Rechtbank Oost-Brabant
ECLI:NL:RBOBR:2026:5715
2026-07-09
Civiel recht
WR 26-014
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
WR 26/014: Wraking. Verzoek afgewezen, omdat het is gericht tegen een processuele beslissing.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2018:1413 Hoge Raad 25-09-2018
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.894 tekens)
RECHTBANK OOST-BRABANT
Wrakingskamer
zaaknummer: WR 26-014
Beslissing van 9 juli 2026
van de wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker 1]
,
wonende te [woonplaats] ,
[verzoeker 2]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoekers,
bijgestaan door mr. A.P.L.C. Trouwborst,
strekkende tot de wraking van
mr. H.T.J.F. Verhappen,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
• het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 19 juni 2026 in de zaak met zaaknummer C/01/419880 / HA ZA 25-612;
• het bericht van verzoekers van 22 juni 2026 met daarin een toelichting op de wrakingsgronden;
• de schriftelijke reactie van de rechter van 26 juni 2026.
1.2.
Op 2 juli 2026 heeft de zitting (de mondelinge behandeling) van deze zaak plaatsgevonden. Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:
• verzoekers, bijgestaan door hun advocaat voornoemd.
1.3.
De rechtbank heeft ontvangen schriftelijke zienswijzen van de overige partijen in de bodemprocedure. Op deze stukken slaat de rechtbank geen acht nu deze partijen geen partij zijn in deze wrakingsprocedure.
2Het wrakingsverzoek
2.1.
Verzoekers leggen, samengevat, aan hun wrakingsverzoek ten grondslag dat de rechter de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt door de wijze waarop hij heeft besloten om niet toe te staan dat een productie werd overgelegd. Verzoekers wijzen voor een toelichting naar de volgende vier gebeurtenissen:
door gerichte vragen van verzoekers aan de overige partijen over een bepaald onderwerp af te breken, heeft de rechter de indruk gewekt dat hij over dat onderwerp zijn oordeel al had gevormd;
de rechter heeft zonder kenbaar onderzoek besloten een productie, die verzoekers ter zitting wilden overleggen, buiten beschouwing te laten, nog voordat verzoekers de gelegenheid hadden gekregen een toelichting te geven op de omstandigheden die de rechter bij zijn afweging had behoren te betrekken;
de rechter heeft een beroep van verzoekers op de uitzondering van artikel 87, zesde lid, Rv zonder motivering terzijde gesteld; en
de rechter heeft gezegd dat het in strijd is met de goede procesorde om pas na 3,5 jaar een procedure te starten.
2.2.
De rechter berust niet in de wraking.
3De beoordeling
3.1.
In artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is geregeld dat elke rechter die een zaak behandelt, kan worden gewraakt op verzoek van een partij. De grond voor een verzoek is dat er feiten of omstandigheden zijn waardoor de onpartijdigheid van de rechter schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van het verzoek is uitgangspunt dat wordt vermoed dat een rechter door zijn aanstelling als rechter onpartijdig is. Alleen als er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden geldt dit vermoeden niet. Deze uitzonderlijke omstandigheden moeten dan een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter tegenover een procespartij vooringenomen is. Het kan ook zijn dat een procespartij vrees daarvoor heeft. Die vrees moet wel objectief gerechtvaardigd zijn. Tot slot wordt ook de schijn van partijdigheid en het vermijden daarvan, betrokken bij de beoordeling van het wrakingsverzoek.
3.2.
Uit het proces-verbaal van de zitting (blz. 8 e.v.) volgt, zakelijk weergegeven, het volgende. Mr. Trouwborst legt op enig moment, zonder voorafgaande aankondiging, een productie over aan de rechter en de griffier, waarna bezwaar wordt gemaakt door een van de partijen. Voordat de rechter een beslissing neemt, stelt hij mr. Trouwborst in de gelegenheid om te vertellen wat in de producties staat en van die gelegenheid heeft hij gebruik gemaakt. Wederom wordt bezwaar gemaakt waarna de rechter beslist om het stuk niet toe te laten. Mr. Trouwborst vraagt om heroverweging op grond van de eisen van een goede procesorde, waarna de rechter te kennen geeft dat de productie wordt geweigerd. Mr. Trouwborst legt vervolgens uit dat de productie niet eerder overgelegd kon worden, waarna de rechter mededeelt bij zijn beslissing te blijven.
3.3.
De beslissing om de productie niet toe te staan, is een procesbeslissing. Deze procesbeslissing behelst naar het oordeel van de wrakingskamer ook de wijze waarop deze beslissing tot stand is gekomen en de motivering ervan.
3.4.
Het is vaste rechtspraak dat een procesbeslissing in beginsel geen grond voor wraking kan vormen (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). De vraag of een procesbeslissing al dan niet juist moet worden geacht, mag niet door de wrakingskamer worden beantwoord. De motivering van een procesbeslissing kan geen grond vormen voor wraking, ook niet indien wordt aangevoerd dat die motivering onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier zou zijn of een motivering ontbreekt. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de procesbeslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven, maar dat is naar het oordeel van de wrakingskamer niet gebleken.
3.5.
Evenmin is het aan de wrakingskamer om zich uit te laten over de door de rechter gebruikte bewoordingen. Dit is uitsluitend anders indien deze woorden in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kunnen worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter.
3.6.
De wrakingskamer is van oordeel dat van deze uitzonderingsgrond geen sprake is. De rechter heeft uitgelegd dat het stuk te laat is. De wrakingskamer begrijpt verder dat de rechter heeft uitgelegd dat wat verzoekers met het stuk wilden aantonen, niet de door de rechter te beantwoorden vraag is (“Eerlijk gezegd zal het me worst wezen of [naam 1] en [naam 2] elkaar kennen: wat moet komen vast te staan is dat ze hebben samengespannen. U moet dat aantonen.”). In het licht van de wijze waarop de beslissing tot stand is gekomen en de eerdere vraagstelling van de rechter (“stel nou even dat [naam 1] en [naam 2] wel vrienden zijn. De crux zit in de samenspanning. Waaruit volgt dat?” ), is het niet zo dat deze motivering alsmede de gebruikte bewoordingen niet anders kunnen worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter.
3.7.
Het voorgaande geldt ook voor de uitlating dat het voor risico van verzoekers komt om het stuk pas op de zitting in te dienen (“het is misschien ook in strijd met de goede procesorde om in een zaak die vijf jaar loopt, pas nu met die productie te komen.”). Hierbij merkt de wrakingskamer op dat deze woorden zijn uitgesproken nadat de rechter had beslist en nadat mr. Trouwborst tegen deze beslissing appelleerde. Overigens biedt het proces-verbaal geen grondslag voor de wrakingsgrond dat de rechter zou hebben gezegd dat het in strijd is met de goede procesorde om pas na 3,5 jaar een procedure te starten, zodat die wrakingsgrond reeds om die reden faalt.
3.8.
Verzoekers hebben verder aangevoerd dat de rechter hen heeft belet vragen te stellen aan de overige procespartijen, terwijl zij dit op grond van artikel 88, eerste lid, Rv wel mogen. Uit het proces-verbaal van de zitting volgt niet dat de rechter verdere vraagstelling heeft belet. Uit het proces-verbaal volgt dat het een natuurlijk verloop van de zitting is geweest dat de rechter op enig moment de vraagstelling heeft overgenomen.
3.9.
Gelet op het voorgaande zal het verzoek worden afgewezen.
4De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beslissing is gegeven door de mr. F. Kooijman, voorzitter, mr. J.A. van Voorthuizen en mr. E.M. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.
De griffier De voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Wrakingskamer
zaaknummer: WR 26-014
Beslissing van 9 juli 2026
van de wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker 1]
,
wonende te [woonplaats] ,
[verzoeker 2]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoekers,
bijgestaan door mr. A.P.L.C. Trouwborst,
strekkende tot de wraking van
mr. H.T.J.F. Verhappen,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
• het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 19 juni 2026 in de zaak met zaaknummer C/01/419880 / HA ZA 25-612;
• het bericht van verzoekers van 22 juni 2026 met daarin een toelichting op de wrakingsgronden;
• de schriftelijke reactie van de rechter van 26 juni 2026.
1.2.
Op 2 juli 2026 heeft de zitting (de mondelinge behandeling) van deze zaak plaatsgevonden. Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:
• verzoekers, bijgestaan door hun advocaat voornoemd.
1.3.
De rechtbank heeft ontvangen schriftelijke zienswijzen van de overige partijen in de bodemprocedure. Op deze stukken slaat de rechtbank geen acht nu deze partijen geen partij zijn in deze wrakingsprocedure.
2Het wrakingsverzoek
2.1.
Verzoekers leggen, samengevat, aan hun wrakingsverzoek ten grondslag dat de rechter de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt door de wijze waarop hij heeft besloten om niet toe te staan dat een productie werd overgelegd. Verzoekers wijzen voor een toelichting naar de volgende vier gebeurtenissen:
door gerichte vragen van verzoekers aan de overige partijen over een bepaald onderwerp af te breken, heeft de rechter de indruk gewekt dat hij over dat onderwerp zijn oordeel al had gevormd;
de rechter heeft zonder kenbaar onderzoek besloten een productie, die verzoekers ter zitting wilden overleggen, buiten beschouwing te laten, nog voordat verzoekers de gelegenheid hadden gekregen een toelichting te geven op de omstandigheden die de rechter bij zijn afweging had behoren te betrekken;
de rechter heeft een beroep van verzoekers op de uitzondering van artikel 87, zesde lid, Rv zonder motivering terzijde gesteld; en
de rechter heeft gezegd dat het in strijd is met de goede procesorde om pas na 3,5 jaar een procedure te starten.
2.2.
De rechter berust niet in de wraking.
3De beoordeling
3.1.
In artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is geregeld dat elke rechter die een zaak behandelt, kan worden gewraakt op verzoek van een partij. De grond voor een verzoek is dat er feiten of omstandigheden zijn waardoor de onpartijdigheid van de rechter schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van het verzoek is uitgangspunt dat wordt vermoed dat een rechter door zijn aanstelling als rechter onpartijdig is. Alleen als er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden geldt dit vermoeden niet. Deze uitzonderlijke omstandigheden moeten dan een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter tegenover een procespartij vooringenomen is. Het kan ook zijn dat een procespartij vrees daarvoor heeft. Die vrees moet wel objectief gerechtvaardigd zijn. Tot slot wordt ook de schijn van partijdigheid en het vermijden daarvan, betrokken bij de beoordeling van het wrakingsverzoek.
3.2.
Uit het proces-verbaal van de zitting (blz. 8 e.v.) volgt, zakelijk weergegeven, het volgende. Mr. Trouwborst legt op enig moment, zonder voorafgaande aankondiging, een productie over aan de rechter en de griffier, waarna bezwaar wordt gemaakt door een van de partijen. Voordat de rechter een beslissing neemt, stelt hij mr. Trouwborst in de gelegenheid om te vertellen wat in de producties staat en van die gelegenheid heeft hij gebruik gemaakt. Wederom wordt bezwaar gemaakt waarna de rechter beslist om het stuk niet toe te laten. Mr. Trouwborst vraagt om heroverweging op grond van de eisen van een goede procesorde, waarna de rechter te kennen geeft dat de productie wordt geweigerd. Mr. Trouwborst legt vervolgens uit dat de productie niet eerder overgelegd kon worden, waarna de rechter mededeelt bij zijn beslissing te blijven.
3.3.
De beslissing om de productie niet toe te staan, is een procesbeslissing. Deze procesbeslissing behelst naar het oordeel van de wrakingskamer ook de wijze waarop deze beslissing tot stand is gekomen en de motivering ervan.
3.4.
Het is vaste rechtspraak dat een procesbeslissing in beginsel geen grond voor wraking kan vormen (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). De vraag of een procesbeslissing al dan niet juist moet worden geacht, mag niet door de wrakingskamer worden beantwoord. De motivering van een procesbeslissing kan geen grond vormen voor wraking, ook niet indien wordt aangevoerd dat die motivering onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier zou zijn of een motivering ontbreekt. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de procesbeslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven, maar dat is naar het oordeel van de wrakingskamer niet gebleken.
3.5.
Evenmin is het aan de wrakingskamer om zich uit te laten over de door de rechter gebruikte bewoordingen. Dit is uitsluitend anders indien deze woorden in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kunnen worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter.
3.6.
De wrakingskamer is van oordeel dat van deze uitzonderingsgrond geen sprake is. De rechter heeft uitgelegd dat het stuk te laat is. De wrakingskamer begrijpt verder dat de rechter heeft uitgelegd dat wat verzoekers met het stuk wilden aantonen, niet de door de rechter te beantwoorden vraag is (“Eerlijk gezegd zal het me worst wezen of [naam 1] en [naam 2] elkaar kennen: wat moet komen vast te staan is dat ze hebben samengespannen. U moet dat aantonen.”). In het licht van de wijze waarop de beslissing tot stand is gekomen en de eerdere vraagstelling van de rechter (“stel nou even dat [naam 1] en [naam 2] wel vrienden zijn. De crux zit in de samenspanning. Waaruit volgt dat?” ), is het niet zo dat deze motivering alsmede de gebruikte bewoordingen niet anders kunnen worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter.
3.7.
Het voorgaande geldt ook voor de uitlating dat het voor risico van verzoekers komt om het stuk pas op de zitting in te dienen (“het is misschien ook in strijd met de goede procesorde om in een zaak die vijf jaar loopt, pas nu met die productie te komen.”). Hierbij merkt de wrakingskamer op dat deze woorden zijn uitgesproken nadat de rechter had beslist en nadat mr. Trouwborst tegen deze beslissing appelleerde. Overigens biedt het proces-verbaal geen grondslag voor de wrakingsgrond dat de rechter zou hebben gezegd dat het in strijd is met de goede procesorde om pas na 3,5 jaar een procedure te starten, zodat die wrakingsgrond reeds om die reden faalt.
3.8.
Verzoekers hebben verder aangevoerd dat de rechter hen heeft belet vragen te stellen aan de overige procespartijen, terwijl zij dit op grond van artikel 88, eerste lid, Rv wel mogen. Uit het proces-verbaal van de zitting volgt niet dat de rechter verdere vraagstelling heeft belet. Uit het proces-verbaal volgt dat het een natuurlijk verloop van de zitting is geweest dat de rechter op enig moment de vraagstelling heeft overgenomen.
3.9.
Gelet op het voorgaande zal het verzoek worden afgewezen.
4De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beslissing is gegeven door de mr. F. Kooijman, voorzitter, mr. J.A. van Voorthuizen en mr. E.M. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.
De griffier De voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.