Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Oost-Brabant

ECLI:NL:RBOBR:2026:5742

2026-04-16 Civiel recht; Personen- en familierecht WR 26/009
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Uitspraakdatum
2026-04-16
Publicatiedatum
2026-08-12
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Wraking
Zaaknummer
WR 26/009
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Wraking. Verzoek afgewezen, omdat het verzoek zich richt op eerder onwelgevallige beslissing(en) van de rechter. Niet gebleken is van concrete feiten of omstandigheden waaruit vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan worden afgeleid.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.635 tekens)
beslissing

RECHTBANK Oost-Brabant


Wrakingskamer



zaaknummer: WR 26/009





Beslissing van 16 april 2026


van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek op grond van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van






[verzoeker] ,
hierna te noemen: verzoeker,


strekkende tot de wraking van




mr. J.L.M. Dohmen,

rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.





De procedure

1.1
Verzoeker is eiser in de zaak met zaaknummer 25/2654. In die zaak gaat het over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om een individuele inkomenstoeslag.



1.2
De mondelinge behandeling van die zaak (zitting) was op 10 maart 2026. Tijdens deze zitting heeft verzoeker de rechter gewraakt. Van deze zitting zijn zittingsaantekeningen opgemaakt.




Het wrakingsverzoek en de reactie van de rechter daarop


2.1
Uit de zittingsaantekeningen maakt de wrakingskamer op dat verzoeker het volgende ten grondslag legt aan zijn verzoek. De rechter heeft volgens verzoeker geen uitspraken gedaan over de rekeningen en heeft deze ook niet laten betalen. De rechter heeft het faillissement van de gemeente niet uitgesproken. Volgens verzoeker is dit diefstal van hem, [bedrijf 1] en het [bedrijf 2] . De rechter is lid van een criminele organisatie. Verzoeker wil het volledige dossier hebben, maar dat is niet gekomen.



2.2
Omdat uit de zittingsaantekeningen volgt dat verzoeker meer gronden aan zijn verzoek ten grondslag wilde leggen dan is verwoord in de zittingsaantekeningen, heeft de wrakingskamer verzoeker in de gelegenheid gesteld om zijn verzoek verder toe te lichten. De wrakingskamer heeft op 19 maart 2026 een uiteenzetting ontvangen.



2.3
In zijn reactie van 13 april 2026 schrijft de rechter dat hij niet berust in het wrakingsverzoek en dat hij geen reden ziet voor een inhoudelijke reactie.




De beoordeling



Het wrakingsverzoek



3.1
In artikel 8:15 van de Awb is geregeld dat elke rechter die een zaak behandelt, kan worden gewraakt op verzoek van een partij. De grond voor zo’n verzoek is dat er feiten of omstandigheden zijn waardoor de onpartijdigheid van de rechter schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van zo’n verzoek is belangrijk dat wordt vermoed dat een rechter door zijn aanstelling als rechter onpartijdig is. Alleen als sprake is van uitzonderlijke omstandigheden geldt dit vermoeden niet. Deze uitzonderlijke omstandigheden moeten dan een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter tegenover een procespartij vooringenomen is. Het kan ook zijn dat een procespartij vrees daarvoor heeft. Die vrees moet wel objectief gerechtvaardigd zijn. Tot slot is ook de schijn van partijdigheid en het vermijden daarvan, belangrijk bij de beoordeling van het wrakingsverzoek.



3.2
Bij de behandeling van een wrakingsverzoek maakt de wrakingskamer onder andere gebruik van het wrakingsprotocol van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: het wrakingsprotocol). Hierin zijn de regels voor het indienen en de behandeling van een wrakingsverzoek vastgelegd. In het wrakingsprotocol is onder andere geregeld dat de wrakingskamer het wrakingsverzoek meteen zonder zitting (dat is de mondelinge behandeling van een zaak) ongegrond kan verklaren. Dit is mogelijk als het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond is. Dit is geregeld in artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van het wrakingsprotocol. De wrakingskamer oordeelt dat die situatie zich hier voordoet en overweegt daarbij het volgende.



3.3
Verzoeker vindt de rechter vooringenomen, omdat deze een onjuiste beslissing heeft genomen. De rechter heeft namelijk beslist dat het onderzoek ter zitting zou worden gesloten en dat de rechter mondelinge uitspraak zou doen. Een (tussen)beslissing van een rechter kan echter nooit grond vormen voor wraking. Dit komt door het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Dit houdt in dat alleen de rechtsmiddelen bestaan die in de wet staan vermeld. Wraking tegen een (tussen)beslissing van een rechter staat niet in de wet vermeld, zodat dit niet mogelijk is. De wrakingskamer kan dus niet oordelen of een (tussen)beslissing van een rechter juist is of niet. Ook als een rechter verzuimt te beslissen, kan een wrakingskamer hierover niet oordelen. Alleen wanneer een rechtsmiddel wordt ingezet tegen de beslissing (bijvoorbeeld hoger beroep of cassatie) kan die betreffende rechter oordelen over de (tussen)beslissing (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413).



3.3
In wat verzoeker verder volgens de zittingsaantekeningen ten grondslag heeft gelegd aan zijn wrakingsverzoek ziet de wrakingskamer geen grondslag voor het oordeel dat de rechter vooringenomen of partijdig is geweest.



3.4
De uiteenzetting die de wrakingskamer op 19 maart 2026 heeft ontvangen, leidt niet tot een ander oordeel. Uit dit stuk kan weliswaar worden afgeleid dat verzoeker diverse verwijten maakt aan de rechter en/of de gemeente, maar een heldere beschrijving van de relevante context en wat de rechter in dit verband concreet zou hebben gedaan of nagelaten waardoor hij in de onderliggende procedure partijdig zou zijn geweest of de objectief gerechtvaardigde schijn daartoe zou hebben gewekt ontbreekt.



3.5.
Gelet op wat hiervoor is geschreven, is het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond en zal om die reden worden afgewezen. Dit houdt in dat het verzoek niet inhoudelijk wordt behandeld. Het wrakingsverzoek zal ook niet op zitting (dat is de mondelinge behandeling van een zaak) worden behandeld. Het recht op een zitting is namelijk bedoeld voor een gesprek over de inhoud van het verzoek, maar daar komt de wrakingskamer dus niet aan toe.





De beslissing


De rechtbank:



- wijst het verzoek tot wraking af.




Deze beslissing is gegeven door mr. F. Kooijman, voorzitter, mr. J.A. van Voorthuizen en mr. M. de Vries, leden, in tegenwoordigheid van de griffier, en in openbaar uitgesproken op 16 april 2026.







de griffier de voorzitter





Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open (artikel 8:18, vijfde lid, Awb).