Rechtbank Oost-Brabant
ECLI:NL:RBOBR:2026:5672
2026-06-12
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/01/421077 FA RK 25-4725
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De rechtbank oordeelt over de vraag of de door de Syrische rechtbank uitgesproken echtscheiding kan worden erkend in Nederland en of er sprake is van gezamenlijk gezag naar Syrisch recht. Het HKBV 1961 en HKBV 1996 worden toegepast bij de vraag of er sprake is van gezamenlijk gezag.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (16.469 tekens)
beschikking
RECHTBANK OOST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer : C/01/421077 / FA RK 25-4725
Uitspraak : 12 juni 2026
Beschikking betreffende gezag in de zaak van
[de moeder]
,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. L. da Silva,
tegen
[de vader]
,
zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen of buiten Nederland,
hierna te noemen: de vader,
over
[minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2010;
[minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2016.
In zijn adviserende rol is in de procedure betrokken:
de RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, locatie [plaats] , hierna te noemen: de raad.
1. De procedure
1.1. De rechtbank heeft kennisgenomen van:
- het verzoekschrift van de moeder, ingekomen op 19 november 2025;
- de correspondentie, waaronder met name:
het F9-formulier met bijlage van de moeder van 17 december 2025;
het F9-formulier met bijlage van de moeder van 18 december 2025;
het F9-formulier met bijlage van de moeder van 14 januari 2026;
het F9-formulier van de moeder van 28 januari 2026.
1.2. De zaak is behandeld ter zitting van 26 mei 2026. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat en [naam] namens de raad.
1.3. Hoewel de vader op de juiste manier is opgeroepen, is hij niet bij de zitting verschenen.
1.4. De rechtbank heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. Zij hebben hun mening niet gegeven.
2De feiten
2.1.
De ouders zijn gehuwd op [huwelijksdatum] 2006 in [plaats] (Syrië). Bij rechterlijke beslissing van 1 februari 2022 van de vijfde sharia rechtbank in [plaats] (Syrië) is het huwelijk tussen de ouders ontbonden.
2.2.
De minderjarige kinderen van partijen zijn:
[minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2010;
[minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2016.
2.3.
Sinds [datum] 2020 hebben de ouders zich met de kinderen in Nederland gevestigd. De kinderen verblijven op dit moment bij de moeder in Nederland. De vader is sinds 2021 (terug) naar Syrië.
2.4.
De moeder en de kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit. De vader heeft de Syrische nationaliteit.
3Het verzoek
3.1.
De moeder verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. te bepalen dat het gezamenlijk ouderlijk gezag van partijen over de minderjarigen:
o [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2010,
o [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2016
wordt beëindigd;
2. te bepalen dat voortaan uitsluitend de moeder met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal zijn belast.
4De beoordeling
Rechtsmacht, relatieve bevoegdheid en toepasselijk recht
4.1.
De vader heeft de Syrische nationaliteit. De zaak heeft daarom een internationaal karakter. De kinderrechter moet daarom eerst beoordelen of zij bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen en welk recht van toepassing is.
4.2.
De Nederlandse rechter is bevoegd om kennis te nemen van het verzoek, gelet op het feit dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ten tijde van de indiening van het verzoek de gewone verblijfplaats in Nederland hadden.
4.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven momenteel in het arrondissement Oost-Brabant, zodat de kinderrechter in deze rechtbank bevoegd is op het verzoek te beslissen.
4.4.
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van het verzoek is Nederlands recht van toepassing.
De erkenning van de Syrische echtscheidingsbeslissing
4.5.
De rechtbank moet eerst beoordelen of de door de Syrische rechtbank uitgesproken echtscheiding kan worden erkend in Nederland. Dit oordeel kan namelijk van invloed zijn op de vraag wie op dit moment belast is met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
4.6.
In de wet staat dat een in het buitenland, na een behoorlijke rechtspleging, verkregen ontbinding van het huwelijk of scheiding van tafel en bed wordt erkend in Nederland, indien zij tot stand is gekomen door de beslissing van een rechter of andere autoriteit en indien aan die rechter of andere autoriteit daartoe rechtsmacht toekomt. De rechtbank zal dan ook beoordelen of hier sprake van is naar Syrisch recht.
4.7.
De Syrische wetgeving, zijnde de Wet op het Personeel Statuut (WPS), onderscheidt typen van echtscheiding, waarvan een rechterlijke echtscheiding met wederzijds goedvinden een type is.
4.8.
De rechtbank constateert dat de moeder een vertaling van de echtscheidingsbeslissing van de vijfde sharia rechtbank heeft overgelegd. Uit die beslissing blijkt dat de rechter besluit om de scheiding met wederzijdse instemming vast te stellen en dat de scheiding wordt beschouwd als een ontbinding van het huwelijk tussen partijen. Ook blijkt dat de scheiding definitief is en dat partijen geen echtgenoten meer van elkaar zijn volgens de wet, tenzij een nieuwe huwelijksakte wordt opgesteld met een nieuwe vastgestelde bruidsschat. Niet is gebleken dat sprake is van een nieuwe huwelijksakte.
De uitspraak van de Syrische rechter is tot stand gekomen na een behoorlijke rechtspleging, nu beide partijen in de procedure zijn vertegenwoordigd. Ook is de beslissing genomen door een rechter die daartoe rechtsmacht toekomt. Naar het oordeel van de rechtbank kan de echtscheiding dan ook in Nederland worden erkend.
Wie heeft het gezag over de kinderen?
4.9.
Voordat de rechtbank het verzoek van de moeder inhoudelijk kan behandelen, moet worden onderzocht naar welk recht de gezagsverhouding dient te worden beoordeeld. Voor het bestaan (en de eventuele wijziging) van het gezag zijn het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961 (hierna: HKBV 1961) en het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (hierna: HKBV 1996) van belang. Het HKBV 1961 is van toepassing op kinderen geboren vóór 1 mei 2011 en het HKBV 1996 op kinderen die daarna zijn geboren.
[minderjarige 1]
4.10.
[minderjarige 1] is geboren vóór 1 mei 2011. Daarom moet per die datum worden onderzocht of van rechtswege een gezagsverhouding tussen partijen en [minderjarige 1] is ontstaan.
4.11.
Het HKBV 1961 kent in artikel 3 een erkenningsregel voor van rechtswege ontstane gezagsverhoudingen, in die zin dat de gezagsverhouding die van rechtswege voortvloeit uit de interne wet van de Staat waarvan het kind onderdaan is van rechtswege erkend wordt in alle Verdragsstaten. De rechtbank gaat ervan uit dat [minderjarige 1] ten tijde van zijn geboorte de Syrische nationaliteit had. De vraag wie van rechtswege met het gezag is belast over [minderjarige 1] dient daarom te worden beoordeeld naar het recht van Syrië.
4.12.
Volgens het Islamitische recht, dat in Syrië wordt gevolgd, komt de ‘hadana’ toe aan de moeder en komt de ‘wilaya’ toe aan de vader. De hadana betreft de dagelijkse (feitelijke) materiële zorg over het kind, zoals het verschaffen van de dagelijkse verzorging, eten en kleding. De vader heeft de wilaya, waarmee een soort ‘vaderlijke macht’ wordt bedoeld. De vader is de wettelijk vertegenwoordiger van het kind, beheert het vermogen van het kind, zorgt voor de persoon van het kind, dient altijd het kind te kunnen bezoeken (als hij niet bij het kind woont) en heeft in de regel een beslissende stem waar het gaat om het bepalen van de gewone verblijfplaats van het kind. Hoewel de moeder een belangrijk taak vervult in het leven van de minderjarige kinderen, gaat de rechtbank ervan uit dat het de vader is die in het Islamitische recht van rechtswege is belast met het gezag.
4.13.
Doordat partijen en de kinderen zich sinds 2020 in Nederland hebben gevestigd, is daarmee ook de gewone verblijfplaats van de kinderen verplaatst, ook nu de vader in 2021 is teruggekeerd naar Syrië. De verandering van de gewone verblijfplaats heeft ertoe geleid dat de vraag of de moeder met het ouderlijk gezag is belast, moet worden beantwoord naar Nederlands recht. Indien de gewone verblijfplaats van het kind wordt verplaatst, wordt het van rechtswege ontstaan van ouderlijke verantwoordelijkheid van een persoon die deze verantwoordelijkheid niet reeds heeft, beheerst door het recht van de Staat van de nieuwe gewone verblijfplaats. Uit de Nederlandse wet blijkt dat de ouders tijdens het huwelijk en ook na de ontbinding van het huwelijk samen zijn belast met het ouderlijk gezag, tenzij de rechter bepaalt dat het gezag toekomt aan één ouder. De vijfde sharia rechtbank in Syrië heeft bij de echtscheidingsbeslissing van 1 februari 2022 geen bepaling opgenomen over de wijzing van het gezag. Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de ouders op dit moment samen zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .
[minderjarige 2]
4.14.
Ten aanzien van [minderjarige 2] overweegt de rechtbank dat het HKBV 1996 van toepassing is omdat zij is geboren na 1 mei 2011 en dit verdrag universele werking heeft. Op grond van artikel 16 eerste lid HKBV 1996 was Syrisch recht van toepassing ten aanzien van het van rechtswege ontstaan of tenietgaan van de ouderlijke verantwoordelijkheid als zijnde de Staat van de gewone verblijfplaats van het kind. Naar Syrisch recht heeft de vader bij de geboorte van [minderjarige 2] het gezag over haar verkregen. Echter, de rechtbank is van oordeel dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige 2] in 2020 van Syrië naar Nederland is verplaatst, waardoor Nederlands recht van toepassing is op de vraag wie op dit moment belast is met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] . Daarom zijn de ouders ook samen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] .
Het wijzigen van het gezag
4.15.
De rechtbank kan het gezamenlijk gezag van ouders die niet met elkaar gehuwd zijn beëindigen als de omstandigheden zijn gewijzigd of als bij het nemen van een eerdere beslissing over het gezag van verkeerde of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechtbank kan het gezag bovendien alleen beëindigen als:
er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zal raken tussen de ouders, en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd genoeg verbetering komt, of
wijziging van het gezag om een andere reden in het belang van het kind noodzakelijk is.
4.16.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van gewijzigde omstandigheden sinds de rechterlijke beslissing van 1 februari 2022, omdat er al geruime tijd contact meer is tussen de vader en de kinderen en niet te verwachten is dat dit zal worden hersteld en de moeder de vader daarnaast ook niet meer kan bereiken. De moeder is daarom ontvankelijk in haar verzoek.
4.17.
De rechtbank is van oordeel dat aan de gestelde criteria in voornoemd artikel is voldaan, namelijk dat beëindiging van het gezag anderszins in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is. Het verzoek van de moeder zal dan ook worden toegewezen. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij tot dit oordeel is gekomen.
4.18.
De moeder heeft onweersproken gesteld dat de vader in 2021 naar Syrië is vertrokken. Sindsdien is er geen contact meer geweest tussen de ouders en ook niet tussen de vader en de kinderen. De vrouw heeft toegelicht dat de man dit contact ook niet wilt, omdat de vrouw en kinderen hebben geweigerd om met hem mee terug te reizen naar Syrië. De rechtbank is van oordeel dat, nu de vader al zo lang geen contact meer heeft met de kinderen (vanaf 2021 tot nu), hij geen zicht heeft op hun ontwikkeling en hij overigens ook geen invulling geeft aan zijn gezag, hij niet in staat kan worden geacht om gezagsbeslissingen over zijn kinderen te nemen die gebaseerd zijn op wat zij nodig hebben.
4.19.
Voorts heeft de omstandigheid dat de moeder de vader niet meer kan bereiken tot gevolg dat zij aan hem geen toestemming kan vragen voor het nemen van gezagsbeslissingen. De moeder kan de vader niet meer bereiken. Verder geeft de moeder aan dat het ook niet via de familie van de vader is gelukt om de vader te spreken. De moeder stelt dat zij in de nabije toekomst wel de toestemming van de vader nodig heeft voor de inschrijving van [minderjarige 2] op de middelbare school en voor een vakantie met de kinderen. Gelet op het vorenstaande heeft de moeder voldoende aannemelijk gemaakt dat de vereiste toestemming van de vader niet verkregen kan worden.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
beëindigt het gezamenlijk gezag van partijen over de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2010;
[minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2016,
en bepaalt dat het gezag over deze minderjarigen voortaan aan de moeder alleen toekomt;
5.2.
verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
compenseert de proceskosten tussen partijen aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. I.S. Verstraelen, rechter, tevens kinderrechter,
en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 12 juni 2026.
Conc: HNvd(G
Tegen deze beschikking kan, voor zover het een eindbeslissing betreft, -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof 's-Hertogenboscha. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraakb. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.
artikel 7 van de Brussel II-ter verordening
artikel 15 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996
Artikel 10:57 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
Tweede boek van de WPS.
Artikel 30 lid 3 van de Uitvoeringswet internationale kinderbescherming.
Pearl/Menski, Muslim Family Law, (1998), p. 410, Nasir, The Islamic Law of Personal Status 1990b, p. 170.
Artikel 16 lid 4 HKBV 1996.
Artikel 1:251 BW en 1:251a BW.
Artikel 16 lid 4 HKBV 1996.
Artikel 1:251 en 1:251a BW.
artikel 1:253n en artikel 1:251a BW.
RECHTBANK OOST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer : C/01/421077 / FA RK 25-4725
Uitspraak : 12 juni 2026
Beschikking betreffende gezag in de zaak van
[de moeder]
,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. L. da Silva,
tegen
[de vader]
,
zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen of buiten Nederland,
hierna te noemen: de vader,
over
[minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2010;
[minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2016.
In zijn adviserende rol is in de procedure betrokken:
de RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, locatie [plaats] , hierna te noemen: de raad.
1. De procedure
1.1. De rechtbank heeft kennisgenomen van:
- het verzoekschrift van de moeder, ingekomen op 19 november 2025;
- de correspondentie, waaronder met name:
het F9-formulier met bijlage van de moeder van 17 december 2025;
het F9-formulier met bijlage van de moeder van 18 december 2025;
het F9-formulier met bijlage van de moeder van 14 januari 2026;
het F9-formulier van de moeder van 28 januari 2026.
1.2. De zaak is behandeld ter zitting van 26 mei 2026. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat en [naam] namens de raad.
1.3. Hoewel de vader op de juiste manier is opgeroepen, is hij niet bij de zitting verschenen.
1.4. De rechtbank heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. Zij hebben hun mening niet gegeven.
2De feiten
2.1.
De ouders zijn gehuwd op [huwelijksdatum] 2006 in [plaats] (Syrië). Bij rechterlijke beslissing van 1 februari 2022 van de vijfde sharia rechtbank in [plaats] (Syrië) is het huwelijk tussen de ouders ontbonden.
2.2.
De minderjarige kinderen van partijen zijn:
[minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2010;
[minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2016.
2.3.
Sinds [datum] 2020 hebben de ouders zich met de kinderen in Nederland gevestigd. De kinderen verblijven op dit moment bij de moeder in Nederland. De vader is sinds 2021 (terug) naar Syrië.
2.4.
De moeder en de kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit. De vader heeft de Syrische nationaliteit.
3Het verzoek
3.1.
De moeder verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. te bepalen dat het gezamenlijk ouderlijk gezag van partijen over de minderjarigen:
o [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2010,
o [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2016
wordt beëindigd;
2. te bepalen dat voortaan uitsluitend de moeder met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal zijn belast.
4De beoordeling
Rechtsmacht, relatieve bevoegdheid en toepasselijk recht
4.1.
De vader heeft de Syrische nationaliteit. De zaak heeft daarom een internationaal karakter. De kinderrechter moet daarom eerst beoordelen of zij bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen en welk recht van toepassing is.
4.2.
De Nederlandse rechter is bevoegd om kennis te nemen van het verzoek, gelet op het feit dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ten tijde van de indiening van het verzoek de gewone verblijfplaats in Nederland hadden.
4.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven momenteel in het arrondissement Oost-Brabant, zodat de kinderrechter in deze rechtbank bevoegd is op het verzoek te beslissen.
4.4.
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van het verzoek is Nederlands recht van toepassing.
De erkenning van de Syrische echtscheidingsbeslissing
4.5.
De rechtbank moet eerst beoordelen of de door de Syrische rechtbank uitgesproken echtscheiding kan worden erkend in Nederland. Dit oordeel kan namelijk van invloed zijn op de vraag wie op dit moment belast is met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
4.6.
In de wet staat dat een in het buitenland, na een behoorlijke rechtspleging, verkregen ontbinding van het huwelijk of scheiding van tafel en bed wordt erkend in Nederland, indien zij tot stand is gekomen door de beslissing van een rechter of andere autoriteit en indien aan die rechter of andere autoriteit daartoe rechtsmacht toekomt. De rechtbank zal dan ook beoordelen of hier sprake van is naar Syrisch recht.
4.7.
De Syrische wetgeving, zijnde de Wet op het Personeel Statuut (WPS), onderscheidt typen van echtscheiding, waarvan een rechterlijke echtscheiding met wederzijds goedvinden een type is.
4.8.
De rechtbank constateert dat de moeder een vertaling van de echtscheidingsbeslissing van de vijfde sharia rechtbank heeft overgelegd. Uit die beslissing blijkt dat de rechter besluit om de scheiding met wederzijdse instemming vast te stellen en dat de scheiding wordt beschouwd als een ontbinding van het huwelijk tussen partijen. Ook blijkt dat de scheiding definitief is en dat partijen geen echtgenoten meer van elkaar zijn volgens de wet, tenzij een nieuwe huwelijksakte wordt opgesteld met een nieuwe vastgestelde bruidsschat. Niet is gebleken dat sprake is van een nieuwe huwelijksakte.
De uitspraak van de Syrische rechter is tot stand gekomen na een behoorlijke rechtspleging, nu beide partijen in de procedure zijn vertegenwoordigd. Ook is de beslissing genomen door een rechter die daartoe rechtsmacht toekomt. Naar het oordeel van de rechtbank kan de echtscheiding dan ook in Nederland worden erkend.
Wie heeft het gezag over de kinderen?
4.9.
Voordat de rechtbank het verzoek van de moeder inhoudelijk kan behandelen, moet worden onderzocht naar welk recht de gezagsverhouding dient te worden beoordeeld. Voor het bestaan (en de eventuele wijziging) van het gezag zijn het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961 (hierna: HKBV 1961) en het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (hierna: HKBV 1996) van belang. Het HKBV 1961 is van toepassing op kinderen geboren vóór 1 mei 2011 en het HKBV 1996 op kinderen die daarna zijn geboren.
[minderjarige 1]
4.10.
[minderjarige 1] is geboren vóór 1 mei 2011. Daarom moet per die datum worden onderzocht of van rechtswege een gezagsverhouding tussen partijen en [minderjarige 1] is ontstaan.
4.11.
Het HKBV 1961 kent in artikel 3 een erkenningsregel voor van rechtswege ontstane gezagsverhoudingen, in die zin dat de gezagsverhouding die van rechtswege voortvloeit uit de interne wet van de Staat waarvan het kind onderdaan is van rechtswege erkend wordt in alle Verdragsstaten. De rechtbank gaat ervan uit dat [minderjarige 1] ten tijde van zijn geboorte de Syrische nationaliteit had. De vraag wie van rechtswege met het gezag is belast over [minderjarige 1] dient daarom te worden beoordeeld naar het recht van Syrië.
4.12.
Volgens het Islamitische recht, dat in Syrië wordt gevolgd, komt de ‘hadana’ toe aan de moeder en komt de ‘wilaya’ toe aan de vader. De hadana betreft de dagelijkse (feitelijke) materiële zorg over het kind, zoals het verschaffen van de dagelijkse verzorging, eten en kleding. De vader heeft de wilaya, waarmee een soort ‘vaderlijke macht’ wordt bedoeld. De vader is de wettelijk vertegenwoordiger van het kind, beheert het vermogen van het kind, zorgt voor de persoon van het kind, dient altijd het kind te kunnen bezoeken (als hij niet bij het kind woont) en heeft in de regel een beslissende stem waar het gaat om het bepalen van de gewone verblijfplaats van het kind. Hoewel de moeder een belangrijk taak vervult in het leven van de minderjarige kinderen, gaat de rechtbank ervan uit dat het de vader is die in het Islamitische recht van rechtswege is belast met het gezag.
4.13.
Doordat partijen en de kinderen zich sinds 2020 in Nederland hebben gevestigd, is daarmee ook de gewone verblijfplaats van de kinderen verplaatst, ook nu de vader in 2021 is teruggekeerd naar Syrië. De verandering van de gewone verblijfplaats heeft ertoe geleid dat de vraag of de moeder met het ouderlijk gezag is belast, moet worden beantwoord naar Nederlands recht. Indien de gewone verblijfplaats van het kind wordt verplaatst, wordt het van rechtswege ontstaan van ouderlijke verantwoordelijkheid van een persoon die deze verantwoordelijkheid niet reeds heeft, beheerst door het recht van de Staat van de nieuwe gewone verblijfplaats. Uit de Nederlandse wet blijkt dat de ouders tijdens het huwelijk en ook na de ontbinding van het huwelijk samen zijn belast met het ouderlijk gezag, tenzij de rechter bepaalt dat het gezag toekomt aan één ouder. De vijfde sharia rechtbank in Syrië heeft bij de echtscheidingsbeslissing van 1 februari 2022 geen bepaling opgenomen over de wijzing van het gezag. Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de ouders op dit moment samen zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .
[minderjarige 2]
4.14.
Ten aanzien van [minderjarige 2] overweegt de rechtbank dat het HKBV 1996 van toepassing is omdat zij is geboren na 1 mei 2011 en dit verdrag universele werking heeft. Op grond van artikel 16 eerste lid HKBV 1996 was Syrisch recht van toepassing ten aanzien van het van rechtswege ontstaan of tenietgaan van de ouderlijke verantwoordelijkheid als zijnde de Staat van de gewone verblijfplaats van het kind. Naar Syrisch recht heeft de vader bij de geboorte van [minderjarige 2] het gezag over haar verkregen. Echter, de rechtbank is van oordeel dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige 2] in 2020 van Syrië naar Nederland is verplaatst, waardoor Nederlands recht van toepassing is op de vraag wie op dit moment belast is met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] . Daarom zijn de ouders ook samen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] .
Het wijzigen van het gezag
4.15.
De rechtbank kan het gezamenlijk gezag van ouders die niet met elkaar gehuwd zijn beëindigen als de omstandigheden zijn gewijzigd of als bij het nemen van een eerdere beslissing over het gezag van verkeerde of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechtbank kan het gezag bovendien alleen beëindigen als:
er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zal raken tussen de ouders, en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd genoeg verbetering komt, of
wijziging van het gezag om een andere reden in het belang van het kind noodzakelijk is.
4.16.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van gewijzigde omstandigheden sinds de rechterlijke beslissing van 1 februari 2022, omdat er al geruime tijd contact meer is tussen de vader en de kinderen en niet te verwachten is dat dit zal worden hersteld en de moeder de vader daarnaast ook niet meer kan bereiken. De moeder is daarom ontvankelijk in haar verzoek.
4.17.
De rechtbank is van oordeel dat aan de gestelde criteria in voornoemd artikel is voldaan, namelijk dat beëindiging van het gezag anderszins in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is. Het verzoek van de moeder zal dan ook worden toegewezen. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij tot dit oordeel is gekomen.
4.18.
De moeder heeft onweersproken gesteld dat de vader in 2021 naar Syrië is vertrokken. Sindsdien is er geen contact meer geweest tussen de ouders en ook niet tussen de vader en de kinderen. De vrouw heeft toegelicht dat de man dit contact ook niet wilt, omdat de vrouw en kinderen hebben geweigerd om met hem mee terug te reizen naar Syrië. De rechtbank is van oordeel dat, nu de vader al zo lang geen contact meer heeft met de kinderen (vanaf 2021 tot nu), hij geen zicht heeft op hun ontwikkeling en hij overigens ook geen invulling geeft aan zijn gezag, hij niet in staat kan worden geacht om gezagsbeslissingen over zijn kinderen te nemen die gebaseerd zijn op wat zij nodig hebben.
4.19.
Voorts heeft de omstandigheid dat de moeder de vader niet meer kan bereiken tot gevolg dat zij aan hem geen toestemming kan vragen voor het nemen van gezagsbeslissingen. De moeder kan de vader niet meer bereiken. Verder geeft de moeder aan dat het ook niet via de familie van de vader is gelukt om de vader te spreken. De moeder stelt dat zij in de nabije toekomst wel de toestemming van de vader nodig heeft voor de inschrijving van [minderjarige 2] op de middelbare school en voor een vakantie met de kinderen. Gelet op het vorenstaande heeft de moeder voldoende aannemelijk gemaakt dat de vereiste toestemming van de vader niet verkregen kan worden.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
beëindigt het gezamenlijk gezag van partijen over de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2010;
[minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2016,
en bepaalt dat het gezag over deze minderjarigen voortaan aan de moeder alleen toekomt;
5.2.
verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
compenseert de proceskosten tussen partijen aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. I.S. Verstraelen, rechter, tevens kinderrechter,
en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 12 juni 2026.
Conc: HNvd(G
Tegen deze beschikking kan, voor zover het een eindbeslissing betreft, -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof 's-Hertogenboscha. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraakb. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.
artikel 7 van de Brussel II-ter verordening
artikel 15 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996
Artikel 10:57 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
Tweede boek van de WPS.
Artikel 30 lid 3 van de Uitvoeringswet internationale kinderbescherming.
Pearl/Menski, Muslim Family Law, (1998), p. 410, Nasir, The Islamic Law of Personal Status 1990b, p. 170.
Artikel 16 lid 4 HKBV 1996.
Artikel 1:251 BW en 1:251a BW.
Artikel 16 lid 4 HKBV 1996.
Artikel 1:251 en 1:251a BW.
artikel 1:253n en artikel 1:251a BW.