Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Oost-Brabant

ECLI:NL:RBOBR:2026:5716

2026-05-01 Strafrecht WR 26/011
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Uitspraakdatum
2026-05-01
Publicatiedatum
2026-08-11
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Wraking
Zaaknummer
WR 26/011
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

WR 26/011: Wraking. Verzoek afgewezen, omdat het is gericht tegen een eerdere rechterlijke eindbeslissing. Tevens niet gebleken is van concrete feiten of omstandigheden waaruit vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan worden afgeleid. Daarnaast anti-misbruikmaatregel opgelegd.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.323 tekens)
beslissing
RECHTBANK OOST-BRABANT


Wrakingskamer



zaaknummer: WR 26/011





Beslissing van 1 mei 2026




van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek op grond van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (hierna: Rv) van





[verzoeker]
,
hierna te noemen: verzoeker,



strekkende tot de wraking van




mrs. F. Kooijman, A.H.J.J. van de Wetering en E.M. Vermeulen,

hierna te noemen: de rechters.






1De procedure.

1.1
In de zaken bij het team Familie- en Jeugdrecht met procedurenummers C/01/423987 / JE RK 26-286 en C/01/424469 / JE RK 26-372 is verzoeker partij. In deze zaken ging het respectievelijk om de verdeling van zorg- en opvoedtaken en om een verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling van de minderjarige zoon van verzoeker. Op 2 april 2026 heeft verzoeker in die twee zaken een wrakingsverzoek ingediend.



1.2
Voor verzending van de wrakingsbeslissing naar aanleiding van het verzoek van 2 april 2026, diende verzoeker op 7 april 2026 schriftelijk een wrakingsverzoek in tegen de wrakingskamer.





2Het wrakingsverzoek.

2.1

Verzoeker geeft in zijn verzoekschrift aan dat de rechters de schijn van partijdigheid hebben gewekt om vijf redenen:
1 in de publicatie van de wrakingsbeslissing op www.rechtspraak.nl is een passage verwijderd/vervangen. Dit is censuur van systeemkritiek;
2 het eerdere wrakingsverzoek is zonder mondelinge behandeling afgedaan. De wrakingskamer weigert verzoeker te horen. Dit is geen eerlijke procesvoering;
3 de wrakingsverzoeken worden telkens in behandeling genomen door mrs. De Koning of Kooijman Dit ondermijnt de objectieve onpartijdigheid die van een wrakingskamer mag worden verwacht;
4 er is eerder een anti-misbruikbepaling opgelegd aan verzoeker. Het wrakingsrecht is verzoeker daarmee ontnomen;
5 elke samenstelling van de wrakingskamer is per definitie niet onafhankelijk ten opzichte van verzoeker. Er is geen onafhankelijke toetsing mogelijk binnen Rechtbank Oost-Brabant.




2.2

Op 8 april 2026 hebben de rechters gereageerd op het wrakingsverzoek, zij berusten niet in het wrakingsverzoek.
Met betrekking tot de eerste wrakingsgrond zijn de rechters van mening dat verzoeker onvoldoende heeft onderbouwd waarom uit het weglaten van een door verzoeker aangehaalde passage uit de uitspraak op www.rechtspraak.nl de (objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid van de rechters kan worden afgeleid. Zij geven daarbij aan dat zij niet de rechters zijn geweest die de uitspraak met kenmerk WR 25/032 hebben gewezen.
Betreffende de tweede en vierde wrakingsgrond geven de rechters aan dat een rechterlijke beslissing op zichzelf geen reden is voor wraking, omdat een wraking niet mag worden gebruikt als een verkapt hoger beroep tegen een eerdere beslissing. Door de verzoeker is onvoldoende onderbouwd waarom van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. Ten aanzien van deze gronden merken de rechters op dat zij niet de rechters zijn geweest die de eerdere beslissingen hebben gewezen.
Met betrekking tot de derde grond geven de rechters aan dat dit geen grond oplevert voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid van de rechters. Een bijzondere omstandigheid is niet aangevoerd door verzoeker.
Tot slot geven de rechters, met betrekking tot de vijfde grond, aan dat er geen nadere toelichting is gegeven waarom bij de rechters sprake is van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Het betreft enkel een algemeen gericht verwijt.






3De beoordeling van het wrakingsverzoek.


3.1
In artikel 36 Rv is geregeld dat elke rechter die een zaak behandelt, kan worden gewraakt op verzoek van een partij. De grond voor zo’n verzoek is dat er feiten of omstandigheden zijn waardoor de onpartijdigheid van de rechter schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van zo’n verzoek is belangrijk dat wordt vermoed dat een rechter door zijn aanstelling als rechter onpartijdig is. Alleen als er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden geldt dit vermoeden niet. Deze uitzonderlijke omstandigheden moeten dan een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter tegenover een procespartij vooringenomen is. Het kan ook zijn dat een procespartij vrees daarvoor heeft. Die vrees moet wel objectief gerechtvaardigd zijn. Tot slot is ook de schijn van partijdigheid en het vermijden daarvan, belangrijk bij de beoordeling van het wrakingsverzoek.



3.3

Wrakingsgrond 1.
Ten aanzien van de eerste grond tot wraking is de wrakingskamer allereerst van oordeel dat geen van de rechters betrokkenheid hebben gehad bij de eerder doorlopen procedure en de publicatie van de uitspraak op www.rechtspraak.nl. Alles wat verzoeker daarover aanvoert kan dus niet tot een toewijzing van het wrakingsverzoek leiden. Deze grond ziet immers niet op het handelen van deze rechters, maar op het handelen van anderen. Daar komt bij dat verzoeker deze aangevoerde grond niet nader heeft onderbouwd. Concrete feiten waaruit de vooringenomenheid van de rechters of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor zou kunnen afleiden, heeft hij niet aangevoerd. De wrakingskamer is ook niet gebleken van zulke feiten of omstandigheden. De wrakingskamer is dan ook van oordeel dat er geen grond is voor wraking.




3.4

Wrakingsgrond 2 en 4.
In hetgeen verzoeker heeft aangevoerd ziet de wrakingskamer geen aanleiding om (de schijn van) partijdigheid van de rechters aan te nemen. Geen van de rechters heeft betrokkenheid gehad bij de gewezen beslissingen. Daarnaast is de wrakingskamer van oordeel dat de motivering van een beslissing van een rechter nooit een grond kan vormen voor wraking. Dit komt door het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Dit houdt in dat alleen de rechtsmiddelen bestaan die in de wet staan vermeld. Een wraking is geen verkapt hoger beroep tegen een eerdere genomen beslissing. Er is slechts één uitzondering op deze regel, namelijk indien de motivering van een beslissing, gelet op alle omstandigheden en naar objectieve maatstaven, niet anders kan worden begrepen dan als blijk van vooringenomenheid van de rechters. Van een dergelijke beslissing is geen sprake.




3.3

Wrakingsgrond 3.
De wrakingskamer oordeelt dat de enkele omstandigheid dat een van de rechters betrokken is geweest bij eerdere wrakingsverzoeken van verzoeker, op zichzelf onvoldoende is om (de schijn van) vooringenomenheid aan te nemen. Dit kan anders zijn als er sprake is van bijzondere omstandigheden, waaruit de vooringenomenheid van de rechter of objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor afgeleid kan worden. Van die bijzondere omstandigheden is de wrakingskamer echter niet gebleken. Deze wrakingsgrond slaagt dus niet.




3.3

Wrakingsgrond 5.
Uit de wet volgt dat een wrakingsgrond gelegen moet zijn in feiten en omstandigheden die de persoon van de rechter(s) betreffen. Verzoeker is van mening dat elke samenstelling van de wrakingskamer van de Rechtbank Oost-Brabant per definitie partijdig is. Naar het oordeel van de wrakingskamer heeft verzoeker hiermee niet concreet uiteengezet welke rechter hij wraakt. Bovendien betreft hetgeen hij in zijn wrakingsverzoek aanvoert slechts veronderstellingen. Concrete feiten waaruit de wrakingskamer de vooringenomenheid van iedere rechter van de wrakingskamer of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan afleiden, ontbreken. Daarom is het verzoek tot wraking van alle rechters van de wrakingskamer niet toewijsbaar.




3.4
De wrakingskamer is verder van oordeel dat er geen grond is voor verwijzing van deze zaak naar een ander arrondissement. Het verzoek daartoe zal dan ook worden afgewezen.



3.5
Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat gelet op het voorgaande geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.





4De anti-misbruikbepaling.
Verzoeker heeft al meerdere wrakingsverzoeken gedaan. Geen van die verzoeken is toegewezen. Deze verzoeken hebben wel geleid tot onredelijke vertraging van de procedure bij de rechtbank. De wrakingskamer is van oordeel dat verzoeker het middel van wraking gebruikt voor een ander doel dan waarvoor dit is gegeven of dat verzoeker geen ander doel had dan de voortgang van de procedure te frustreren. Daarmee is sprake van misbruik. De wrakingskamer zal daarom bepalen dat een volgend verzoek tot wraking in de onderliggende zaken, behandeld door (een) rechter(s) van het team Familie- en Jeugdrecht van de rechtbank Oost-Brabant, niet meer in behandeling wordt genomen.







4De beslissing.


De wrakingskamer:



verklaart het verzoek tot wraking van de rechters ongegrond;


bepaalt dat ook een volgend wrakingsverzoek in de onderliggende zaken, behandeld door een rechter van het team Familie- en Jeugdrecht van de rechtbank Oost-Brabant, niet in behandeling zal worden genomen;


wijst de overige verzoeken af




Deze beslissing is gegeven door mr. S.J.W. Hermans, voorzitter, mr. V.R. de Meyere en mr. J. Iding, leden, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026.








de griffier de voorzitter






Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open (artikel 39, vijfde lid, Rv).




HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413.