Rechtbank Oost-Brabant
ECLI:NL:RBOBR:2026:5710
2026-07-02
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
WR 26/012
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
WR 26/012: Wraking. Verzoek afgewezen, omdat het is gericht tegen een processuele beslissing
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.391 tekens)
beslissing
RECHTBANK OOST-BRABANT
Wrakingskamer
zaaknummer: WR 26/012
Beslissing van 2 juli 2026
van de wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
hierna te noemen: verzoeker,
gemachtigde: mr. Weermeijer,
strekkende tot de wraking van
mr. S.J.O. de Vries,
rechter(-commissaris) in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 17 juni 2026;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 19 juni 2026.
2Het wrakingsverzoek
2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer C/01/423497/FT RK 26-56. Verzoeker legt, zo begrijpt de wrakingskamer, samengevat het volgende aan zijn verzoek ten grondslag. Volgens (de gemachtigde van) verzoeker dient de curator in het faillissement van verzoeker te worden vervangen. De rechter heeft beslist tot aanhouding van dit verzoek tot ontslag van de curator totdat is beslist op het hoger beroep tegen het faillissementsvonnis. De (gemachtigde van) verzoeker geeft aan hiermee geen genoegen te kunnen nemen en de rechter te wraken.
2.2.
De rechter berust niet in de wraking.
3De beoordeling
3.1.
In artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is geregeld dat elke rechter die een zaak behandelt, kan worden gewraakt op verzoek van een partij. De grond voor zo’n verzoek is dat er feiten of omstandigheden zijn waardoor de onpartijdigheid van de rechter schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van zo’n verzoek is belangrijk dat wordt vermoed dat een rechter door zijn aanstelling als rechter onpartijdig is. Alleen als er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden geldt dit vermoeden niet. Deze uitzonderlijke omstandigheden moeten dan een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter tegenover een procespartij vooringenomen is. Het kan ook zijn dat een procespartij vrees daarvoor heeft. Die vrees moet wel objectief gerechtvaardigd zijn. Tot slot is ook de schijn van partijdigheid en het vermijden daarvan, belangrijk bij de beoordeling van het wrakingsverzoek.
3.2.
Bij de behandeling van een wrakingsverzoek maakt de wrakingskamer gebruik van het wrakingsprotocol van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: het wrakingsprotocol). Hierin zijn de regels voor het indienen en de behandeling van een wrakingsverzoek vastgelegd. In het wrakingsprotocol is onder andere geregeld dat de wrakingskamer het wrakingsverzoek meteen zonder zitting (dat is de mondelinge behandeling van een zaak) ongegrond kan verklaren. Dit is mogelijk als het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond is. Dit is geregeld in artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van het wrakingsprotocol. Ook artikel 39 lid 3 Rv biedt deze mogelijkheid. De wrakingskamer oordeelt dat die situatie zich hier voordoet en overweegt daarbij het volgende.
3.3.
De wrakingskamer begrijpt dat verzoeker wraakt omdat de rechter een beslissing heeft genomen waar verzoeker het niet mee eens is. Een (proces)beslissing van een rechter is geen grond voor wraking. Dit komt door het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Dit houdt in dat alleen de rechtsmiddelen bestaan die in de wet staan vermeld. Wraking tegen een (proces)beslissing van een rechter staat niet in de wet vermeld, waardoor dit niet mogelijk is. De wrakingskamer kan dus niet oordelen of een beslissing van een rechter juist is of niet. Ook als een rechter verzuimt te beslissen, kan een wrakingskamer hierover niet oordelen. Dat kan alleen anders zijn als de (proces)beslissing of de motivering daarvan in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten (bijvoorbeeld door de bewoordingen in de beslissing of de motivering daarvan) niet anders kan worden begrepen dan als een uiting van vooringenomenheid. Uit het wrakingsverzoek zelf en uit de reactie van de rechter volgt dat de beslissing om de zaak aan te houden is ingegeven door proceseconomische overwegingen, namelijk totdat het Hof uitspraak heeft gedaan. Uit de beslissing en de motivering van deze beslissing blijken geen concrete feiten en omstandigheden die wijzen op vooringenomenheid van de rechter. Ook een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor acht de wrakingskamer niet aanwezig. Voor een mondelinge behandeling bestaat dan ook geen reden.
3.4.
Nu het verzoek kennelijk ongegrond is, zal het verzoek worden afgewezen.
4De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beslissing is gegeven door de mr. F. Kooijman, voorzitter, mr. M.F.M.T. Franke en mr. A.H.J.J. van de Wetering, leden, in tegenwoordigheid van de griffier A.R. Beeren en in openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.
- de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
RECHTBANK OOST-BRABANT
Wrakingskamer
zaaknummer: WR 26/012
Beslissing van 2 juli 2026
van de wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
hierna te noemen: verzoeker,
gemachtigde: mr. Weermeijer,
strekkende tot de wraking van
mr. S.J.O. de Vries,
rechter(-commissaris) in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 17 juni 2026;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 19 juni 2026.
2Het wrakingsverzoek
2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer C/01/423497/FT RK 26-56. Verzoeker legt, zo begrijpt de wrakingskamer, samengevat het volgende aan zijn verzoek ten grondslag. Volgens (de gemachtigde van) verzoeker dient de curator in het faillissement van verzoeker te worden vervangen. De rechter heeft beslist tot aanhouding van dit verzoek tot ontslag van de curator totdat is beslist op het hoger beroep tegen het faillissementsvonnis. De (gemachtigde van) verzoeker geeft aan hiermee geen genoegen te kunnen nemen en de rechter te wraken.
2.2.
De rechter berust niet in de wraking.
3De beoordeling
3.1.
In artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is geregeld dat elke rechter die een zaak behandelt, kan worden gewraakt op verzoek van een partij. De grond voor zo’n verzoek is dat er feiten of omstandigheden zijn waardoor de onpartijdigheid van de rechter schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van zo’n verzoek is belangrijk dat wordt vermoed dat een rechter door zijn aanstelling als rechter onpartijdig is. Alleen als er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden geldt dit vermoeden niet. Deze uitzonderlijke omstandigheden moeten dan een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter tegenover een procespartij vooringenomen is. Het kan ook zijn dat een procespartij vrees daarvoor heeft. Die vrees moet wel objectief gerechtvaardigd zijn. Tot slot is ook de schijn van partijdigheid en het vermijden daarvan, belangrijk bij de beoordeling van het wrakingsverzoek.
3.2.
Bij de behandeling van een wrakingsverzoek maakt de wrakingskamer gebruik van het wrakingsprotocol van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: het wrakingsprotocol). Hierin zijn de regels voor het indienen en de behandeling van een wrakingsverzoek vastgelegd. In het wrakingsprotocol is onder andere geregeld dat de wrakingskamer het wrakingsverzoek meteen zonder zitting (dat is de mondelinge behandeling van een zaak) ongegrond kan verklaren. Dit is mogelijk als het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond is. Dit is geregeld in artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van het wrakingsprotocol. Ook artikel 39 lid 3 Rv biedt deze mogelijkheid. De wrakingskamer oordeelt dat die situatie zich hier voordoet en overweegt daarbij het volgende.
3.3.
De wrakingskamer begrijpt dat verzoeker wraakt omdat de rechter een beslissing heeft genomen waar verzoeker het niet mee eens is. Een (proces)beslissing van een rechter is geen grond voor wraking. Dit komt door het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Dit houdt in dat alleen de rechtsmiddelen bestaan die in de wet staan vermeld. Wraking tegen een (proces)beslissing van een rechter staat niet in de wet vermeld, waardoor dit niet mogelijk is. De wrakingskamer kan dus niet oordelen of een beslissing van een rechter juist is of niet. Ook als een rechter verzuimt te beslissen, kan een wrakingskamer hierover niet oordelen. Dat kan alleen anders zijn als de (proces)beslissing of de motivering daarvan in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten (bijvoorbeeld door de bewoordingen in de beslissing of de motivering daarvan) niet anders kan worden begrepen dan als een uiting van vooringenomenheid. Uit het wrakingsverzoek zelf en uit de reactie van de rechter volgt dat de beslissing om de zaak aan te houden is ingegeven door proceseconomische overwegingen, namelijk totdat het Hof uitspraak heeft gedaan. Uit de beslissing en de motivering van deze beslissing blijken geen concrete feiten en omstandigheden die wijzen op vooringenomenheid van de rechter. Ook een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor acht de wrakingskamer niet aanwezig. Voor een mondelinge behandeling bestaat dan ook geen reden.
3.4.
Nu het verzoek kennelijk ongegrond is, zal het verzoek worden afgewezen.
4De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beslissing is gegeven door de mr. F. Kooijman, voorzitter, mr. M.F.M.T. Franke en mr. A.H.J.J. van de Wetering, leden, in tegenwoordigheid van de griffier A.R. Beeren en in openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.
- de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.