Rechtbank Oost-Brabant
ECLI:NL:RBOBR:2026:5776
Inhoudsindicatie
De kantonrechter wijst de vorderingen van de verzekeraar af omdat zij niet heeft voldaan aan haar wegwijsplicht. De dagvaarding is een algemene en summiere incassodagvaarding die nauwelijks op de concrete situatie is toegespitst. Het gaat in deze zaak niet om slechts een paar onbetaald gebleven facturen waarbij de juistheid van de vordering kan blijken uit een eenvoudige optelsom. Het gaat hier om een langlopend dossier met een groot aantal facturen, talloze verrekeningen, tussentijdse (deel)betalingen en een eerder (verstek)vonnis waarvan onvoldoende duidelijk blijkt hoe de daarop verrichte betaling is verdisconteerd. Als producties zijn een groot aantal (betalings)overzichten overgelegd, zonder dat op eenvoudige wijze duidelijk is waar deze overzichten op zien, hoe deze zich onderling tot elkaar verhouden en hoe de kantonrechter deze moet lezen
Citeert (3)
- ECLI:NL:HR:1992:ZC0729 Hoge Raad 23-10-1992
- ECLI:NL:HR:1999:ZC2810 Hoge Raad 08-01-1999
- ECLI:NL:HR:1994:ZC1176
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.063 tekens)
OOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: 11936317 \ CV EXPL 25-6090
Vonnis van 16 juli 2026
in de zaak van
VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V.,
te Arnhem,
eisende partij,
hierna te noemen: VGZ,
gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. J. van Zinnicq Bergmann.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 21 oktober 2025 met 5 producties,- de conclusie van antwoord met 1 productie,
- de akte indienen producties 6 tot en met 13 van VGZ,
- de mondelinge behandeling van 16 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[gedaagde] heeft bij VGZ een zorgverzekering afgesloten. Op basis daarvan is [gedaagde] de zorgpremies en eigen bijdragen voor de slechts deels vergoede zorgfacturen aan VGZ verschuldigd.
2.2.
Er is sprake van een betalingsachterstand.
2.3.
Op 27 januari 2022 is [gedaagde] bij verstek veroordeeld tot betaling van € 500,00 aan VGZ. [gedaagde] heeft deze vordering voldaan.
3. Het geschil
3.1.
VGZ vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 1.687,09, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
VGZ legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] in gebreke is gebleven om de uit hoofde van de tussen [gedaagde] en haar gesloten zorgverzekeringsovereenkomst verschuldigde facturen te voldoen. Zij is naast de achterstallige betalingen ook buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente verschuldigd.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van VGZ, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van VGZ, met veroordeling van VGZ in de kosten van deze procedure.
3.4.
[gedaagde] erkent dat er een betalingsachterstand is. [gedaagde] is echter van mening dat de dagvaarding een obscuur libel is en de hoogte van de vordering daardoor niet door haar te verifiëren is. Dat levert een misbruik van recht op. In deze procedure wordt dezelfde hoofdsom gevorderd als in een verstekprocedure in 2021, terwijl [gedaagde] aan de veroordelingen uit het verstekvonnis heeft voldaan en ook later nog betalingen heeft verricht. Dat rijmt niet met elkaar. Verder is er sprake van verjaring van de vordering.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Uitgangspunt is dat de partij die zich op een bepaald rechtsgevolg wil beroepen voldoende feiten moet stellen (en bij betwisting onderbouwen) die dat rechtsgevolg kunnen dragen. Producties kunnen ter onderbouwing van stellingen dienen, maar niet ter vervanging daarvan. VGZ moet als eiseres haar vordering dus gronden op heldere en toetsbare stellingen en deze onderbouwen met producties waaruit de juistheid van die stellingen kan blijken. Zij zal daarbij op begrijpelijke wijze moeten aanduiden welke delen van die producties relevant zijn voor de ingediende vorderingen.
4.2.
Wat moet worden verstaan onder ‘op begrijpelijke wijze’ volgt uit de eisen van een behoorlijke rechtspleging. Deze eisen brengen mee dat een partij, die een beroep wil doen op feiten en omstandigheden die uit bepaalde producties blijken, op een zodanig concrete wijze naar die producties verwijst dat voor de rechter op vrij eenvoudige wijze is vast te stellen welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en welke feiten die stellingen onderbouwen. Daarnaast moet voor de wederpartij duidelijk zijn waartegen zij zich dient te verweren. De rechter hoeft slechts te letten op de feiten waarop een partij ter ondersteuning van haar standpunt een uitdrukkelijk en voldoende geconcretiseerd beroep heeft gedaan. Dat ergens uit de door een partij overgelegde stukken een bepaald feit blijkt, is onvoldoende.
4.3.
VGZ kan dus voor de onderbouwing van haar vordering niet volstaan met een algemene verwijzing naar producties. Partijen hebben een zogenaamde wegwijsplicht en het staat de rechter niet vrij om in producties van partijen een zoektocht te ondernemen of een meer dan geringe vertaalslag te maken naar wat (mogelijk) relevant is en waarom. Ook van de wederpartij kan dit niet worden verlangd.
4.4.
De kantonrechter stelt vast dat VGZ een vrij omvangrijke hoeveelheid producties heeft overgelegd, terwijl haar dagvaarding slechts een summiere, algemene incassodagvaarding betreft die nauwelijks op de concrete situatie is toegespitst. Een deel van die omvangrijke hoeveelheid producties is ingediend naar aanleiding van de conclusie van antwoord van [gedaagde] . Deze laatste producties zijn slechts summier toegelicht in de begeleidende akte en niet gemakkelijk te doorgronden bij gebrek aan voldoende concrete verwijzingen.
4.5.
Dat van een professionele (proces)partij verwacht mag worden dat zij haar vorderingen deugdelijk en begrijpelijk onderbouwt, geldt des te meer bij een vordering als hier voor ligt. Het gaat in deze zaak namelijk niet om slechts een paar onbetaald gebleven facturen waarbij de juistheid van de vordering kan blijken uit een eenvoudige optelsom. Het gaat hier om een langlopend dossier met een groot aantal facturen, talloze verrekeningen, tussentijdse (deel)betalingen en een eerder (verstek)vonnis van 22 januari 2022 waarvan onvoldoende duidelijk blijkt hoe de daarop verrichte betaling is verdisconteerd. Als producties zijn een groot aantal (betalings)overzichten overgelegd, zonder dat op eenvoudige wijze duidelijk is waar deze overzichten op zien, hoe deze zich onderling tot elkaar verhouden en hoe de kantonrechter deze moet lezen.
4.6.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van VGZ erkend dat het procesdossier ‘een puzzel’ is. Het is - zoals hiervoor is overwogen - niet aan de kantonrechter of aan de wederpartij om deze puzzel te leggen. Het had op de weg van (de gemachtigde van) VGZ gelegen om de kantonrechter en de wederpartij in de processtukken aan de hand te nemen en duidelijk en overzichtelijk uiteen te zetten uit welke bedragen de vordering bestaat, welke verrekeningen waar op in mindering zijn gebracht en tot welke openstaande som dat leidt. VGZ had niet mogen volstaan met het overleggen van talloze stukken en overzichten met slechts summiere toelichting. Aangezien de juistheid van de vordering niet op eenvoudige wijze te verifiëren is, kan deze niet worden toegewezen.
VGZ moet de proceskosten betalen aan [gedaagde]
4.7.
VGZ is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [gedaagde] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal VGZ niet worden veroordeeld tot betaling van de betekeningskosten. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
€
108,50
Totaal
€
542,50
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van VGZ af,
5.2.
veroordeelt VGZ in de proceskosten van € 542,50,
Dit vonnis is gewezen door mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026.
vgl. HR 23 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0729 en HR 8 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2810.
HR 10 december 1993, ECLI:NL:HR:1994:ZC1176.