Rechtbank Oost-Brabant
ECLI:NL:RBOBR:2026:5718
2026-05-06
Civiel recht; Personen- en familierecht
WR 26/010
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
WR 26/010: Wraking. Verzoek afgewezen, omdat het is gericht tegen een eerdere rechterlijke eindbeslissing.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.137 tekens)
beslissing
RECHTBANK Oost-Brabant
Wrakingskamer
zaaknummer: WR 26/010
Beslissing van 6 mei 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek op grond van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) van
[verzoeker] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. M. de Vries,
hierna te noemen: de rechter.
De procedure
1.1
In de zaken met procedurenummers C/01/423987/JE RK 26/286 en C/01/424469/JE RK 26/372 is verzoeker partij. In de zaak met nummer C/01/423987/JE RK 26/286 gaat het om de verdeling van zorg- en opvoedtaken van de minderjarige zoon van verzoeker. In de zaak met nummer C/01/424469/JE RK 26/372 gaat het om een verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling (OTS) van de minderjarige zoon van verzoeker.
1.2
Op 8 april 2026 is voor deze zaken een zitting gepland. Verzoeker heeft op 2 april 2026 een wrakingsverzoek ingediend.
Het wrakingsverzoek en de reactie van de rechter daarop
2.1
Verzoeker geeft in zijn verzoekschrift aan dat de rechter in zijn beschikking van 15 juli 2025 in de zaak met procedurenummer C/01/417412/JE RK 25/950 een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing heeft uitgesproken. De rechter is nu belast met de zaken met bovengenoemde procedurenummers. Daarbij heeft de rechter partijen verzocht zich uit te laten over de bevoegdheidsvraag. Volgens verzoeker wordt de rechter op deze manier gevraagd te oordelen over de consequenties van zijn eigen beschikking.
2.2
Op 2 april 2026 heeft de rechter gereageerd op het wrakingsverzoek. De rechter berust niet in het wrakingsverzoek. Volgens de rechter is er geen sprake van een rechtstreeks verband tussen de spoedbeslissing in juli 2025 en de door hem gestelde vraag in de huidige procedure. Ook geeft de vraagstelling op geen enkele manier blijk van vooringenomenheid. Het laat eerder zien dat de zaak grondig wordt beoordeeld en de vraag over de bevoegdheid is door verzoeker zelf ook al opgeworpen in zijn stukken. Dat de rechter opnieuw betrokken is in deze zaak, is volgens de rechter niet opvallend. De rechtbank Oost-Brabant hanteert namelijk zoveel mogelijk het principe “één gezin, één rechter”.
De beoordeling van het wrakingsverzoek
3. In artikel 36 Rv is geregeld dat elke rechter die een zaak behandelt, kan worden gewraakt op verzoek van een partij. De grond voor zo’n verzoek is dat er feiten of omstandigheden zijn waardoor de onpartijdigheid van de rechter schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van zo’n verzoek is belangrijk dat wordt vermoed dat een rechter door zijn aanstelling als rechter onpartijdig is. Alleen als er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden geldt dit vermoeden niet. Deze uitzonderlijke omstandigheden moeten dan een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter tegenover een procespartij vooringenomen is. Het kan ook zijn dat een procespartij vrees daarvoor heeft. Die vrees moet wel objectief gerechtvaardigd zijn. Tot slot is ook de schijn van partijdigheid en het vermijden daarvan, belangrijk bij de beoordeling van het wrakingsverzoek.
Het wrakingsverzoek in de zaak met procedurenummer C/01/424469/JE RK 26/372
4.1
Verzoeker heeft eerder meerdere wrakingsverzoeken ingediend die zien op de OTS en (machtiging tot) uithuisplaatsing van zijn minderjarige zoon. Naar aanleiding van het wrakingsverzoek van verzoeker van 25 oktober 2025 (bekend onder procedurenummer WR 25/031) heeft de wrakingskamer aangegeven dat verzoeker het middel van wraking gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven of dat verzoeker geen ander doel had dan de voortgang van de procedure te frustreren en dat daarmee sprake is van misbruik. Daarom heeft de wrakingskamer in die zaak besloten dat een volgend wrakingsverzoek met betrekking tot de OTS en (machtiging tot) uithuisplaatsing van zijn minderjarige zoon niet meer in behandeling wordt genomen.
4.2
In de zaak met procedurenummer C/01/424469/JE RK 26/372 gaat het om de opheffing van de OTS. Naar het oordeel van de wrakingskamer valt dit binnen het bereik van het eerder opgelegde wrakingsverbod, zodat de wrakingskamer dit verzoek niet inhoudelijk zal behandelen. Verzoeker wordt, in zijn wrakingsverzoek dat ziet op de zaak met procedurenummer C/01/424469/JE RK 26/372, dan ook niet ontvankelijk verklaard.
Het wrakingsverzoek in de zaak met procedurenummer C/01/423987/JE RK 26/286
5.1
In de zaak met procedurenummer C/01/423987/JE RK 26/286 gaat het om de verdeling van zorg- en opvoedtaken van de minderjarige zoon. De wrakingskamer acht het hierboven genoemde wrakingsverbod niet zodanig uitgebreid dat ook deze zaak daaronder valt. Het wrakingsverzoek dat ziet op dit procedurenummer zal daarom wel inhoudelijk worden behandeld.
5.2
Bij de behandeling van een wrakingsverzoek maakt de wrakingskamer gebruik van het wrakingsprotocol van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: het wrakingsprotocol). Hierin zijn de regels voor het indienen en de behandeling van een wrakingsverzoek vastgelegd. In het wrakingsprotocol is onder andere geregeld dat de wrakingskamer het wrakingsverzoek meteen zonder zitting (dat is de mondelinge behandeling van een zaak) ongegrond kan verklaren. Dit is mogelijk als het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond is. Dit is geregeld in artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van het wrakingsprotocol. De wrakingskamer oordeelt dat die situatie zich hier voordoet en overweegt daarbij het volgende.
5.3
Verzoeker vindt de rechter vooringenomen, omdat deze eerder al een beslissing heeft genomen over de uithuisplaatsing van zijn minderjarige zoon en nu een bevoegdheidsvraag voorlegt aan partijen die direct voortvloeit uit de beslissing tot uithuisplaatsing. Bij de beoordeling van vooringenomenheid van de rechter geldt het uitgangspunt dat de rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Dit komt door zijn aanstelling als rechter. Hierop is een uitzondering mogelijk. Wanneer namelijk door alle omstandigheden van het geval de handelwijze van de rechter niet anders kan worden opgevat als blijk van vooringenomenheid, dan kan die handelwijze wel grond zijn voor wraking. Voorwaarde is dat dit objectief wordt vastgesteld. De rechter heeft een toelichting gegeven op zijn handelwijze. De rechter voert aan dat er geen rechtstreeks verband is tussen de vraag over zijn bevoegdheid en de spoedbeslissing over uithuisplaatsing van juli 2025. Dat hij als rechter eerder betrokken was bij een beslissing over de minderjarige zoon van verzoeker is niet vreemd, omdat de rechtbank Oost-Brabant zoveel mogelijk het principe “één gezin, één rechter” volgt.
5.4
Gelet op deze toelichting en hetgeen verzoeker heeft aangevoerd in zijn wrakingsverzoek is de wrakingskamer van oordeel dat niet blijkt dat de (hoge) drempel voor het aannemen van vooringenomenheid is gehaald. De rechter heeft voorafgaand aan de behandeling van de voorliggende zaken aan partijen een vraag voorgelegd over zijn bevoegdheid. Dit is een bevoegdheid die de rechter heeft op grond van artikel 22, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Verzoeker heeft gesteld, maar op geen enkele manier aannemelijk gemaakt, dat het voorleggen van die vraag enige relatie heeft met de spoedbeslissing die de rechter heeft genomen in juni 2025 in een andere zaak. Ook overigens ziet de wrakingskamer geen aanleiding voor het oordeel dat bij de rechter sprake is van vooringenomenheid of (de schijn van) partijdigheid.
5.5
Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat gelet op het voorgaande geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.
De beslissing
De wrakingskamer:
verklaart het verzoek tot wraking niet-ontvankelijk voor zover dit verzoek ziet op de zaak met procedurenummer C/01/424469/JE RK 26/372;
wijst het verzoek tot wraking af als kennelijk ongegrond voor zover dit verzoek ziet op de zaak met procedurenummer C/01/423987/JE RK 26/286.
Deze beslissing is gegeven door mr. F. Kooijman, voorzitter, mr. A.H.J.J. van de Wetering en mr. E.M. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van de griffier, en in openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open (artikel 39, vijfde lid, Rv).
RECHTBANK Oost-Brabant
Wrakingskamer
zaaknummer: WR 26/010
Beslissing van 6 mei 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek op grond van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) van
[verzoeker] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. M. de Vries,
hierna te noemen: de rechter.
De procedure
1.1
In de zaken met procedurenummers C/01/423987/JE RK 26/286 en C/01/424469/JE RK 26/372 is verzoeker partij. In de zaak met nummer C/01/423987/JE RK 26/286 gaat het om de verdeling van zorg- en opvoedtaken van de minderjarige zoon van verzoeker. In de zaak met nummer C/01/424469/JE RK 26/372 gaat het om een verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling (OTS) van de minderjarige zoon van verzoeker.
1.2
Op 8 april 2026 is voor deze zaken een zitting gepland. Verzoeker heeft op 2 april 2026 een wrakingsverzoek ingediend.
Het wrakingsverzoek en de reactie van de rechter daarop
2.1
Verzoeker geeft in zijn verzoekschrift aan dat de rechter in zijn beschikking van 15 juli 2025 in de zaak met procedurenummer C/01/417412/JE RK 25/950 een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing heeft uitgesproken. De rechter is nu belast met de zaken met bovengenoemde procedurenummers. Daarbij heeft de rechter partijen verzocht zich uit te laten over de bevoegdheidsvraag. Volgens verzoeker wordt de rechter op deze manier gevraagd te oordelen over de consequenties van zijn eigen beschikking.
2.2
Op 2 april 2026 heeft de rechter gereageerd op het wrakingsverzoek. De rechter berust niet in het wrakingsverzoek. Volgens de rechter is er geen sprake van een rechtstreeks verband tussen de spoedbeslissing in juli 2025 en de door hem gestelde vraag in de huidige procedure. Ook geeft de vraagstelling op geen enkele manier blijk van vooringenomenheid. Het laat eerder zien dat de zaak grondig wordt beoordeeld en de vraag over de bevoegdheid is door verzoeker zelf ook al opgeworpen in zijn stukken. Dat de rechter opnieuw betrokken is in deze zaak, is volgens de rechter niet opvallend. De rechtbank Oost-Brabant hanteert namelijk zoveel mogelijk het principe “één gezin, één rechter”.
De beoordeling van het wrakingsverzoek
3. In artikel 36 Rv is geregeld dat elke rechter die een zaak behandelt, kan worden gewraakt op verzoek van een partij. De grond voor zo’n verzoek is dat er feiten of omstandigheden zijn waardoor de onpartijdigheid van de rechter schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van zo’n verzoek is belangrijk dat wordt vermoed dat een rechter door zijn aanstelling als rechter onpartijdig is. Alleen als er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden geldt dit vermoeden niet. Deze uitzonderlijke omstandigheden moeten dan een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter tegenover een procespartij vooringenomen is. Het kan ook zijn dat een procespartij vrees daarvoor heeft. Die vrees moet wel objectief gerechtvaardigd zijn. Tot slot is ook de schijn van partijdigheid en het vermijden daarvan, belangrijk bij de beoordeling van het wrakingsverzoek.
Het wrakingsverzoek in de zaak met procedurenummer C/01/424469/JE RK 26/372
4.1
Verzoeker heeft eerder meerdere wrakingsverzoeken ingediend die zien op de OTS en (machtiging tot) uithuisplaatsing van zijn minderjarige zoon. Naar aanleiding van het wrakingsverzoek van verzoeker van 25 oktober 2025 (bekend onder procedurenummer WR 25/031) heeft de wrakingskamer aangegeven dat verzoeker het middel van wraking gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven of dat verzoeker geen ander doel had dan de voortgang van de procedure te frustreren en dat daarmee sprake is van misbruik. Daarom heeft de wrakingskamer in die zaak besloten dat een volgend wrakingsverzoek met betrekking tot de OTS en (machtiging tot) uithuisplaatsing van zijn minderjarige zoon niet meer in behandeling wordt genomen.
4.2
In de zaak met procedurenummer C/01/424469/JE RK 26/372 gaat het om de opheffing van de OTS. Naar het oordeel van de wrakingskamer valt dit binnen het bereik van het eerder opgelegde wrakingsverbod, zodat de wrakingskamer dit verzoek niet inhoudelijk zal behandelen. Verzoeker wordt, in zijn wrakingsverzoek dat ziet op de zaak met procedurenummer C/01/424469/JE RK 26/372, dan ook niet ontvankelijk verklaard.
Het wrakingsverzoek in de zaak met procedurenummer C/01/423987/JE RK 26/286
5.1
In de zaak met procedurenummer C/01/423987/JE RK 26/286 gaat het om de verdeling van zorg- en opvoedtaken van de minderjarige zoon. De wrakingskamer acht het hierboven genoemde wrakingsverbod niet zodanig uitgebreid dat ook deze zaak daaronder valt. Het wrakingsverzoek dat ziet op dit procedurenummer zal daarom wel inhoudelijk worden behandeld.
5.2
Bij de behandeling van een wrakingsverzoek maakt de wrakingskamer gebruik van het wrakingsprotocol van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: het wrakingsprotocol). Hierin zijn de regels voor het indienen en de behandeling van een wrakingsverzoek vastgelegd. In het wrakingsprotocol is onder andere geregeld dat de wrakingskamer het wrakingsverzoek meteen zonder zitting (dat is de mondelinge behandeling van een zaak) ongegrond kan verklaren. Dit is mogelijk als het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond is. Dit is geregeld in artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van het wrakingsprotocol. De wrakingskamer oordeelt dat die situatie zich hier voordoet en overweegt daarbij het volgende.
5.3
Verzoeker vindt de rechter vooringenomen, omdat deze eerder al een beslissing heeft genomen over de uithuisplaatsing van zijn minderjarige zoon en nu een bevoegdheidsvraag voorlegt aan partijen die direct voortvloeit uit de beslissing tot uithuisplaatsing. Bij de beoordeling van vooringenomenheid van de rechter geldt het uitgangspunt dat de rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Dit komt door zijn aanstelling als rechter. Hierop is een uitzondering mogelijk. Wanneer namelijk door alle omstandigheden van het geval de handelwijze van de rechter niet anders kan worden opgevat als blijk van vooringenomenheid, dan kan die handelwijze wel grond zijn voor wraking. Voorwaarde is dat dit objectief wordt vastgesteld. De rechter heeft een toelichting gegeven op zijn handelwijze. De rechter voert aan dat er geen rechtstreeks verband is tussen de vraag over zijn bevoegdheid en de spoedbeslissing over uithuisplaatsing van juli 2025. Dat hij als rechter eerder betrokken was bij een beslissing over de minderjarige zoon van verzoeker is niet vreemd, omdat de rechtbank Oost-Brabant zoveel mogelijk het principe “één gezin, één rechter” volgt.
5.4
Gelet op deze toelichting en hetgeen verzoeker heeft aangevoerd in zijn wrakingsverzoek is de wrakingskamer van oordeel dat niet blijkt dat de (hoge) drempel voor het aannemen van vooringenomenheid is gehaald. De rechter heeft voorafgaand aan de behandeling van de voorliggende zaken aan partijen een vraag voorgelegd over zijn bevoegdheid. Dit is een bevoegdheid die de rechter heeft op grond van artikel 22, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Verzoeker heeft gesteld, maar op geen enkele manier aannemelijk gemaakt, dat het voorleggen van die vraag enige relatie heeft met de spoedbeslissing die de rechter heeft genomen in juni 2025 in een andere zaak. Ook overigens ziet de wrakingskamer geen aanleiding voor het oordeel dat bij de rechter sprake is van vooringenomenheid of (de schijn van) partijdigheid.
5.5
Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat gelet op het voorgaande geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.
De beslissing
De wrakingskamer:
verklaart het verzoek tot wraking niet-ontvankelijk voor zover dit verzoek ziet op de zaak met procedurenummer C/01/424469/JE RK 26/372;
wijst het verzoek tot wraking af als kennelijk ongegrond voor zover dit verzoek ziet op de zaak met procedurenummer C/01/423987/JE RK 26/286.
Deze beslissing is gegeven door mr. F. Kooijman, voorzitter, mr. A.H.J.J. van de Wetering en mr. E.M. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van de griffier, en in openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open (artikel 39, vijfde lid, Rv).