Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Oost-Brabant

ECLI:NL:RBOBR:2026:5802

2026-07-16 Civiel recht 11853099 CV EXPL 25-6252
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-16
Publicatiedatum
2026-08-14
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
11853099 CV EXPL 25-6252
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

DEXIA Effectenlease

Citeert (25)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (34.287 tekens)
vonnis



RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats Eindhoven



Zaaknummer: 11853099 CV EXPL 25-6252




vonnis van de kantonrechter van 16 juli 2026




in de zaak van





[eiser] , in hoedanigheid van executeur-testamentair van [erlater],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie in de hoofdzaak,
verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces,



tegen




de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak,
eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
gemachtigde: USG Legal Professionals.
Partijen worden hierna [eiser] en Dexia genoemd.






1Kern van de zaak

1.1.

[erlater] heeft via een tussenpersoon een of meer effectenleaseovereenkomsten gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Die overeenkomst hield het volgende in. [erlater] leende geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. [erlater] betaalde met name rente (inleg) per maand of ineens vooruit. Aan het einde van de overeenkomst werden de aandelen verkocht en moest [erlater] het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat [erlater] verlies heeft geleden. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door [erlater] en diens erfgenamen geleden schade helemaal moet vergoeden.


1.2.
Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door [erlater] en diens erfgenamen geleden schade helemaal moet vergoeden.




2De procedure


2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


de dagvaarding van 20 augustus 2026;


het incidentele verzoek ex artikel 195 Rv tevens houdende conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie;


de conclusie van antwoord op het incidentele verzoek tevens houdende repliek in conventie en van (voorwaardelijk) antwoord in reconventie;


de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie,


de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties.





2.2.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.





3De feiten


3.1.
Op [overlijdensdag] 2021 is [erlater] (hierna: ‘ [erlater] ’) overleden. [eiser] (hierna: ‘ [eiser] ’) is tot executeur-testamentair benoemd.



3.2.

[erlater] heeft de volgende leaseovereenkomst (verder: de overeenkomst) ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:









Nr.


Contractnr.


Datum


Naam overeenkomst




I.



[contractnummer]



07-09-2000


Capital Effect








3.3.
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:









Nr.


Datum eindafrekening


Resultaat


Betaald




I.


03-11-2006


- € 2.034,96


Ja








3.4.
Volgens opgave van Dexia heeft [erlater] op grond van de overeenkomst – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 12.099,06 aan maandtermijnen betaald. De restschuld is voldaan door middel van een betaling van € 1.792,59 op 24 januari 2008 en een verrekening van € 242,37 met de dividendopbrengsten. Volgens die opgave heeft [erlater] € 1.560,49 aan dividenden uitgekeerd gekregen en € 995,47 aan fiscaal voordeel genoten.



3.5.
De gemachtigde van [eiser] , Leaseproces, heeft bij brief van 30 mei 2006 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren.



4. De vordering en het verweer in de hoofdzaak en in het incident in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie





4.1.

[eiser] vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- in de hoofdzaak:

 voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [erlater] en/of toerekenbaar is tekort geschoten,
 voor recht zal verklaren dat [erlater] en iedere erfgenaam schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,
 Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [eiser] als executeur-testamentair ten behoeve van de gemeenschap van al datgene dat [erlater] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,
 Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [eiser] , met rente,
 Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente.




4.2.
Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een (deels voorwaardelijke) tegenvordering, waarbij Dexia vordert, dan wel verzoekt (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- in het incident:
 [eiser] ex artikel 195 Rv zal veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier, althans andere schriftelijke documenten waar de door Leaseproces namens [eiser] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend,
- in de hoofdzaak:

 voor recht zal verklaren dat Dexia na betaling aan [eiser] van een bedrag van € 1.356,64, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2008, aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [eiser] verschuldigd is,
 [eiser] zal veroordelen in de proceskosten, met rente.




4.3.

Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.


5. De beoordeling van de vorderingen in conventie en in reconventie in de hoofdzaak en in het incident



algemeen
5.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [erlater] .




5.2.
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend.Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.


5.3.
Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:


er is sprake van huurkoop;


er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;


Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;



[erlater] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;


er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.



verjaring



5.4.
Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [eiser] inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.



tussenpersoon




5.5.

[erlater] heeft de overeenkomst met Dexia afgesloten via de tussenpersoon [A] (verder: de tussenpersoon). Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar het destijds geldende Europese recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021 (ECLI:NL:RBOVE:2021:2548), dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank toegelicht, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:8462), dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. Er is geen reden om thans anders te oordelen. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.


5.6.
De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [erlater] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [erlater] , anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [eiser] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [eiser] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [erlater] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.


5.7.


[eiser] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:

[A] was een lokale tussenpersoon die contractant goed kende, omdat [erlater] al eerder verzekeringen had afgesloten via deze tussenpersoon.
In 2000 heeft [erlater] contact opgenomen met een adviseur van de tussenpersoon, de heer [B] (hierna te noemen: ‘adviseur’), omdat hij graag financieel advies
zou willen verkrijgen over het afsluiten van een pensioenverzekering. Er is een afspraak gemaakt voor een adviesgesprek bij [erlater] thuis. Er hebben vervolgens meerdere gesprekken plaatsgevonden. De ex-partner van [erlater] , [ex-partner] (hierna te noemen: ‘ [ex-partner] ’), was ook aanwezig bij alle gesprekken.
Alvorens het huisbezoek was de adviseur op de hoogte van de financiële situatie van contractant en [ex-partner] vanwege de bestaande adviesrelatie. Tijdens de gesprekken heeft de adviseur nader geïnformeerd naar de financiële situatie en de financiële wensen van zowel [erlater] als [ex-partner] . Zo is er gesproken over het feit dat [erlater] een eigen restaurant had en daardoor geen pensioen opbouwde. Daarom wilde contractant graag een pensioenverzekering afsluiten. Daarnaast is gesproken over het feit dat [ex-partner] voor haar kinderen een spaarrekening had om vermogen op te bouwen voor hun studie, waarbij het spaargeld enkele jaren vast zou staan.
De adviseur vertelde dat hij een product wist waarmee [erlater] vermogen kon opbouwen voor zijn pensioen en [ex-partner] voor haar kinderen. De adviseur adviseerde [erlater] en [ex-partner] om ieder een eigen Capital Effect overeenkomst van Bank Labouchere af te sluiten. Dit zou namelijk een geschikt product voor hen beide zijn. Het Capital Effect was namelijk een goed renderend, maar ook veilig, product. Er zou namelijk enkel in bedrijven geïnvesteerd worden die niet failliet konden gaan. Hier had [ex-partner] ook specifiek naar gevraagd. De adviseur vertelde dat ook dat dit product veel meer op zou leveren dan een pensioenverzekering voor contractant.
Er zou maandelijks een bedrag moeten worden ingelegd. Samen met de adviseur is gekeken
hoeveel [erlater] en [ex-partner] konden inleggen in de overeenkomsten. Voor de Capital Effect overeenkomst van [erlater] adviseerde de adviseur om maandelijks een bedrag van ongeveer NLG 400,- in te leggen. Volgens de adviseur zou [erlater] op deze wijze een aanzienlijk vermogen opbouwen als pensioenvoorziening. De adviseur onderbouwde zijn verhaal ook met een specifiek voor [erlater] opgestelde prognose waarin enkel rekening gehouden werd met positieve rendementen.
De adviseur heeft [erlater] niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo heeft hij er niet op gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst. Als [erlater] op deze risico’s gewezen was had hij de Capital Effect overeenkomst nooit afgesloten.

[erlater] had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden heeft [erlater] het advies van de adviseur opgevolgd. De aanvraag voor de Capital Effect overeenkomst is door de adviseur in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomst is op een later moment ondertekend. [erlater] heeft een Capital Effect overeenkomst van Bank Labouchere afgesloten met een inleg van NLG 402,13 per maand.



5.8.

[eiser] heeft, ter onderbouwing van haar stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:
- een kopie van de overeenkomst van 14 september 2000 met contractnummer [contractnummer] , voorzien van de tekst: “ [contractnaam] .”- een kopie van een document met opschrift ‘Prognose Capital Effect ’ van [A] ,
- een kopie van een uittreksel van de KvK van [A] B.V. met als beschrijving van de werkzaamheden: ‘Het drijven van een verzekeringskantoor,


bemiddelen in assurantiën, hypotheken, geldleningen, pensioenen en aanverwante


diensten’





aanhoudingsverzoek




5.9.
Dexia heeft grote bezwaren tegen de – door haar zo genoemde – ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.


5.10.

Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen.

(nieuwe) argumenten Dexia




5.11.
Dexia heeft tegen de bewuste redenering (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer:


dat ten onrechte de gemachtigde van de afnemer op zijn woord wordt geloofd;


dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon;


dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust, en


dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.




5.12.
Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [eiser] onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de adviseur van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in haar geval heeft [eiser] , tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [eiser] geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomst dan wel tot stand was gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [eiser] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Dat de gemachtigde van [eiser] in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [erlater] en de adviseur van de tussenpersoon, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals [erlater] en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vastleggingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt.



wetenschap Dexia




5.13.
In dit geval is niet gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan [erlater] . Zij had die wetenschap echter wel behoren te hebben. Ten eerste had zij, nu zij gebruik maakte van tussenpersonen, moeten weten wat hun gebruikelijke werkwijze was. Daarnaast lag het op de weg van Dexia om voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst met een klant actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst zou aangaan op advies van de tussenpersoon. Aan de hand van de in dat verband ontvangen informatie had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de overeenkomst met [erlater] kon en mocht sluiten. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht, is gesteld noch gebleken. Dat moet, gelet op het voorgaande, voor haar rekening en risico blijven. De betwisting door Dexia van de stelling dat zij kon weten dat sprake was van vergunningplichtige advisering is dan ook onvoldoende onderbouwd. Daardoor komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Voor zover Dexia, zoals zij stelt, destijds niet wist dat de advisering vergunningplichtig was, leidt dat niet tot een andere uitkomst. Zo’n rechtsdwaling blijft in verhouding tot [eiser] voor rekening van Dexia.



aansprakelijkheid Dexia
5.14. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [erlater] de overeenkomst is aangegaan, heeft zij jegens [erlater] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [erlater] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.

vorderingen van [eiser]
5.15. De door [eiser] gevorderde verklaring (en) voor recht zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [erlater] heeft gehandeld door [erlater] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [erlater] niet alleen als klant aanbracht maar [erlater] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat.




5.16.

De als gevolg hiervan door [erlater] en diens erfgenamen geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [eiser] niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3).

[eiser] heeft aan de hand van het door Dexia overgelegde financiële overzicht in de conclusie van repliek in conventie/antwoord in reconventie de schade berekend op € 11.335,69. Omdat Dexia de berekening niet heeft betwist, zal de kantonrechter uitgaan van dit bedrag.




5.17.
Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.



5.18.
Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [eiser] aangevoerde gronden geen nadere bespreking.



het incidentele verzoek van Dexia




5.19.
Dexia verzoekt dat [eiser] wordt veroordeeld het intakeformulier van haar gemachtigde aan Dexia te verstrekken. Een zogenoemde “exhibitievordering” komt in beginsel voor toewijzing in aanmerking als is voldaan aan de volgende uit artikel 194 Rv. voortvloeiende, cumulatieve voorwaarden:
- degene die de vordering instelt, dient een voldoende belang te hebben,
- het moet gaan om bepaalde gegevens,
- aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser of zijn rechtsvoorganger partij is.



5.20.
Daargelaten de vraag of aan deze vereisten is voldaan, oordeelt de kantonrechter dat op grond van het tweede lid van artikel 194 Rv geen inzage van het intakeformulier dan wel van andere schriftelijke documenten verlangd kan worden. In het tweede lid van artikel 194 Rv is, kortgezegd, bepaald dat beoefenaren van vertrouwensberoepen ter zake van hetgeen hen in hun hoedanigheid is toevertrouwd niet gehouden zijn om aan de exhibitievordering te voldoen. In beginsel betreft dit alle met de beroepsbeoefenaar gewisselde stukken en is het aan de beroepsbeoefenaar om te bepalen of die informatie hem in zijn hoedanigheid zijn toevertrouwd. Er is dus bij hoge uitzondering ruimte om van de beroepsbeoefenaar te verlangen dat hij zich niet op zijn verschoningsrecht beroept. Ook van [eiser] als cliënt(e) van de beroepsbeoefenaar kan (ervan uitgaande dat [eiser] , althans haar gemachtigde, in het bezit is van het intakeformulier)of vergelijkbaar ander document, geen inzage worden verlangd omdat gewichtige redenen als bedoeld in het tweede lid van artikel 194 Rv, zich daartegen verzetten. Dexia wil kennelijk weten welke gegevens [eiser] destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens, via een toegewezen exhibitievordering, bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Al met al oordeelt de kantonrechter dat de incidentele vordering van Dexia moet worden afgewezen.



5.21.
De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op € 87,00.



vorderingen Dexia




5.22.

Gelet op de beoordeling in conventie worden de vorderingen van Dexia afgewezen.

proceskosten




5.23.

Omdat [eiser] inhoudelijk gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [eiser] gevallen.
Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil.
De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 90,00
- salaris gemachtigde € 576,00 (2 punten x tarief € 288,00)
- nakosten € 100,00
Totaal € 910,47



5.24.
De gevorderde rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen.





6De beslissing
De kantonrechter



in het incident van Dexia




6.1.
wijst het verzoek af,



6.2.
veroordeelt Dexia in proceskosten van [eiser] , tot op heden begroot op € 87,00,



in conventie





6.3.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [erlater] heeft gehandeld door [erlater] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [erlater] niet alleen als klant aanbracht maar [erlater] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,



6.4.
verklaart voor recht dat [erlater] en diens erfgenamen schade hebben geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,



6.5.
veroordeelt Dexia om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 11.335,69, vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in r.o. 5.16.,



6.6.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 910,47 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen,



6.7.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,



6.8.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,



6.9.
wijst het meer of anders gevorderde af,



in reconventie





6.10.
wijst de vorderingen af,



6.11.
veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiser] gevallen, tot op heden begroot op nihil.



Aldus gewezen door mr. H.T.J.F. Verhappen, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.






In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).


zie onder meer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 november 2020 ECLI:NL:GHARL:2020:8992, gerechtshof Amsterdam, 25 januari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1462, gerechtshof Den Bosch 10 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:23 en de arresten van Hof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2025 waaronder ECLI:NL:GHARL:2025:684.


Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI :NL:HR:2022:862.


Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof ’s Hertogenbosch 10 december 2024 ECLI:NL:GHSCHE:2024:3936, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:684, ECLI:NL:GHARL:2025:686, ECLI:NL:GHARL:2025:687, ECLI:NL:GHARL:2025:688 en ECLI:NL:GHARL:2025:689, gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:379.


Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.


Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.