Rechtbank Oost-Brabant
ECLI:NL:RBOBR:2026:5918
2026-08-19
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
26/1403
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag omgevingsvergunning voor de aanleg van een uitweg. 2e uitweg, gelijkheidsbeginsel.
Citeert (5)
- ECLI:NL:RBLEE:2006:AW2020 Rechtbank Leeuwarden 13-04-2006
- ECLI:NL:RVS:2020:1112 Raad van State 22-04-2020
- ECLI:NL:RVS:2022:1830 Raad van State 29-06-2022
- ECLI:NL:RVS:2020:1112 Raad van State 22-04-2020
- ECLI:NL:RVS:2019:721 Raad van State 06-03-2019
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (38.433 tekens)
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 26/1403 OWA
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 augustus 2026 in de zaak tussen
[eisers] uit [woonplaats] , eisers,
(gemachtigde: [naam] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bladel, het college,
(gemachtigde: Y. Vetjens).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van [naam] en [naam] tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteit “aanleggen/veranderen inrit”, voor het aanleggen van een uitweg aan de voorzijde van de woning aan de [adres] te [woonplaats] . Zij zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit op bezwaar tot weigering een omgevingsvergunning te verlenen niet in stand kan blijven.
Het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. [naam] en [naam] hebben een aanvraag ingediend voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor een uitweg. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 20 oktober 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 1 april 2026 (beslissing op bezwaar) is het college bij de weigering gebleven.
4. [naam] en [naam] hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
5 . Het college heeft een verweerschrift ingediend.
6. [naam] en [naam] hebben een nadere reactie gegeven op het verweerschrift.
7. De rechtbank heeft het beroep op 29 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] , de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college.
8. Ter zitting heeft [naam] , optredende als gemachtigde van [naam] en [naam] , aangegeven dat de woning [adres] op 12 augustus 2026 notarieel zal worden geleverd aan de nieuwe eigenaren ( [naam] en [naam] ). Hij heeft ter zitting een machtiging overgelegd waaruit volgt dat de nieuwe eigenaren deze procedure wensen voort te zetten.
Op het moment van de zitting waren [naam] en [naam] nog eisers. Op het moment van de uitspraak zijn [naam] en [naam] eisers. Zij zijn daarom in de kop van deze uitspraak als eisers vermeld en zullen hierna, waar gepast, als zodanig worden aangemerkt.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten
9. - Op 1 september 2025 hebben eisers bij het college een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het aanleggen van een uitweg (3, 5 meter breed) ten behoeve van het elektrisch laden van een motorvoertuig op het voorerf aan de linkerzijde van de woning
[adres] in [woonplaats] .
- Bij primair besluit van 20 oktober 2025 heeft het college de omgevingsvergunning voor de activiteit “uitrit aanleggen of veranderen” geweigerd, wegens strijd met artikel 4.21, tweede lid 2, onder a en d, van de “Verordening fysieke leefomgeving Bladel 2024”.
- Tegen dit besluit hebben [naam] en [naam] bezwaar gemaakt.
- Op 9 februari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden en op 25 februari 2026 heeft de Commissie voor de bezwaarschriften van de gemeente Bladel (de Commissie) advies uitgebracht.
- Met het bestreden besluit van 1 april 2026 heeft het college de bezwaren ongegrond verklaard en de weigering van de omgevingsvergunning in stand gelaten.
Toepasselijke regelgeving
10. De relevante regelgeving is als bijlage bij deze uitspraak gevoegd.
Verslag hoorzitting
11. Eisers voeren in hun beroepschrift aan dat een zakelijk verslag van de hoorzitting ontbreekt. In het advies is alleen sprake van een samenvatting van wat is besproken, waaronder de ingebrachte bezwaren. Naar de mening van eisers is dit in strijd met artikel 7:13, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarmee is ook het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen.
12. Het college heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat in het advies de standpunten van partijen uiteen zijn gezet. De overwegingen van de Commissie staan in de conclusie te lezen. Een apart verslag hoeft niet te worden toegestuurd en is verwerkt in het advies. Desalniettemin heeft het college een apart verslag laten opmaken, dat bij het verweerschrift is gevoegd.
13. In hun reactie op het verweerschrift hebben eisers aangegeven dat zij de verslaglegging in dit verslag onvolledig achten, omdat zowel de vraag van de voorzitter over de in bezwaar aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 13 april 2006 (ECLI:RVS:NL:2006:AW2020), als het uitblijven van het antwoord van het college hierop niet in het verslag zijn opgenomen. Eisers betwisten verder de verslaglegging, voor zover die de situatie rond de [adres] en [adres] betreft. Het achteraf ontvangen verslag van de hoorzitting bij de Commissie is erg karig en bevat niet alle onderdelen die inhoudelijk zijn besproken.
14. De aangehaalde uitspraak van 13 april 2006 is zeer bepalend, voor zover het gaat om de kenmerken om van een uitweg te kunnen spreken. Deze is daarom ten onrechte niet inhoudelijk door de Commissie in haar advies beoordeeld.
Ter zitting is aan de orde gekomen dat sprake is van een vergissing in de publicatiecode van de uitspraak van 13 april 2006. Eisers hebben bedoeld om te wijzen op een uitspraak van deze datum van de rechtbank Leeuwarden (ECLI:NL:RBLEE:2006:AW2020).
15. In artikel 7:7 van de Awb is bepaald dat van het horen een verslag wordt opgemaakt. Uit artikel 7:13, zesde lid, van de Awb volgt dat het schriftelijk advies van de Commissie een verslag van het horen bevat.
16. Uit de artikelen 7:7 en 7:13, zesde lid, in onderlinge samenhang gelezen, vloeit voort dat een verslag van het horen, als ten behoeve van de beslissing op bezwaar een adviescommissie is ingesteld, moet worden opgenomen in het advies van die commissie. Een apart verslag behoeft niet te worden opgemaakt. Niettemin heeft het college eisers alsnog een verslag doen toekomen.
Het van het horen gemaakte verslag behoeft geen letterlijke weergave van het horen te bevatten. Voldoende is dat het verslag een zakelijke weergave inhoudt van wat op de hoorzitting is besproken.
In het advies is de in bezwaar genoemde uitspraak benoemd en is aangegeven wat met de verwijzing naar die uitspraak werd betoogd. Zowel in het advies, als in het bestreden besluit is op de strekking van die verwijzing ingegaan en is aangegeven waarom in de opvatting van het college aan de achterzijde van percelen sprake is van een uitweg en waarom de ontsluiting aan de voorzijde als een tweede uitweg wordt gezien. Ook uit het alsnog verstrekte verslag blijkt dat deze kwestie, die onder andere de adressen [adres] en [adres] betreft, op de hoorzitting aan de orde is geweest.
De rechtbank deelt daarom niet de opvatting dat de verslaglegging van wat tijdens de hoorzitting aan de orde is gesteld gebreken vertoont. Aan de daaraan te stellen eisen is voldaan.
Ook deelt de rechtbank niet eisers' opvatting dat het advies gebreken vertoont. Dat bij de behandeling van een bezwaar niet letterlijk naar een genoemde uitspraak wordt verwezen, is niet relevant, voor zover het onderwerp waarop de verwijzing betrekking had, is behandeld. En daarvan is sprake.
Het betoog slaagt daarom niet.
Toetsingskader
17. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat de aanvraag om de omgevingsvergunning ná die datum is ingediend, is in deze zaak de Omgevingswet van toepassing.
Ten tijde van de aanvraag en de daarop volgende besluitvorming was de “Verordening fysieke leefomgeving gemeente Bladel 2024” (hierna: de Verordening) van toepassing.
18. Ingevolge artikel 22.8 van de Omgevingswet geldt het in de Verordening opgenomen verbod om zonder vergunning een uitweg aan te leggen als een verbod als bedoeld in artikel 5 .1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet.
Tussen partijen is in geschil of het college de vergunning - gelet op het bepaalde in artikel 4.21 van de Verordening - (dat ziet op het maken of veranderen van een uitweg) op goede gronden heeft geweigerd.
19. Ingevolge artikel 4.21 tweede lid van de Verordening wordt de vergunning slechts geweigerd:
a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;
b. als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;
c. als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of
d. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.
20. De rechtbank stelt - mede voor een goed begrip van partijen - vast dat artikel 4.21 van de Verordening een vastomlijnd toetsingskader geeft. Gelet op het imperatieve karakter van de in artikel 4.21 van de Verordening neergelegde weigeringsgronden moet een uitwegvergunning in beginsel worden geweigerd, als één of meer van de genoemde weigeringsgronden zich voordoet of voordoen.
Verkeersveiligheid
21. Eisers stellen dat de door hen beoogde uitweg (haaks en overzichtelijk op de weg) niet zal leiden tot extra gevaar op de weg. De beoogde uitweg is op korte (overzichtelijke) afstand gelegen van een rotonde en de rijbanen zijn gescheiden. Het verkeer vanaf de rotonde kan nog geen hoge snelheid hebben ter hoogte van de beoogde uitweg. Eisers verwijzen - als voorbeeld van een soortgelijke weg als de [adres] - naar een weg die de [naam] wordt genoemd. Deze weg ligt in het verlengde van de rotonde nabij de woning van eisers en wordt gekenmerkt door de vele uitwegen vanaf de woningen naar deze (eveneens 50 km-)weg. Eisers zijn daarom van mening dat de veiligheid geen reden tot weigering van de vergunning kan zijn.
Eisers voeren in dit verband tevens aan dat in het verleden op korte afstand van hun perceel een drietal langs-parkeerplaatsen aan de [adres] is gerealiseerd. Deze brengen de verkeersveiligheid meer in gevaar (snelheidsverschillen) dan de beoogde (overzichtelijke) uitweg.
22. Het college heeft de omgevingsvergunning onder andere geweigerd in het belang van de verkeersveiligheid. De verkeersveiligheid is aan de orde, omdat de uitweg aansluit op een GOW50-weg waar gewoonlijk niet op wordt ontsloten met erfaansluitingen. Het betreft een weg waarbij verkeersdeelnemers geen afslaande bewegingen verwachten op een wegvak, maar uitsluitend bij kruispunten. Bij het in- en uitrijden van de uitweg is het snelheidsverschil tussen het remmende of optrekkende voertuig en het verkeer op de weg zelf te hoog.
23. In het verweerschrift heeft het college aangegeven dat aan de door eisers genoemde straat veel uitritten liggen die een stuk ouder zijn. Hiervoor zijn niet altijd vergunningen gevonden. In 2017 heeft aan de [adres] een reconstructie plaatsgevonden. Al lang bestaande inritten zijn toen in dit nieuwe ontwerp meegenomen. Ook is sprake van aanscherping van beleid bij het verlenen van vergunningen.
Ten aanzien van de aanwezigheid van een drietal langsparkeerplaatsen aan de [adres] is het college van mening dat deze er niet toe leidt dat daarom nu een omgevingsvergunning voor een tweede uitweg aan de [adres] moet worden verleend.
Het college wil met het weigeren van de vergunning ook precedentwerking voorkomen.
24. Ter zitting is door het college aangegeven dat de Verordening in 2024 is ingevoerd met het oog op de wildgroei aan inritten in de omgeving. Ten aanzien van de [naam] (ook een GW 50-weg) is gesteld dat dit een oude situatie betreft; die inritten liggen er al langere tijd. De huizen aldaar hebben geen ontsluiting aan de achterzijde.
25. Niet in geschil is dat de beoogde uitweg is gelegen aan de [adres] en een zogeheten GOW 50-weg is (gebiedsontsluitingsweg met een maximale snelheid van 50 km/h).
26. De rechtbank is van oordeel dat het college zich op goede gronden op het standpunt heeft kunnen stellen dat het realiseren van een extra uitweg gevolgen heeft voor de verkeersveiligheid op de [adres] die kan worden aangemerkt als een doorgaande (dorps-)verkeersweg. Daarbij is in aanmerking genomen dat ter plaatse aan de [adres] (en de nabij gelegen [naam] ) sprake is van een aantal uitwegen die reeds een impact hebben op de veiligheid. De rechtbank acht voldoende onderbouwd dat, mede omdat er al meer bestaande uitwegen zijn, iedere toevoeging van een uitweg kan leiden tot een toename van de verkeersonveiligheid en daarom niet wenselijk is te achten. Hetzelfde geldt voor de aanwezige langsparkeerplaatsen. Juist die aanwezigheid kan betekenen dat de toevoeging van een extra uitweg eerder strijdig is met het verkeersveiligheidsbelang, dan wanneer deze langsparkeerplaatsen er niet zouden zijn.
27. Gelet hierop heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat op grond van het bepaalde in artikel 4.21, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening het verlenen van een omgevingsvergunning niet aan de orde is en heeft het hierom de omgevingsvergunning terecht geweigerd.
Dit betoog slaagt evenmin.
28. Partijen zijn eveneens verdeeld over de vraag of de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 4.21, eerste lid, onder d, van de Verordening van toepassing is. Hierbij is aan de orde of sprake is van een tweede uitweg en of de aanleg daarvan ten koste gaat van openbaar groen.
Tweede uitweg
29. Eisers zijn van mening dat in dit geval ( [adres] ) geen sprake kan zijn van een bestaande uitweg aan de achterzijde bij hun woning. De uitspraak die in het advies van de Commissie wordt genoemd (ECLI:NL:RVS:2020:1112) gaat over een tuinpoort en niet over een uitweg. Door de Commissie en het college is ten onrechte niet ingegaan op de door eisers overgelegde jurisprudentie.
Ter zitting hebben eisers aangevoerd dat voor de vraag of sprake is van een tweede uitweg ook dient te worden gekeken naar een uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, waarin de Afdeling heeft aangegeven dat ook moet worden gekeken naar de feitelijke bestemming.
30. Het college stelt dat hij bij de weigering om een omgevingsvergunning te verlenen tevens in aanmerking heeft genomen dat het om een tweede uitweg gaat. In de Verordening is geen definitie opgenomen waaruit volgt in welke gevallen sprake is van een bestaande of tweede uitweg. Volgens het college is voor het bestaan van een uitweg bepalend dat de aanwezigheid van een dergelijke voorziening door uiterlijke kenmerken voor de overige weggebruikers duidelijk kenbaar is. Het college verwijst naar een uitspraak van de Afdeling van 22 april 2020. Bij een uitweg gaat het in de regel om een aansluiting voor rijdend wegverkeer vanaf een particulier erf op een openbare weg. Aan de achterzijde van de woning van eisers bevindt zich een bijgebouw dat in het verleden dienst deed als garage. Van de garage is een aansluiting naar de openbare weg gerealiseerd. Deze aansluiting moet als een uitweg worden aangemerkt. Het feit dat het bijgebouw niet meer als garage in gebruik is doet er volgens het college niet aan af dat de aansluiting nog steeds aanwezig is en dus nog steeds sprake is van een uitweg aan de Lodewijk van Deyssellaan. Ook het feit dat die uitweg te kort is om er een auto te kunnen stallen en niet meer doelmatig wordt of kan worden gebruikt, ontneemt die aansluiting niet het kenmerk van een uitweg.
Aldus is sprake van een bestaande uitweg en moet de aanvraag voor een uitweg aan de [adres] als een aanvraag voor een tweede uitweg worden beschouwd.
31. De rechtbank heeft - bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een reeds bestaande uitweg aan de achterzijde van het perceel - de door partijen genoemde uitspraak van de Afdeling van 22 april 2020 in aanmerking genomen. In die uitspraak is in algemene zin (los van de feitelijke situatie in die zaak) opgenomen wat de vaste rechtspraak inzake het bepalen van het bestaan van een uitweg is.
Voor het bestaan van een uitweg is bepalend dat de aanwezigheid daarvan door de uiterlijke kenmerken ervan voor de overige weggebruikers duidelijk kenbaar is. Doorgaans worden ten behoeve van een uitweg fysieke voorzieningen getroffen, zoals een verlaagde trottoirband. In dit geval is aan de achterzijde van het perceel een garage gelegen, met daarvoor een strook verharding. Het college heeft zich op het standpunt mogen stellen dat hiermee sprake is van een ontsluiting en dus van een uitweg. Het perceel is daarmee aan de achterzijde ontsloten op een openbare weg.
Het feit dat de garage kennelijk, zoals door eisers is aangevoerd, niet als zodanig kan worden gebruikt, doordat daarin allerlei voorzieningen ten behoeve van de woning zijn geplaatst, komt voor eigen rekening en risico van eisers. Niet kan worden gezegd dat van een uitweg niet langer sprake is.
De door eisers genoemde uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022 leidt niet tot een ander oordeel, omdat het daarin niet gaat om een uitweg, maar om een stallingsplaats op grond van een Parkeerverordening. Tevens is van belang dat in deze Parkeerverordening sprake is van een definitiebepaling die in deze zaak niet van toepassing is.
32. Gelet hierop heeft het college zich op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat aan de achterzijde van het perceel sprake is van een bestaande uitweg en dat de aanvraag ziet op een tweede uitweg.
Dit betoog slaagt niet.
Bestemmingsplan
33. Eisers stellen dat de gronden met de enkelbestemmingen “Wonen”, “Groen” en “Verkeer”, die worden doorsneden voor de aanleg van de beoogde uitweg, mede op grond van het bestemmingsplan bestemd zijn voor voorzieningen voor verkeer en inritten (enkelbestemming “Groen”).
34. Het college heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat het klopt dat in artikel 7.1, onder f, van de planregels van het bestemmingsplan “Kom Bladel 2019” staat dat voor “Groen” aangewezen gronden bestemd zijn voor inritten. Daar moet ook artikel 4.21, onder d, van de Verordening naast gelegd worden, waarin is aangegeven dat als er sprake is van een tweede uitweg, deze uitweg niet gerealiseerd mag worden als dit ten koste gaat van openbaar groen. Omdat er aan de [adres] sprake is van een aanvraag voor een tweede uitweg kan geen omgevingsvergunning verleend worden.
35. In een reactie op het verweerschrift hebben eisers gesteld dat uit de kaart bij het Groenstructuurplan (2017) volgt dat voor de [adres] slechts enkel de bestaande bomen van belang zijn. Met het beoogde verzoek tot een uitweg is het niet noodzakelijk om een boom in de betreffende groenstrook te rooien. Van een aantasting van het openbaar groen is geen sprake.
36. De rechtbank stelt vast dat ingevolge het bepaalde in artikel 4.21, tweede lid, aanhef en onder d, van de Verordening een voorwaarde voor het verlenen van een uitwegvergunning voor een tweede uitweg is dat de aanleg van die uitweg niet ten koste mag gaan van het openbaar groen.
In de Verordening zijn geen nadere bepalingen opgenomen over wat onder “openbaar groen” wordt verstaan. Daaruit volgt dat niet van belang is wat de (ecologische) waarde is van het openbaar groen. Ook de doorsnijding van een openbare strook gras is daarmee een aantasting van openbaar groen.
37 . Zoals hiervoor overwogen is sprake van een tweede uitweg. Omdat door de aanleg hiervan openbaar groen zou moeten worden opgeofferd, staat artikel 4.21, eerste lid, onder d, van de Verordening aan verlening van een omgevingsvergunning in de weg. Dat die aanleg niet strijdig is met het bestemmingsplan, maakt dat niet anders.
Ook dit betoog slaagt niet.
Oplaadpunt
38. Eisers zijn, onder verwijzing naar het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan, van mening dat de beoogde uitweg ten behoeve van het laden van de elektrische auto op eigen terrein
binnen het beleid van de gemeente Bladel valt. De belangen van eisers bij de realisatie van een uitweg, plus het realiseren van een laadpunt zijn groot en daarmee wordt ook het algemeen belang gediend.
39. Het college erkent dat het initiatief binnen het beleid van de gemeente valt, maar het verduurzamingsbeleid van de gemeente leidt dat er niet automatisch toe dat een omgevingsvergunning voor een tweede uitweg wordt verleend. Voor uitwegen is artikel 4.21 van de Verordening het toetsingskader.
40. De rechtbank deelt de opvatting van het college over het toepasselijke toetsingskader. Het al dan niet voldoen van het initiatief aan het verduurzamingsbeleid, laat die toetsing aan de Verordening onverlet.
Ook dit betoog slaagt niet.
Gelijkheidsbeginsel
41. Eisers stellen dat in het advies van de Commissie ten onrechte is gesteld dat de woning
[adres] de uitweg deelt met [adres] [nummer] .
Uit de stukken bij de op 23 december 2024 verleende omgevingsvergunning blijkt volgens eisers dat, parallel aan de bestaande inrit van [adres] [nummer] voor [adres] een extra uitrit wordt vergund van 3 meter breed. Dat de bewoner van nummer [nummer] aanvankelijk de inrit smaller maakte, waardoor hij deels gebruik moest maken van de bestaande inrit van nummer [nummer] , doet daar niets aan af.
Bij het advies van de Commissie is over de inrit van [adres] expliciet gesteld dat er sprake is van een eerste uitweg. Eisers zijn echter van mening dat dit apert onjuist is. Aan de achterzijde van de woning nummer [nummer] is namelijk een garage aanwezig. Deze situatie is exact vergelijkbaar met de beoogde situatie bij de woning van eisers.
42. In het advies van de Commissie is over de woning aan de [adres] gesteld dat hiervoor op 11 juli 2025 een omgevingsvergunning voor een uitweg is verleend op grond van het bestemmingsplan “Kom Bladel 2019” en hierdoor een ander toetsingskader geldt. Volgens eisers is echter geen sprake van een ander toetsingskader, omdat het geldende bestemmingsplan voor hun woning [adres] ook “Kom Bladel 2019” is.
Los daarvan is op 11 juli 2025 enkel een omgevingsvergunning verleend voor een carport, omdat het college het standpunt innam dat de uitweg reeds aanwezig was. Daargelaten of die uitweg in het verleden ook is vergund, is het volgens eisers evident dat ook daarvoor een omgevingsvergunning nodig was. Verder heeft ook de woning op nummer [adres] een garage aan de achterzijde met een ontsluiting op de openbare weg.
43. Daarom is er naar de mening van eisers wel degelijk sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel.
44. In het verweerschrift heeft het college aangegeven dat het klopt dat nummer [nummer] net als nummer [nummer] een garage heeft. De feitelijke situatie verschilt echter.
Het gaat bij nummer [nummer] om een inrit waarbij alsnog gedeeltelijk gebruik wordt gemaakt van de inrit van de buren op nummer [nummer] .
Ook nummer [adres] heeft een garage, net als nummer [nummer] . De inrit lag er al op het moment van de aanvraag. Als de inrit wel nieuw zou zijn - en aangevraagd had moeten worden - zou er wel aan artikel 4.21 van de Verordening zijn getoetst. In het archief is niet meer te achterhalen of hier in het verleden een vergunning voor is verleend. Deze casus kan daarom eveneens niet als voorbeeld worden aangehaald in het kader van het gelijkheidsbeginsel.
45. In een reactie op het verweerschrift hebben eisers verwezen naar de publicatie van de vergunning voor nummer [adres] in het Gemeenteblad van 31 juli 2025. In die publicatie staat letterlijk dat een vergunning is verleend voor het plaatsen van een carport én het aanleggen van een inrit aan de [adres] . Eisers stellen, onder verwijzing naar beeldmateriaal, dat er voorheen geen sprake was van een fysieke ontsluiting van het perceel nummer [adres] naar de openbare weg. Kennelijk was verkeersveiligheid geen grond om de vergunning te weigeren.
46. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel zijn er vereisten die voortvloeien uit vaste rechtspraak. Er moet sprake zijn van een vergelijkbaar geval, dat ongelijk wordt behandeld, zonder dat er een objectieve rechtvaardiging bestaat voor het verschil in handelwijze.
Voor de locatie [adres] is op 23 december 2024, op basis van de “Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Bladel 2024”, een omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van een uitweg. Het perceel met de woning [adres] heeft een uitweg naast de uitweg op nummer [nummer] .
Voor de [adres] is op 11 juli 2025 een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit (omgevingsplan) verleend op basis van het bestemmingsplan “Kom Bladel 2019”.
47 . Hoewel in artikel 4.21 van de Verordening sprake is van een limitatief imperatief stelsel van weigeringsgronden ziet de rechtbank hierin geen beletsel voor een toetsing aan het gelijkheidsbeginsel. Hierbij heeft de rechtbank een uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2019 in aanmerking genomen.
48. De rechtbank stelt vast dat bij de woningen nummers [nummer] en [adres] eveneens sprake is van een garage aan de achterzijde. Voor deze woningen is aan de voorzijde sprake van een tweede inrit die - gelet op tijdstip van aanleg - in beginsel vallen onder het toetsingskader van de Verordening.
49. Ten aanzien van de woning nummer [adres] acht de rechtbank - in tegenstelling tot het college - aannemelijk dat geen sprake was van een voorheen aan de voorzijde reeds aanwezige uitweg. Uit door eisers verstrekt beeldmateriaal kan worden afgeleid dat er, op de plaats van de huidige (brede) uitweg, sprake was van een smal pad door het openbaar groen dat niet gelijk gesteld kon worden aan een uitweg. Bij de woning was eerder tevens sprake van een hekwerk dat het perceel afsloot en dat bij het realiseren van de uitweg - om een doorgang te krijgen - is verwijderd. Van een in het verleden reeds bestaande uitweg was daarom geen sprake. Hierin is geen grond gelegen voor afwijzing van het verzoek op het gelijkheidsbeginsel.
50. Eisers zouden dit geval kunnen opvoeren in het kader van een beroep op het gelijkheidsbeginsel, als hiervoor recent een omgevingsvergunning zou zijn aangevraagd en verleend. Er is echter weliswaar een omgevingsvergunning verleend, maar die ziet niet op een tweede uitweg, maar alleen op een carport. De publicatie in het Gemeenteblad vermeldt weliswaar de verlening van een omgevingsvergunning voor een uitweg, maar die publicatie is niet doorslaggevend, omdat de omgevingsvergunning zelf niet strekt tot verlening van een vergunning voor deze activiteit. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel, onder verwijzing naar de woning nummer [adres] , kan dan ook niet slagen.
51. De rechtbank is van oordeel dat de beoogde uitweg van eisers wel vergelijkbaar is met die van nummer [nummer] . Ter zitting is gebleken dat de aanvraag om een vergunning voor nummer [nummer] betrekking heeft op een inrit van 3 meter breed, dat deze vergunning is verleend en dat de inrit (nadat een lantaarnpaal is verplaatst) uiteindelijk ook met deze breedte is aangelegd.
In zoverre heeft het college zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een vergelijkbaar geval.
52. Ter zitting heeft het college zich op het standpunt gesteld dat, aangenomen dat nummer [nummer] een gelijk geval betreft, het college niet gehouden is om een eenmaal gemaakte fout te herhalen door aan eisers een omgevingsvergunning voor een tweede uitweg te verlenen.
De rechtbank deelt deze opvatting, maar het is de rechtbank niet gebleken dat de verlening van een omgevingsvergunning voor een uitweg voor nummer [nummer] inderdaad berust op een fout, dan wel dat het college van mening was dat in dat geval geen weigeringsgronden inzake verkeersveiligheid en aantasting van openbaar groen aan de orde waren. In de vergunning is aangegeven dat er geen sprake was van de weigeringsgronden van artikel 4.21 van de Verordening, maar waarom daarvan geen sprake is, is de rechtbank uit het besluit tot vergunningverlening niet duidelijk geworden. Er bestaat dan ook een gerede kans dat het college zich niet kan beroepen op het maken van een fout.
Dit betoog slaagt.
53. De rechtbank ziet hierin grond tot vernietiging van het bestreden besluit vanwege strijd met het in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb opgenomen motiveringsbeginsel.
Conclusie en gevolgen
54. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd. Dit betekent dat het college een nieuw besluit op bezwaar zal moeten nemen.
55. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank, in aanmerking nemende dat het college opnieuw onderzoek zal moeten instellen naar de verschillen tussen eisers geval en de vergunningverlening voor de woning [adres] en dit onderzoek mogelijk enige tijd zal kosten, geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen.
56. Eisers krijgen, in verband met de vernietiging van het bestreden besluit, het griffierecht van 200,00 terug.
57. Zij krijgen ook een vergoeding van hun proceskosten, voor door een derde beroepsmatig verleend rechtsbijstand. Deze vergoeding bedraagt € 2.335,00 (2,5 punt, waarde per punt
€ 934,00), omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend, een reactie heeft gegeven op het verweerschrift en aan de zitting heeft deelgenomen.
Beslissing
De rechtbank,
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,00 aan eisers moet vergoeden;
veroordeelt het college tot betaling van € 2.335,00 aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. de Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.M. Emons, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2026.
griffier
De rechter is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 7:7
Van het horen wordt een verslag gemaakt.
Artikel 7:11
1. Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.
2. Voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit.
Artikel 7:12
1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. (..)
Artikel 7:13
1. t/m 5. (..).
6. Het advies van de commissie wordt schriftelijk uitgebracht en bevat een verslag van het horen.
7. (..).
Artikel 8:43
1. De bestuursrechter kan de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid stellen schriftelijk te repliceren. In dat geval wordt het bestuursorgaan in de gelegenheid gesteld schriftelijk te dupliceren. (..).
2. (..).
Omgevingswet
Artikel 1.1 (begripsbepalingen)
1. De bijlage bij deze wet bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen.
2. Begripsbepalingen die zijn opgenomen in een bijlage bij een algemene maatregel van bestuur op grond van deze wet zijn ook van toepassing op een ministeriële regeling op grond van deze wet, tenzij in die regeling anders is bepaald.
Artikel 5.1. (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een omgevingsplanactiviteit,
b. t/m g. (..);
tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
Artikel 22.8 (omgevingsvergunning gemeentelijke verordening)
Voor zover op grond van een bepaling in een gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist voor een geval waarin regels over de fysieke leefomgeving op grond van artikel 2.7, eerste lid, alleen in het omgevingsplan mogen worden opgenomen, geldt een zodanige bepaling als een verbod om zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a.
Bijlage bij artikel 1.1 van deze wet
A Begrippen
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:
- omgevingsplanactiviteit: activiteit, inhoudende:
a.een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan,
b.een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of
c.een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan;
- omgevingsvergunning: omgevingsvergunning als bedoeld in afdeling 5.1;
Omgevingsbesluit
Artikel 2.1 (verplichting en verbod opname regels in omgevingsplan)
1. Onverminderd het tweede lid worden in ieder geval regels over activiteiten die onderdelen van de fysieke leefomgeving wijzigen als bedoeld in artikel 1.2, derde lid, onder a, van de wet alleen in het omgevingsplan opgenomen.
Verordening fysieke leefomgeving gemeente Bladel 2024 (geldend van 31-12-2023 t/m heden)
Artikel 1.8 Weigeringsgronden
1. De vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:
a. de openbare orde (zoals het voorkomen of beperken van overlast);
b. de openbare veiligheid (zoals de verkeersveiligheid en de veiligheid voor personen en goederen);
c. de volksgezondheid (zoals zedelijkheid en het beperken of voorkomen van letsel of schade);
d. de bescherming van het milieu (zoals het voorkomen of beperken van geluidsoverlast).
e. het woon- en leefklimaat;
f. het uiterlijk aanzien van de gemeente.
2. (..).
3. (..).
Paragraaf 4.3.1 Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Artikel 4.19 Voorwerpen op of aan een openbare plaats
(ingetrokken)
Artikel 4.20 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
2. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij een omgevingsplan.
3. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.
4. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het provinciaal wegenreglement, de waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Verordening ondergrondse infrastructuur.
Artikel 4.21 Maken of veranderen van een uitweg
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1.8 wordt de vergunning slechts geweigerd:
a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;
b. als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;
c. als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of
d. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.
3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur of het provinciaal wegen-reglement.
ECLI:NL:RVS:2022:1830
ECLI:NL:RVS:2020:1112
ECLI:NL:RVS:2019:721
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 26/1403 OWA
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 augustus 2026 in de zaak tussen
[eisers] uit [woonplaats] , eisers,
(gemachtigde: [naam] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bladel, het college,
(gemachtigde: Y. Vetjens).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van [naam] en [naam] tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteit “aanleggen/veranderen inrit”, voor het aanleggen van een uitweg aan de voorzijde van de woning aan de [adres] te [woonplaats] . Zij zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit op bezwaar tot weigering een omgevingsvergunning te verlenen niet in stand kan blijven.
Het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. [naam] en [naam] hebben een aanvraag ingediend voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor een uitweg. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 20 oktober 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 1 april 2026 (beslissing op bezwaar) is het college bij de weigering gebleven.
4. [naam] en [naam] hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
5 . Het college heeft een verweerschrift ingediend.
6. [naam] en [naam] hebben een nadere reactie gegeven op het verweerschrift.
7. De rechtbank heeft het beroep op 29 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] , de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college.
8. Ter zitting heeft [naam] , optredende als gemachtigde van [naam] en [naam] , aangegeven dat de woning [adres] op 12 augustus 2026 notarieel zal worden geleverd aan de nieuwe eigenaren ( [naam] en [naam] ). Hij heeft ter zitting een machtiging overgelegd waaruit volgt dat de nieuwe eigenaren deze procedure wensen voort te zetten.
Op het moment van de zitting waren [naam] en [naam] nog eisers. Op het moment van de uitspraak zijn [naam] en [naam] eisers. Zij zijn daarom in de kop van deze uitspraak als eisers vermeld en zullen hierna, waar gepast, als zodanig worden aangemerkt.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten
9. - Op 1 september 2025 hebben eisers bij het college een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het aanleggen van een uitweg (3, 5 meter breed) ten behoeve van het elektrisch laden van een motorvoertuig op het voorerf aan de linkerzijde van de woning
[adres] in [woonplaats] .
- Bij primair besluit van 20 oktober 2025 heeft het college de omgevingsvergunning voor de activiteit “uitrit aanleggen of veranderen” geweigerd, wegens strijd met artikel 4.21, tweede lid 2, onder a en d, van de “Verordening fysieke leefomgeving Bladel 2024”.
- Tegen dit besluit hebben [naam] en [naam] bezwaar gemaakt.
- Op 9 februari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden en op 25 februari 2026 heeft de Commissie voor de bezwaarschriften van de gemeente Bladel (de Commissie) advies uitgebracht.
- Met het bestreden besluit van 1 april 2026 heeft het college de bezwaren ongegrond verklaard en de weigering van de omgevingsvergunning in stand gelaten.
Toepasselijke regelgeving
10. De relevante regelgeving is als bijlage bij deze uitspraak gevoegd.
Verslag hoorzitting
11. Eisers voeren in hun beroepschrift aan dat een zakelijk verslag van de hoorzitting ontbreekt. In het advies is alleen sprake van een samenvatting van wat is besproken, waaronder de ingebrachte bezwaren. Naar de mening van eisers is dit in strijd met artikel 7:13, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarmee is ook het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen.
12. Het college heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat in het advies de standpunten van partijen uiteen zijn gezet. De overwegingen van de Commissie staan in de conclusie te lezen. Een apart verslag hoeft niet te worden toegestuurd en is verwerkt in het advies. Desalniettemin heeft het college een apart verslag laten opmaken, dat bij het verweerschrift is gevoegd.
13. In hun reactie op het verweerschrift hebben eisers aangegeven dat zij de verslaglegging in dit verslag onvolledig achten, omdat zowel de vraag van de voorzitter over de in bezwaar aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 13 april 2006 (ECLI:RVS:NL:2006:AW2020), als het uitblijven van het antwoord van het college hierop niet in het verslag zijn opgenomen. Eisers betwisten verder de verslaglegging, voor zover die de situatie rond de [adres] en [adres] betreft. Het achteraf ontvangen verslag van de hoorzitting bij de Commissie is erg karig en bevat niet alle onderdelen die inhoudelijk zijn besproken.
14. De aangehaalde uitspraak van 13 april 2006 is zeer bepalend, voor zover het gaat om de kenmerken om van een uitweg te kunnen spreken. Deze is daarom ten onrechte niet inhoudelijk door de Commissie in haar advies beoordeeld.
Ter zitting is aan de orde gekomen dat sprake is van een vergissing in de publicatiecode van de uitspraak van 13 april 2006. Eisers hebben bedoeld om te wijzen op een uitspraak van deze datum van de rechtbank Leeuwarden (ECLI:NL:RBLEE:2006:AW2020).
15. In artikel 7:7 van de Awb is bepaald dat van het horen een verslag wordt opgemaakt. Uit artikel 7:13, zesde lid, van de Awb volgt dat het schriftelijk advies van de Commissie een verslag van het horen bevat.
16. Uit de artikelen 7:7 en 7:13, zesde lid, in onderlinge samenhang gelezen, vloeit voort dat een verslag van het horen, als ten behoeve van de beslissing op bezwaar een adviescommissie is ingesteld, moet worden opgenomen in het advies van die commissie. Een apart verslag behoeft niet te worden opgemaakt. Niettemin heeft het college eisers alsnog een verslag doen toekomen.
Het van het horen gemaakte verslag behoeft geen letterlijke weergave van het horen te bevatten. Voldoende is dat het verslag een zakelijke weergave inhoudt van wat op de hoorzitting is besproken.
In het advies is de in bezwaar genoemde uitspraak benoemd en is aangegeven wat met de verwijzing naar die uitspraak werd betoogd. Zowel in het advies, als in het bestreden besluit is op de strekking van die verwijzing ingegaan en is aangegeven waarom in de opvatting van het college aan de achterzijde van percelen sprake is van een uitweg en waarom de ontsluiting aan de voorzijde als een tweede uitweg wordt gezien. Ook uit het alsnog verstrekte verslag blijkt dat deze kwestie, die onder andere de adressen [adres] en [adres] betreft, op de hoorzitting aan de orde is geweest.
De rechtbank deelt daarom niet de opvatting dat de verslaglegging van wat tijdens de hoorzitting aan de orde is gesteld gebreken vertoont. Aan de daaraan te stellen eisen is voldaan.
Ook deelt de rechtbank niet eisers' opvatting dat het advies gebreken vertoont. Dat bij de behandeling van een bezwaar niet letterlijk naar een genoemde uitspraak wordt verwezen, is niet relevant, voor zover het onderwerp waarop de verwijzing betrekking had, is behandeld. En daarvan is sprake.
Het betoog slaagt daarom niet.
Toetsingskader
17. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat de aanvraag om de omgevingsvergunning ná die datum is ingediend, is in deze zaak de Omgevingswet van toepassing.
Ten tijde van de aanvraag en de daarop volgende besluitvorming was de “Verordening fysieke leefomgeving gemeente Bladel 2024” (hierna: de Verordening) van toepassing.
18. Ingevolge artikel 22.8 van de Omgevingswet geldt het in de Verordening opgenomen verbod om zonder vergunning een uitweg aan te leggen als een verbod als bedoeld in artikel 5 .1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet.
Tussen partijen is in geschil of het college de vergunning - gelet op het bepaalde in artikel 4.21 van de Verordening - (dat ziet op het maken of veranderen van een uitweg) op goede gronden heeft geweigerd.
19. Ingevolge artikel 4.21 tweede lid van de Verordening wordt de vergunning slechts geweigerd:
a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;
b. als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;
c. als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of
d. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.
20. De rechtbank stelt - mede voor een goed begrip van partijen - vast dat artikel 4.21 van de Verordening een vastomlijnd toetsingskader geeft. Gelet op het imperatieve karakter van de in artikel 4.21 van de Verordening neergelegde weigeringsgronden moet een uitwegvergunning in beginsel worden geweigerd, als één of meer van de genoemde weigeringsgronden zich voordoet of voordoen.
Verkeersveiligheid
21. Eisers stellen dat de door hen beoogde uitweg (haaks en overzichtelijk op de weg) niet zal leiden tot extra gevaar op de weg. De beoogde uitweg is op korte (overzichtelijke) afstand gelegen van een rotonde en de rijbanen zijn gescheiden. Het verkeer vanaf de rotonde kan nog geen hoge snelheid hebben ter hoogte van de beoogde uitweg. Eisers verwijzen - als voorbeeld van een soortgelijke weg als de [adres] - naar een weg die de [naam] wordt genoemd. Deze weg ligt in het verlengde van de rotonde nabij de woning van eisers en wordt gekenmerkt door de vele uitwegen vanaf de woningen naar deze (eveneens 50 km-)weg. Eisers zijn daarom van mening dat de veiligheid geen reden tot weigering van de vergunning kan zijn.
Eisers voeren in dit verband tevens aan dat in het verleden op korte afstand van hun perceel een drietal langs-parkeerplaatsen aan de [adres] is gerealiseerd. Deze brengen de verkeersveiligheid meer in gevaar (snelheidsverschillen) dan de beoogde (overzichtelijke) uitweg.
22. Het college heeft de omgevingsvergunning onder andere geweigerd in het belang van de verkeersveiligheid. De verkeersveiligheid is aan de orde, omdat de uitweg aansluit op een GOW50-weg waar gewoonlijk niet op wordt ontsloten met erfaansluitingen. Het betreft een weg waarbij verkeersdeelnemers geen afslaande bewegingen verwachten op een wegvak, maar uitsluitend bij kruispunten. Bij het in- en uitrijden van de uitweg is het snelheidsverschil tussen het remmende of optrekkende voertuig en het verkeer op de weg zelf te hoog.
23. In het verweerschrift heeft het college aangegeven dat aan de door eisers genoemde straat veel uitritten liggen die een stuk ouder zijn. Hiervoor zijn niet altijd vergunningen gevonden. In 2017 heeft aan de [adres] een reconstructie plaatsgevonden. Al lang bestaande inritten zijn toen in dit nieuwe ontwerp meegenomen. Ook is sprake van aanscherping van beleid bij het verlenen van vergunningen.
Ten aanzien van de aanwezigheid van een drietal langsparkeerplaatsen aan de [adres] is het college van mening dat deze er niet toe leidt dat daarom nu een omgevingsvergunning voor een tweede uitweg aan de [adres] moet worden verleend.
Het college wil met het weigeren van de vergunning ook precedentwerking voorkomen.
24. Ter zitting is door het college aangegeven dat de Verordening in 2024 is ingevoerd met het oog op de wildgroei aan inritten in de omgeving. Ten aanzien van de [naam] (ook een GW 50-weg) is gesteld dat dit een oude situatie betreft; die inritten liggen er al langere tijd. De huizen aldaar hebben geen ontsluiting aan de achterzijde.
25. Niet in geschil is dat de beoogde uitweg is gelegen aan de [adres] en een zogeheten GOW 50-weg is (gebiedsontsluitingsweg met een maximale snelheid van 50 km/h).
26. De rechtbank is van oordeel dat het college zich op goede gronden op het standpunt heeft kunnen stellen dat het realiseren van een extra uitweg gevolgen heeft voor de verkeersveiligheid op de [adres] die kan worden aangemerkt als een doorgaande (dorps-)verkeersweg. Daarbij is in aanmerking genomen dat ter plaatse aan de [adres] (en de nabij gelegen [naam] ) sprake is van een aantal uitwegen die reeds een impact hebben op de veiligheid. De rechtbank acht voldoende onderbouwd dat, mede omdat er al meer bestaande uitwegen zijn, iedere toevoeging van een uitweg kan leiden tot een toename van de verkeersonveiligheid en daarom niet wenselijk is te achten. Hetzelfde geldt voor de aanwezige langsparkeerplaatsen. Juist die aanwezigheid kan betekenen dat de toevoeging van een extra uitweg eerder strijdig is met het verkeersveiligheidsbelang, dan wanneer deze langsparkeerplaatsen er niet zouden zijn.
27. Gelet hierop heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat op grond van het bepaalde in artikel 4.21, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening het verlenen van een omgevingsvergunning niet aan de orde is en heeft het hierom de omgevingsvergunning terecht geweigerd.
Dit betoog slaagt evenmin.
28. Partijen zijn eveneens verdeeld over de vraag of de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 4.21, eerste lid, onder d, van de Verordening van toepassing is. Hierbij is aan de orde of sprake is van een tweede uitweg en of de aanleg daarvan ten koste gaat van openbaar groen.
Tweede uitweg
29. Eisers zijn van mening dat in dit geval ( [adres] ) geen sprake kan zijn van een bestaande uitweg aan de achterzijde bij hun woning. De uitspraak die in het advies van de Commissie wordt genoemd (ECLI:NL:RVS:2020:1112) gaat over een tuinpoort en niet over een uitweg. Door de Commissie en het college is ten onrechte niet ingegaan op de door eisers overgelegde jurisprudentie.
Ter zitting hebben eisers aangevoerd dat voor de vraag of sprake is van een tweede uitweg ook dient te worden gekeken naar een uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, waarin de Afdeling heeft aangegeven dat ook moet worden gekeken naar de feitelijke bestemming.
30. Het college stelt dat hij bij de weigering om een omgevingsvergunning te verlenen tevens in aanmerking heeft genomen dat het om een tweede uitweg gaat. In de Verordening is geen definitie opgenomen waaruit volgt in welke gevallen sprake is van een bestaande of tweede uitweg. Volgens het college is voor het bestaan van een uitweg bepalend dat de aanwezigheid van een dergelijke voorziening door uiterlijke kenmerken voor de overige weggebruikers duidelijk kenbaar is. Het college verwijst naar een uitspraak van de Afdeling van 22 april 2020. Bij een uitweg gaat het in de regel om een aansluiting voor rijdend wegverkeer vanaf een particulier erf op een openbare weg. Aan de achterzijde van de woning van eisers bevindt zich een bijgebouw dat in het verleden dienst deed als garage. Van de garage is een aansluiting naar de openbare weg gerealiseerd. Deze aansluiting moet als een uitweg worden aangemerkt. Het feit dat het bijgebouw niet meer als garage in gebruik is doet er volgens het college niet aan af dat de aansluiting nog steeds aanwezig is en dus nog steeds sprake is van een uitweg aan de Lodewijk van Deyssellaan. Ook het feit dat die uitweg te kort is om er een auto te kunnen stallen en niet meer doelmatig wordt of kan worden gebruikt, ontneemt die aansluiting niet het kenmerk van een uitweg.
Aldus is sprake van een bestaande uitweg en moet de aanvraag voor een uitweg aan de [adres] als een aanvraag voor een tweede uitweg worden beschouwd.
31. De rechtbank heeft - bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een reeds bestaande uitweg aan de achterzijde van het perceel - de door partijen genoemde uitspraak van de Afdeling van 22 april 2020 in aanmerking genomen. In die uitspraak is in algemene zin (los van de feitelijke situatie in die zaak) opgenomen wat de vaste rechtspraak inzake het bepalen van het bestaan van een uitweg is.
Voor het bestaan van een uitweg is bepalend dat de aanwezigheid daarvan door de uiterlijke kenmerken ervan voor de overige weggebruikers duidelijk kenbaar is. Doorgaans worden ten behoeve van een uitweg fysieke voorzieningen getroffen, zoals een verlaagde trottoirband. In dit geval is aan de achterzijde van het perceel een garage gelegen, met daarvoor een strook verharding. Het college heeft zich op het standpunt mogen stellen dat hiermee sprake is van een ontsluiting en dus van een uitweg. Het perceel is daarmee aan de achterzijde ontsloten op een openbare weg.
Het feit dat de garage kennelijk, zoals door eisers is aangevoerd, niet als zodanig kan worden gebruikt, doordat daarin allerlei voorzieningen ten behoeve van de woning zijn geplaatst, komt voor eigen rekening en risico van eisers. Niet kan worden gezegd dat van een uitweg niet langer sprake is.
De door eisers genoemde uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022 leidt niet tot een ander oordeel, omdat het daarin niet gaat om een uitweg, maar om een stallingsplaats op grond van een Parkeerverordening. Tevens is van belang dat in deze Parkeerverordening sprake is van een definitiebepaling die in deze zaak niet van toepassing is.
32. Gelet hierop heeft het college zich op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat aan de achterzijde van het perceel sprake is van een bestaande uitweg en dat de aanvraag ziet op een tweede uitweg.
Dit betoog slaagt niet.
Bestemmingsplan
33. Eisers stellen dat de gronden met de enkelbestemmingen “Wonen”, “Groen” en “Verkeer”, die worden doorsneden voor de aanleg van de beoogde uitweg, mede op grond van het bestemmingsplan bestemd zijn voor voorzieningen voor verkeer en inritten (enkelbestemming “Groen”).
34. Het college heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat het klopt dat in artikel 7.1, onder f, van de planregels van het bestemmingsplan “Kom Bladel 2019” staat dat voor “Groen” aangewezen gronden bestemd zijn voor inritten. Daar moet ook artikel 4.21, onder d, van de Verordening naast gelegd worden, waarin is aangegeven dat als er sprake is van een tweede uitweg, deze uitweg niet gerealiseerd mag worden als dit ten koste gaat van openbaar groen. Omdat er aan de [adres] sprake is van een aanvraag voor een tweede uitweg kan geen omgevingsvergunning verleend worden.
35. In een reactie op het verweerschrift hebben eisers gesteld dat uit de kaart bij het Groenstructuurplan (2017) volgt dat voor de [adres] slechts enkel de bestaande bomen van belang zijn. Met het beoogde verzoek tot een uitweg is het niet noodzakelijk om een boom in de betreffende groenstrook te rooien. Van een aantasting van het openbaar groen is geen sprake.
36. De rechtbank stelt vast dat ingevolge het bepaalde in artikel 4.21, tweede lid, aanhef en onder d, van de Verordening een voorwaarde voor het verlenen van een uitwegvergunning voor een tweede uitweg is dat de aanleg van die uitweg niet ten koste mag gaan van het openbaar groen.
In de Verordening zijn geen nadere bepalingen opgenomen over wat onder “openbaar groen” wordt verstaan. Daaruit volgt dat niet van belang is wat de (ecologische) waarde is van het openbaar groen. Ook de doorsnijding van een openbare strook gras is daarmee een aantasting van openbaar groen.
37 . Zoals hiervoor overwogen is sprake van een tweede uitweg. Omdat door de aanleg hiervan openbaar groen zou moeten worden opgeofferd, staat artikel 4.21, eerste lid, onder d, van de Verordening aan verlening van een omgevingsvergunning in de weg. Dat die aanleg niet strijdig is met het bestemmingsplan, maakt dat niet anders.
Ook dit betoog slaagt niet.
Oplaadpunt
38. Eisers zijn, onder verwijzing naar het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan, van mening dat de beoogde uitweg ten behoeve van het laden van de elektrische auto op eigen terrein
binnen het beleid van de gemeente Bladel valt. De belangen van eisers bij de realisatie van een uitweg, plus het realiseren van een laadpunt zijn groot en daarmee wordt ook het algemeen belang gediend.
39. Het college erkent dat het initiatief binnen het beleid van de gemeente valt, maar het verduurzamingsbeleid van de gemeente leidt dat er niet automatisch toe dat een omgevingsvergunning voor een tweede uitweg wordt verleend. Voor uitwegen is artikel 4.21 van de Verordening het toetsingskader.
40. De rechtbank deelt de opvatting van het college over het toepasselijke toetsingskader. Het al dan niet voldoen van het initiatief aan het verduurzamingsbeleid, laat die toetsing aan de Verordening onverlet.
Ook dit betoog slaagt niet.
Gelijkheidsbeginsel
41. Eisers stellen dat in het advies van de Commissie ten onrechte is gesteld dat de woning
[adres] de uitweg deelt met [adres] [nummer] .
Uit de stukken bij de op 23 december 2024 verleende omgevingsvergunning blijkt volgens eisers dat, parallel aan de bestaande inrit van [adres] [nummer] voor [adres] een extra uitrit wordt vergund van 3 meter breed. Dat de bewoner van nummer [nummer] aanvankelijk de inrit smaller maakte, waardoor hij deels gebruik moest maken van de bestaande inrit van nummer [nummer] , doet daar niets aan af.
Bij het advies van de Commissie is over de inrit van [adres] expliciet gesteld dat er sprake is van een eerste uitweg. Eisers zijn echter van mening dat dit apert onjuist is. Aan de achterzijde van de woning nummer [nummer] is namelijk een garage aanwezig. Deze situatie is exact vergelijkbaar met de beoogde situatie bij de woning van eisers.
42. In het advies van de Commissie is over de woning aan de [adres] gesteld dat hiervoor op 11 juli 2025 een omgevingsvergunning voor een uitweg is verleend op grond van het bestemmingsplan “Kom Bladel 2019” en hierdoor een ander toetsingskader geldt. Volgens eisers is echter geen sprake van een ander toetsingskader, omdat het geldende bestemmingsplan voor hun woning [adres] ook “Kom Bladel 2019” is.
Los daarvan is op 11 juli 2025 enkel een omgevingsvergunning verleend voor een carport, omdat het college het standpunt innam dat de uitweg reeds aanwezig was. Daargelaten of die uitweg in het verleden ook is vergund, is het volgens eisers evident dat ook daarvoor een omgevingsvergunning nodig was. Verder heeft ook de woning op nummer [adres] een garage aan de achterzijde met een ontsluiting op de openbare weg.
43. Daarom is er naar de mening van eisers wel degelijk sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel.
44. In het verweerschrift heeft het college aangegeven dat het klopt dat nummer [nummer] net als nummer [nummer] een garage heeft. De feitelijke situatie verschilt echter.
Het gaat bij nummer [nummer] om een inrit waarbij alsnog gedeeltelijk gebruik wordt gemaakt van de inrit van de buren op nummer [nummer] .
Ook nummer [adres] heeft een garage, net als nummer [nummer] . De inrit lag er al op het moment van de aanvraag. Als de inrit wel nieuw zou zijn - en aangevraagd had moeten worden - zou er wel aan artikel 4.21 van de Verordening zijn getoetst. In het archief is niet meer te achterhalen of hier in het verleden een vergunning voor is verleend. Deze casus kan daarom eveneens niet als voorbeeld worden aangehaald in het kader van het gelijkheidsbeginsel.
45. In een reactie op het verweerschrift hebben eisers verwezen naar de publicatie van de vergunning voor nummer [adres] in het Gemeenteblad van 31 juli 2025. In die publicatie staat letterlijk dat een vergunning is verleend voor het plaatsen van een carport én het aanleggen van een inrit aan de [adres] . Eisers stellen, onder verwijzing naar beeldmateriaal, dat er voorheen geen sprake was van een fysieke ontsluiting van het perceel nummer [adres] naar de openbare weg. Kennelijk was verkeersveiligheid geen grond om de vergunning te weigeren.
46. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel zijn er vereisten die voortvloeien uit vaste rechtspraak. Er moet sprake zijn van een vergelijkbaar geval, dat ongelijk wordt behandeld, zonder dat er een objectieve rechtvaardiging bestaat voor het verschil in handelwijze.
Voor de locatie [adres] is op 23 december 2024, op basis van de “Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Bladel 2024”, een omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van een uitweg. Het perceel met de woning [adres] heeft een uitweg naast de uitweg op nummer [nummer] .
Voor de [adres] is op 11 juli 2025 een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit (omgevingsplan) verleend op basis van het bestemmingsplan “Kom Bladel 2019”.
47 . Hoewel in artikel 4.21 van de Verordening sprake is van een limitatief imperatief stelsel van weigeringsgronden ziet de rechtbank hierin geen beletsel voor een toetsing aan het gelijkheidsbeginsel. Hierbij heeft de rechtbank een uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2019 in aanmerking genomen.
48. De rechtbank stelt vast dat bij de woningen nummers [nummer] en [adres] eveneens sprake is van een garage aan de achterzijde. Voor deze woningen is aan de voorzijde sprake van een tweede inrit die - gelet op tijdstip van aanleg - in beginsel vallen onder het toetsingskader van de Verordening.
49. Ten aanzien van de woning nummer [adres] acht de rechtbank - in tegenstelling tot het college - aannemelijk dat geen sprake was van een voorheen aan de voorzijde reeds aanwezige uitweg. Uit door eisers verstrekt beeldmateriaal kan worden afgeleid dat er, op de plaats van de huidige (brede) uitweg, sprake was van een smal pad door het openbaar groen dat niet gelijk gesteld kon worden aan een uitweg. Bij de woning was eerder tevens sprake van een hekwerk dat het perceel afsloot en dat bij het realiseren van de uitweg - om een doorgang te krijgen - is verwijderd. Van een in het verleden reeds bestaande uitweg was daarom geen sprake. Hierin is geen grond gelegen voor afwijzing van het verzoek op het gelijkheidsbeginsel.
50. Eisers zouden dit geval kunnen opvoeren in het kader van een beroep op het gelijkheidsbeginsel, als hiervoor recent een omgevingsvergunning zou zijn aangevraagd en verleend. Er is echter weliswaar een omgevingsvergunning verleend, maar die ziet niet op een tweede uitweg, maar alleen op een carport. De publicatie in het Gemeenteblad vermeldt weliswaar de verlening van een omgevingsvergunning voor een uitweg, maar die publicatie is niet doorslaggevend, omdat de omgevingsvergunning zelf niet strekt tot verlening van een vergunning voor deze activiteit. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel, onder verwijzing naar de woning nummer [adres] , kan dan ook niet slagen.
51. De rechtbank is van oordeel dat de beoogde uitweg van eisers wel vergelijkbaar is met die van nummer [nummer] . Ter zitting is gebleken dat de aanvraag om een vergunning voor nummer [nummer] betrekking heeft op een inrit van 3 meter breed, dat deze vergunning is verleend en dat de inrit (nadat een lantaarnpaal is verplaatst) uiteindelijk ook met deze breedte is aangelegd.
In zoverre heeft het college zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een vergelijkbaar geval.
52. Ter zitting heeft het college zich op het standpunt gesteld dat, aangenomen dat nummer [nummer] een gelijk geval betreft, het college niet gehouden is om een eenmaal gemaakte fout te herhalen door aan eisers een omgevingsvergunning voor een tweede uitweg te verlenen.
De rechtbank deelt deze opvatting, maar het is de rechtbank niet gebleken dat de verlening van een omgevingsvergunning voor een uitweg voor nummer [nummer] inderdaad berust op een fout, dan wel dat het college van mening was dat in dat geval geen weigeringsgronden inzake verkeersveiligheid en aantasting van openbaar groen aan de orde waren. In de vergunning is aangegeven dat er geen sprake was van de weigeringsgronden van artikel 4.21 van de Verordening, maar waarom daarvan geen sprake is, is de rechtbank uit het besluit tot vergunningverlening niet duidelijk geworden. Er bestaat dan ook een gerede kans dat het college zich niet kan beroepen op het maken van een fout.
Dit betoog slaagt.
53. De rechtbank ziet hierin grond tot vernietiging van het bestreden besluit vanwege strijd met het in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb opgenomen motiveringsbeginsel.
Conclusie en gevolgen
54. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd. Dit betekent dat het college een nieuw besluit op bezwaar zal moeten nemen.
55. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank, in aanmerking nemende dat het college opnieuw onderzoek zal moeten instellen naar de verschillen tussen eisers geval en de vergunningverlening voor de woning [adres] en dit onderzoek mogelijk enige tijd zal kosten, geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen.
56. Eisers krijgen, in verband met de vernietiging van het bestreden besluit, het griffierecht van 200,00 terug.
57. Zij krijgen ook een vergoeding van hun proceskosten, voor door een derde beroepsmatig verleend rechtsbijstand. Deze vergoeding bedraagt € 2.335,00 (2,5 punt, waarde per punt
€ 934,00), omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend, een reactie heeft gegeven op het verweerschrift en aan de zitting heeft deelgenomen.
Beslissing
De rechtbank,
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,00 aan eisers moet vergoeden;
veroordeelt het college tot betaling van € 2.335,00 aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. de Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.M. Emons, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2026.
griffier
De rechter is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 7:7
Van het horen wordt een verslag gemaakt.
Artikel 7:11
1. Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.
2. Voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit.
Artikel 7:12
1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. (..)
Artikel 7:13
1. t/m 5. (..).
6. Het advies van de commissie wordt schriftelijk uitgebracht en bevat een verslag van het horen.
7. (..).
Artikel 8:43
1. De bestuursrechter kan de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid stellen schriftelijk te repliceren. In dat geval wordt het bestuursorgaan in de gelegenheid gesteld schriftelijk te dupliceren. (..).
2. (..).
Omgevingswet
Artikel 1.1 (begripsbepalingen)
1. De bijlage bij deze wet bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen.
2. Begripsbepalingen die zijn opgenomen in een bijlage bij een algemene maatregel van bestuur op grond van deze wet zijn ook van toepassing op een ministeriële regeling op grond van deze wet, tenzij in die regeling anders is bepaald.
Artikel 5.1. (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een omgevingsplanactiviteit,
b. t/m g. (..);
tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
Artikel 22.8 (omgevingsvergunning gemeentelijke verordening)
Voor zover op grond van een bepaling in een gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist voor een geval waarin regels over de fysieke leefomgeving op grond van artikel 2.7, eerste lid, alleen in het omgevingsplan mogen worden opgenomen, geldt een zodanige bepaling als een verbod om zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a.
Bijlage bij artikel 1.1 van deze wet
A Begrippen
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:
- omgevingsplanactiviteit: activiteit, inhoudende:
a.een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan,
b.een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of
c.een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan;
- omgevingsvergunning: omgevingsvergunning als bedoeld in afdeling 5.1;
Omgevingsbesluit
Artikel 2.1 (verplichting en verbod opname regels in omgevingsplan)
1. Onverminderd het tweede lid worden in ieder geval regels over activiteiten die onderdelen van de fysieke leefomgeving wijzigen als bedoeld in artikel 1.2, derde lid, onder a, van de wet alleen in het omgevingsplan opgenomen.
Verordening fysieke leefomgeving gemeente Bladel 2024 (geldend van 31-12-2023 t/m heden)
Artikel 1.8 Weigeringsgronden
1. De vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:
a. de openbare orde (zoals het voorkomen of beperken van overlast);
b. de openbare veiligheid (zoals de verkeersveiligheid en de veiligheid voor personen en goederen);
c. de volksgezondheid (zoals zedelijkheid en het beperken of voorkomen van letsel of schade);
d. de bescherming van het milieu (zoals het voorkomen of beperken van geluidsoverlast).
e. het woon- en leefklimaat;
f. het uiterlijk aanzien van de gemeente.
2. (..).
3. (..).
Paragraaf 4.3.1 Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Artikel 4.19 Voorwerpen op of aan een openbare plaats
(ingetrokken)
Artikel 4.20 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
2. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij een omgevingsplan.
3. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.
4. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het provinciaal wegenreglement, de waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Verordening ondergrondse infrastructuur.
Artikel 4.21 Maken of veranderen van een uitweg
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1.8 wordt de vergunning slechts geweigerd:
a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;
b. als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;
c. als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of
d. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.
3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur of het provinciaal wegen-reglement.
ECLI:NL:RVS:2022:1830
ECLI:NL:RVS:2020:1112
ECLI:NL:RVS:2019:721