Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Oost-Brabant

ECLI:NL:RBOBR:2026:5969

2026-08-20 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 26/486
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Uitspraakdatum
2026-08-20
Publicatiedatum
2026-08-19
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
26/486
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Herhaalde Wajong-aanvraag. Laattijdig. Eiseres was geen ingezetene op haar 17e verjaardag. Geen sprake van nieuwe feiten en omstandigheden (artikel 4:6 Awb). Ook geen sprake van een nieuwe ziekteoorzaak tijdens de studie.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (25.822 tekens)
RECHTBANK OOST-BRABANT


Zittingsplaats 's-Hertogenbosch



Bestuursrecht



zaaknummer: SHE 26/486


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. T.P.M. Kouwenaar),


en




de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: E.A.M. Vervoort).



Samenvatting


1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de (herhaalde) aanvraag van eiseres om een Wajong-uitkering. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.



1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de Wajong-uitkering in stand kan blijven. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.





Procesverloop


2.1.
Met het besluit van 23 mei 2025 heeft het UWV het verzoek van eiseres om terug te komen van het besluit van 27 september 2010 afgewezen. Daarnaast heeft het UWV met dit besluit de aanvraag om een Wajong-uitkering afgewezen, omdat geen sprake is van een nieuwe ziekteoorzaak in de periode waarin eiseres studeerde die binnen vijf jaar heeft geleid tot een situatie van duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen. Met het bestreden besluit van 14 januari 2026 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.



2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.




Feiten en omstandigheden


3.1.
Eiseres, geboren op [geboortedag] 1982, heeft op 30 juli 2009 een aanvraag gedaan voor een Wajong-uitkering. Met het besluit van 25 augustus 2009 heeft het UWV de aanvraag afgewezen, omdat eiseres niet vanaf haar 11e tot haar 17e jaar in Nederland heeft gewoond.



3.2.
Eiseres heeft op 20 mei 2010 opnieuw een aanvraag gedaan voor een Wajong-uitkering. Met het besluit van 27 september 2010 heeft het UWV de aanvraag afgewezen, omdat eiseres op haar 17e verjaardag (16 augustus 1999) niet in Nederland woonde. Met het besluit op bezwaar van 4 februari 2011 is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiseres heeft tegen dit besluit geen beroep ingesteld.



3.3.
Op 5 september 2018 heeft eiseres wederom een aanvraag gedaan voor een Wajong-uitkering. Het UWV heeft deze aanvraag aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het besluit van 27 september 2010. Met het besluit van 20 september 2018 is het UWV gebleven bij het besluit van 27 september 2010. Eiseres heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.



3.4.
Eiseres heeft op 13 maart 2025 opnieuw een aanvraag gedaan voor een Wajong-uitkering. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het UWV een verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht. Dit onderzoek heeft geleid tot de besluiten zoals die onder het kopje ‘Procesverloop’ staan vermeld.





Standpunten van partijen


4.1.
Het UWV stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten en/of veranderde omstandigheden die maken dat moet worden teruggekomen van het eerdere besluit van 27 september 2010. Onder verwijzing naar het besluit van 27 september 2010 handhaaft het UWV daarom het standpunt dat eiseres op haar 17e verjaardag geen ingezetene van Nederland was, omdat zij op die dag nog geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had. Dit betekent dat eiseres geen jonggehandicapte is in de zin van de Wajong 2010 (lees: als bedoeld in artikel 2.3 van de Wajong) en dat ook niet kan worden bij een toename van beperkingen in de periode van vijf jaar na haar 18e verjaardag. Uit wat eiseres heeft aangevoerd, blijkt volgens het UWV niet dat het bestreden besluit evident onredelijk is.



4.2.
Daarnaast stelt het UWV dat niet is gebleken van een nieuwe eerste ziektedag in de periode dat eiseres studerende was. Uit de beschikbare informatie blijkt volgens het UWV namelijk dat eiseres al klachten had voordat zij studeerde.



5.1.
Eiseres is van mening dat zij op haar 17e verjaardag wel ingezetene van Nederland was omdat zij op die dag al een duurzame band met Nederland had. Zij voert aan dat ze op 24 juli 1999 in Nederland is aangekomen, dat zij vanaf 12 augustus 1999 is ingeschreven in Nederland en dat op 20 augustus 1999 een verblijfsvergunning is afgegeven met ingang van diezelfde datum. Eiseres wijst erop dat ook het UWV deze feiten niet bestrijdt en het bovendien aannemelijk acht dat eiseres na haar komst naar Nederland de intentie had om zich hier definitief te vestigen. Verder blijkt volgens eiseres uit de overgelegde stukken dat zij direct bij binnenkomst al een duurzame band met Nederland had. Het is namelijk altijd de bedoeling van de moeder van eiseres geweest om haar in Suriname achtergebleven kinderen, waaronder eiseres, naar Nederland te halen en ze daar verder te laten opgroeien. De moeder heeft gedurende vele jaren tevergeefs geprobeerd een machtiging tot verblijf (mvv) te verkrijgen voor haar kinderen. Pas met de brief van 24 juni 1999 heeft de Visadienst bekendgemaakt geen bezwaar te hebben tegen de afgifte van een mvv. Eiseres wijst erop dat zij bij binnenkomst in Nederland meteen een afspraak heeft gemaakt om een verblijfsvergunning aan te vragen en deze op 9 augustus 1999 heeft aangevraagd. Verder is zij op 18 oktober 1999 gaan werken en is zij met ingang van 1999 opleidingen gaan volgen. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres in beroep een aantal stukken overgelegd.



5.2.

Daarnaast stelt eiseres dat sprake was van een nieuwe ziekteoorzaak ontstaan
in de periode waarin zij als studerend was aan te merken en dat het arbeidsvermogen binnen vijf jaar na deze datum duurzaam verloren is gegaan. Ook hierom stelt zij in aanmerking te komen voor een Wajong-uitkering.






Beoordeling door de rechtbank


6. De rechtbank beoordeelt of het UWV op goede gronden heeft beslist dat eiseres niet in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering. Daarbij is de rechtbank gebonden aan de (strenge) regels die gelden voor het krijgen van een Wajong-uitkering. Uit het dossier en het aangrijpende verhaal van eiseres tijdens de zitting blijkt dat eiseres kampt met veel klachten en beperkingen en daardoor veel moeilijkheden in het leven ervaart. Eiseres ziet het verkrijgen van een Wajong-uitkering als een erkenning dat haar door anderen, met name in haar jonge kinderjaren, groot leed en onrecht is aangedaan met als gevolg dat zij voor de rest van haar leven niet zal kunnen werken. De klachten en beperkingen van eiseres zijn door het UWV niet bestreden. Ook de rechtbank heeft oog voor de moeilijke situatie van eiseres. Toch wordt haar beroep ongegrond verklaard. Het UWV heeft namelijk terecht gesteld dat eiseres niet aan de formele gronden voldoet om in aanmerking te komen voor een Wajong-uitkering. De rechtbank zal dit oordeel in het navolgende uitleggen.




Toetsingskader




7.1.
Omdat eiseres al eerder aanvragen had gedaan voor een Wajong-uitkering, heeft het UWV haar aanvraag van 13 maart 2025 opgevat als een herhaalde aanvraag.



7.2.
Een aanvraag voor een Wajong-uitkering na een eerdere afwijzing moet naar zijn strekking worden beoordeeld. Met andere woorden: welke bedoeling heeft de aanvrager met de aanvraag gehad? Met een herhaalde aanvraag kan worden bedoeld dat:


met ingang van de datum waarop dat besluit zag wordt teruggekomen van het eerdere besluit (artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb));


wordt gekeken of er in de tussentijd sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid (Ambermelding); of


om herziening wordt verzocht voor de toekomst (duuraanspraak).





7.3.
De rechtbank stelt vast dat het UWV de aanvraag van eiseres heeft beoordeeld als een verzoek om terug te komen van een eerder besluit zoals bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Ook heeft het UWV beoordeeld of eiseres recht heeft op een Wajong-uitkering vanwege toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na haar 18e verjaardag. Daarnaast heeft het UWV de aanvraag van 13 maart 2025 opgevat als een nieuwe aanvraag vanwege ziekte ontstaan tijdens de studie van eiseres. Uit het besprokene op de zitting volgt dat eiseres haar aanvraag ook zo bedoeld heeft.


8. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.




Verzoek om terug te komen van het besluit van 27 september 2010





9.1.
De aanvraag van eiseres van 13 maart 2025 is een herhaling van de aanvraag waarop het UWV met het besluit van 27 september 2010 heeft beslist. Dat besluit is gehandhaafd met het besluit op bezwaar van 4 februari 2011. Hierin heeft het UWV het standpunt ingenomen dat eiseres op haar 17e verjaardag niet als jonggehandicapte kan worden aangemerkt, omdat zij op die dag geen ingezetene van Nederland was.



9.2.
Als met de aanvraag is bedoeld dat (met ingang van de datum waarop dat besluit zag) wordt teruggekomen van een eerder besluit, dan moet de aanvrager nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden vermelden. Dat is geregeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. Het moet daarbij gaan om nieuwe feiten of omstandigheden die van zodanige aard zijn dat zij tot een andere beschikking aanleiding kunnen geven. Als het UWV de aanvraag afwijst omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn, dan moet de bestuursrechter toetsen of het UWV zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op dat standpunt heeft gesteld. Als het besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Met nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden feiten of omstandigheden bedoeld die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen of feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.



9.3.
De rechtbank volgt het UWV in zijn standpunt dat eiseres bij haar herhaalde aanvraag geen gegevens heeft vermeld die als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden kunnen worden beschouwd. De stukken die eiseres heeft overgelegd dateren uit 1998 en 1999 en zijn daarmee ruim 27 jaar oud. Eiseres heeft nog aangevoerd dat zij de stukken pas onlangs van haar moeder heeft gekregen en daarom niet eerder in de gelegenheid is geweest om de stukken in te dienen. Eiseres heeft deze stelling echter onvoldoende onderbouwd, zodat de rechtbank zonder nadere toelichting eiseres niet volgt in haar standpunt dat de stukken niet eerder overgelegd hadden kunnen worden. Bovendien heeft het UWV terecht gesteld dat deze stukken geen nieuwe feiten en omstandigheden bevatten die aanleiding kunnen geven tot een andere beslissing. Dat eiseres, overeenkomstig de wens van haar moeder, al jarenlang de intentie had om naar Nederland te komen is niet een zodanig nieuw feit of veranderde omstandigheid, omdat dit – zoals het UWV terecht stelt – op zichzelf onvoldoende is om op de 17e verjaardag van eiseres een duurzame band met Nederland aan te nemen. Ook het gegeven dat eiseres op 12 augustus 1999 is ingeschreven in Nederland maakt dit niet anders. De verblijfsvergunning is namelijk pas op 20 augustus 1999 afgegeven met als ingangsdatum 20 augustus 1999, zodat het UWV vóór die datum terecht geen sterke juridische binding met Nederland heeft aangenomen. Het UWV heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderende omstandigheden zijn. Dit betekent dat de verwijzing naar het eerdere besluit van 27 september 2010 de afwijzing van het verzoek om herziening in beginsel kan dragen. Evenals het UWV ziet de rechtbank in wat eiseres naar voren heeft gebracht geen aanleiding om tot te oordelen dat de weigering om terug te komen van het eerdere besluit van 27 september 2010 evident onredelijk is. De beroepsgrond slaagt niet.



Toegenomen arbeidsongeschiktheid (Ambermelding)




10. Vastgesteld is dat eiseres op haar 17e verjaardag niet als jonggehandicapte kan worden aangemerkt omdat zij op die dag geen ingezetene was. Het UWV heeft terecht gesteld dat eiseres om die reden ook niet alsnog binnen vijf jaar na haar 18e verjaardag als jonggehandicapte kan worden aangemerkt als bedoeld in artikel 2:3, tweede lid, van de Wajong. Uit dit artikellid volgt namelijk dat alleen recht op een Wajong-uitkering bij toegenomen arbeidsongeschiktheid kan bestaan als degene op de 17e verjaardag ingezetene was. De beroepsgrond slaagt niet.




Nieuwe eerste ziektedag in de periode dat eiseres studerende was?





11.1.
Partijen zijn het erover eens dat met de aanvraag van 13 maart 2025 (ook) is beoogd een nieuwe aanvraag in te dienen vanwege ziekte ontstaan tijdens de studie en dat artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wajong van toepassing is. Volgens vaste rechtspraak hoeft voor de toepassing van dit artikelonderdeel geen rekening te worden gehouden met (toegenomen) beperkingen uit een ziekte die voorafgaand aan de studie al tot beperkingen leidde.



11.2.
De opleiding van eiseres heeft gelopen van 1 augustus 2023 tot en met 31 maart 2025. Zij heeft pas op 13 maart 2025 een Wajong-uitkering aangevraagd vanwege ziekte ontstaan tijdens de studie. Er is daarmee sprake van een laattijdige aanvraag, waardoor bij de beoordeling moet worden teruggekeken in de tijd. Volgens vaste rechtspraak draagt eiseres als aanvrager in geval van een laattijdige aanvraag de bewijslast om met objectieve medische gegevens aannemelijk te maken dat zij voldeed aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een Wajong-uitkering, omdat het medisch beeld met het verstrijken van de tijd steeds moeilijker is vast te stellen.



11.3.
Eiseres heeft op de zitting naar voren gebracht dat de bewijslast moet worden omgekeerd, omdat het UWV tijdens de inhoudelijke beoordeling van de Wajong-aanvragen in 2010 en 2018 heeft nagelaten te onderzoeken of eiseres ziek is geworden tijdens haar studie. Op dat moment was het voor eiseres eenvoudiger geweest nog inhoudelijke medische stukken op te vragen en in te dienen. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Indien eiseres het destijds niet eens was met de (inhoud van de) besluiten waarin de Wajong-uitkering was afgewezen, dan had zij daartegen een rechtsmiddel kunnen instellen. Eiseres heeft echter geen beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van 4 februari 2011 en geen bezwaar gemaakt tegen het besluit van 20 september 2018. Dat betekent dat deze besluiten in rechte vaststaan. Voor een omkering van de bewijslast ziet de rechtbank daarom geen aanleiding.



11.4.
De rechtbank volgt het UWV in zijn standpunt dat niet is gebleken van een nieuwe eerste ziektedag in de periode dat eiseres studerende was. Uit de beschikbare informatie blijkt namelijk dat eiseres al beperkingen had voordat zij startte met haar studie in 2003. Dat waren niet alleen beperkingen vanwege haar psychische klachten, maar ook beperkingen als gevolg van de rugklachten en psoriasis. De rechtbank licht dat hierna toe.



11.5.
In het rapport van 13 januari 2026 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep (B&B) gemotiveerd toegelicht dat de psychische problematiek die eiseres had in de periode dat zij studeerde (tot 1 april 2005) al in 1999 aanwezig was. Uit de brief van de huisarts van 30 juli 2010 blijkt namelijk dat eiseres al in oktober 1999 was doorverwezen naar het RIAGG in verband met klachten ten gevolge van traumatische gebeurtenissen in het verleden. Daarbij heeft de moeder van eiseres aangegeven dat eiseres vanwege haar psychische klachten al in Suriname onder begeleiding was, dus voor haar komst naar Nederland op 24 juli 1999. Wat betreft de rugklachten heeft de verzekeringsarts B&B toegelicht dat eiseres vanwege deze klachten in 2000 al acupunctuur in India heeft ondergaan. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat in het rapport van de arbeidsdeskundige van 30 juli 2010 staat vermeld dat eiseres in de periode waarin zij werkzaam was bij het Kruidvat (1999-2000) een hoog ziekteverzuim had als gevolg van rugklachten, psoriasis en psychische klachten. Ook in haar werk als schoonmaakster in de periode 2000-2001 had eiseres een hoog ziekteverzuim om dezelfde redenen als bij het Kruidvat, zo is te lezen in datzelfde rapport. De psychische klachten, psoriasis- en rugklachten waren dus al voor de aanvang van de studie aanwezig.



11.6.
Eiseres heeft op de zitting naar voren gebracht dat naast de bestaande klachten, tijdens de studie nieuwe klachten zijn ontstaan en daarmee sprake is van een nieuwe, andere ziekteoorzaak. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Nog afgezien van het feit dat eiseres haar stelling niet nader (met medische stukken) heeft onderbouwd, blijkt uit de aanwezige gedingstukken niet van een nieuwe, andere ziekteoorzaak tijdens de studie.



11.7.
Voor de stelling van eiseres op zitting dat de verzekeringsarts van het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd dat geen sprake was van een nieuwe ziekteoorzaak in de periode dat eiseres studeerde, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten. De verzekeringsarts B&B is in zijn rapport van 13 januari 2026 uitgebreid ingegaan op de vraag of sprake was van een nieuwe eerste ziektedag in de periode dat eiseres studeerde. Daarbij is niet gebleken dat de verzekeringsarts B&B een onvolledig beeld had van de medische situatie van eiseres. De beroepsgrond slaagt niet.


12. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat eiseres niet kan worden aangemerkt als jonggehandicapte in de zin van artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wajong.





Conclusie en gevolgen


13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing




De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.C. Veelenturf, rechter, in aanwezigheid van
drs. J.G.J. van Geesink, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2026.
















griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving



Algemene wet bestuursrecht





Artikel 4:6



1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.




Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten





Artikel 1:2. Ingezetene



1. Ingezetene in de zin van deze wet en de daarop berustende bepalingen is de natuurlijke persoon, die in Nederland woont.


(…)




Artikel 1:3. Woonplaats



1. Waar een natuurlijk persoon woont wordt naar de omstandigheden beoordeeld.


(…)




Artikel 1a:1. Jonggehandicapte



1. Jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen is de ingezetene die:


op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;


na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.



2. De ingezetene die op de dag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, beperkingen ondervindt als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling, maar op grond van het eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte, wordt alsnog jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen, indien hij binnen vijf jaar na die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij beperkingen als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ondervond, op de dag, bedoeld in onderdeel a of b.



Artikel 2:3. Jonggehandicapte



1. Jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk is de ingezetene die:


aansluitend op de dag waarop hij zeventien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling gedurende 52 weken niet in staat is geweest met arbeid meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen, terwijl niet aannemelijk is dat hij binnen een jaar volledig zal herstellen;


na de in onderdeel a bedoelde dag waarop hij zeventien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling gedurende 52 weken niet in staat is geweest om met arbeid meer dan 75% te verdienen van het maatmaninkomen, terwijl niet aannemelijk is dat hij binnen een jaar volledig zal herstellen en hij in het jaar, onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop het als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.



2. Indien de ingezetene geen jonggehandicapte is en binnen vijf jaar na afloop van de periode van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, niet meer in staat is om meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen als gevolg van een oorzaak die reeds aanwezig was na afloop van de termijn van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, terwijl niet aannemelijk is dat de ingezetene binnen een jaar volledig zal herstellen, dan wordt de ingezetene alsnog jonggehandicapte met ingang van de dag waarop hij niet meer in staat is om meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen.



Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.


Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1.


Zie de uitspraken van de CRvB van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115.


Zie de uitspraak van de CRvB van 8 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:20, r.o. 4.4 t/m 4.5.5.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 12 juni 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1162, r.o. 4.2.


Regionale Instelling voor Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg.