Rechtbank Oost-Brabant
ECLI:NL:RBOBR:2026:5671
2026-02-05
Strafrecht
WR 26/003
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wraking. Verzoek afgewezen, omdat niet gebleken is van concrete feiten of omstandigheden waaruit vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan worden afgeleid.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.222 tekens)
beslissing
RECHTBANK Oost-Brabant
Wrakingskamer
zaaknummer: WR 26/003
Beslissing van 5 februari 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker]
,
wonende te [adres] ,
advocaat: mr. R. van Veen,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. C.A. Mandemakers,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 13 januari 2026
- de schriftelijke reactie van de rechter van 1 5 januari 2026
- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op 22januari 2026.
1.2.
Bij de mondelinge behandeling is mr. R. van Veen verschenen. De rechter heeft
laten weten niet te zullen verschijnen.
2Het wrakingsverzoek
2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer 01/268180-
25 tegen verzoeker als verdachte. In deze zaak stond op 14januari 2026 een zitting gepland
bij een meervoudige kamer waarvan de rechter de voorzitter zou zijn.
2.2.
Verzoeker heeft volgens het schriftelijke verzoek, zoals toegelicht bij de
mondelinge behandeling, het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. Op
24 december 2025 heeft een meervoudige raadkamer van deze rechtbank in deze zaak
beslist op een bezwaarschrift dat de verdediging had ingediend tegen de beslissing van de
rechter-commissaris om het verzoek tot het horen van getuigen af te wijzen. Dit
bezwaarschrift is door de rechtbank ongegrond verklaard. De voorzitter van de raadkamer
was de rechter die nu gewraakt wordt. Verzoeker wil het verzoek om de getuigen te horen
tijdens de mondelinge behandeling van de zaak herhalen en hij zal zich daarnaast op het
standpunt stellen dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim ex artikel 591 Sv. De
rechter heeft zich echter al in definitieve bewoordingen uitgesproken over beide punten,
namelijk:
- “ “De rechtbank ziet in de verschillende processen-verbaal geen aanknopingspunten om
te veronderstellen dat er in strijd met de ambtseed onjuist is geverbaliseerd.”
- “ “Gelet op het voorgaande bestaat er geen begin van aannemelijkheid dat zich in het
voorbereidend onderzoek een onherstelbaar vormverzuim heeft voorgedaan (…).“
Er is dus een voorschot genomen op het inhoudelijk nog te voeren verweer en
vooruitgelopen op de uitkomsten van de getuigenverhoren. De rechter heeft zijn gedachten
al bepaald over het gewicht dat moet worden toegekend aan de verhoren en over de
standpunten die de verdediging ter zitting nog moet innemen. Er is dan geen sprake meer
van onpartijdigheid.
2.3.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek
gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.
3De beoordeling
3.1.
Op grond van artikel 5 12 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan een rechter
alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke
onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een
procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als
rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt,
bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende
aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van)
partijdigheid.
3.2.
De beslissing van de meervoudige raadkamer op een bezwaarschift tegen de
weigering tot het verrichten van onderzoek door de RC ex artikel 182 lid 6 Sv is een
beschikking in (de voorfase van) een lopende zaak. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen
brengt mee dat een dergelijke rechterlijke beslissing nooit grond kan vormen voor wraking.
De wrakingskamer komt namelijk geen oordeel toe over de juistheid daarvan. Dat oordeel is
voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is
met de behandeling van de zaak. Een dergelijke beslissing kan alleen leiden tot toewijzing
van een wrakingsverzoek als die beslissing in het licht van alle omstandigheden van het
geval en naar objectieve maatstaven gemeten - bijvoorbeeld door de in de motivering
gebruikte bewoordingen - niet anders kan worden begrepen dan als blijk van
vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (HR 25 september 2018,
ECLI:NL:HR:20 18:1413).
3.3.
Van zulke omstandigheden is de wrakingskamer niet gebleken. De raadkamer heeft
weliswaar de motivering van haar beslissing in stellige bewoordingen weergegeven, maar
dat leidt op zichzelf beschouwd nog niet tot de conclusie dat de rechter vooringenomen is.
De raadkamer staat immers vrij in de wijze waarop zij de motivering van haar beslissing
formuleert, en een scherpe afwijzing van een of meer onderzoekswensen brengt nog geen
vooringenomenheid mee. De omstandigheid dat de rechter zowel voorzitter van de
raadkamer als voorzitter van de meervoudige kamer is, doet daar niet aan af. De wetgever
heeft in artikel 268 lid 2 Sv bepaald dat alleen de rechter die als rechter-commissaris enig
onderzoek in de zaak heeft verricht, (behoudens bij toepassing van artikel 3 16 lid 2 Sv) op
straffe van nietigheid aan het onderzoek op de terechtzitting geen deel neemt. In de wet is
niet opgenomen dat dit ook geldt voor een rechter die in de zaak een eerdere
(tussen)beslissing heeft genomen.
3.4
Het wrakingsverzoek zal gelet op het voorgaande worden afgewezen.
4De beslissing
De wrakingskamer:
4.1.
Wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beslissing is gegeven door de mr. E.M. Vermeulen, voorzitter, mr. M.E. Bartels en
mr. F.H.E. Boerma in tegenwoordigheid van de griffier en in openbaar uitgesproken op
5 februari 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
RECHTBANK Oost-Brabant
Wrakingskamer
zaaknummer: WR 26/003
Beslissing van 5 februari 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker]
,
wonende te [adres] ,
advocaat: mr. R. van Veen,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. C.A. Mandemakers,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 13 januari 2026
- de schriftelijke reactie van de rechter van 1 5 januari 2026
- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op 22januari 2026.
1.2.
Bij de mondelinge behandeling is mr. R. van Veen verschenen. De rechter heeft
laten weten niet te zullen verschijnen.
2Het wrakingsverzoek
2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer 01/268180-
25 tegen verzoeker als verdachte. In deze zaak stond op 14januari 2026 een zitting gepland
bij een meervoudige kamer waarvan de rechter de voorzitter zou zijn.
2.2.
Verzoeker heeft volgens het schriftelijke verzoek, zoals toegelicht bij de
mondelinge behandeling, het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. Op
24 december 2025 heeft een meervoudige raadkamer van deze rechtbank in deze zaak
beslist op een bezwaarschrift dat de verdediging had ingediend tegen de beslissing van de
rechter-commissaris om het verzoek tot het horen van getuigen af te wijzen. Dit
bezwaarschrift is door de rechtbank ongegrond verklaard. De voorzitter van de raadkamer
was de rechter die nu gewraakt wordt. Verzoeker wil het verzoek om de getuigen te horen
tijdens de mondelinge behandeling van de zaak herhalen en hij zal zich daarnaast op het
standpunt stellen dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim ex artikel 591 Sv. De
rechter heeft zich echter al in definitieve bewoordingen uitgesproken over beide punten,
namelijk:
- “ “De rechtbank ziet in de verschillende processen-verbaal geen aanknopingspunten om
te veronderstellen dat er in strijd met de ambtseed onjuist is geverbaliseerd.”
- “ “Gelet op het voorgaande bestaat er geen begin van aannemelijkheid dat zich in het
voorbereidend onderzoek een onherstelbaar vormverzuim heeft voorgedaan (…).“
Er is dus een voorschot genomen op het inhoudelijk nog te voeren verweer en
vooruitgelopen op de uitkomsten van de getuigenverhoren. De rechter heeft zijn gedachten
al bepaald over het gewicht dat moet worden toegekend aan de verhoren en over de
standpunten die de verdediging ter zitting nog moet innemen. Er is dan geen sprake meer
van onpartijdigheid.
2.3.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek
gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.
3De beoordeling
3.1.
Op grond van artikel 5 12 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan een rechter
alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke
onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een
procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als
rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt,
bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende
aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van)
partijdigheid.
3.2.
De beslissing van de meervoudige raadkamer op een bezwaarschift tegen de
weigering tot het verrichten van onderzoek door de RC ex artikel 182 lid 6 Sv is een
beschikking in (de voorfase van) een lopende zaak. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen
brengt mee dat een dergelijke rechterlijke beslissing nooit grond kan vormen voor wraking.
De wrakingskamer komt namelijk geen oordeel toe over de juistheid daarvan. Dat oordeel is
voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is
met de behandeling van de zaak. Een dergelijke beslissing kan alleen leiden tot toewijzing
van een wrakingsverzoek als die beslissing in het licht van alle omstandigheden van het
geval en naar objectieve maatstaven gemeten - bijvoorbeeld door de in de motivering
gebruikte bewoordingen - niet anders kan worden begrepen dan als blijk van
vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (HR 25 september 2018,
ECLI:NL:HR:20 18:1413).
3.3.
Van zulke omstandigheden is de wrakingskamer niet gebleken. De raadkamer heeft
weliswaar de motivering van haar beslissing in stellige bewoordingen weergegeven, maar
dat leidt op zichzelf beschouwd nog niet tot de conclusie dat de rechter vooringenomen is.
De raadkamer staat immers vrij in de wijze waarop zij de motivering van haar beslissing
formuleert, en een scherpe afwijzing van een of meer onderzoekswensen brengt nog geen
vooringenomenheid mee. De omstandigheid dat de rechter zowel voorzitter van de
raadkamer als voorzitter van de meervoudige kamer is, doet daar niet aan af. De wetgever
heeft in artikel 268 lid 2 Sv bepaald dat alleen de rechter die als rechter-commissaris enig
onderzoek in de zaak heeft verricht, (behoudens bij toepassing van artikel 3 16 lid 2 Sv) op
straffe van nietigheid aan het onderzoek op de terechtzitting geen deel neemt. In de wet is
niet opgenomen dat dit ook geldt voor een rechter die in de zaak een eerdere
(tussen)beslissing heeft genomen.
3.4
Het wrakingsverzoek zal gelet op het voorgaande worden afgewezen.
4De beslissing
De wrakingskamer:
4.1.
Wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beslissing is gegeven door de mr. E.M. Vermeulen, voorzitter, mr. M.E. Bartels en
mr. F.H.E. Boerma in tegenwoordigheid van de griffier en in openbaar uitgesproken op
5 februari 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.