Rechtbank Oost-Brabant
ECLI:NL:RBOBR:2026:5736
2026-08-13
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
25/483
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Schadevergoeding. Eerstejaars Ziektewetbeoordeling niet op tijd uitgevoerd. Kosten loonadministratie en casemanagement behoren tot de normale bedrijfsvoering. Geen vergoeding van kosten Arbodienst, arbeidsdeskundigenonderzoek en re-integratietraject over de periode waarin verzoekster een re-integratieverplichting had.
Citeert (2)
- ECLI:NL:CRVB:2015:446 Centrale Raad van Beroep 18-02-2015
- ECLI:NL:CRVB:2025:130 Centrale Raad van Beroep 22-01-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (20.355 tekens)
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/483
uitspraak van de meervoudige kamer van 13 augustus 2026 in de zaak tussen
[verzoekster], uit [plaats], verzoekster
(gemachtigde: mr. C.A. van der Steen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigden: [gemachtigde] en mr. M. Reitsma).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om schadevergoeding omdat het UWV te laat heeft beslist op een Eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWb). Het UWV heeft een schadevergoeding aan verzoekster toegekend, maar zij is het niet eens met de hoogte daarvan. Zij verzoekt de rechtbank de (aanvullende) schadevergoeding vast te stellen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de feiten en omstandigheden die in deze zaak relevant zijn. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij gaat de rechtbank in op de verschillende schadeposten. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Op 24 april 2024 heeft verzoekster het UWV gevraagd om een schadevergoeding van € 23.032,59 met wettelijke rente, omdat het UWV het besluit over de EZWb niet op tijd heeft genomen en ten onrechte een ziekengeldsanctie heeft opgelegd.
2.1.
Met het besluit van 17 mei 2024 heeft het UWV een bedrag van € 13.093,89 aan verzoekster toegekend. Op 28 november 2024 heeft verzoekster het UWV gevraagd aanvullend een bedrag van € 2.918,40 toe te kennen. Met het besluit van 3 januari 2025 heeft het UWV aan verzoekster laten weten dat er geen ruimte is voor een aanvullende schadevergoeding.
2.2.
Op 14 februari 2025 heeft verzoekster een verzoek om schadevergoeding bij de rechtbank ingediend.
2.3.
Het UWV heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigden van het UWV. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en bepaalt dat het vooronderzoek wordt hervat.
2.5.
Verzoekster heeft op 13 februari 2026 en 25 maart 2026 nadere stukken ingediend. Het UWV heeft daarop gereageerd op 27 februari 2026 en 10 april 2026.
2.6.
Nadat partijen daarvoor toestemming hebben gegeven, heeft de rechtbank bepaald dat nader onderzoek ter zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft daarop het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Relevante feiten en omstandigheden
3. Op 2 december 2019 heeft de heer [naam] (de ex-werknemer) bij het UWV aangegeven dat hij vanaf 24 juli 2018 ziek is en dat zijn arbeidsovereenkomst met verzoekster op 13 juli 2019 stopt. Omdat verzoekster eigenrisicodrager ZW is, heeft het UWV haar verzocht de ziekmelding in behandeling te nemen.
3.1
Op 29 april 2020 heeft de ex-werknemer een WIA-uitkering aangevraagd. Het UWV heeft de behandeling van de aanvraag met het besluit van 24 juni 2020 uitgesteld en de periode waarin verzoekster het loon van de ex-werknemer moet betalen verlengd tot 20 juli 2021 (ziekengeldsanctie). Als reden daarvoor heeft het UWV aangegeven dat verzoekster niet voldoende heeft gedaan om de ex-werknemer te re-integreren. Verzoekster heeft daartegen bezwaar gemaakt.
3.2.
Met de brief van 27 juli 2020 heeft verzoekster het UWV gevraagd alsnog een EZWb te laten plaatsvinden. Met het besluit van 11 november 2020 heeft het UWV de ZW-uitkering van de ex-werknemer beëindigd met ingang van 12 december 2020, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.
3.3.
Met de beslissing op bezwaar van 4 december 2020 heeft het UWV het bezwaar tegen de ziekengeldsanctie gegrond verklaard, omdat uit nader onderzoek is gebleken dat de ex-werknemer per 23 juli 2020 geen recht meer heeft op een ZW-uitkering. Als destijds de EZWb was uitgevoerd, dan was de ZW-uitkering beëindigd. Om die reden had er ook geen ziekengeldsanctie meer opgelegd kunnen worden.
De beoordeling van de rechtbank
4. Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij het beantwoorden van de vraag of er voldoende aanleiding is om een gevraagde schadevergoeding toe te kennen, zoveel mogelijk aansluiting moet zoeken bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is, in aansluiting op de artikelen 6:162 en 6:98 van het Burgerlijk Wetboek (BW), vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit en dat vervolgens alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen die in een zodanig verband staan met dat besluit, dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend.
4.1.
Het UWV heeft erkend dat hij onrechtmatig heeft gehandeld door de EZWb niet op tijd uit te voeren. Dat kan volgens het UWV ook aan hem worden toegerekend. Dat het UWV schadeplichtig is, staat dan ook niet ter discussie. Het geschil tussen partijen gaat over de schadeperiode, de ZW-uitkering vermeerderd met de werkgeverslasten en de kosten van de loonadministratie, de Arbodienst, het arbeidsdeskundigenonderzoek, het re-integratietraject, het casemanagement en advies en de advocaat.
De schadeperiode en de ZW-uitkering, vermeerderd met de werkgeverslasten
5. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat het UWV schadeplichtig is vanaf 23 juli 2019, zijnde de toetsdatum voor de EZWb. Als het UWV uiterlijk op die datum een beslissing over het recht op ZW-uitkering had genomen, dan had verzoekster vanaf dat moment geen kosten meer gemaakt in het kader van de begeleiding van het verzuim van de ex-werknemer. De ZW-uitkering was in dat geval ook beëindigd per 24 augustus 2019. Primair verzoekt zij vergoeding van de ZW-uitkering, vermeerderd met de werkgeverslasten vanaf 24 augustus 2019. Het UWV heeft al een bedrag van € 7.188,33 vergoed, zodat nog een bedrag van € 5.309,01 vergoed moet worden.
5.1.
Subsidiair stelt verzoekster dat de ZW-uitkering, vermeerderd met de werkgeverslasten vanaf 12 januari 2020 (zijnde zes weken na 2 december 2019) door het UWV vergoed moet worden en meer subsidiair vanaf 26 januari 2020 (zijnde acht weken na 2 december 2019).
5.2.
Het UWV wijst erop dat hij pas op 2 december 2019 heeft vernomen dat de ex-werknemer per 24 juli 2018 ziek is. De ziekmelding is dus veel te laat ontvangen en op dat moment was een tijdige EZWb al niet meer mogelijk. Volgens het UWV moet de te late melding van de werknemer onder het risico van de eigenrisicodrager vallen. Verder wijst het UWV erop dat een EZWb geen beoordeling op aanvraag, maar een ambtshalve beoordeling is. Het UWV hanteert een termijn van twee weken om de ziekmelding in ontvangst te nemen, alle administratieve handelingen te verrichten en dan alsnog een beoordeling op te starten. Daarna volgt een termijn van acht weken om een besluit af te geven. Als het UWV op 9 februari 2020 een besluit had genomen, dan was de ZW-uitkering per 10 maart 2020 beëindigd. Daarom ziet het UWV geen aanleiding om de schade over de periode van 24 augustus 2019 tot 10 maart 2020 te vergoeden.
5.3.
De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het UWV de EZWb te laat heeft uitgevoerd en te laat heeft beslist over de beëindiging van de ZW-uitkering van de ex-werknemer onvoldoende is voor het oordeel dat daarmee onrechtmatig is gehandeld in de zin van artikel 6:162 van het BW. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden nodig die meebrengen dat het UWV, door pas na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn een besluit te nemen, in strijd handelt met de in het maatschappelijk verkeer tegenover verzoekster in acht te nemen zorgvuldigheid. Daarbij kunnen onder meer van belang zijn de mate waarin de beslistermijn wordt overschreden, de oorzaak of oorzaken van de termijnoverschrijding, en de voor het UWV kenbare belangen van de betrokken belanghebbenden.
5.4.
De rechtbank is van oordeel dat het UWV er terecht van is uitgegaan dat hij vanaf 10 maart 2020 schadeplichtig is. Het UWV wist immers pas op 2 december 2019 dat de ex-werknemer vanaf 24 juli 2018 ziek was. Op dat moment waren al meer dan 52 weken verstreken sinds de eerste dag van de arbeidsongeschiktheid. Daardoor was het voor het UWV onmogelijk om op tijd een EZWb uit te voeren. Maar het UWV had de EZWb wel eerder moeten verrichten dan hij heeft gedaan. Een EZWb is een ambtshalve beoordeling die geen wettelijke beslistermijn heeft. Daarom moet de beslissing binnen een redelijke termijn worden gegeven en die is in ieder geval verstreken als er binnen acht weken geen besluit is genomen. De rechtbank vindt het redelijk dat die termijn in dit geval niet direct na ontvangst van de ziekmelding aanvangt, maar dat het UWV eerst twee weken de tijd krijgt om die melding administratief te verwerken. Dat leidt ertoe dat het UWV uiterlijk op 9 februari 2020 een besluit had moeten nemen over de voortzetting van de ZW-uitkering van de ex-werknemer. In dat geval zou die uitkering per 10 maart 2020 zijn beëindigd. Dat heeft het UWV niet gedaan en dat is onrechtmatig tegenover verzoekster. Dat betekent dat het UWV vanaf 10 maart 2020 schadeplichtig is.
5.5.
De rechtbank ziet geen aanleiding een aanvullende vergoeding aan verzoekster toe te kennen voor de ZW-uitkering, vermeerderd met de werkgeverslasten. Het UWV heeft namelijk al een vergoeding voor die kosten vanaf 10 maart 2020 toegekend.
Kosten loonadministratie
6. Verzoekster verzoekt een vergoeding van de kosten van loonadministratie van € 291,23. Als het UWV op tijd aan haar had laten weten dat de ZW-uitkering van de ex-werknemer per 24 augustus 2019 zou eindigen, dan had zij vanaf september 2019 geen kosten meer voor de verwerking van die uitkering.
6.1.
Het UWV stelt zich op het standpunt dat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat het normale aan de bedrijfsvoering verbonden kosten zijn. Die zijn inherent aan het voeren van een bedrijf en komen dan ook voor rekening van verzoekster.
6.2.
De rechtbank wijst het verzoek af, omdat verzoekster haar verzoek onvoldoende heeft onderbouwd. Verzoekster heeft weliswaar gesteld dat zij haar loonadministratie heeft uitbesteed, maar zij heeft dat niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de kosten van de loonadministratie behoren tot de normale bedrijfsvoering. Om die reden komen de kosten niet voor vergoeding in aanmerking.
Kosten Arbodienst Equilar
7. Verzoekster heeft in totaal vergoeding van € 1.863,50 aan het UWV gevraagd. Daarvan heeft het UWV € 1.545,90 toegekend (er is € 8 meer uitbetaald), omdat hij stelt dat verzoekster tot 10 maart 2020 een re-integratieverplichting had. Verzoekster zou de kosten echter niet hebben gemaakt als het UWV op tijd de juiste beslissing had genomen. Om die reden verzoekt verzoekster een aanvullende vergoeding van € 317,60.
7.1.
Het UWV heeft de kosten vergoed die gemaakt zijn in de periode na 10 maart 2020. Verzoekster had volgens het UWV – bij een tijdige beslissing – tot die datum een re-integratieverplichting. De kosten die tot die datum zijn gemaakt, komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking.
7.2.
De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat de ZW-uitkering per 10 maart 2020 zou zijn beëindigd als het UWV de EZWb op tijd had uitgevoerd. In dat geval had verzoekster tot 10 maart 2020 de verplichting de ex-werknemer te re-integreren. De rechtbank volgt daarom het standpunt van het UWV dat de kosten die tot die datum zijn gemaakt niet voor vergoeding in aanmerking komen. Dat betekent dat de rechtbank geen aanvullende vergoeding toekent.
Kosten arbeidsdeskundigenonderzoek Advize
8. Verzoekster heeft een vergoeding van € 980,- gevraagd. Het UWV heeft slechts de helft vergoed zonder dat te motiveren. In een ander schadeverzoek van verzoekster zijn wel de volledige kosten vergoed en daarom komt het resterende bedrag van € 490, volgens verzoekster ook voor vergoeding in aanmerking.
8.1.
Het UWV stelt zich op het standpunt dat vergoeding van de helft alleszins redelijk is. Het arbeidsdeskundig onderzoek is namelijk op 20 januari 2020 verricht en het rapport is op 3 februari 2020 gevolgd. Op dat moment had verzoeksters nog een re-integratieverplichting. Op 22 juni 2020 is het rapport aangevuld. Toen was er geen re-integratieverplichting meer.
8.2.
De rechtbank ziet geen aanleiding een aanvullende vergoeding toe te kennen, want de kosten hebben deels betrekking op de periode waarin verzoekster nog een re-integratieverplichting had. Daarom is er geen recht op een volledige vergoeding van kosten.
Kosten re-integratietraject/spoor 2 Oxhill7
9. Verzoekster heeft een vergoeding van € 3.102,- gevraagd. Het UWV heeft 75% vergoed. Verzoekster wijst erop dat de opdracht aan Oxhill7 dateert van 11 februari 2020 en dat is na de datum waarop het besluit over de EZWb uiterlijk had moeten worden genomen. Daarom is er volgens verzoekster geen reden om slechts 75% van de kosten te vergoeden, zodat zij een aanvullende vergoeding van € 775,50 vraagt.
9.1.
Het UWV vindt dat verzoekster met een vergoeding van 75% zeker niet is benadeeld. De opdracht aan Oxhill7 is op 11 februari 2020 gegeven en voor 10 maart 2020 hebben diverse activiteiten plaatsgevonden. Het UWV ziet geen aanleiding voor een volledige vergoeding, omdat een groot aantal activiteiten na 10 maart 2020 hebben plaatsgevonden.
9.2.
De rechtbank is van oordeel dat verzoekster geen recht heeft op volledige vergoeding van haar kosten. Zij had immers een re-integratieverplichting tot 10 maart 2020 en een deel van de werkzaamheden heeft voor die tijd plaatsgevonden. Verzoekster heeft de kosten van de werkzaamheden niet nader gespecificeerd en het is de rechtbank daardoor niet gebleken dat zij is benadeeld doordat het UWV 75% van de kosten heeft vergoed. Daarom kent de rechtbank geen aanvullende vergoeding toe.
Kosten Van Zijl Casemanagement en Advies en advocaatkosten
10. Verzoekster stelt dat de kosten van een extern ingehuurde casemanager niet aangemerkt kunnen worden als kosten van de normale bedrijfsvoering die voor rekening van verzoekster komen. Casemanagementwerkzaamheden voor een eigenrisicodrager ZW zijn specialistische werkzaamheden en niet vergelijkbaar met het reguliere casemanagement tijdens dienstverband. Het zijn volgens verzoekster kosten die rechtstreeks verband houden met de schadeveroorzakende beslissing van het UWV en daarom verzoekt zij vergoeding van € 4.016,03 exclusief BTW. Zij onderbouwt dat bedrag met specificaties van de werkzaamheden, waaronder ook werkzaamheden van haar gemachtigde.
10.1.
Het UWV stelt zich op het standpunt dat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat het normale aan de bedrijfsvoering verbonden kosten zijn. Het aanwijzen van een casemanager is namelijk verplicht. Verzoekster heeft er zelf voor gekozen die werkzaamheden aan een derde uit te besteden, maar dat maakt niet dat de kosten niet langer tot de reguliere bedrijfsvoering behoren. Het UWV betwist dat het in de situatie van verzoekster om specialistische casemanagementwerkzaamheden gaat. Een casemanager begeleidt een zieke werknemer tijdens ziekte en re-integratie en onderhoudt daarbij de contacten met de werknemer, de werkgever, de arbodienst en het re-integratiebedrijf. Het is niet gebleken dat dit in deze zaak anders is geweest. Over de advocaatkosten merkt het UWV op dat niet is aangetoond dat die kosten verband houden met de te late EZWb.
10.2.
De rechtbank is van oordeel dat de kosten van Van Zijl Casemanagement en Advies niet voor vergoeding in aanmerking komen. Het gaat namelijk om werkzaamheden in verband met het voldoen aan re-integratieverplichtingen en die behoren, mits zij binnen bepaalde grenzen blijven, tot de reguliere bedrijfskosten. Dat verzoekster die werkzaamheden heeft uitbesteed, maakt dat niet anders. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat het in haar situatie gaat om specialistische werkzaamheden die niet vergelijkbaar zijn met het reguliere casemanagement. Daardoor is de rechtbank niet gebleken dat het uitbesteden van die werkzaamheden noodzakelijk was. Verzoekster heeft ook niet gesteld dat de werkzaamheden niet binnen bepaalde grenzen zijn gebleven.
10.3.
De rechtbank kent ook geen vergoeding van de advocaatkosten toe. Verzoekster heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat deze kosten verband houden met de EZWb. Het gaat om kosten die zijn gemaakt in juli 2020. In die maand heeft de gemachtigde bezwaar gemaakt tegen de ziekengeldsanctie. Dat bezwaar is gegrond verklaard en het UWV heeft een vergoeding voor de kosten van bezwaar aan verzoekster toegekend. Verzoekster heeft dus al een vergoeding van haar advocaatkosten ontvangen.
Conclusie en gevolgen
11. De rechtbank wijst het verzoek om (aanvullende) schadevergoeding af. Verzoekster krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.C. Meuris, voorzitter, en mr. M. van den Brink en mr. G. de Jong, leden, in aanwezigheid van E.H.J.M.T. van der Steen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2026.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen.
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Ziektewet.
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
Centrale Raad van Beroep (CRvB) 18 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:446.
Hoge Raad 22 oktober 2010, ECLI:NL:2010:BM7040.
Artikel 4:13 van de Awb.
CRvB 22 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:130.
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/483
uitspraak van de meervoudige kamer van 13 augustus 2026 in de zaak tussen
[verzoekster], uit [plaats], verzoekster
(gemachtigde: mr. C.A. van der Steen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigden: [gemachtigde] en mr. M. Reitsma).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om schadevergoeding omdat het UWV te laat heeft beslist op een Eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWb). Het UWV heeft een schadevergoeding aan verzoekster toegekend, maar zij is het niet eens met de hoogte daarvan. Zij verzoekt de rechtbank de (aanvullende) schadevergoeding vast te stellen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de feiten en omstandigheden die in deze zaak relevant zijn. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij gaat de rechtbank in op de verschillende schadeposten. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Op 24 april 2024 heeft verzoekster het UWV gevraagd om een schadevergoeding van € 23.032,59 met wettelijke rente, omdat het UWV het besluit over de EZWb niet op tijd heeft genomen en ten onrechte een ziekengeldsanctie heeft opgelegd.
2.1.
Met het besluit van 17 mei 2024 heeft het UWV een bedrag van € 13.093,89 aan verzoekster toegekend. Op 28 november 2024 heeft verzoekster het UWV gevraagd aanvullend een bedrag van € 2.918,40 toe te kennen. Met het besluit van 3 januari 2025 heeft het UWV aan verzoekster laten weten dat er geen ruimte is voor een aanvullende schadevergoeding.
2.2.
Op 14 februari 2025 heeft verzoekster een verzoek om schadevergoeding bij de rechtbank ingediend.
2.3.
Het UWV heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigden van het UWV. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en bepaalt dat het vooronderzoek wordt hervat.
2.5.
Verzoekster heeft op 13 februari 2026 en 25 maart 2026 nadere stukken ingediend. Het UWV heeft daarop gereageerd op 27 februari 2026 en 10 april 2026.
2.6.
Nadat partijen daarvoor toestemming hebben gegeven, heeft de rechtbank bepaald dat nader onderzoek ter zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft daarop het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Relevante feiten en omstandigheden
3. Op 2 december 2019 heeft de heer [naam] (de ex-werknemer) bij het UWV aangegeven dat hij vanaf 24 juli 2018 ziek is en dat zijn arbeidsovereenkomst met verzoekster op 13 juli 2019 stopt. Omdat verzoekster eigenrisicodrager ZW is, heeft het UWV haar verzocht de ziekmelding in behandeling te nemen.
3.1
Op 29 april 2020 heeft de ex-werknemer een WIA-uitkering aangevraagd. Het UWV heeft de behandeling van de aanvraag met het besluit van 24 juni 2020 uitgesteld en de periode waarin verzoekster het loon van de ex-werknemer moet betalen verlengd tot 20 juli 2021 (ziekengeldsanctie). Als reden daarvoor heeft het UWV aangegeven dat verzoekster niet voldoende heeft gedaan om de ex-werknemer te re-integreren. Verzoekster heeft daartegen bezwaar gemaakt.
3.2.
Met de brief van 27 juli 2020 heeft verzoekster het UWV gevraagd alsnog een EZWb te laten plaatsvinden. Met het besluit van 11 november 2020 heeft het UWV de ZW-uitkering van de ex-werknemer beëindigd met ingang van 12 december 2020, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.
3.3.
Met de beslissing op bezwaar van 4 december 2020 heeft het UWV het bezwaar tegen de ziekengeldsanctie gegrond verklaard, omdat uit nader onderzoek is gebleken dat de ex-werknemer per 23 juli 2020 geen recht meer heeft op een ZW-uitkering. Als destijds de EZWb was uitgevoerd, dan was de ZW-uitkering beëindigd. Om die reden had er ook geen ziekengeldsanctie meer opgelegd kunnen worden.
De beoordeling van de rechtbank
4. Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij het beantwoorden van de vraag of er voldoende aanleiding is om een gevraagde schadevergoeding toe te kennen, zoveel mogelijk aansluiting moet zoeken bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is, in aansluiting op de artikelen 6:162 en 6:98 van het Burgerlijk Wetboek (BW), vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit en dat vervolgens alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen die in een zodanig verband staan met dat besluit, dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend.
4.1.
Het UWV heeft erkend dat hij onrechtmatig heeft gehandeld door de EZWb niet op tijd uit te voeren. Dat kan volgens het UWV ook aan hem worden toegerekend. Dat het UWV schadeplichtig is, staat dan ook niet ter discussie. Het geschil tussen partijen gaat over de schadeperiode, de ZW-uitkering vermeerderd met de werkgeverslasten en de kosten van de loonadministratie, de Arbodienst, het arbeidsdeskundigenonderzoek, het re-integratietraject, het casemanagement en advies en de advocaat.
De schadeperiode en de ZW-uitkering, vermeerderd met de werkgeverslasten
5. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat het UWV schadeplichtig is vanaf 23 juli 2019, zijnde de toetsdatum voor de EZWb. Als het UWV uiterlijk op die datum een beslissing over het recht op ZW-uitkering had genomen, dan had verzoekster vanaf dat moment geen kosten meer gemaakt in het kader van de begeleiding van het verzuim van de ex-werknemer. De ZW-uitkering was in dat geval ook beëindigd per 24 augustus 2019. Primair verzoekt zij vergoeding van de ZW-uitkering, vermeerderd met de werkgeverslasten vanaf 24 augustus 2019. Het UWV heeft al een bedrag van € 7.188,33 vergoed, zodat nog een bedrag van € 5.309,01 vergoed moet worden.
5.1.
Subsidiair stelt verzoekster dat de ZW-uitkering, vermeerderd met de werkgeverslasten vanaf 12 januari 2020 (zijnde zes weken na 2 december 2019) door het UWV vergoed moet worden en meer subsidiair vanaf 26 januari 2020 (zijnde acht weken na 2 december 2019).
5.2.
Het UWV wijst erop dat hij pas op 2 december 2019 heeft vernomen dat de ex-werknemer per 24 juli 2018 ziek is. De ziekmelding is dus veel te laat ontvangen en op dat moment was een tijdige EZWb al niet meer mogelijk. Volgens het UWV moet de te late melding van de werknemer onder het risico van de eigenrisicodrager vallen. Verder wijst het UWV erop dat een EZWb geen beoordeling op aanvraag, maar een ambtshalve beoordeling is. Het UWV hanteert een termijn van twee weken om de ziekmelding in ontvangst te nemen, alle administratieve handelingen te verrichten en dan alsnog een beoordeling op te starten. Daarna volgt een termijn van acht weken om een besluit af te geven. Als het UWV op 9 februari 2020 een besluit had genomen, dan was de ZW-uitkering per 10 maart 2020 beëindigd. Daarom ziet het UWV geen aanleiding om de schade over de periode van 24 augustus 2019 tot 10 maart 2020 te vergoeden.
5.3.
De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het UWV de EZWb te laat heeft uitgevoerd en te laat heeft beslist over de beëindiging van de ZW-uitkering van de ex-werknemer onvoldoende is voor het oordeel dat daarmee onrechtmatig is gehandeld in de zin van artikel 6:162 van het BW. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden nodig die meebrengen dat het UWV, door pas na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn een besluit te nemen, in strijd handelt met de in het maatschappelijk verkeer tegenover verzoekster in acht te nemen zorgvuldigheid. Daarbij kunnen onder meer van belang zijn de mate waarin de beslistermijn wordt overschreden, de oorzaak of oorzaken van de termijnoverschrijding, en de voor het UWV kenbare belangen van de betrokken belanghebbenden.
5.4.
De rechtbank is van oordeel dat het UWV er terecht van is uitgegaan dat hij vanaf 10 maart 2020 schadeplichtig is. Het UWV wist immers pas op 2 december 2019 dat de ex-werknemer vanaf 24 juli 2018 ziek was. Op dat moment waren al meer dan 52 weken verstreken sinds de eerste dag van de arbeidsongeschiktheid. Daardoor was het voor het UWV onmogelijk om op tijd een EZWb uit te voeren. Maar het UWV had de EZWb wel eerder moeten verrichten dan hij heeft gedaan. Een EZWb is een ambtshalve beoordeling die geen wettelijke beslistermijn heeft. Daarom moet de beslissing binnen een redelijke termijn worden gegeven en die is in ieder geval verstreken als er binnen acht weken geen besluit is genomen. De rechtbank vindt het redelijk dat die termijn in dit geval niet direct na ontvangst van de ziekmelding aanvangt, maar dat het UWV eerst twee weken de tijd krijgt om die melding administratief te verwerken. Dat leidt ertoe dat het UWV uiterlijk op 9 februari 2020 een besluit had moeten nemen over de voortzetting van de ZW-uitkering van de ex-werknemer. In dat geval zou die uitkering per 10 maart 2020 zijn beëindigd. Dat heeft het UWV niet gedaan en dat is onrechtmatig tegenover verzoekster. Dat betekent dat het UWV vanaf 10 maart 2020 schadeplichtig is.
5.5.
De rechtbank ziet geen aanleiding een aanvullende vergoeding aan verzoekster toe te kennen voor de ZW-uitkering, vermeerderd met de werkgeverslasten. Het UWV heeft namelijk al een vergoeding voor die kosten vanaf 10 maart 2020 toegekend.
Kosten loonadministratie
6. Verzoekster verzoekt een vergoeding van de kosten van loonadministratie van € 291,23. Als het UWV op tijd aan haar had laten weten dat de ZW-uitkering van de ex-werknemer per 24 augustus 2019 zou eindigen, dan had zij vanaf september 2019 geen kosten meer voor de verwerking van die uitkering.
6.1.
Het UWV stelt zich op het standpunt dat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat het normale aan de bedrijfsvoering verbonden kosten zijn. Die zijn inherent aan het voeren van een bedrijf en komen dan ook voor rekening van verzoekster.
6.2.
De rechtbank wijst het verzoek af, omdat verzoekster haar verzoek onvoldoende heeft onderbouwd. Verzoekster heeft weliswaar gesteld dat zij haar loonadministratie heeft uitbesteed, maar zij heeft dat niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de kosten van de loonadministratie behoren tot de normale bedrijfsvoering. Om die reden komen de kosten niet voor vergoeding in aanmerking.
Kosten Arbodienst Equilar
7. Verzoekster heeft in totaal vergoeding van € 1.863,50 aan het UWV gevraagd. Daarvan heeft het UWV € 1.545,90 toegekend (er is € 8 meer uitbetaald), omdat hij stelt dat verzoekster tot 10 maart 2020 een re-integratieverplichting had. Verzoekster zou de kosten echter niet hebben gemaakt als het UWV op tijd de juiste beslissing had genomen. Om die reden verzoekt verzoekster een aanvullende vergoeding van € 317,60.
7.1.
Het UWV heeft de kosten vergoed die gemaakt zijn in de periode na 10 maart 2020. Verzoekster had volgens het UWV – bij een tijdige beslissing – tot die datum een re-integratieverplichting. De kosten die tot die datum zijn gemaakt, komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking.
7.2.
De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat de ZW-uitkering per 10 maart 2020 zou zijn beëindigd als het UWV de EZWb op tijd had uitgevoerd. In dat geval had verzoekster tot 10 maart 2020 de verplichting de ex-werknemer te re-integreren. De rechtbank volgt daarom het standpunt van het UWV dat de kosten die tot die datum zijn gemaakt niet voor vergoeding in aanmerking komen. Dat betekent dat de rechtbank geen aanvullende vergoeding toekent.
Kosten arbeidsdeskundigenonderzoek Advize
8. Verzoekster heeft een vergoeding van € 980,- gevraagd. Het UWV heeft slechts de helft vergoed zonder dat te motiveren. In een ander schadeverzoek van verzoekster zijn wel de volledige kosten vergoed en daarom komt het resterende bedrag van € 490, volgens verzoekster ook voor vergoeding in aanmerking.
8.1.
Het UWV stelt zich op het standpunt dat vergoeding van de helft alleszins redelijk is. Het arbeidsdeskundig onderzoek is namelijk op 20 januari 2020 verricht en het rapport is op 3 februari 2020 gevolgd. Op dat moment had verzoeksters nog een re-integratieverplichting. Op 22 juni 2020 is het rapport aangevuld. Toen was er geen re-integratieverplichting meer.
8.2.
De rechtbank ziet geen aanleiding een aanvullende vergoeding toe te kennen, want de kosten hebben deels betrekking op de periode waarin verzoekster nog een re-integratieverplichting had. Daarom is er geen recht op een volledige vergoeding van kosten.
Kosten re-integratietraject/spoor 2 Oxhill7
9. Verzoekster heeft een vergoeding van € 3.102,- gevraagd. Het UWV heeft 75% vergoed. Verzoekster wijst erop dat de opdracht aan Oxhill7 dateert van 11 februari 2020 en dat is na de datum waarop het besluit over de EZWb uiterlijk had moeten worden genomen. Daarom is er volgens verzoekster geen reden om slechts 75% van de kosten te vergoeden, zodat zij een aanvullende vergoeding van € 775,50 vraagt.
9.1.
Het UWV vindt dat verzoekster met een vergoeding van 75% zeker niet is benadeeld. De opdracht aan Oxhill7 is op 11 februari 2020 gegeven en voor 10 maart 2020 hebben diverse activiteiten plaatsgevonden. Het UWV ziet geen aanleiding voor een volledige vergoeding, omdat een groot aantal activiteiten na 10 maart 2020 hebben plaatsgevonden.
9.2.
De rechtbank is van oordeel dat verzoekster geen recht heeft op volledige vergoeding van haar kosten. Zij had immers een re-integratieverplichting tot 10 maart 2020 en een deel van de werkzaamheden heeft voor die tijd plaatsgevonden. Verzoekster heeft de kosten van de werkzaamheden niet nader gespecificeerd en het is de rechtbank daardoor niet gebleken dat zij is benadeeld doordat het UWV 75% van de kosten heeft vergoed. Daarom kent de rechtbank geen aanvullende vergoeding toe.
Kosten Van Zijl Casemanagement en Advies en advocaatkosten
10. Verzoekster stelt dat de kosten van een extern ingehuurde casemanager niet aangemerkt kunnen worden als kosten van de normale bedrijfsvoering die voor rekening van verzoekster komen. Casemanagementwerkzaamheden voor een eigenrisicodrager ZW zijn specialistische werkzaamheden en niet vergelijkbaar met het reguliere casemanagement tijdens dienstverband. Het zijn volgens verzoekster kosten die rechtstreeks verband houden met de schadeveroorzakende beslissing van het UWV en daarom verzoekt zij vergoeding van € 4.016,03 exclusief BTW. Zij onderbouwt dat bedrag met specificaties van de werkzaamheden, waaronder ook werkzaamheden van haar gemachtigde.
10.1.
Het UWV stelt zich op het standpunt dat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat het normale aan de bedrijfsvoering verbonden kosten zijn. Het aanwijzen van een casemanager is namelijk verplicht. Verzoekster heeft er zelf voor gekozen die werkzaamheden aan een derde uit te besteden, maar dat maakt niet dat de kosten niet langer tot de reguliere bedrijfsvoering behoren. Het UWV betwist dat het in de situatie van verzoekster om specialistische casemanagementwerkzaamheden gaat. Een casemanager begeleidt een zieke werknemer tijdens ziekte en re-integratie en onderhoudt daarbij de contacten met de werknemer, de werkgever, de arbodienst en het re-integratiebedrijf. Het is niet gebleken dat dit in deze zaak anders is geweest. Over de advocaatkosten merkt het UWV op dat niet is aangetoond dat die kosten verband houden met de te late EZWb.
10.2.
De rechtbank is van oordeel dat de kosten van Van Zijl Casemanagement en Advies niet voor vergoeding in aanmerking komen. Het gaat namelijk om werkzaamheden in verband met het voldoen aan re-integratieverplichtingen en die behoren, mits zij binnen bepaalde grenzen blijven, tot de reguliere bedrijfskosten. Dat verzoekster die werkzaamheden heeft uitbesteed, maakt dat niet anders. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat het in haar situatie gaat om specialistische werkzaamheden die niet vergelijkbaar zijn met het reguliere casemanagement. Daardoor is de rechtbank niet gebleken dat het uitbesteden van die werkzaamheden noodzakelijk was. Verzoekster heeft ook niet gesteld dat de werkzaamheden niet binnen bepaalde grenzen zijn gebleven.
10.3.
De rechtbank kent ook geen vergoeding van de advocaatkosten toe. Verzoekster heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat deze kosten verband houden met de EZWb. Het gaat om kosten die zijn gemaakt in juli 2020. In die maand heeft de gemachtigde bezwaar gemaakt tegen de ziekengeldsanctie. Dat bezwaar is gegrond verklaard en het UWV heeft een vergoeding voor de kosten van bezwaar aan verzoekster toegekend. Verzoekster heeft dus al een vergoeding van haar advocaatkosten ontvangen.
Conclusie en gevolgen
11. De rechtbank wijst het verzoek om (aanvullende) schadevergoeding af. Verzoekster krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.C. Meuris, voorzitter, en mr. M. van den Brink en mr. G. de Jong, leden, in aanwezigheid van E.H.J.M.T. van der Steen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2026.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen.
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Ziektewet.
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
Centrale Raad van Beroep (CRvB) 18 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:446.
Hoge Raad 22 oktober 2010, ECLI:NL:2010:BM7040.
Artikel 4:13 van de Awb.
CRvB 22 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:130.