Rechtbank Oost-Brabant
ECLI:NL:RBOBR:2026:5967
2026-08-19
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
26/2148 en 26/2149
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Intrekking exploitatievergunningen; verzoeken om voorlopige voorziening hangende bezwaar toegewezen; spoedeisend belang; geen voorlopig rechtsmatigheidsoordeel; belangenafweging valt in het voordeel van verzoekers uit.
Citeert (7)
- ECLI:NL:RVS:2024:790 Raad van State 27-02-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:791 Raad van State 27-02-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:792 Raad van State 27-02-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:797 Raad van State 27-02-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:798 Raad van State 27-02-2024
- ECLI:NL:RBMNE:2022:2602 Rechtbank Midden-Nederland 03-05-2022
- ECLI:NL:RVS:2020:753 Raad van State 16-03-2020
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.446 tekens)
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: SHE 26/2148 en SHE 26/2149
uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 augustus 2026 in de zaken tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker,
[verzoekster]
, uit [woonplaats] , verzoekster
gezamenlijk te noemen: verzoekers,
(gemachtigde: mr. Z.M. Nasir),
en
de burgemeester van de gemeente Eindhoven, de burgemeester
(gemachtigde: mr. A. van de Waerdt en mr. W.J.H.M. Werner).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening gaat over de besluiten van 23 juli 2026 van de burgemeester tot intrekking van de exploitatievergunningen van verzoekers. Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak de verzoeken toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.
Procesverloop
2. Met de besluiten van 23 juli 2026 heeft de burgemeester besloten om de exploitatievergunningen van verzoekers per direct in te trekken. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De burgemeester heeft op de verzoeken gereageerd met een verweerschrift en heeft aanvullende stukken in de zaak van verzoeker overgelegd.
2.2.
Verzoekers hebben aanvullende stukken overgelegd.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 14 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] , gemachtigde van verzoekers en de gemachtigden van de burgemeester.
Feiten en omstandigheden
3. Op 24 oktober 2017 heeft de burgemeester aan de heer [naam] – handelend onder de naam van verzoeker – en op 2 december 2021 aan verzoekster een exploitatievergunning verleend.
3.1.
Voor het toevoegen van een gevelterras is op 13 april 2022 aan verzoekster een gewijzigde vergunning verleend.
4. De burgemeester heeft op 12 mei 2025 verzoeker en op 1 juli 2025 verzoekster verzocht het Bibob-formulier in te vullen.
4.1.
Op 24 juni 2025 heeft de burgemeester het ingevulde formulier van verzoeker ontvangen en op 14 augustus 2025 van verzoekster.
4.2.
Door de burgemeester is op 2 december 2025 advies gevraagd van het Landelijk Bureau Bibob (LBB).
4.3.
Het LBB heeft, op 8 april 2026 over verzoeker en op 7 mei 2026 over verzoekster, een advies gegeven. In die adviezen staat dat er een ernstige mate van gevaar bestaat dat de exploitatievergunningen mede zullen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten en strafbare feiten te plegen.
4.4.
De burgemeester heeft op 4 juni 2026 het voornemen aan verzoekers verzonden om de verleende exploitatievergunningen in te trekken.
4.5.
Op 3 juli 2026 hebben verzoekers een zienswijze ingediend.
4.6.
De burgemeester heeft met zijn besluiten van 23 juli 2026 de exploitatievergunningen van verzoekers aan de [adres] en [adres] in [plaats] per direct ingetrokken. De burgemeester baseert zich hierbij op de door het LBB afgegeven adviezen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist. Bij een financieel geschil is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft. Van een financiële noodsituatie kan sprake zijn als de continuïteit van de bedrijfsvoering in gevaar komt als geen voorlopige voorziening wordt getroffen.
5.1.
Verzoekers voeren aan dat zij een spoedeisend belang hebben. Door de intrekking van de exploitatievergunningen kunnen zij geen inkomsten meer genereren, terwijl de financiële verplichtingen onverminderd doorlopen. Deze verplichtingen bestaan onder meer uit huur, personeel en nutsvoorzieningen. Hierbij wijzen verzoekers op de verklaringen van de boekhouder, de overzichten van de vaste lasten, de uitdraaien van de bankrekeningen en de brieven van de verhuurder. Daarnaast wijzen verzoekers ook op de uitspraak van 3 mei 2022 van de rechtbank Midden-Nederland en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 maart 2020.
5.2.
De voorzieningenrechter vindt dat verzoekers aannemelijk hebben gemaakt dat zij door de intrekking van de exploitatievergunningen in een financiële noodsituatie komen te verkeren in die zin dat de continuïteit van de bedrijfsvoering in gevaar komt als er geen voorlopige voorziening wordt getroffen. Verzoekers beschikken dan niet meer over een exploitatievergunning. Dat betekent dat verzoekers hun horecagelegenheden niet meer kunnen exploiteren, totdat de bezwaar- en een mogelijke beroepsprocedure is gevoerd. Dit betekent dat de vaste lasten van verzoekers doorlopen, maar zij geen inkomsten meer hebben. Verzoekers hebben dus een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.
Geen voorlopig rechtmatigheidsoordeel
6. De voorzieningenrechter vindt dat de belangen die op het spel staan groot zijn en de juridische discussie tussen partijen is niet eenvoudig. Dat laatste komt onder meer door de adviezen van het LBB en de uitgebreide motivering die de burgemeester aan de besluiten van 23 juli 2026 ten grondslag heeft gelegd. Die complexiteit brengt met zich dat nader onderzoek nodig is en dat zal in een mogelijke bodemprocedure gebeuren. Daarom doet de voorzieningenrechter geen voorspellingen over de uitkomst van de procedure (wat ook wel een ‘voorlopig rechtmatigheidsoordeel’ wordt genoemd). De voorzieningenrechter beperkt zich tot een belangenafweging om te kijken of er maatregelen moeten worden getroffen in de periode tot en met de beslissingen op bezwaar door de burgemeester.
Belangenafweging
7. De burgemeester behartigt het algemeen belang van de handhaving van de openbare orde. Dat belang wordt in dit geval geconcretiseerd door het niet laten gebruiken van door hem afgegeven exploitatievergunningen voor illegale activiteiten.
7.1.
Verzoekers behartigen hun belang om de horecagelegenheden te kunnen blijven drijven en – voor zover het deze procedure over een voorlopige voorziening betreft – te voorkomen dat zij in een onomkeerbare financiële noodsituatie terechtkomen.
7.2.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Het belang van de burgemeester weegt zwaar, zeker als het zou kloppen wat de burgemeester (in navolging van het LBB) zegt over verzoekers. Echter, daar staat tegenover dat verzoekers met de overgelegde financiële gegevens, onder meer met de twee overgelegde verklaringen van de boekhouder, inzichtelijk hebben gemaakt dat de continuïteit van de bedrijfsvoering op korte termijn in het gedrang komt. Daarnaast weegt zwaar mee dat de verhuurder van de panden aan de [adres] en de [adres] kenbaar heeft gemaakt voornemens te zijn de huurovereenkomsten te beëindigen, maar bereid te zijn de uitkomst van deze procedures af te wachten. Deze belangen, mede bezien in het licht van het tijdsverloop en in aanmerking genomen dat er in april 2025 al eens een voornemenprocedure is gestart tot intrekking van de exploitatievergunningen op dezelfde grondslag, leiden ertoe dat de belangen van verzoekers in deze situatie zwaarder wegen dan het belang van de burgemeester bij onmiddellijke intrekking van de exploitatievergunningen.
Conclusie en gevolgen
8. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening toe. De voorzieningenrechter zal dus de besluiten van 23 juli 2026 per direct schorsen tot en met zes weken nadat de burgemeester op de bezwaren van verzoekers heeft beslist. Het gevolg hiervan is dat de exploitatievergunningen van verzoekers herleven en dat zij voor de duur van de schorsing van de besluiten van 23 juli 2026 de horecagelegenheden weer kunnen exploiteren.
8.1.
Omdat de voorzieningenrechter de verzoeken om een voorlopige voorziening toewijst, moet de burgemeester het griffierecht aan verzoekers terugbetalen en krijgen zij ook een vergoeding voor hun proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,– en bestaat uit het indienen van de verzoekschriften (2 punten) en het verschijnen op zitting (1 punt) met een waarde per punt van € 934,–.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;
schorst de besluiten van 23 juli 2026 tot en met zes weken nadat de burgemeester op de daartegen door verzoekers gemaakte bezwaren heeft beslist;
bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 200,– aan verzoeker en € 397,– aan verzoekster moet vergoeden;
veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 2.802,– aan proceskosten aan verzoekers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Grimbergen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.M. van den Assem, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
Artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet Bibob.
Artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de Wet Bibob.
Zoals volgt uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 27 februari 2024: ECLI:NL:RVS:2024:790, ECLI:NL:RVS:2024:791, ECLI:NL:RVS:2024:792, ECLI:NL:RVS:2024:797 en ECLI:NL:RVS:2024:798.
ECLI:NL:RBMNE:2022:2602.
ECLI:NL:RVS:2020:753
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: SHE 26/2148 en SHE 26/2149
uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 augustus 2026 in de zaken tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker,
[verzoekster]
, uit [woonplaats] , verzoekster
gezamenlijk te noemen: verzoekers,
(gemachtigde: mr. Z.M. Nasir),
en
de burgemeester van de gemeente Eindhoven, de burgemeester
(gemachtigde: mr. A. van de Waerdt en mr. W.J.H.M. Werner).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening gaat over de besluiten van 23 juli 2026 van de burgemeester tot intrekking van de exploitatievergunningen van verzoekers. Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak de verzoeken toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.
Procesverloop
2. Met de besluiten van 23 juli 2026 heeft de burgemeester besloten om de exploitatievergunningen van verzoekers per direct in te trekken. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De burgemeester heeft op de verzoeken gereageerd met een verweerschrift en heeft aanvullende stukken in de zaak van verzoeker overgelegd.
2.2.
Verzoekers hebben aanvullende stukken overgelegd.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 14 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] , gemachtigde van verzoekers en de gemachtigden van de burgemeester.
Feiten en omstandigheden
3. Op 24 oktober 2017 heeft de burgemeester aan de heer [naam] – handelend onder de naam van verzoeker – en op 2 december 2021 aan verzoekster een exploitatievergunning verleend.
3.1.
Voor het toevoegen van een gevelterras is op 13 april 2022 aan verzoekster een gewijzigde vergunning verleend.
4. De burgemeester heeft op 12 mei 2025 verzoeker en op 1 juli 2025 verzoekster verzocht het Bibob-formulier in te vullen.
4.1.
Op 24 juni 2025 heeft de burgemeester het ingevulde formulier van verzoeker ontvangen en op 14 augustus 2025 van verzoekster.
4.2.
Door de burgemeester is op 2 december 2025 advies gevraagd van het Landelijk Bureau Bibob (LBB).
4.3.
Het LBB heeft, op 8 april 2026 over verzoeker en op 7 mei 2026 over verzoekster, een advies gegeven. In die adviezen staat dat er een ernstige mate van gevaar bestaat dat de exploitatievergunningen mede zullen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten en strafbare feiten te plegen.
4.4.
De burgemeester heeft op 4 juni 2026 het voornemen aan verzoekers verzonden om de verleende exploitatievergunningen in te trekken.
4.5.
Op 3 juli 2026 hebben verzoekers een zienswijze ingediend.
4.6.
De burgemeester heeft met zijn besluiten van 23 juli 2026 de exploitatievergunningen van verzoekers aan de [adres] en [adres] in [plaats] per direct ingetrokken. De burgemeester baseert zich hierbij op de door het LBB afgegeven adviezen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist. Bij een financieel geschil is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft. Van een financiële noodsituatie kan sprake zijn als de continuïteit van de bedrijfsvoering in gevaar komt als geen voorlopige voorziening wordt getroffen.
5.1.
Verzoekers voeren aan dat zij een spoedeisend belang hebben. Door de intrekking van de exploitatievergunningen kunnen zij geen inkomsten meer genereren, terwijl de financiële verplichtingen onverminderd doorlopen. Deze verplichtingen bestaan onder meer uit huur, personeel en nutsvoorzieningen. Hierbij wijzen verzoekers op de verklaringen van de boekhouder, de overzichten van de vaste lasten, de uitdraaien van de bankrekeningen en de brieven van de verhuurder. Daarnaast wijzen verzoekers ook op de uitspraak van 3 mei 2022 van de rechtbank Midden-Nederland en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 maart 2020.
5.2.
De voorzieningenrechter vindt dat verzoekers aannemelijk hebben gemaakt dat zij door de intrekking van de exploitatievergunningen in een financiële noodsituatie komen te verkeren in die zin dat de continuïteit van de bedrijfsvoering in gevaar komt als er geen voorlopige voorziening wordt getroffen. Verzoekers beschikken dan niet meer over een exploitatievergunning. Dat betekent dat verzoekers hun horecagelegenheden niet meer kunnen exploiteren, totdat de bezwaar- en een mogelijke beroepsprocedure is gevoerd. Dit betekent dat de vaste lasten van verzoekers doorlopen, maar zij geen inkomsten meer hebben. Verzoekers hebben dus een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.
Geen voorlopig rechtmatigheidsoordeel
6. De voorzieningenrechter vindt dat de belangen die op het spel staan groot zijn en de juridische discussie tussen partijen is niet eenvoudig. Dat laatste komt onder meer door de adviezen van het LBB en de uitgebreide motivering die de burgemeester aan de besluiten van 23 juli 2026 ten grondslag heeft gelegd. Die complexiteit brengt met zich dat nader onderzoek nodig is en dat zal in een mogelijke bodemprocedure gebeuren. Daarom doet de voorzieningenrechter geen voorspellingen over de uitkomst van de procedure (wat ook wel een ‘voorlopig rechtmatigheidsoordeel’ wordt genoemd). De voorzieningenrechter beperkt zich tot een belangenafweging om te kijken of er maatregelen moeten worden getroffen in de periode tot en met de beslissingen op bezwaar door de burgemeester.
Belangenafweging
7. De burgemeester behartigt het algemeen belang van de handhaving van de openbare orde. Dat belang wordt in dit geval geconcretiseerd door het niet laten gebruiken van door hem afgegeven exploitatievergunningen voor illegale activiteiten.
7.1.
Verzoekers behartigen hun belang om de horecagelegenheden te kunnen blijven drijven en – voor zover het deze procedure over een voorlopige voorziening betreft – te voorkomen dat zij in een onomkeerbare financiële noodsituatie terechtkomen.
7.2.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Het belang van de burgemeester weegt zwaar, zeker als het zou kloppen wat de burgemeester (in navolging van het LBB) zegt over verzoekers. Echter, daar staat tegenover dat verzoekers met de overgelegde financiële gegevens, onder meer met de twee overgelegde verklaringen van de boekhouder, inzichtelijk hebben gemaakt dat de continuïteit van de bedrijfsvoering op korte termijn in het gedrang komt. Daarnaast weegt zwaar mee dat de verhuurder van de panden aan de [adres] en de [adres] kenbaar heeft gemaakt voornemens te zijn de huurovereenkomsten te beëindigen, maar bereid te zijn de uitkomst van deze procedures af te wachten. Deze belangen, mede bezien in het licht van het tijdsverloop en in aanmerking genomen dat er in april 2025 al eens een voornemenprocedure is gestart tot intrekking van de exploitatievergunningen op dezelfde grondslag, leiden ertoe dat de belangen van verzoekers in deze situatie zwaarder wegen dan het belang van de burgemeester bij onmiddellijke intrekking van de exploitatievergunningen.
Conclusie en gevolgen
8. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening toe. De voorzieningenrechter zal dus de besluiten van 23 juli 2026 per direct schorsen tot en met zes weken nadat de burgemeester op de bezwaren van verzoekers heeft beslist. Het gevolg hiervan is dat de exploitatievergunningen van verzoekers herleven en dat zij voor de duur van de schorsing van de besluiten van 23 juli 2026 de horecagelegenheden weer kunnen exploiteren.
8.1.
Omdat de voorzieningenrechter de verzoeken om een voorlopige voorziening toewijst, moet de burgemeester het griffierecht aan verzoekers terugbetalen en krijgen zij ook een vergoeding voor hun proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,– en bestaat uit het indienen van de verzoekschriften (2 punten) en het verschijnen op zitting (1 punt) met een waarde per punt van € 934,–.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;
schorst de besluiten van 23 juli 2026 tot en met zes weken nadat de burgemeester op de daartegen door verzoekers gemaakte bezwaren heeft beslist;
bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 200,– aan verzoeker en € 397,– aan verzoekster moet vergoeden;
veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 2.802,– aan proceskosten aan verzoekers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Grimbergen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.M. van den Assem, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
Artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet Bibob.
Artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de Wet Bibob.
Zoals volgt uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 27 februari 2024: ECLI:NL:RVS:2024:790, ECLI:NL:RVS:2024:791, ECLI:NL:RVS:2024:792, ECLI:NL:RVS:2024:797 en ECLI:NL:RVS:2024:798.
ECLI:NL:RBMNE:2022:2602.
ECLI:NL:RVS:2020:753