Rechtbank Oost-Brabant
ECLI:NL:RBOBR:2026:5740
2026-02-23
Strafrecht
WR 26/005
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wraking. Verzoek afgewezen, omdat het is gericht tegen een processuele handeling.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2018:1413 Hoge Raad 25-09-2018
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.360 tekens)
beslissing
RECHTBANK Oost-Brabant
Wrakingskamer
zaaknummer: WR 26-005
Beslissing van 23 februari 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van:
[verzoeker] ,
domicilie kiezende aan de Straatweg 43 te 3621 BH Breukelen, ten kantore van zijn raadsman mr. S. Schuurman,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van:
de meervoudige kamer,
bestaande uit mrs. J.H.P.G. Wielders, A.E. de Kryger en E.J. Verborg,
hierna te noemen: de rechters.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van de terechtzitting van 26 januari 2026 en 2, 6, 9 en 10 februari 2026;
- het proces-verbaal van de terechtzitting van 23 februari 2026, waarin het mondelinge
wrakingsverzoek is vermeld;
- de schriftelijke reactie van de rechters van 23 februari 2026.
2Het wrakingsverzoek en de reactie van de rechters
2.1
Het verzoek strekt tot wraking van de rechters in de strafzaak tegen verzoeker (verdachte) met parketnummer 71.056560.22.
2.2
Verzoeker heeft blijkens het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting het volgende aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd.
De rechtbank heeft een volstrekt onbegrijpelijke beslissing genomen. De verdediging acht het onbegrijpelijk dat de rechtbank, zonder nadere motivering, het verzoek tot aanhouding om cliënt via een videoverbinding aanwezig te laten zijn bij de (verdere) behandeling afwijst. Temeer nu is gebleken dat dit in de wrakingsprocedure van vorige week ook mogelijk was.
2.3
De rechters hebben in hun reactie laten weten niet in de wraking te berusten. Zij stellen zich op het standpunt een gemotiveerde beslissing te hebben genomen op de aanhoudingsverzoeken en dat dit procesbeslissingen zijn die geen blijk geven van vooringenomenheid.
3De beoordeling
3.1
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
3.2
Bij de behandeling van een wrakingsverzoek maakt de wrakingskamer onder andere gebruik van het wrakingsprotocol van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: het wrakingsprotocol). Hierin zijn de regels voor het indienen en de behandeling van een wrakingsverzoek vastgelegd. In het wrakingsprotocol is onder andere geregeld dat de wrakingskamer het wrakingsverzoek zonder behandeling ter zitting ongegrond kan verklaren. Dit is mogelijk als het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond is. Dit is geregeld in artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van het wrakingsprotocol.
3.3
De wrakingskamer is van oordeel dat deze situatie zich hier voordoet. De wrakingskamer zal hierna toelichten hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
3.4
Vandaag heeft verzoeker de rechtbank gewraakt omdat de rechtbank een verzoek om zijn cliënt middels een videoverbinding te doen horen niet heeft ingewilligd. Die beslissing vindt verzoeker zonder nadere motivering onbegrijpelijk in het licht van de eerdere wrakingsprocedure waarin verzoeker is gehoord via een videoverbinding, terwijl hij bij zijn cliënt verbleef.
3.5
Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing, ook als het om een procesbeslissing gaat, geen grond kan vormen voor wraking. De wrakingskamer komt namelijk geen oordeel toe over de juistheid van zo’n beslissing. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in een hoger beroep belast is met de behandeling van de zaak, ook indien die beslissing onjuist, onbegrijpelijk, niet of te summier is gemotiveerd (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). Dat is alleen anders wanneer de gewraakte procesbeslissing een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat daaruit blijkt van partijdigheid of vooringenomenheid van de rechter die de beslissing heeft genomen.
3.6
De wrakingskamer volgt verzoeker niet in zijn standpunt dat de rechtbank heeft beslist op het verzoek zonder nadere motivering en acht deze beslissing ook niet zo onbegrijpelijk dat deze moet worden gezien als blijk van partijdigheid of vooringenomenheid.
3.6.1
Zoals de rechtbank blijkens het proces-verbaal bij de beoordeling van het verzoek ook heeft opgemerkt, is in dit verband van belang dat de rechtbank zich al eerder over de kwestie heeft uitgelaten op 26 januari 2026. Toen heeft verzoeker ook verzocht om aanhouding teneinde zijn cliënt te doen horen door middel van een videoverbinding. De rechtbank heeft zich daarover beraden en besloten het verzoek niet in te willigen. De rechtbank heeft die beslissing onderbouwd door erop te wijzen dat de berechting van een verdachte die zich in het buitenland bevindt via een videoverbinding een inbreuk maakt op de soevereiniteit van de staat waar die verdachte zich bevindt. Dat zou alleen anders zijn indien aan deze berechting via een videoverbinding een rechtshulpverzoek of EOB ten grondslag zou liggen.
3.6.2
Nadien is in de vorige wrakingsprocedure een videoverbinding tot stand gebracht met verzoeker, waarbij de verdachte aanwezig bleek. Daarop heeft verzoeker gewezen bij het vandaag gedane verzoek om aanhouding. Op deze omstandigheid is de rechtbank echter ook ingegaan bij de afwijzing van het verzoek; de rechtbank heeft er immers op gewezen het karakter van de wrakingsprocedure wezenlijk anders te vinden dan het karakter van het onderzoek ter terechtzitting in de strafzaak.
3.7
Gelet op voorgaande overwegingen is de wrakingskamer van oordeel dat verzoekers wrakingsverzoek niet kan slagen. Het wrakingsverzoek is daarom kennelijk ongegrond.
4De beslissing
De wrakingskamer:
- verklaart het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. C.T.C. Wijsman, voorzitter, mr. A. Wolfs en mr. S.H.C. Merkx, leden, in tegenwoordigheid van de griffier en in openbaar uitgesproken op 23 februari 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
RECHTBANK Oost-Brabant
Wrakingskamer
zaaknummer: WR 26-005
Beslissing van 23 februari 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van:
[verzoeker] ,
domicilie kiezende aan de Straatweg 43 te 3621 BH Breukelen, ten kantore van zijn raadsman mr. S. Schuurman,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van:
de meervoudige kamer,
bestaande uit mrs. J.H.P.G. Wielders, A.E. de Kryger en E.J. Verborg,
hierna te noemen: de rechters.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van de terechtzitting van 26 januari 2026 en 2, 6, 9 en 10 februari 2026;
- het proces-verbaal van de terechtzitting van 23 februari 2026, waarin het mondelinge
wrakingsverzoek is vermeld;
- de schriftelijke reactie van de rechters van 23 februari 2026.
2Het wrakingsverzoek en de reactie van de rechters
2.1
Het verzoek strekt tot wraking van de rechters in de strafzaak tegen verzoeker (verdachte) met parketnummer 71.056560.22.
2.2
Verzoeker heeft blijkens het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting het volgende aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd.
De rechtbank heeft een volstrekt onbegrijpelijke beslissing genomen. De verdediging acht het onbegrijpelijk dat de rechtbank, zonder nadere motivering, het verzoek tot aanhouding om cliënt via een videoverbinding aanwezig te laten zijn bij de (verdere) behandeling afwijst. Temeer nu is gebleken dat dit in de wrakingsprocedure van vorige week ook mogelijk was.
2.3
De rechters hebben in hun reactie laten weten niet in de wraking te berusten. Zij stellen zich op het standpunt een gemotiveerde beslissing te hebben genomen op de aanhoudingsverzoeken en dat dit procesbeslissingen zijn die geen blijk geven van vooringenomenheid.
3De beoordeling
3.1
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
3.2
Bij de behandeling van een wrakingsverzoek maakt de wrakingskamer onder andere gebruik van het wrakingsprotocol van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: het wrakingsprotocol). Hierin zijn de regels voor het indienen en de behandeling van een wrakingsverzoek vastgelegd. In het wrakingsprotocol is onder andere geregeld dat de wrakingskamer het wrakingsverzoek zonder behandeling ter zitting ongegrond kan verklaren. Dit is mogelijk als het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond is. Dit is geregeld in artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van het wrakingsprotocol.
3.3
De wrakingskamer is van oordeel dat deze situatie zich hier voordoet. De wrakingskamer zal hierna toelichten hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
3.4
Vandaag heeft verzoeker de rechtbank gewraakt omdat de rechtbank een verzoek om zijn cliënt middels een videoverbinding te doen horen niet heeft ingewilligd. Die beslissing vindt verzoeker zonder nadere motivering onbegrijpelijk in het licht van de eerdere wrakingsprocedure waarin verzoeker is gehoord via een videoverbinding, terwijl hij bij zijn cliënt verbleef.
3.5
Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing, ook als het om een procesbeslissing gaat, geen grond kan vormen voor wraking. De wrakingskamer komt namelijk geen oordeel toe over de juistheid van zo’n beslissing. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in een hoger beroep belast is met de behandeling van de zaak, ook indien die beslissing onjuist, onbegrijpelijk, niet of te summier is gemotiveerd (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). Dat is alleen anders wanneer de gewraakte procesbeslissing een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat daaruit blijkt van partijdigheid of vooringenomenheid van de rechter die de beslissing heeft genomen.
3.6
De wrakingskamer volgt verzoeker niet in zijn standpunt dat de rechtbank heeft beslist op het verzoek zonder nadere motivering en acht deze beslissing ook niet zo onbegrijpelijk dat deze moet worden gezien als blijk van partijdigheid of vooringenomenheid.
3.6.1
Zoals de rechtbank blijkens het proces-verbaal bij de beoordeling van het verzoek ook heeft opgemerkt, is in dit verband van belang dat de rechtbank zich al eerder over de kwestie heeft uitgelaten op 26 januari 2026. Toen heeft verzoeker ook verzocht om aanhouding teneinde zijn cliënt te doen horen door middel van een videoverbinding. De rechtbank heeft zich daarover beraden en besloten het verzoek niet in te willigen. De rechtbank heeft die beslissing onderbouwd door erop te wijzen dat de berechting van een verdachte die zich in het buitenland bevindt via een videoverbinding een inbreuk maakt op de soevereiniteit van de staat waar die verdachte zich bevindt. Dat zou alleen anders zijn indien aan deze berechting via een videoverbinding een rechtshulpverzoek of EOB ten grondslag zou liggen.
3.6.2
Nadien is in de vorige wrakingsprocedure een videoverbinding tot stand gebracht met verzoeker, waarbij de verdachte aanwezig bleek. Daarop heeft verzoeker gewezen bij het vandaag gedane verzoek om aanhouding. Op deze omstandigheid is de rechtbank echter ook ingegaan bij de afwijzing van het verzoek; de rechtbank heeft er immers op gewezen het karakter van de wrakingsprocedure wezenlijk anders te vinden dan het karakter van het onderzoek ter terechtzitting in de strafzaak.
3.7
Gelet op voorgaande overwegingen is de wrakingskamer van oordeel dat verzoekers wrakingsverzoek niet kan slagen. Het wrakingsverzoek is daarom kennelijk ongegrond.
4De beslissing
De wrakingskamer:
- verklaart het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. C.T.C. Wijsman, voorzitter, mr. A. Wolfs en mr. S.H.C. Merkx, leden, in tegenwoordigheid van de griffier en in openbaar uitgesproken op 23 februari 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.