Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Oost-Brabant

ECLI:NL:RBOBR:2026:5977

2026-08-20 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 26/227
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Uitspraakdatum
2026-08-20
Publicatiedatum
2026-08-19
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
26/227
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Wht. Overname private schuld terecht afgewezen. Bestuursrechter heeft niet de ruimte om te oordelen dat het vereiste dat compensatie van afgeloste private schulden alleen plaatsvindt als de schuld opeisbaar was voor 1 juni 2021 zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat de in de wet opgenomen voorwaarden in dit geval niet toegepast moeten worden. Die ruimte is er ook niet waar het gaat om schulden die dateren van na deze datum, maar die in omvang overeenkomen met schulden die bestonden voor 1 juni 2021

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.973 tekens)
RECHTBANK OOST-BRABANT


Zittingsplaats 's-Hertogenbosch



Bestuursrecht



zaaknummer: SHE 26/227


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. L.L. Ross),


en


de minister van Financiën, de minister
(gemachtigde: mr. S. Akkas).


Samenvatting


1. Eiseres heeft op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) verzocht om overname van private schulden. De minister heeft deze aanvraag afgewezen voor zover het de schuld aan [naam] BV ( [nummer] ten behoeve van [naam] BV) van € 3.316,51 betreft. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag in stand kan blijven. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Eiseres heeft de minister gevraagd haar private schulden af te betalen. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 5 september 2025 afgewezen voor zover het gaat over de schuld aan [naam] BV ( [nummer] ten behoeve van [naam] BV) van € 3.316,51. Met het bestreden besluit van 14 januari 2026 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.



2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde en de gemachtigde van de minister.





Beoordeling door de rechtbank



Toetsingskader


3. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak staan in de bijlage bij deze uitspraak.



Het bestreden besluit


4. De minister stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht private schulden kunnen worden overgenomen die zijn ontstaan na 31 december 2005, vóór 1 juni 2021 opeisbaar waren en op het moment dat de aanvraag wordt gedaan nog openstaan. Een schuld moet aan alle vereisten voldoen om in aanmerking te komen voor vergoeding. Omdat de facturen op 1 juni 2021 nog niet bestonden, kan geen sprake zijn van een vóór 1 juni 2021 opeisbare schuld.



De beroepsgronden van eiseres


5. Eiseres erkent dat de schulden niet vóór 1 juni 2021 zijn ontstaan, maar stelt dat zij wel een schuld had die voor die datum opeisbaar was. Omdat zij ook een lopende verplichting had, moest zij na 1 juni 2021 nog betalen aan [naam] BV. Dat deed zij ook, zodat haar schuld niet verder op zou lopen. Betalingen worden echter altijd op de oudste openstaande vordering voldaan. Dit leidt ertoe dat de oude schuld verdwijnt, maar er een even hoge nieuwe schuld voor in de plaats komt. Eiseres moest wel aan de lopende betalingsverplichtingen voldoen, anders zou zij nog meer schuld en problemen krijgen. Zij heeft betalingen verricht, zodat na 1 juni 2021 opvang kon worden afgenomen. Als zij niet had betaald, zou de oude schuld weliswaar blijven bestaan en zou deze worden overgenomen, maar dan had zij een hoge nieuwe schuld gehad. Zij heeft daardoor geen mogelijkheid gehad om haar schuld afgelost te krijgen. Eiseres is van mening dat de wetgever dit niet afdoende heeft ondervangen en bij de ontwikkeling van de wetgeving niet heeft meegenomen. Het blijkt volgens eiseres niet dat de wetgever oog heeft gehad voor het feit dat betalingen altijd eerst op de oudste vordering worden afgeschreven, want de wetgever heeft dat nergens specifiek overwogen. Het is volgens eiseres ook niet aannemelijk dat is nagedacht over de situatie dat iemand bij een en dezelfde schuldeiser een lopende betalingsverplichting en een oude schuld heeft. Daarom kan worden beoordeeld of toepassing van de regeling dat schulden vóór 1 juni 2021 opeisbaar moeten zijn in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel.



Het standpunt van de minister


6. De minister stelt dat de wetgever expliciet heeft gekozen voor overname van uitsluitend opeisbare schulden. De regeling beoogt te voorkomen dat schuldeisers incassomaatregelen treffen tegen gedupeerde ouders, maar deze is niet bedoeld om toekomstige betalingsverplichtingen over te nemen. De verplichting dat schulden vóór 1 juni 2021 opeisbaar moesten zijn, vormt een fundamenteel uitgangspunt van de regeling en is een bewuste keuze van de wetgever. Daarbij is voorzien dat sommige ouders met schulden niet volledig geholpen worden. De minister verwijst naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 mei 2024, waarin de Afdeling heeft onderstreept dat het moment van opeisbaarheid bepalend is en dat dit criterium behoort tot de kern van de wettelijke systematiek. Artikel 6:43, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek noemt onder meer opeisbaarheid en de ouderdom van de vordering als criteria voor de toerekening van een betaling. Het is op grond van deze bepaling weliswaar niet verplicht om betalingen toe te rekenen zoals is gebeurd, maar dat is wel zeer gebruikelijk. De wetgever heeft bewust afgezien van een verfijnde regeling en heeft gekozen voor het bieden van een nieuwe start zonder een nauwkeurig onderscheid tussen verschillende schuldensoorten. Daarmee is rekening gehouden met het bestaan van vele verschijningsvormen van geldschulden en verschillende manieren om deze af te lossen. Er zijn geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de wetgever niet heeft onderkend dat schuldeisers bij aflossing eerst op de oudste vordering kunnen aflossen, waardoor een schuld met een latere datum kan ontstaan. Er is geen sprake van een situatie die niet door de wetgever is verdisconteerd. De rechter heeft daarom geen ruimte om te oordelen dat het vereiste dat compensatie van private schulden alleen plaatsvindt als de schuld vóór 1 juni 2021 opeisbaar was zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat de wettelijke voorwaarden in dit geval buiten toepassing moet blijven.



De redenen voor de beslissing van de rechtbank


7. De Wht is een wet in formele zin. Dit betekent dat de bestuursrechter de bepaling van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht pas kan toetsen aan algemene rechtsbeginselen als zich bijzondere omstandigheden voordoen, die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en deze omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Daarbij kan het ook gaan om gevolgen van de toepassing van de wettelijke bepaling die niet stroken met wat de wetgever kan hebben bedoeld of voorzien.

8. De rechtbank stelt vast dat de Afdeling in haar uitspraak van 15 oktober 2025heeft geoordeeld over de situatie dat schuldeisers bij het aflossen van schulden eerst op de oudste vordering hebben afgelost, als gevolg waarvan een schuld met een jongere datum is ontstaan. Eiseres voert aan dat de wetgever nergens expliciet heeft overwogen dat betalingen eerst op de oudste vordering worden afgeschreven. Zij acht het ook niet aannemelijk dat is nagedacht over een lopende betalingsverplichting en een oude schuld bij één en dezelfde schuldeiser. De rechtbank volgt eiseres daarin niet. Het is naar haar oordeel niet logisch dat de wetgever over elke verschijningsvorm en modaliteit van geldschulden expliciet opmerkingen zou maken. Zij acht het ook niet aannemelijk dat de wetgever niet nagedacht zou hebben over de situatie waarin sprake is van een oude schuld en een lopende betalingsverplichting. Zoals eiseres aanvoert, is het namelijk gebruikelijk dat de oudste openstaande vorderingen eerst worden voldaan en er zijn veel lopende betalingsverplichtingen, zoals vaste lasten, als huur, gas, water en licht, maar juist ook betalingen voor kinderopvang. Verder betrekt de rechtbank bij haar oordeel dat uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de wetgever heeft nagedacht over compensatie voor afgeloste privaatrechtelijke schulden en daarvoor een uitzondering heeft gemaakt.

9. Er is daarom geen sprake van een situatie die niet door de wetgever is verdisconteerd. De bestuursrechter heeft daarom niet de ruimte om te oordelen dat het vereiste dat compensatie van afgeloste private schulden alleen plaatsvindt als de schuld opeisbaar was vóór 1 juni 2021 zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat de in de wet opgenomen voorwaarden in dit geval niet toegepast moeten worden. Die ruimte is er ook niet waar het gaat om schulden die dateren van na deze datum, maar die in omvang overeenkomen met schulden die bestonden vóór 1 juni 2021.



Conclusie en gevolgen


10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de schuld aan [naam] BV ( [nummer] ten behoeve van [naam] BV) van € 3.316,51 niet wordt overgenomen. Omdat eiseres geen gelijk krijgt, krijgt zij het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.






Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Jong, rechter, in aanwezigheid van
mr. A. Bijleveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wetgeving



Wet hersteloperatie toeslagen




Artikel 4.1



Onze Minister neemt op aanvraag de geldschulden en kosten over op grond van artikel 155 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 of diens partner, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b of c, of een ex-partner die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, en aan wie deze is toegekend, tenzij op die aanvrager, die partner of die ex-partner artikel 4.6 of 4.7 van toepassing is.


De geldschulden die worden overgenomen:



a. zijn ontstaan na 31 december 2005;
b. waren voor 1 juni 2021 opeisbaar; en
c. zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.

Burgerlijk Wetboek

Artikel 6:431. Verricht de schuldenaar een betaling die zou kunnen worden toegerekend op twee of meer verbintenissen jegens een zelfde schuldeiser, dan geschiedt de toerekening op de verbintenis welke de schuldenaar bij de betaling aanwijst.

2. Bij gebreke van zodanige aanwijzing geschiedt de toerekening in de eerste plaats op de opeisbare verbintenissen. Zijn er ook dan nog meer verbintenissen waarop de toerekening zou kunnen plaatsvinden, dan geschiedt deze in de eerste plaats op de meest bezwarende en zijn de verbintenissen even bezwarend, op de oudste. Zijn de verbintenissen bovendien even oud, dan geschiedt de toerekening naar evenredigheid.




ECLI:NL:RVS:2024:2040 en 2045.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4929.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772.


Zie ook de uitspraak van 24 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6313.



Kamerstukken II 2021/2022, 36151, nr. 3, p. 46.