeds besproken in r.o. 4.2. hierboven is voor uitoefening van het retentierecht immers (onder meer) vereist dat de retentor een opeisbare vordering heeft. Vanwege de verwevenheid van de onderliggende feiten zal de rechtbank daarbij ook ingaan op de reconventionele vordering van [gedaagde] . [gedaagde] vordert in reconventie betaling van een bedrag van € 39.761,55 door [eiser] . Dit bestaat enerzijds uit een component aan wettelijke rente en anderzijds uit een vordering uit hoofde van verschuldigde huurkosten en/of door [gedaagde] gemaakte kosten bij de uitoefening van het retentierecht.
4.17.
De rechtbank overweegt in dat kader allereerst als volgt over de gevorderde wettelijke rente. Uit hetgeen de rechtbank heeft geoordeeld in r.o. 4.12. volgt dat de vordering in reconventie van [gedaagde] zal worden afgewezen voor zover deze ziet op wettelijke rente tot 9 oktober 2024 en de wettelijke rente die is ontstaan na 9 oktober 2024 tot aan voldoening aan het kortgedingvonnis van 3 mei 2025. Daaruit volgt dat [gedaagde] hooguit een bedrag aan wettelijke rente toegewezen zou kunnen krijgen vanaf 3 mei 2025. Of [gedaagde] daarop recht heeft, hangt onder meer af van het antwoord op de vraag of [gedaagde] na voldoening door [eiser] aan het kortgedingvonnis een opeisbare vordering had op [eiser] .
4.18.
[gedaagde] beroept zich voor de door haar gemaakte huurkosten en kosten voor de uitoefening van het retentierecht primair op nakoming door [eiser] van zijn betalingsverplichting onder de aannemingsovereenkomst. Subsidiair beroept [gedaagde] zich op wanprestatie ex artikel 6:74 BW en meer subsidiair beroept [gedaagde] zich op ongerechtvaardigde verrijking ex artikel 6:212 BW. Volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv rust de stelplicht en – bij betwisting – de bewijslast daarvan op [gedaagde] . [gedaagde] beroept zich immers op de rechtsgevolgen van haar stellingen, namelijk diverse betalingen door [eiser] aan [gedaagde] .
4.19.
[gedaagde] heeft haar vordering in reconventie onderbouwd met een eigen specificatie van 18 december 2025. In die specificatie heeft [gedaagde] de kosten gearceerd die zij stelt te hebben gemaakt en waarvan zij van mening is dat [eiser] die moet vergoeden. Deze extra kosten zien volgens [gedaagde] op (a) het laden, plaatsen en opruimen van bouwhekken en het afvoeren en opruimen van spullen in dat kader, (b) het brengen van tegels en laden van spullen, (c) het afvoeren van twee containers en (d) de huur van diverse zaken waaronder bouwhekken. De rechtbank zal deze door [gedaagde] gevorderde kosten hieronder bespreken.
4.20.
Door [gedaagde] wordt gesteld dat hij kosten heeft gemaakt voor het laden, plaatsen en opruimen van de bouwhekken die zijn gebruikt voor het retentierecht. De door [gedaagde] gevorderde kosten hiervoor bedragen € 2.408,96 exclusief kosten en btw (bestaande uit € 297,60 voor het laden van de spullen en hekken e.d., € 952,32 voor het plaatsen van de hekken, € 119,04 voor het opruimen van spullen ten tijde van het vestigen van het retentierecht en € 1.040,- voor het afvoeren van de spullen en het uitzoeken en opruimen van de spullen tijdens het beëindigen van het retentierecht). [eiser] betwist niet dat werknemers van [gedaagde] 43 hekken hebben geplaatst en ook weer hebben opgeruimd. [eiser] betwist wel dat de werknemers van [gedaagde] daarvoor daadwerkelijk de in de specificatie opgenomen uren hebben gewerkt. Ook betwist [eiser] het gehanteerde uurtarief. Daarnaast betwist [eiser] de door [gedaagde] gerekende algemene kosten, winst-en risicokosten, kosten voor CAR-verzekering en btw.
De rechtbank heeft in r.o. 4.4. hierboven geoordeeld dat [gedaagde] het retentierecht van 25 oktober 2024 tot en met 3 mei 2025 in ieder geval terecht heeft uitgeoefend. Het retentierecht is een species van het opschortingsrecht dat is geregeld in afdeling 6.1.7 van het BW. Daarom zijn de bepalingen die zien op het opschortingsrecht in principe ook van toepassing op het retentierecht. Hierdoor is artikel 6:63 BW (betreffende de vergoeding van redelijke kosten) ook van toepassing. Tussen partijen is niet in geschil dat in ieder geval 43 bouwhekken zijn geplaatst en ook weer zijn afgebroken. De rechtbank overweegt dat voldoende is komen vast te staan dat [gedaagde] de door haar in de specificatie opgenomen kosten voor het plaatsen en afbreken van de bouwhekken heeft gemaakt. De enkele betwisting van het aantal gewerkte uren en het gehanteerde uurtarief zonder een nadere onderbouwing daarvan baat [eiser] niet. Het uurtarief is immers in lijn met eerdere specificaties en het opgenomen aantal uren komt de rechtbank niet onredelijk voor. Ten aanzien van de in rekening gebrachte kosten en btw geldt dat [gedaagde] deze ook ten tijde van de aannemingsovereenkomst in rekening bracht en dat [eiser] daartegen nooit bezwaar heeft gehad. De rechtbank zal de vordering van [gedaagde] daarom voor een bedrag van € 2.408,96 exclusief kosten en btw toewijzen. Inclusief de algemene kosten van 6%, winst- en risicokosten van 4% en de CAR-verzekering van 0,4% en inclusief btw bedroeg kom dit neer op een bedrag € 3.226,17. De vordering van € 1.040,- exclusief kosten en btw, zijnde € 1.392,81 inclusief kosten en btw zijn pas in december 2025 gemaakt en ook vanaf dat moment pas verschuldigd. Op 3 mei 2025 had [gedaagde] dus een vordering van € 1.833,36 op [eiser] .
4.21.
De kosten voor het brengen en laden van tegels. De door [gedaagde] gevorderde kosten bedragen € 390,- exclusief kosten en btw. De rechtbank overweegt het volgende. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] tegels bij [gedaagde] had besteld. Deze moeten in dat geval ook worden afgeleverd. De uren die [gedaagde] daarvoor rekent zijn niet betwist door [eiser] . De rechtbank zal deze kosten daarom toewijzen. Deze kosten komen inclusief de algemene kosten van 6%, winst- en risicokosten van 4% en de CAR-verzekering van 0,4% en inclusief btw neer op € 522,30. [gedaagde] heeft de tegels gebracht op 18 december 2025. Deze vordering bestond dus daarvoor dus nog niet.
4.22.
De kosten voor het verwijderen van twee containers. De door [gedaagde] gevorderde kosten bedragen € 319,82 (twee maal € 159,91) exclusief kosten en btw. Inclusief de algemene kosten van 6%, winst- en risicokosten van 4% en de CAR-verzekering van 0,4% en inclusief btw bedragen de kosten € 428,32. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] op de hoogte was van het feit dat twee containers door [gedaagde] op het Perceel waren geplaatst. Deze containers stonden ook al genoemd op de specificatie die [eiser] op 12 oktober 2024 van [gedaagde] heeft ontvangen en hij heeft daartegen destijds niet geprotesteerd. Tegen die achtergrond vallen de kosten voor het verwijderen van die containers ook onder de aannemingsovereenkomst. Deze komen daarom voor vergoeding in aanmerking. Op 3 mei 2025 was slechts één container verwijderd. Op dat moment bedroeg de vordering van [gedaagde] dus € 159,91 exclusief kosten en btw € 214,16 inclusief kosten en btw.
4.23.
Doorberekening van de kosten voor huur van bouwhekken. [gedaagde] heeft voor de huur van vijftig bouwhekken een bedrag van € 20.017,50 exclusief kosten en btw opgenomen in haar specificatie voor – naar de rechtbank begrijpt – de totale periode van 25 oktober 2024 tot en met 17 december 2025. Dit zijn volgens [gedaagde] de kosten die zij op haar beurt heeft gemaakt voor het huren van de bouwhekken van een zustermaatschappij. [eiser] heeft verweer gevoerd en naar voren gebracht dat [gedaagde] in dit kader enkel een factuur van haarzelf in het geding heeft gebracht en niet van haar zustermaatschappij. Ook mag [gedaagde] geen commerciële prijs rekenen voor de bouwhekken: dat kwalificeert niet als redelijke kosten voor uitoefening van het retentierecht. Uit een zoektocht op internet volgt dat een redelijke huurprijs voor vijftig bouwhekken € 196,- per maand is. Bovendien gaat het niet om 50, maar om 43 bouwhekken. Een redelijke prijs voor de huur van deze bouwhekken voor een maand is daarom hooguit € 168,56.
De rechtbank overweegt in dit kader als volgt. [gedaagde] heeft de hekken geplaatst ter uitoefening van een retentierecht dat zij van 25 oktober 2024 tot en met 3 mei 2025 in ieder mocht uitoefenen. Hierdoor heeft [gedaagde] ex artikel 6:63 BW recht op vergoeding van redelijke kosten. De rechtbank oordeelt echter dat [gedaagde] haar vordering voor de huurkosten van bouwhekken gezien de gemotiveerde betwisting van [eiser] niet voldoende heeft onderbouwd. Zij heeft ter zitting weliswaar gesteld dat zij deze hekken huurt van een zustermaatschappij, maar heeft geen factuur van die zustermaatschappij of een andere onderbouwing overgelegd. Een eigen specificatie en een eigen factuur kwalificeren naar oordeel van de rechtbank niet als een afdoende onderbouwing. De rechtbank zal deze vordering daarom afwijzen.
4.24.
[gedaagde] vordert daarnaast ook de huurkosten van diverse andere zaken en opslagkosten voor tegels. [eiser] heeft daartegen verweer gevoerd. [gedaagde] heeft de kosten hiervoor vervolgens niet nader onderbouwd met stukken, zoals facturen. Het enkel opnemen van deze posten in een eigen specificatie geldt naar oordeel van de rechtbank niet als een voldoende onderbouwing bij een betwisting. De rechtbank zal deze gevorderde kosten daarom afwijzen.
4.25.
[gedaagde] vordert tot slot betaling door [eiser] van een huursom van € 10,- per dag voor het gebruik van een bouwstroomkast. [gedaagde] stelt in dat kader dat dat zij de bouwstroomkast niet kan afsluiten. Dit dient via Enexis te verlopen en er hangt een slot om de kast. Bovendien functioneert de kast als meterkast en elektra-aansluiting voor [eiser] . [eiser] heeft dit betwist en zich op het standpunt gesteld dat [gedaagde] de bouwstroomkast al lang had moeten weghalen. Hij heeft contact opgenomen met Enexis en Enexis is niet op de hoogte van de bouwstroomkast. Medewerking of toestemming van Enexis voor het weghalen van de bouwstroomkast is niet vereist.
De rechtbank overweegt het volgende. Het is niet komen vast te staan dat de bouwstroomkast enkel kan worden weggehaald met behulp/toestemming van Enexis. Ook is gebleken dat [eiser] geen prijs stelt op de aanwezigheid van de bouwstroomkast. Tegen die achtergrond kan [gedaagde] geen huur in rekening brengen voor de bouwstroomkast. De rechtbank zal deze vordering van [gedaagde] daarom afwijzen.
4.26.
Uit bovenstaande volgt dat de vordering van [gedaagde] in reconventie voor huurkosten en redelijke kosten voor de uitoefening van het retentierecht wordt toegewezen voor een bedrag van € 4.176,79, inclusief kosten en btw (€ 3.226,17+ € 522,30 + € 428,32). Ook komt vast te staan dat [eiser] ten tijde van voldoening aan het kortgedingvonnis op 3 mei 2025 een bedrag van € 2.047,52 aan [gedaagde] verschuldigd was aan huurkosten en redelijke kosten voor het retentierecht (€ 1.833,36 + € 214,16). Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] op 3 mei 2025 daarnaast explootkosten ter hoogte van € 1.089,10 verschuldigd was aan [gedaagde] . In totaal had [gedaagde] een opeisbare vordering op [eiser] van € 3.136,52, terwijl [eiser] een opeisbare vordering op [gedaagde] had van € 21.398,68.
4.27.
De rechtbank overweegt daarover het volgende. Het feit dat [eiser] op 3 mei 2025 een hogere opeisbare vordering had op [gedaagde] dan [gedaagde] op [eiser] , brengt niet zonder meer met zich mee dat [gedaagde] haar retentierecht niet langer mocht uitoefenen. Dat zou mogelijk anders zijn als [eiser] zich zou beroepen op verrekening. Gesteld nog gebleken is dat [eiser] zich daarop op 3 mei 2025 heeft beroepen. Meer subsidiair stelt [eiser] dat het retentierecht op 16 juni 2025 had moeten worden opgeheven, toen hij een redelijk voorstel heeft gedaan voor de oplossing van het geschil. [eiser] heeft echter niet onderbouwd op welke grondslag een dergelijk voorstel zou moeten leiden tot opheffing van het retentierecht. Nog meer subsidiair stelt [eiser] dat het retentierecht opgeheven had moeten worden op 10 juli 2025, het moment dat hij € 4.000,- heeft betaald aan [gedaagde] voor de huur van spullen, retentiekosten en explootkosten. De rechtbank overweegt daarover het volgende. Omdat [eiser] op 10 juli 2025 een bedrag van € 4.000,- heeft overgemaakt voor de redelijke kosten van het retentierecht, komt vast te staan dat [gedaagde] op dat moment niet langer een opeisbare vordering had op [eiser] . Dit bedrag overstijgt immers het bedrag van € 3.136,52 dat [gedaagde] van [eiser] te vorderen had. Dat betekent dat [gedaagde] vanaf 10 juli 2025 niet langer gerechtigd was om het retentierecht te handhaven. De door haar gevorderde kosten vanaf dat moment komen dan ook niet voor vergoeding in aanmerking, behoudens de kosten voor het beëindigen van het retentierecht, die zij ook had moeten maken als zij het – op dat moment rechtmatige – retentierecht had beëindigd op 10 juli 2025. Deze kosten heeft de rechtbank hierboven reeds behandeld.
4.28.
Bovenstaande betekent het volgende voor de door [gedaagde] gevorderde wettelijke rente. Omdat [gedaagde] (a) vanaf 10 juli 2025 geen opeisbare vordering meer had op [eiser] en (b) tot 3 mei 2025 geen vordering (meer) heeft op [eiser] uit hoofde van wettelijke rente, zal hoogstens eventuele wettelijke rente kunnen worden toegewezen van 4 mei 2025 tot 10 juli 2025. [gedaagde] heeft echter niet onderbouwd dat [eiser] over het op dat moment uitstaande bedrag wettelijke rente verschuldigd zou zijn. De rechtbank zal de vordering van [gedaagde] in reconventie tot betaling van wettelijke rente daarom in het geheel afwijzen.
Gevolgen voor vorderingen in conventie: toerekenbare tekortkoming in de nakoming door [gedaagde]
4.29.
Nu is vast komen te staan dat [gedaagde] op 10 juli 2025 geen opeisbare vordering meer had op [eiser] is de volgende vraag of [gedaagde] nog wel het retentierecht mocht blijven uitoefenen en of, als zij dat niet mocht, [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst door dit retentierecht te handhaven tot 17 december 2025.
4.30.
[gedaagde] heeft zich in dat kader beroepen op het feit dat [A] per brief van 2 april 2025 het standpunt heeft ingenomen jegens [gedaagde] dat [A] een bedrag van € 704.495.- heeft te vorderen uit hoofde van door [A] onverschuldigd betaalde facturen ten aanzien van de Verbouwing. De achtergrond daarvan is, kort gezegd, dat een aantal van de facturen van [gedaagde] voor de Verbouwing zijn betaald door [A] op het moment dat [eiser] daar nog bestuurder en aandeelhouder was. [A] stelt zich op het standpunt dat deze onverschuldigd zijn betaald omdat de Verbouwing een privéaangelegenheid van [eiser] was. [gedaagde] stelt zich in deze procedure op het standpunt dat zij, als zij inderdaad dit bedrag moet betalen aan [A] , op haar beurt een vordering heeft op [eiser] ter hoogte van ditzelfde bedrag. [gedaagde] is wel van mening dat de vordering van [A] ongegrond is. Dat laat onverlet dat [A] haar vordering nog niet heeft prijsgegeven. Daarom mocht [gedaagde] het retentierecht handhaven. [eiser] brengt daartegenin dat de betalingen die [eiser] vanuit [A] heeft gedaan in zijn rekening-courant met [A] zijn geboekt en dat deze vordering daarom ongegrond is. [A] heeft zich dit ook beseft, hetgeen blijkt uit het feit dat [A] na haar brief van 2 april 2025 geen enkele actie meer heeft ondernomen om haar vermeende vordering af te dwingen. De vermeende vordering van [A] was daarom geen rechtvaardiging om het retentierecht in stand te houden.
4.31.
Zoals hiervoor al overwogen is het retentierecht een species van het opschortingsrecht dat is geregeld in afdeling 6.1.7 van het BW. Daarom zijn de bepalingen die zien op het opschortingsrecht in principe ook van toepassing op het retentierecht. De Hoge Raad heeft in het kader van het opschortingsrecht geoordeeld dat het feit dat een vordering van een derde die de opschortende partij heeft gebruikt als reden voor opschorting achteraf ongegrond bleek en als gevolg daarvan het beroep op opschorting ook geheel of ten dele ongegrond is gebleken, niet per definitie meebrengt dat degene die dit beroep deed (in dit geval: [gedaagde] ), meteen als schuldenaar zonder ingebrekestelling in verzuim komt te verkeren. Daarvoor moet namelijk eerst worden bepaald of de opschorting gezien de uitleg van de overeenkomst en alle omstandigheden van het geval een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst oplevert. Hoewel het voor de rechtbank in deze zaak niet is komen vast te staan of de vordering van [A] ongegrond is, volgt uit dit arrest wél dat een vordering van een derde onder omstandigheden een rechtvaardiging kan zijn voor het inroepen (of in stand houden) van een retentierecht. De rechtbank oordeelt echter dat de vordering van [A] geen rechtvaardiging vormde voor [gedaagde] om het retentierecht tot 17 december 2025 te handhaven.
4.32.
Geen van de partijen heeft gesteld dat zij over de vermeende vordering van [A] afspraken hebben gemaakt. De uitleg van de aannemingsovereenkomst speelt daarom geen rol en de rechtbank moet kijken naar de overige omstandigheden van het geval. De vermeende vordering van [A] vloeit voort uit het feit dat [eiser] in het verleden bepaalde facturen aan [gedaagde] heeft betaald vanuit [A] . Als komt vast te staan dat de vordering van [A] gegrond is, dan ligt het in de rede dat deze in de onderlinge verhouding tussen [eiser] en [gedaagde] voor rekening van [eiser] komen. Hij heeft immers de betalingen uitgevoerd. [eiser] en [gedaagde] zijn het er echter ook over eens dat de vordering van [A] ongegrond is. Bovendien is het de rechtbank niet gebleken dat [A] enige actie heeft ondernomen na haar brief van 2 april 2025 om haar recht geldend te maken of dat zij haar vordering nadien (nader) heeft onderbouwd, zodat [gedaagde] op dit moment geen goede reden heeft om aan te nemen dat [A] voornemens is haar vordering in rechte af te dwingen. [gedaagde] heeft in dat kader enkel gesteld dat [A] haar vordering nog niet heeft prijsgegeven en niet uit te sluiten valt dat op een later moment actie wordt ondernomen. Dat is onvoldoende voor het in stand houden van een retentierecht. De vermeende vordering van [A] vormde naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen reden voor [A] om het retentierecht tot 17 december 2025 in stand te houden.
4.33.
Uit bovenstaande volgt dat [gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank op 10 juli 2025 niet langer een opeisbare vordering had op [eiser] en dat de vermeende vordering van [A] ook geen reden vormde om het retentierecht te handhaven. De rechtbank is daarom van oordeel dat [gedaagde] door handhaven van het retentierecht na 10 juli 2025 tekort is geschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst. Aan de (herhaalde) mededeling van [gedaagde] , bijvoorbeeld in haar e-mail van 18 juli 2025, dat zij niet bereid was het retentierecht op te heffen, mocht [eiser] ex artikel 6:83(c) BW afleiden dat [gedaagde] zou (blijven) tekortschieten in de nakoming. Er was vanaf dat moment dus ook sprake van verzuim.
Gevolgen voor vorderingen in conventie: [eiser] heeft de overeenkomst op 4 november 2025 op goede gronden ontbonden
4.34.
[eiser] vordert een verklaring voor recht dat hij de aannemingsovereenkomst per e-mail van 4 november 2025 op goede gronden partieel heeft ontbonden en om [gedaagde] te veroordelen om de hiermee verband houdende schade te vergoeden, met verwijzing naar de schadestaatprocedure. [eiser] stelt dat hij op 3 mei 2025 volledig aan het kortgedingvonnis heeft voldaan en op 10 juli 2025 zelfs € 4.000,- extra heeft betaald voor explootkosten en redelijke kosten voor uitoefening van het retentierecht. Daarmee was zijn eerdere verzuim vanwege het niet betalen van de facturen, als daarvan sprake was, opgeheven. [gedaagde] verkeerde op haar beurt wel in verzuim. [gedaagde] weigerde het te veel betaalde bedrag aan wettelijke rente terug te betalen, weigerde garanties te verstrekken voor door haar uitgevoerde werkzaamheden en wilde de resterende werkzaamheden niet uitvoeren. Ook wilde zij materialen waarvoor [eiser] betaald heeft niet leveren en weigerde zij het retentierecht op te heffen. [gedaagde] voert verweer. Zij stelt zich op het standpunt dat niet [gedaagde] , maar [eiser] in verzuim was door te weigeren te voldoen aan zijn (verdere) betalingsverplichtingen onder de aannemingsovereenkomst. Onder die omstandigheden is ontbinding niet mogelijk. [gedaagde] mocht het retentierecht blijven uitoefenen omdat zij een vordering op [eiser] had. Verder heeft [gedaagde] zich ter zitting de vraag gesteld of het door [eiser] gevorderde herstel ten aanzien van de Verbouwing zich wel verenigt met diens vordering tot partiële ontbinding.
4.35.
De rechtbank overweegt als volgt. Voor een geslaagd beroep op ontbinding is, kort gezegd, een tekortkoming in de nakoming van een overeenkomst en verzuim nodig. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft in beginsel aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst te ontbinden (artikel 6:265 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW). Een partij die bevoegd is de overeenkomst in geheel te ontbinden kan deze op grond van artikel 6:270 BW in principe ook partieel ontbinden.
4.36.
De rechtbank heeft in r.o. 4.33. overwogen dat [gedaagde] op 10 juli 2025 tekort is geschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst en dat sprake is van verzuim van haar kant. [eiser] had het verzuim aan zijn kant gezuiverd door de vordering van [gedaagde] volledig te voldoen. Aan de vereisten voor ontbinding is dus voldaan. [eiser] heeft de ontbinding beperkt tot de werkzaamheden die [gedaagde] in de toekomst nog zou moeten verrichten onder de aannemingsovereenkomst en de ontbindingsverklaring niet gericht tegen de reeds uitgevoerde en betaalde werkzaamheden. [gedaagde] heeft de vraag gesteld of de vordering van [eiser] tot herstel door [gedaagde] van gestelde gebreken in reeds gedane werkzaamheden zich wel verenigt met de partiële ontbinding van de overeenkomst voor in de toekomst te verrichten werkzaamheden, maar verder niet onderbouwd waarom zij daarover twijfelt. De rechtbank is van oordeel dat een partiële ontbinding gericht op toekomstige werkzaamheden niet onverenigbaar is met een herstelvordering voor reeds uitgevoerde en betaalde werkzaamheden. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] de aannemingsovereenkomst op goede gronden partieel heeft ontbonden.
4.37.
[eiser] vordert vervolgens verwijzing naar de schadestaatprocedure voor de ontbindingsschade die hij heeft geleden of zal lijden. [eiser] stelt in dat kader dat hij door de ontbinding vermoedelijk schade zal lijden. [eiser] moet immers op zoek naar een nieuwe aannemer en zal in dat kader extra kosten moeten maken. Ook kon hij door uitoefening van het retentierecht tot 17 december 2025 tot dat moment niet op zoek naar een nieuwe aannemer. [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen het feit dat [eiser] vermoedelijk schade heeft geleden als blijkt dat de partiële ontbinding gerechtvaardigd was.
4.38.
De rechtbank stelt vast dat voor verwijzing naar de schadestaat voldoende maar ook vereist is dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is geworden. Dit is geen streng vereiste. Het is wel aan [eiser] om hiervoor voldoende te stellen. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] hiervoor voldoende heeft gesteld, ook gezien het feit dat [gedaagde] zich hiertegen niet heeft verweerd.
Geen verwijzing naar de schadestaatprocedure voor gevorderde onrechtmatige uitoefening retentierecht
4.39.
[eiser] vordert daarnaast een verklaring voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door te weigeren het retentierecht op te heffen, althans geweigerd heeft om haar medewerking daaraan te verlenen, met verwijzing naar de schadestaatprocedure. [eiser] heeft in dat kader dezelfde argumenten naar voren gebracht zoals hierboven omschreven in r.o. 4.1., 4.5. en 4.27. Voor de argumentatie van [eiser] en het verweer van [gedaagde] verwijst de rechtbank naar deze rechtsoverwegingen.
4.40.
Zoals hierboven reeds uiteengezet in r.o. 4.38. is voor verwijzing naar de schadestaatprocedure vereist dat de mogelijkheid dat schade door [eiser] zal worden geleden aannemelijk is. [eiser] heeft in het kader van het vermeende onrechtmatige retentierecht niets gesteld over de aannemelijkheid van de door hem geleden (of te lijden) schade. De rechtbank zal deze vordering daarom afwijzen.
Benoeming deskundige in verband met gestelde gebreken, voorschot voor rekening van [eiser]
4.41.
Op verzoek van [eiser] heeft de heer [C] van Loyal Experts de bedrijfshal met woning en woning in aanbouw visueel geïnspecteerd. Meer in het bijzonder heeft hij de door [gedaagde] (of derden) verrichte werkzaamheden geïnspecteerd. Daarbij waren [eiser] en [gedaagde] met gemachtigden aanwezig. [gedaagde] heeft aangegeven daarbij alleen als toeschouwer aanwezig te zijn. Ook de heer [B] was aanwezig. Na deze visuele inspectie heeft de heer [C] het Rapport opgesteld. In het Rapport wordt, kort gezegd, als doel van het onderzoek genoemd (a) het objectief vastleggen van de bouwkundige toestand van de bedrijfshal met woning en de woning in aanbouw, (b) het visueel beoordelen van de kwaliteit van het uitgevoerde werk en (c) het onderbouwen van de bevindingen. De conclusies uit dit rapport zijn, kort gezegd en voor zover relevant voor deze zaak, dat (a) [gedaagde] ten aanzien van 17 punten gebrekkig en/of onvolledig werk heeft geleverd in afwijking van wat [eiser] mocht verwachten en (b) de kosten om dit door een derde te laten herstellen in totaal € 80.150,- bedragen.
[gedaagde] heeft een uitgebreide reactie gegeven op dit rapport. Zij heeft zich onder meer op het standpunt gesteld dat (a) een deel van de in het rapport genoemde punten niet als gebrek aan te merken is, (b) een deel van de punten niet af is en [eiser] daarvoor ook niet aan [gedaagde] heeft betaald en (c) een aantal punten niet onder haar verantwoordelijkheid vielen. Daarnaast heeft [gedaagde] aangegeven dat het Rapport niet inzichtelijk maakt of, en zo ja, op welke documenten en tekeningen Loyal Experts haar conclusies baseert. Het Rapport gaat er bovendien ten onrechte vanuit dat [gedaagde] offertes opstelde voor haar werk voor [eiser] . Dit is exemplarisch voor het feit dat Loyal Experts niet goed op de hoogte was van de situatie en de specifieke afspraken tussen [eiser] en [gedaagde] . Loyal Experts heeft bovendien de verkeerde regelgeving als uitgangspunt genomen bij haar beoordeling en het Rapport vermeldt ten onrechte dat [C] zijn bevindingen met partijen heeft gedeeld ten tijde van de inspectie. Ook wijst [gedaagde] erop dat het bedrag van € 80.150,- niet (voldoende) is onderbouwd. Zo is de door Loyal Experts berekende 40 procent opslag voor het herstellen van de vermeende gebreken door een derde in het geheel niet onderbouwd.
4.42.
De rechtbank overweegt het volgende. Gezien de onderbouwde betwisting van [gedaagde] is niet komen vast te staan dat de in het rapport genoemde punten kwalificeren als gebrek waarvoor [gedaagde] verantwoordelijk is. De rechtbank is daarom voornemens om een onderzoek door een deskundige in te laten stellen. De rechtbank zal deze deskundige vragen om de kwaliteit van het door [gedaagde] geleverde werk te beoordelen. Meer in het bijzonder zal de rechtbank de deskundige vragen of de in het Rapport genoemde punten naar zijn oordeel als gebrek kwalificeren en of [gedaagde] verantwoordelijk was voor deze punten. De rechtbank zal de deskundige daarbij vragen om onder meer rekening te houden met het feit dat (a) een aantal werkzaamheden mogelijk niet onder de verantwoordelijkheid vielen van [gedaagde] omdat deze door een direct door [eiser] ingeschakelde partij zijn uitgevoerd, (b) de werkzaamheden niet volledig zijn afgerond, (c) [eiser] de schuur met bedrijfshal in gebruik heeft genomen, (d) [gedaagde] ten aanzien van de woning in aanbouw tot 10 juli 2025 het retentierecht mocht uitoefenen. De deskundige zal daarnaast gevraagd worden om, als hij tot de conclusie komt dat bepaalde werkzaamheden door [gedaagde] gebrekkig zijn uitgevoerd, de kosten te berekenen om dit door een derde te laten herstellen.
4.43.
De rechtbank is voorlopig van oordeel dat kan worden volstaan met de benoeming van één bouwkundig deskundige en dat de volgende vragen moeten worden gesteld:
In het Rapport heeft Loyal Experts na een visuele inspectie van de bedrijfshal met woning en woning in aanbouw ten aanzien van 17 punten geconcludeerd dat sprake is van, kort gezegd, gebrekkige en/of onvolledig uitgevoerde werkzaamheden.
- Kunt u ten aanzien van ieder afzonderlijk punt in het Rapport aangeven of dit, mede gezien de reactie van [gedaagde] op het Rapport en de door de partijen te verstrekken gegevens waaronder in ieder geval de bouwtekeningen, de notulen van de bouwvergaderingen en eventueel andere documenten waaruit de afspraken tussen partijen volgen, onder de verantwoordelijkheid viel van [gedaagde] ?
- Als u oordeelt dat bepaalde punten onder de verantwoordelijkheid van [gedaagde] vielen, kunt u ten aanzien van deze punten dan beoordelen of de werkzaamheden door [gedaagde] gebrekkig zijn uitgevoerd?
o Kunt u daarbij bij de punten die zien op de bedrijfshal met woning rekening houden met de mogelijke invloed van het feit dat [eiser] deze sinds enige tijd in gebruik heeft?
o Kunt u daarbij bij de punten die zien op de woning in aanbouw rekening houden met het feit dat de werkzaamheden niet volledig zijn gefactureerd, betaald en afgerond?
o Kunt u daarbij ook rekening houden met de mogelijke invloed die het heeft gehad dat de werkzaamheden geruime tijd hebben stilgelegen en dat [gedaagde] vanaf 25 oktober tot 10 juli 2025 met recht een retentierecht heeft uitgeoefend en vanaf 11 juli 2025 tot en met 17 december 2017 ten onrechte een retentierecht heeft uitgeoefend?
- Als u van oordeel bent dat bepaalde punten onder de verantwoordelijkheid vielen van [gedaagde] en dat deze gebrekkig en/of onvolledig zijn uitgevoerd terwijl daarvoor is betaald door [eiser] , kunt u dan de kosten berekenen om deze te laten herstellen door een andere partij?.
- Als u van oordeel bent dat bepaalde punten onder de verantwoordelijkheid vielen van [gedaagde] en dat deze gebrekkig zijn uitgevoerd, kunt u dan inschatten wanneer deze kenbaar konden zijn bij [eiser] ?
- Zou u daarnaast kunnen kijken of de ‘problemen met de vouwpuien’ (a) kwalificeren als gebrek en (b) of deze volgens de aannemingsovereenkomst onder de verantwoordelijkheid van [gedaagde] vielen? Als u van oordeel bent dat dit punt gebrekkig is en onder de verantwoordelijkheid van [gedaagde] viel, kunt u dan de kosten berekenen om dit te laten herstellen door een andere partij?
4.44.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt in de wet dat het voorschot op de kosten van de deskundige door [eiser] als eisende partij moet worden
betaald. In het eindvonnis zal de rechtbank beslissen wie van partijen uiteindelijk de kosten van de deskundige moet betalen. Voor zover [eiser] met zijn vordering om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de kosten van de deskundige ook heeft gedoeld op het voorschot, heeft zij haar vordering niet onderbouwd en gaat de rechtbank hieraan voorbij.
4.45.
De rechtbank gaat ervan uit dat partijen in onderling overleg overeenstemming bereiken over de persoon die als deskundige gaat optreden. Voor zover partijen daarover geen overeenstemming kunnen bereiken en om die reden iedere partij een deskundige voorstelt, moeten partijen gemotiveerd aangeven waarom zij de voorkeur geven aan de door henzelf voorgestelde deskundige en waarom de door de wederpartij voorgestelde deskundige niet voor benoeming in aanmerking mag komen. Daarbij valt te denken aan zwaarwegende redenen als gebrek aan deskundigheid of gerechtvaardigde twijfels met betrekking tot de onpartijdigheid van de deskundige. Die zwaarwegende redenen moeten worden onderbouwd. De rechtbank zal dan, na weging van de onderbouwing vóór en tegen de benoeming van een potentiële deskundige, een door partijen aangedragen deskundige of een eigen deskundige benoemen.
4.46.
De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen van 23 september 2026, zodat partijen zich bij akte kunnen uitlaten over de persoon die als deskundige gaat optreden en aan de deskundige te stellen vragen. Partijen moeten de concept-akte uiterlijk een week vóór de roldatum naar elkaar toesturen, zodat zij in hun definitieve akte op de akte van de wederpartij kunnen reageren.
Overige gebreken
4.47.
Een groot deel van de door [eiser] gestelde en door [gedaagde] betwiste gebreken zijn onderdeel van het voorgenomen deskundigenonderzoek. Dat geldt niet voor de stellingen van [eiser] dat (a) [gedaagde] haar uurtarief in 2024 eenzijdig heeft verhoogd, (b) hij de kosten voor een tweede container/bouwkeet ten onrechte aan [gedaagde] heeft betaald, (c) hij ten onrechte een bedrag van € 11.249,28 heeft betaald aan [gedaagde] voor herstelwerkzaamheden en (d) hij voor de afdekramen en afzuiging voor de bedrijfshal met woning heeft betaald, maar dat [gedaagde] deze niet heeft geleverd of gemonteerd. Daarover oordeelt de rechtbank als volgt.
4.48.
Volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv rust de stelplicht en – bij betwisting – de bewijslast van de hierboven genoemde stellingen op [eiser] . [eiser] beroept zich immers op de rechtsgevolgen van deze stellingen, namelijk (terug)betaling door [gedaagde] en levering van de afdekramen en afzuiging (of terugbetaling van het door [eiser] in dat kader betaalde bedrag).
4.49.
[eiser] heeft gesteld dat [gedaagde] in 2024 eenzijdig en zonder overeenstemming haar uurtarief met 15% heeft verhoogd. Daarnaast heeft [eiser] gesteld dat [gedaagde] ten onrechte kosten in rekening heeft gebracht voor een tweede keet/container. Ten aanzien van de tweede keet/container heeft [eiser] gesteld dat deze ‘plotseling’ in de specificatie van 1 oktober 2024 van [gedaagde] was opgenomen.
[gedaagde] heeft hier ten aanzien van de verhoging van haar uurtarief tegenin gebracht dat [eiser] met die verhoging – al dan niet stilzwijgend – heeft ingestemd, omdat hij de facturen en specificatie daarbij onder zich heeft gehad en daartegen nooit bezwaar heeft gemaakt. Voor de tweede keet/container geldt volgens [gedaagde] ook dat deze op verzoek van [eiser] is geplaatst en dat de huur daarvoor in de specificatie van 1 oktober 2024 was opgenomen.
De rechtbank oordeelt dat voldoende is komen vast te staan dat [eiser] (al dan niet stilzwijgend) heeft ingestemd met de verhoging van 15%. [eiser] heeft immers regelmatig facturen en specificaties ontvangen met daarop het verhoogde uurtarief en daartegen niet geprotesteerd. Ten aanzien van de tweede keet/bouwcontainer geldt dat [eiser] niet heeft weersproken dat hij op de hoogte was van het feit dat deze was geplaatst. Tegen die achtergrond wist [eiser] , of had hij moeten weten, dat daarvoor ook kosten in rekening zouden worden gebracht. De vordering van [eiser] tot (terug)betaling van deze bedragen zal de rechtbank daarom afwijzen.
4.50.
[eiser] heeft gesteld dat [gedaagde] ten onrechte een bedrag van € 11.249,28 voor herstelwerkzaamheden in rekening heeft gebracht. [gedaagde] heeft daartegenin gebracht dat voor zover zij herstelwerkzaamheden heeft uitgevoerd, dit zag op werkzaamheden die dienden te worden uitgevoerd omdat plannen (van [eiser] of [B] ) veranderden. Dat deze extra werkzaamheden moesten worden verricht was dus niet te wijten aan [gedaagde] .
De rechtbank overweegt als volgt. [eiser] heeft niet gespecificeerd op welke herstelwerkzaamheden hij precies doelt en heeft niet onderbouwd dat dit zou gaan om werkzaamheden die [gedaagde] eerder gebrekkig had uitgevoerd en daarom hersteld moesten worden. [eiser] heeft zijn vordering gezien de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] dus niet voldoende onderbouwd. De rechtbank zal deze vordering afwijzen.
4.51.
[eiser] stelt dat [gedaagde] de afdekramen elektra en afzuiging voor de bedrijfshal met woning niet heeft geleverd en gemonteerd, terwijl [eiser] daarvoor wel heeft betaald. [gedaagde] heeft betwist dat [eiser] haar heeft verzocht om de afdekramen en afzuiging in de bedrijfshal te leveren en monteren en dat [eiser] daarvoor heeft betaald. De rechtbank overweegt dat [eiser] zijn stelling in dit kader niet nader heeft onderbouwd. Gezien de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] zal de rechtbank deze vordering van [eiser] afwijzen.
4.52.
Ter zitting heeft [eiser] toegelicht dat zijn vordering tot veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van de overige ten onrechte aan [eiser] in rekening gebrachte en door [eiser] betaalde bedragen zag op de onderwerpen die de rechtbank hierboven in r.o. 4.47.-4.51. heeft behandeld. Omdat [eiser] ten aanzien van al deze onderwerpen in het ongelijk is gesteld, zal de rechtbank deze vordering van [eiser] afwijzen.
Voortgang van de procedure
4.53.
Als volgende stap zal de rechtbank de zaak naar de rol verwijzen van 23 september 2026, zodat partijen zich bij akte kunnen uitlaten over de persoon die als deskundige gaat optreden en aan de deskundige te stellen vragen.
4.54.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.
5De beslissing
De rechtbank
in conventie
5.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 23 september 2026 om beide partijen in de gelegenheid te stellen een akte in te dienen waarin zij zich uitlaten over het aangekondigde deskundigenbericht,
5.2.
bepaalt dat partijen elkaar uiterlijk een week vóór de genoemde roldatum de concept-akte moeten toesturen, zodat zij ieder in hun eigen akte nog kunnen reageren op de standpunten van de wederpartij,
5.3.
houdt iedere verdere beslissing aan,
in reconventie
5.4.
houdt iedere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. de Gruijter en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.
HR 4 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2517.