Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Oost-Brabant

ECLI:NL:RBOBR:2026:5652

2026-01-20 Civiel recht; Personen- en familierecht WR 26/001
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Uitspraakdatum
2026-01-20
Publicatiedatum
2026-08-07
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Wraking
Zaaknummer
WR 26/001
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

WR 26/001: Wraking. Verzoek afgewezen, omdat het is gericht tegen een eerdere rechterlijke eindbeslissing en omdat het is gericht tegen een processuele beslissing.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.569 tekens)
beslissing

RECHTBANK Oost-Brabant


Wrakingskamer



zaaknummer: WR 26/001





Beslissing van 20 januari 2026


van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek op grond van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) van





[verzoeker] ,
hierna te noemen: verzoeker,


strekkende tot de wraking van




mr. L.J. Geerits,
kinderrechter in deze rechtbank, hierna te noemen: de rechter.




De procedure

1.1
In de zaak met procedurenummers 421507 JE RK 25-1618 en 421547 JE RK 25-1629 is verzoeker belanghebbende. In die zaak gaat het om de verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen voor de duur van één jaar.



1.2
Voor deze zaak was de zitting gepland op 6 januari 2026. Op 5 januari 2026 heeft verzoeker zijn wrakingsverzoek ingediend.




Het wrakingsverzoek en de reactie van de rechter daarop


2.1
Uit het wrakingsverzoek blijkt dat verzoeker het volgende aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd. Verzoeker is het niet eens met een beschikking van de rechter van 19 juni 2025. Verzoeker vindt deze beschikking absurd, omdat de rechter de wet en partijen heeft genegeerd. Volgens verzoeker worden zijn rechten op een eerlijk proces nu voor de tweede keer op grove wijze geschonden. Het verzoek tot ondertoezichtstelling dateert van 2 december 2025 maar is kennelijk opzettelijk pas later doorgezonden. Verzoeker heeft namelijk pas op 30 december 2025 de stukken ontvangen, waardoor hij zich niet kon voorbereiden voor de zitting van 6 januari 2026.



2.2
Op 6 januari 2026 heeft de rechter gereageerd op het wrakingsverzoek. Hij heeft aangegeven niet te berusten in het wrakingsverzoek. Voorafgaand aan het wrakingsverzoek heeft de rechter geen betrokkenheid bij de zaken gehad. Daarbij wijst de rechter erop dat hij verlof had van 20 december 2025 tot 5 januari 2026. Dat verzoeker het niet eens is met de beschikking van 19 juni 2025 kan geen grond zijn voor dit wrakingsverzoek.






De beoordeling


3.1
In artikel 36 Rv is geregeld dat elke rechter die een zaak behandelt, kan worden gewraakt op verzoek van een partij. De grond voor zo’n verzoek is dat er feiten of omstandigheden zijn waardoor de onpartijdigheid van de rechter schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van zo’n verzoek is belangrijk dat wordt vermoed dat een rechter door zijn aanstelling als rechter onpartijdig is. Alleen als er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden geldt dit vermoeden niet. Deze uitzonderlijke omstandigheden moeten dan een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter tegenover een procespartij vooringenomen is. Het kan ook zijn dat een procespartij vrees daarvoor heeft. Die vrees moet wel objectief gerechtvaardigd zijn. Tot slot is ook de schijn van partijdigheid en het vermijden daarvan, belangrijk bij de beoordeling van het wrakingsverzoek.



3.2
Bij de behandeling van een wrakingsverzoek maakt de wrakingskamer onder andere gebruik van het wrakingsprotocol van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: het wrakingsprotocol). Hierin zijn de regels voor het indienen en de behandeling van een wrakingsverzoek vastgelegd. In het wrakingsprotocol is onder andere geregeld dat de wrakingskamer het wrakingsverzoek meteen zonder zitting (dat is de mondelinge behandeling van een zaak) ongegrond kan verklaren. Dit is mogelijk als het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond is. Dit is geregeld in artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van het wrakingsprotocol. De wrakingskamer oordeelt dat deze situatie zich hier voordoet. De wrakingskamer zal hierna toelichten hoe zij tot dit oordeel is gekomen.



3.3
Voor zover het verzoek ziet op de beschikking van 19 juni 2025 oordeelt de wrakingskamer als volgt. Verzoeker vindt de rechter vooringenomen, omdat verzoeker de beschikking onjuist vindt. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt echter mee dat een rechterlijke beslissing in een eerdere procedure geen grond kan vormen voor wraking. De wrakingskamer komt namelijk geen oordeel toe over de juistheid van die beslissing. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in een eventueel hoger beroep belast is met de behandeling van de zaak (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). Dat is alleen anders wanneer de gewraakte beslissing een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat daaruit blijkt van partijdigheid of vooringenomenheid van de rechter die de beslissing heeft genomen. Daarvan is met de beslissing van 19 juni 2025 geen sprake. Deze in het wrakingsverzoek vermelde grond slaagt daarom niet.



3.4
Voor zover het verzoek van eiser ziet op de in zijn ogen te late toezending van de stukken oordeelt de wrakingskamer als volgt. De oproep voor de zitting van 6 januari 2026 en de stukken zijn door de griffie van de rechtbank verstuurd. De rechter heeft verklaard tot aan het wrakingsverzoek geen inhoudelijke bemoeienis te hebben gehad met de zaken waarin verzoeker heeft gewraakt. De wrakingskamer ziet geen aanleiding om aan deze verklaring te twijfelen omdat deze past in de gebruikelijke gang van zaken, het verlof van de rechter in de weg staat aan actieve bemoeienis met de zaak en het tijdsverloop tussen de datum van het verzoek en de verzending van de stukken ook niet zodanig is dat daarin een opzettelijke vertraging moet worden vermoed. Ook overigens heeft verzoeker geen concrete feiten of omstandigheden genoemd waaruit de (schijn van) partijdigheid van de rechter blijkt.



3.5
Gelet op voorgaande overwegingen is de wrakingskamer van oordeel dat er geen grond is voor wraking. Het wrakingsverzoek is daarom kennelijk ongegrond en zal worden afgewezen.




De beslissing


De wrakingskamer:
- wijst het verzoek tot wraking af.





Deze beslissing is gegeven door mr. F. Kooijman, voorzitter, mr. C.T.C. Wijsman en
mr. F.H.E.Boerma, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.A. Schokker-Stadhouders, griffier, en in openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.







de griffier de voorzitter






Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open (artikel 39, vijfde lid, Rv).