Rechtbank Oost-Brabant
ECLI:NL:RBOBR:2026:5870
2026-08-19
Civiel recht
425420 / HA ZA 26-226
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Incidentele vordering ex artikel 194 en 195 Rv. Afwijzing. Onvoldoende aannemelijk gemaakt dat partij belang heeft bij inzage.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.390 tekens)
RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/425420 / HA ZA 26-226
Vonnis in incident van 19 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [plaats] ,
eisende partij in conventie in de hoofdzaak,
verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. M.A.A.M. van Brunschot-van der Sanden,
tegen
1 [gedaagde 1] B.V.,
te [plaats] ,2. [gedaagde 2],
te [plaats] ,
gedaagde partijen in conventie in de hoofdzaak,
eisende partijen in reconventie in de hoofdzaak,
eisende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. L.H.H. Verhoeven.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding
de akte overlegging producties van [eiser]
de conclusie van antwoord met een eis in reconventie en een incidentele vordering ex artikel 194 en 195 Rv
de conclusie van antwoord in het incident.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2De beoordeling in het incident
Akte niet-dienen
2.1.
Na de conclusie van antwoord in het incident zijn [gedaagden] in de gelegenheid gesteld om te reageren op de bij die conclusie overgelegde producties. Dat hebben [gedaagden] niet op tijd gedaan. Ten onrechte is er vervolgens geen akte niet-dienen verleend, is de door [gedaagden] te laat ingediende akte met eiswijziging in incident ingeschreven op de rol, is [eiser] in de gelegenheid gesteld om op de eiswijziging te reageren en is de vervolgens ingediende akte van [eiser] ingeschreven op de rol. De rechtbank verleent daarom alsnog akte niet-dienen aan [gedaagden] . Dat betekent dat de inhoud van de na conclusie van antwoord in het incident ingediende aktes hieronder niet zullen worden meegenomen bij de beoordeling.
De hoofdzaak
2.2.
In de hoofdzaak is, samengevat en alleen voor zover van belang voor de beoordeling van het incident, het volgende aan de hand. [eiser] verkocht en leverde sinds 2023 veevoer aan [gedaagden] . Op enig moment zijn [gedaagden] door [eiser] geïncasseerde bedragen gaan storneren. [eiser] vordert daarom in conventie betaling van onbetaald gelaten facturen. [gedaagden] betwisten een bedrag aan [eiser] te zijn verschuldigd. Volgens [gedaagden] heeft [eiser] aan [gedaagde 1] B.V. aanzienlijk meer veevoer gefactureerd dan geleverd en is het aan [eiser] om aan te tonen dat de leveringen van alle door haar gestuurde facturen aan [gedaagden] zijn verricht. In reconventie vorderen [gedaagden] een verklaring voor recht dat [eiser] door het vervalsen van facturen en incasseren daarvan, fraude heeft gepleegd respectievelijk onrechtmatig heeft gehandeld. [gedaagde 1] B.V. vordert betaling van onverschuldigd betaalde bedragen.
2.3.
[gedaagden] vorderen daarnaast in reconventie een verklaring voor recht dat [eiser] de handtekening op de machtiging van [gedaagden] aan [eiser] tot het verrichten van automatische incasso's ten gunste van [eiser] heeft vervalst en hiermee valsheid in geschrifte heeft gepleegd, zodat zij daarmee fraude heeft verricht respectievelijk onrechtmatig heeft gehandeld.
Het geschil in het incident
2.4.
[gedaagden] vorderen [eiser] te veroordelen om binnen twee weken na betekening van het te wijzen vonnis af te geven althans tijdelijk beschikbaar te stellen de originele machtiging(en) van [gedaagden] aan [eiser] tot het verrichten van automatische incasso's ten behoeve van [eiser] , op straffe van een dwangsom.
2.5.
[eiser] heeft daartegen verweer gevoerd.
De inhoudelijke beoordeling van het incident
2.6.
De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 194 lid 1 Rv bepaalt dat een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking recht heeft op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens, als zij daarbij voldoende belang heeft. Een partij moet dan wel aannemelijk maken dat zij belang heeft bij het verkrijgen van inzage van die gegevens. Dat hebben [gedaagden] volgens [eiser] onvoldoende gedaan. Dat verweer slaagt. Volgens [gedaagden] hebben zij de originele machtiging nodig, zodat zij de handtekening door een derde kunnen laten onderzoeken om vast te stellen dat de desbetreffende handtekening vals is en [eiser] fraude heeft gepleegd. Volgens [gedaagden] hebben zij namelijk geen machtiging getekend en zou de machtiging die is gebruikt om bedragen te incasseren door [eiser] zijn vervalst. [eiser] voert echter terecht aan dat [gedaagden] niet toelichten waarom de machtiging relevant is voor hun verweer in de hoofdzaak in conventie en/of voor hun vordering in reconventie. [gedaagden] verbindt aan de door haar gestelde fraude met betrekking tot de machtiging namelijk helemaal geen consequenties. Dat zij een zelfstandig belang zouden hebben bij toewijzing van de verklaring voor recht dat de handtekening op de machtiging is vervalst, is niet gebleken. Zo vorderen zij niet alle met gebruikmaking van die machtiging overgemaakte bedragen terug of vraagt zij geen schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van [eiser] . [gedaagden] stellen zich op het standpunt dat zij geen bedragen aan [eiser] zijn verschuldigd, omdat er teveel door [eiser] zou zijn gefactureerd. Om die reden vordert [gedaagden] een bedrag van [eiser] . Die machtiging is niet relevant voor deze procedure.
2.7.
De incidentele vordering zal gelet op het voorgaande worden afgewezen.
2.8.
[gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op € 842,00 (€ 653,00 aan salaris advocaat (1 punt × € 653,00) en € 189,00 aan nakosten), plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.
2.9.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
2.10.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.
3De beslissing
De rechtbank
in het incident
3.1.
verleent akte niet-dienen aan [gedaagden] ,
3.2.
wijst de incidentele vordering ex artikel 194 en 195 Rv af,
3.3.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
3.4.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.5.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
3.6.
verwijst de zaak naar de rol van 2 september 2026 voor beraad over het vervolg van de procedure,
3.7.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026.
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/425420 / HA ZA 26-226
Vonnis in incident van 19 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [plaats] ,
eisende partij in conventie in de hoofdzaak,
verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. M.A.A.M. van Brunschot-van der Sanden,
tegen
1 [gedaagde 1] B.V.,
te [plaats] ,2. [gedaagde 2],
te [plaats] ,
gedaagde partijen in conventie in de hoofdzaak,
eisende partijen in reconventie in de hoofdzaak,
eisende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. L.H.H. Verhoeven.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding
de akte overlegging producties van [eiser]
de conclusie van antwoord met een eis in reconventie en een incidentele vordering ex artikel 194 en 195 Rv
de conclusie van antwoord in het incident.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2De beoordeling in het incident
Akte niet-dienen
2.1.
Na de conclusie van antwoord in het incident zijn [gedaagden] in de gelegenheid gesteld om te reageren op de bij die conclusie overgelegde producties. Dat hebben [gedaagden] niet op tijd gedaan. Ten onrechte is er vervolgens geen akte niet-dienen verleend, is de door [gedaagden] te laat ingediende akte met eiswijziging in incident ingeschreven op de rol, is [eiser] in de gelegenheid gesteld om op de eiswijziging te reageren en is de vervolgens ingediende akte van [eiser] ingeschreven op de rol. De rechtbank verleent daarom alsnog akte niet-dienen aan [gedaagden] . Dat betekent dat de inhoud van de na conclusie van antwoord in het incident ingediende aktes hieronder niet zullen worden meegenomen bij de beoordeling.
De hoofdzaak
2.2.
In de hoofdzaak is, samengevat en alleen voor zover van belang voor de beoordeling van het incident, het volgende aan de hand. [eiser] verkocht en leverde sinds 2023 veevoer aan [gedaagden] . Op enig moment zijn [gedaagden] door [eiser] geïncasseerde bedragen gaan storneren. [eiser] vordert daarom in conventie betaling van onbetaald gelaten facturen. [gedaagden] betwisten een bedrag aan [eiser] te zijn verschuldigd. Volgens [gedaagden] heeft [eiser] aan [gedaagde 1] B.V. aanzienlijk meer veevoer gefactureerd dan geleverd en is het aan [eiser] om aan te tonen dat de leveringen van alle door haar gestuurde facturen aan [gedaagden] zijn verricht. In reconventie vorderen [gedaagden] een verklaring voor recht dat [eiser] door het vervalsen van facturen en incasseren daarvan, fraude heeft gepleegd respectievelijk onrechtmatig heeft gehandeld. [gedaagde 1] B.V. vordert betaling van onverschuldigd betaalde bedragen.
2.3.
[gedaagden] vorderen daarnaast in reconventie een verklaring voor recht dat [eiser] de handtekening op de machtiging van [gedaagden] aan [eiser] tot het verrichten van automatische incasso's ten gunste van [eiser] heeft vervalst en hiermee valsheid in geschrifte heeft gepleegd, zodat zij daarmee fraude heeft verricht respectievelijk onrechtmatig heeft gehandeld.
Het geschil in het incident
2.4.
[gedaagden] vorderen [eiser] te veroordelen om binnen twee weken na betekening van het te wijzen vonnis af te geven althans tijdelijk beschikbaar te stellen de originele machtiging(en) van [gedaagden] aan [eiser] tot het verrichten van automatische incasso's ten behoeve van [eiser] , op straffe van een dwangsom.
2.5.
[eiser] heeft daartegen verweer gevoerd.
De inhoudelijke beoordeling van het incident
2.6.
De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 194 lid 1 Rv bepaalt dat een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking recht heeft op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens, als zij daarbij voldoende belang heeft. Een partij moet dan wel aannemelijk maken dat zij belang heeft bij het verkrijgen van inzage van die gegevens. Dat hebben [gedaagden] volgens [eiser] onvoldoende gedaan. Dat verweer slaagt. Volgens [gedaagden] hebben zij de originele machtiging nodig, zodat zij de handtekening door een derde kunnen laten onderzoeken om vast te stellen dat de desbetreffende handtekening vals is en [eiser] fraude heeft gepleegd. Volgens [gedaagden] hebben zij namelijk geen machtiging getekend en zou de machtiging die is gebruikt om bedragen te incasseren door [eiser] zijn vervalst. [eiser] voert echter terecht aan dat [gedaagden] niet toelichten waarom de machtiging relevant is voor hun verweer in de hoofdzaak in conventie en/of voor hun vordering in reconventie. [gedaagden] verbindt aan de door haar gestelde fraude met betrekking tot de machtiging namelijk helemaal geen consequenties. Dat zij een zelfstandig belang zouden hebben bij toewijzing van de verklaring voor recht dat de handtekening op de machtiging is vervalst, is niet gebleken. Zo vorderen zij niet alle met gebruikmaking van die machtiging overgemaakte bedragen terug of vraagt zij geen schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van [eiser] . [gedaagden] stellen zich op het standpunt dat zij geen bedragen aan [eiser] zijn verschuldigd, omdat er teveel door [eiser] zou zijn gefactureerd. Om die reden vordert [gedaagden] een bedrag van [eiser] . Die machtiging is niet relevant voor deze procedure.
2.7.
De incidentele vordering zal gelet op het voorgaande worden afgewezen.
2.8.
[gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op € 842,00 (€ 653,00 aan salaris advocaat (1 punt × € 653,00) en € 189,00 aan nakosten), plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.
2.9.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
2.10.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.
3De beslissing
De rechtbank
in het incident
3.1.
verleent akte niet-dienen aan [gedaagden] ,
3.2.
wijst de incidentele vordering ex artikel 194 en 195 Rv af,
3.3.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
3.4.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.5.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
3.6.
verwijst de zaak naar de rol van 2 september 2026 voor beraad over het vervolg van de procedure,
3.7.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026.