Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Oost-Brabant

ECLI:NL:RBOBR:2026:5436

2026-07-24 Strafrecht 01-014980-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-24
Publicatiedatum
2026-07-24
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
01-014980-26
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Veroordeling voor gekwalificeerde verkrachting van een veertien jarig en een vijftien jarig slachtoffer (feit 1 en 2), en het vervaardigen en in bezit hebben van kinderpornografisch materiaal (feit 3) tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 maanden. Schakelbewijs (modus operandi). Beroep op afwezigheid van alle schuld afgewezen. Gehele toewijzing van de ene vordering van de benadeelde partij en gedeeltelijke toewijzing van de andere vordering.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (46.878 tekens)
vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT


Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht



Parketnummer: 01-014980-26



Datum uitspraak: 24 juli 2026



Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:





[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1999] ,
thans gedetineerd te [Verblijfplaats] .



Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 april 2026 en 10 juli 2026.



De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.




De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 18 maart 2026.


Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 24 april 2026 is gewijzigd is aan de verdachte ten laste gelegd dat:




feit 1:


hij op of omstreeks 21 augustus 2025 te Boxtel, althans in Nederland, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer 1] (geboren op [2009] ), een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten



- het brengen van zijn penis in de mond van die [slachtoffer 1] en/of het zich door die [slachtoffer 1] laten pijpen en/of


- het brengen van zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 1] en/of


- het brengen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 1]

en welke verkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door het grote leeftijdsverschil en/of overwicht dat hij op die [slachtoffer 1] had en/of door die [slachtoffer 1] lachgas te laten gebruiken en/of door boos/dwingend tegen die [slachtoffer 1] te praten en/of door die [slachtoffer 1] in/tegen het gezicht te slaan en/of aan het haar te trekken en/of haar hoofd naar zijn penis te duwen en/of op/tegen haar achterhoofd te duwen en/of door de arm van die [slachtoffer 1] op haar rug te draaien;



feit 2:


hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met 23 oktober 2024 te Roosendaal,


althans in Nederland, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer 2] (geboren op [2009] ), een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten



- het brengen van zijn penis in de mond van die [slachtoffer 2] en/of het zich door die [slachtoffer 2] laten pijpen en/of


- het brengen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 2] en/of


- het brengen van zijn vinger(s) in de anus van die [slachtoffer 2]

en welke verkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door het grote leeftijdsverschil en/of overwicht dat hij op die [slachtoffer 2] had en/of door die [slachtoffer 2] in/tegen het gezicht en/of tegen het hoofd te slaan als ze niet wilde doen wat hij vroeg en/of door die [slachtoffer 2] meermalen lachgas te laten gebruiken en/of poeder te laten snuiven en/of een xtc-pil in haar mond te duwen en/of door het hoofd van die [slachtoffer 2] vast te pakken en/of naar zijn penis te duwen en/of door boos/dwingend tegen die [slachtoffer 2] te praten en/of door die [slachtoffer 2] stevig vast te houden terwijl ze op zijn penis zat en/of haar zo te dwingen te blijven zitten en/of door de autodeuren op slot te doen en/of die [slachtoffer 2] niet naar huis te brengen;



feit 3:


hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met 24 oktober 2025 te Boxtel en/of te Roosendaal, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, een of meer visuele weergaven van seksuele aard en/of met onmiskenbaar seksuele strekking




- waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, te weten [slachtoffer 1] (geboren op [2009] ) was betrokken of schijnbaar was betrokken




heeft vervaardigd en/of in bezit heeft gehad





te weten foto's en/of video's, waarop te zien is dat: die persoon oraal en/of vaginaal wordt gepenetreerd met (een) vinger(s) en/of een penis


(vindplaats in dossier: p-v bevindingen OBRBC25153-25 op p. 83/84 en in bijbehorende bijlage: p. 169 en p. 202)





en/of





het geslachtsdeel van die persoon met een vinger/hand wordt aangeraakt en/of het geslachtsdeel van een ander persoon met een hand wordt aangeraakt door die persoon


(vindplaats in dossier: p-v bevindingen OBRBC25153-25 op p. 83/84 en in bijbehorende bijlage: p. 201)





en/of




- waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, te weten [slachtoffer 2] (geboren op [2009] ) was betrokken of schijnbaar was betrokken




heeft vervaardigd en/of verspreid en/of in bezit heeft gehad





te weten een filmbestand, waarin te zien is dat die persoon oraal wordt gepenetreerd met een penis


(vindplaats in dossier: p. 308 en p. 321)


De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.




De bewijsvraag.


Inleiding.

Op vrijdag 22 augustus 2025 heeft een regiebehandelaar van [instelling] , te Boxtel, een melding gemaakt bij de politie. In deze melding heeft zij aangegeven dat [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ), geboren op [2009] (destijds 15 jaar oud), tegen de groepsleiding heeft verklaard dat zij afgelopen nacht is gedwongen om seks te hebben met een 25-jarige man. Naar aanleiding hiervan is de politie onderzoek Lichtschip gestart.



Tijdens het onderzoek is besloten om onderzoek Fint toe te voegen. Dit betreft een onderzoek naar aanleiding van een melding op 20 oktober 2024 door de vader van [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ), geboren op [2009] (destijds 14 jaar oud), dat zij was verkracht door een man die zich online ‘ [gebruikersnaam] ’ noemde.



Na politieonderzoek kwam de verdachte in beide zaken als verdachte naar voren. De verdachte heeft (grotendeels) een bekennende verklaring afgelegd ten aanzien van de seksuele handelingen (feiten 1 en 2) – waarvan eveneens beeldmateriaal is gemaakt – (feit 3), maar ontkent dat daarbij sprake is geweest van dwang.




Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.




Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde, voor zover dit betrekking heeft op de gekwalificeerde verkrachtingen (artikel 248 lid 2 Sr), alsmede van het onder 3 ten laste gelegde voor zover dit ziet op het beeldmateriaal van [slachtoffer 2] . Op specifieke standpunten gaat de rechtbank hierna in, voor zover dat nodig is.




Het oordeel van de rechtbank.





Bewijsminimum

Bij de beoordeling van het bewijs stelt de rechtbank voorop dat zedenzaken zich doorgaans
kenmerken door het gegeven dat slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste
gelegde seksuele handelingen, het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Dat is ook
in deze zaak het geval. Op grond van artikel 342, tweede lid, Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, niet uitsluitend worden aangenomen op grond van de verklaring van één getuige. Dat kan ook niet als de rechtbank deze verklaring betrouwbaar zou achten. Om tot een bewezenverklaring te komen is dus steunbewijs nodig uit een andere bron.



Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad betekent de bewijsminimumregel in
zedenzaken niet dat vereist is dat het (seksueel) misbruik als zodanig bevestiging vindt in
ander bewijsmateriaal, maar is voldoende als de verklaring van de aangeefster op bepaalde punten bevestiging vindt in de andere bewijsmiddelen. Deze bewijsmiddelen
moeten voldoende steun geven aan de verklaring van de aangeefster. Dit betekent dat het
steunbewijs op relevante wijze in verband moet staan met de inhoud van de verklaring van
de aangeefster. Er mag tussen de verklaring van de aangeefster en het overige bewijsmateriaal geen sprake zijn van een te ver verwijderd verband.



Een bijzondere vorm van steunbewijs vormt het zogeheten schakelbewijs. In zo’n bewijsconstructie worden verklaringen van verschillende aangeefsters van verschillende delicten gebruikt om elkaar te ondersteunen, omdat de handelwijze van de verdachte op essentiële punten overeenkomt. Een en ander moet duiden op een herkenbaar en gelijksoortig patroon in de handelingen van verdachte.




Bewijsmiddelen

De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.




Bewijsoverwegingen




1. Feiten 1 en 2



1.1
Betrouwbaarheid


De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] betrouwbaar zijn. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.





[slachtoffer 1]

heeft in totaal drie verklaringen afgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen gedetailleerd en in de kern consistent zijn. Zij neemt daarbij in aanmerking dat [slachtoffer 1] over de seksuele handelingen, de dwang, bedreiging en geweldshandelingen in de kern steeds hetzelfde heeft verklaard, namelijk dat zij de verdachte oraal heeft bevredigd, hij haar heeft gevingerd en dat zij seks hebben gehad. Dit zijn handelingen die ook door de verdachte zijn bekend. Tevens heeft zij verklaard dat een groot deel van die handelingen vrijwillig was, maar dat de verdachte op enig moment hardhandig en dwingend werd door te zeggen: “Nu pijpen”, haar hoofd naar zijn geslachtsdeel te duwen, haar in het gezicht te slaan, aan haar haren te trekken en haar arm op haar rug te draaien.



Anders dan door de verdediging is aangevoerd, ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] . Dat haar motief voor de belastende verklaring gelegen zou zijn in het verklaren van haar afwezigheid ten opzichte van de woongroep is een stelling van de raadsman die geen steun vindt in het dossier.




Tussenconclusie

De rechtbank concludeert dat de verklaringen van [slachtoffer 1] betrouwbaar zijn en zal deze dan ook voor het bewijs gebruiken.





[slachtoffer 2]


heeft in totaal vijf verklaringen afgelegd. De rechtbank merkt op dat [slachtoffer 2] op bepaalde onderdelen in geringe mate verschillend heeft verklaard. Dit maakt echter niet dat de verklaringen als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt. Dat [slachtoffer 2] bij haar verklaring op 1 juli 2026 gebruik maakt van formuleringen als ‘ik weet het niet’, acht de rechtbank in het licht van een gebeurtenis van twee jaren eerder, eveneens onvoldoende voor onbetrouwbaarheid. Daarbij weegt de rechtbank mee dat [slachtoffer 2] over de seksuele handelingen, de dwang, bedreiging en geweldshandelingen in de kern steeds hetzelfde heeft verklaard, namelijk dat zij de verdachte oraal heeft bevredigd, hij haar heeft gevingerd, hij een vinger in haar anus heeft gebracht en dat zij seks hebben gehad. Zij heeft verder verklaard dat de verdachte haar op enig moment dwong om lachgas te gebruiken en poeder te snuiven en dat hij een pil in haar mond duwde. Zij heeft ook verklaard dat hij in haar gezicht sloeg, haar hoofd naar zijn geslachtsdeel duwde, op een dwingende manier tegen haar praatte en haar stevig heeft vastgehouden zodat ze op zijn geslachtsdeel bleef zitten. Verdachte had de autodeuren op slot op het moment dat ze bij hem in de auto zat en hij wilde haar niet naar huis brengen.



Dat het motief van [slachtoffer 2] voor het afleggen van de belastende verklaring zou zijn gelegen in het afleggen van verantwoording aan haar vader voor het beeldmateriaal waarop te zien is dat zij een persoon oraal bevredigt, is een stelling van de raadsman die niet wordt ondersteund door het dossier.
Ook verwerpt de rechtbank het verweer dat bij [slachtoffer 2] sprake is van een persoonsverwisseling met een andere persoon dan verdachte wanneer het om de geweldshandelingen gaat. Daartoe overweegt de rechtbank allereerst dat [slachtoffer 2] op 23 december 2024 een foto is getoond van de verdachte, waarop zij hem heeft herkend als degene tegen wie zij aangifte doet. Daar komt bij dat de verdachte een groot deel van de verklaring van [slachtoffer 2] erkent. Zo heeft hij verklaard met [slachtoffer 2] te hebben afgesproken. Tijdens deze afspraak hebben zij lachgas gebruikt en hebben er seksuele handelingen plaatsgevonden - vingeren en oraal bevredigen – op de twee verschillende parkeerplaatsen. Van het oraal bevredigen buiten de auto is eveneens door de verdachte beeldmateriaal gemaakt. De verklaring van de verdachte komt dan ook grotendeels overeen met de verklaring van [slachtoffer 2] .




Tussenconclusie

De rechtbank concludeert dat ook de verklaringen van [slachtoffer 2] betrouwbaar zijn en zal deze dan ook voor het bewijs gebruiken.




1.2
Schakel- en steunbewijs


Vervolgens is de vraag of er voldoende steunbewijs is voor de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en licht dit als volgt toe.



De rechtbank stelt vast dat uit de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] volgt dat sprake is van een specifieke modus operandi. Er bestaan op essentiële punten kenmerkende overeenkomsten in de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de seksuele handelingen bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn verricht, terwijl niet is gebleken dat zij elkaar kenden en van elkaars ervaringen wisten. In de eerste plaats geldt dat het in beide gevallen ging om kwetsbare pubermeisjes. De meisjes verklaren beiden op voorhand hun minderjarige leeftijd aan de verdachte kenbaar te hebben gemaakt, waarop de verdachte aangaf “dat hij dat niet erg vond”. De verdachte heeft de minderjarige meisjes via sociale-mediaplatforms benaderd en vervolgens een ontmoeting tot stand gebracht, waarbij hij hen ophaalde met de auto. De ontmoetingen duurden meerdere uren en vonden plaats in een auto op een afgelegen plek, alwaar veel lachgas werd gebruikt. De meisjes werd geld aangeboden en vervolgens werden er vergaande seksuele handelingen verricht, waarvan door de verdachte beeldmateriaal werd gemaakt.



Daar komt bij dat de meisjes grotendeels dezelfde dwang- en geweldshandelingen omschrijven die de verdachte hanteerde. De verdachte praatte op een dwingende toon en zei dat ze hem oraal moesten bevredigen en gebruikte uitingen zoals: “Nu pijpen”, hij sloeg de meisjes in het gezicht en duwde hun hoofd naar zijn geslachtsdeel.



Er is dan ook sprake van een herkenbaar en gelijksoortig patroon – een kenmerkende modus operandi –in de aan de verdachte verweten feiten.



Ook de verklaring van verdachte ondersteunt de verklaringen van de slachtoffers op belangrijke onderdelen. Zijn verklaring biedt steun voor de afspraak, het gebruik van lachgas, (het merendeel van) de seksuele handelingen, het door verdachte maken van beelden van de seksuele handelingen, en het geven van een geldbedrag (driemaal ‘tikkie’
€ 20,- en eenmaal € 100,- contant) aan [slachtoffer 1] .



Tot slot worden de verklaringen van de slachtoffers ondersteund door het feit dat er daadwerkelijk beeldmateriaal is aangetroffen van de seksuele handelingen tussen hen en verdachte.




1.3
De verklaring van verdachte


Voor zover de verklaring van de verdachte erop neerkomt dat de seksuele handelingen geheel vrijwillig hebben plaatsgevonden, acht de rechtbank die verklaring, gelet op het voorgaande, ongeloofwaardig.




1.4
Conclusie


Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank de onder feit 1 en 2 ten laste gelegde gekwalificeerde verkrachtingen wettig en overtuigend bewezen.



2. Feit 3



Ten aanzien van feit 3 wordt zonder nadere overwegingen verwezen naar de bewijsbijlage, waaruit volgt dat de verdachte kinderpornografisch beeldmateriaal van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft vervaardigd en in bezit heeft gehad.




Partiële vrijspraak

De rechtbank is, evenals de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat onvoldoende wettig bewijs voorhanden is om de verdachte te veroordelen voor het verspreiden van het kinderpornografisch beeldmateriaal van [slachtoffer 2] . De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van dit onderdeel.





De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte:

feit 1:


omstreeks 21 augustus 2025 te Boxtel met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer 1] (geboren op [2009] ), seksuele handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten



- het zich door die [slachtoffer 1] laten pijpen en


- het brengen van zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 1] en


- het brengen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 1]

en welke verkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door boos/dwingend tegen die [slachtoffer 1] te praten en door die [slachtoffer 1] in/tegen het gezicht te slaan en aan het haar te trekken en haar hoofd naar zijn penis te duwen en op/tegen haar achterhoofd te duwen en door de arm van die [slachtoffer 1] op haar rug te draaien;



feit 2:


in de periode van 1 juli 2024 tot en met 23 oktober 2024 te Roosendaal met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer 2] (geboren op [2009] ), seksuele handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten



- het zich door die [slachtoffer 2] laten pijpen en


- het brengen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 2] en


- het brengen van zijn vinger in de anus van die [slachtoffer 2]

en welke verkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door die [slachtoffer 2] in/tegen het gezicht en tegen het hoofd te slaan als ze niet wilde doen wat hij vroeg en door die [slachtoffer 2] meermalen lachgas te laten gebruiken en poeder te laten snuiven en een pil in haar mond te duwen en door het hoofd van die [slachtoffer 2] vast te pakken en naar zijn penis te duwen en door boos/dwingend tegen die [slachtoffer 2] te praten en door die [slachtoffer 2] stevig vast te houden terwijl ze op zijn penis zat en haar zo te dwingen te blijven zitten en door de autodeuren op slot te doen en die [slachtoffer 2] niet naar huis te brengen;



feit 3:


in de periode van 1 juli 2024 tot en met 24 oktober 2025 in Nederland visuele weergaven van seksuele aard en met onmiskenbaar seksuele strekking



- waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, te weten [slachtoffer 1] (geboren op [2009] ), was betrokken, heeft vervaardigd en in bezit gehad, te weten foto's en video's, waarop te zien is dat:




die persoon oraal en vaginaal wordt gepenetreerd met (een) vinger(s) en een penis


(vindplaats in dossier: p-v bevindingen OBRBC25153-25 op p. 83/84 en in bijbehorende bijlage: p. 169 en p. 202)





en





het geslachtsdeel van die persoon met een vinger/hand wordt aangeraakt en het geslachtsdeel van een ander persoon met een hand wordt aangeraakt door die persoon


(vindplaats in dossier: p-v bevindingen OBRBC25153-25 op p. 83/84 en in bijbehorende bijlage: p. 201)





en




- waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, te weten [slachtoffer 2] (geboren op [2009] ), was betrokken, heeft vervaardigd en in bezit gehad, te weten een filmbestand, waarin te zien is dat die persoon oraal wordt gepenetreerd met een penis

(vindplaats in dossier: p. 308 en p. 321).



De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.



De strafbaarheid van verdachte.


Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1 en 2 op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens afwezigheid van alle schuld, nu de verdachte heeft gedwaald omtrent de daadwerkelijke leeftijd van de slachtoffers. Daartoe is – kort samengevat – aangevoerd dat de verdachte niet wist dat de slachtoffers nog geen zestien jaar oud waren, nu [slachtoffer 1] zich had voorgedaan als zeventienjarige en [slachtoffer 2] als negentienjarige. De verdachte heeft verklaard een foto van een ID-kaart van [slachtoffer 1] te hebben gezien, waarop een geboortedatum uit 2007 stond. Ook hun gedrag sloot aan bij de door hen opgegeven leeftijd.




Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen beroep op afwezigheid van alle schuld toekomt.




Het oordeel van de rechtbank.

Van een geslaagd beroep op feitelijke dwaling, en dus op afwezigheid van alle schuld, kan slechts sprake zijn indien de verdachte erop mocht vertrouwen dat de slachtoffers ouder waren dan hun daadwerkelijke leeftijd. Bij de beoordeling hiervan dient vooropgesteld te worden dat de bescherming van (de belangen van) minderjarigen centraal staat in de aard en de strekking van artikel 248 van het Wetboek van Strafrecht. Bij zedendelicten als deze gaat het om een zo doeltreffend mogelijke strafrechtelijke bescherming van jeugdigen, die juist ook moeten worden beschermd tegen verleidingen die van henzelf uit kunnen gaan. De normatieve ruimte voor aanvaarding van een beroep op afwezigheid van alle schuld is daarom op grond van de ratio van deze specifieke strafbepaling uiterst beperkt. Dit betekent dat de verdachte een zeer verstrekkende onderzoeksplicht had om, zo hij daarvan niet reeds op de hoogte zou zijn geweest, achter de werkelijke leeftijd van de slachtoffers te komen en dat hij aldus alles in het werk had moeten stellen wat in redelijkheid van hem kon worden verlangd om dit te onderzoeken.



Gelet op de betrouwbaar en geloofwaardig geachte verklaringen van de slachtoffers, is niet gebleken van enige misleidende informatie van de slachtoffers over hun leeftijd. Zij verklaren immers beiden hun leeftijd op voorhand te hebben medegedeeld aan de verdachte. Het verweer mist derhalve feitelijke grondslag en wordt om die reden verworpen.



Ten overvloede overweegt de rechtbank dat zelfs indien zij zou uitgaan van de lezing van de verdachte, hetgeen door de raadsman is aangevoerd onvoldoende grond biedt om aan te nemen dat aan de onderzoeksplicht is voldaan. Het had op de weg van de verdachte gelegen, daar waar hij ervoor heeft gekozen om onder ongebruikelijke omstandigheden – in de auto op een afgelegen plek – seks te hebben met meisjes die hij online had ontmoet, niet eerder had gezien en waarvan hij ten minste kon vermoeden dat zij jonger waren dan hijzelf op dat moment, meer onderzoek te verrichten naar hun werkelijke leeftijd.



Er is ook overigens geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.




Oplegging van straf en maatregel.



De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd om aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 60 maanden, met aftrek van de duur van het voorarrest.



Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.




Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft verzocht om bij het bepalen van de aan de verdachte op te leggen straf rekening te houden met zijn jeugdige leeftijd, het ontbreken van relevante zedenantecedenten, zijn werk- en huisvestingssituatie, het ontbreken van vastgestelde delictgerelateerde problematiek en de bevindingen van de reclassering. Verder heeft de verdediging verzocht om het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen, in verband met het bepaalde in artikel 67a lid 3 Sv.




Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden, waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.



De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.




Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan gekwalificeerde verkrachting van een 14-jarig en een 15-jarig slachtoffer. Toen de verdachte 24 respectievelijk 25 jaar oud was, heeft hij de minderjarige meisjes via social-media benaderd en vervolgens met hen afgesproken. Ondanks het feit dat de verdachte wist dat de slachtoffers minderjarig waren, heeft dit hem er niet van weerhouden vergaande seksuele handelingen met hen te plegen in een auto op een afgelegen plek. Signalen van weerstand werden door de verdachte genegeerd. Tijdens deze ontmoetingen heeft hij eveneens beeldmateriaal van de seksuele handelingen gemaakt. De verdachte heeft zich daarmee niet alleen schuldig gemaakt aan gekwalificeerde verkrachting, maar ook aan het vervaardigen en in bezit hebben van kinderpornografisch materiaal. Met zijn handelingen heeft de verdachte een ontoelaatbare en zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke, geestelijke en seksuele integriteit van de slachtoffers. Daarbij heeft de verdachte uitsluitend zijn eigen seksuele verlangens voor ogen gehad en zich in het geheel niet bekommerd om de schadelijke gevolgen van zijn gedrag voor de jonge slachtoffers. De ervaring leert dat dergelijke delicten een grote impact hebben op de slachtoffers waar zij langdurig de gevolgen van ondervinden. Uit de toelichting op de vordering benadeelde partijen alsook de slachtofferverklaring van [slachtoffer 1] blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is. De rechtbank neemt dit de verdachte uiterst kwalijk.




De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 4 mei 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit.



De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland over de verdachte van 22 juni 2026. De reclassering schat het risico op recidive in als gemiddeld. Zij zien geen grote problemen op de leefgebieden, maar er lijkt een mate van impulsiviteit aanwezig te zijn. Ook op psychosociaal vlak alsmede in interactie met anderen lijkt de verdachte niet altijd handige keuzes te maken, hetgeen bij een bewezenverklaring ook als delictgerelateerd beschouwd kan worden. Dat maakt dat de reclassering de inzet van nadere interventies geïndiceerd acht. De verdachte heeft aangegeven bereid te zijn mee te werken aan een toezicht.



De reclassering adviseert om bij een veroordeling van de verdachte hem op te leggen een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, een contactverbod met de slachtoffers en het vermijden van contact met minderjarigen.



De reclassering ziet ten aanzien van de op te leggen strafmodaliteit geen contra-indicaties voor oplegging van een gevangenisstraf, taakstraf of geldboete.




De strafoplegging

Gelet op de ernst van de feiten kan niet worden volstaan met een andere straf dan een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Alles afwegende acht de rechtbank de eis van de officier van justitie passend en geboden. De rechtbank zal aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 60 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Een lichtere straf zou geen recht doen aan de ernst van de feiten en de gevolgen hiervan voor de slachtoffers.



Gelet op de duur van de opgelegde gevangenisstraf is een voorwaardelijk strafdeel niet mogelijk. De door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden kunnen eventueel te zijner tijd worden verbonden aan een voorwaardelijke invrijheidstelling.



Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.




Voorlopige hechtenis

De verdachte is bij vonnis van heden schuldig bevonden aan ernstige strafbare feiten. Gelet op de duur van de op te leggen gevangenisstraf is de situatie bedoeld in artikel 67a lid 3 Sv niet aan de orde. Voor opheffing van de voorlopige hechtenis ziet de rechtbank ook overigens geen grond. Het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van de verdachte zal dan ook worden afgewezen.





De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feiten 1 en 3).

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert schadevergoeding van € 9.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.



Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij toewijsbaar is, vermeerderd met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor wat betreft de hoogte van de gevorderde schade heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.




Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering bij een vrijspraak niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat de vordering aanzienlijk gematigd dient te worden, nu het causale verband tussen de gestelde immateriële schade en het ten laste gelegde onvoldoende is onderbouwd met concrete stukken.




Het oordeel van de rechtbank.

Naar het oordeel van de rechtbank is vast komen te staan dat de benadeelde als gevolg van de bewezenverklaarde feiten (1 en 3) immateriële schade heeft geleden. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde op andere wijze in de persoon is aangetast in de zin van artikel 6:106 sub b Burgerlijk Wetboek (BW), nu het gaat om een ernstige (zeden)zaak waar een forse normschending aan de orde is. De verdachte heeft vergaande inbreuk gemaakt op de persoonlijke en lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De in dit verband relevante nadelige gevolgen van de bewezen verklaarde feiten liggen dusdanig voor de hand dat een persoonsaantasting kan worden aangenomen.
Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, de slachtofferverklaring die ter terechtzitting is voorgelezen namens het slachtoffer, en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, zal de rechtbank het bedrag aan immateriële schade geheel toewijzen.




Conclusie

De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 9.000,-, bestaande uit immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 21 augustus 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.



Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.




Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 augustus 2025 tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.




De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] (feiten 2 en 3).

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert schadevergoeding van € 20.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.



Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij toewijsbaar is, vermeerderd met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor wat betreft de hoogte van de gevorderde schade heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.




Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering bij een vrijspraak niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat de vordering aanzienlijk gematigd dient te worden, nu het causale verband tussen de gestelde immateriële schade en het ten laste gelegde onvoldoende is onderbouwd met concrete stukken.




Het oordeel van de rechtbank.

Naar het oordeel van de rechtbank is vast komen te staan dat de benadeelde als gevolg van de bewezenverklaarde feiten (2 en 3) immateriële schade heeft geleden. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde op andere wijze in de persoon is aangetast in de zin van artikel 6:106 sub b BW, nu het gaat om een ernstige (zeden)zaak waar een forse normschending aan de orde is. De verdachte heeft vergaande inbreuk gemaakt op de persoonlijke en lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De in dit verband relevante nadelige gevolgen van de bewezen verklaarde feiten liggen dusdanig voor de hand dat een persoonsaantasting kan worden aangenomen.
Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van
€ 12.500,-.




Conclusie

De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van €12.500,-, bestaande uit immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 23 oktober 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.



De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige gedeelte van de vordering tot vergoeding van immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.



Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.




Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 oktober 2024 tot de dag der algehele voldoening.



Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.




Beslag.


Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat het op de beslaglijst onder 1 genoemde goed (telefoon) zal worden verbeurd verklaard.




Het standpunt van de verdediging.

De verdachte heeft verzocht om teruggave van de telefoon.




Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat het onder 1 genoemde goed op de beslaglijst van 16 juni 2026, te weten een telefoon van het merk Apple, dient te worden onttrokken aan het verkeer.
De telefoon is op 14 januari 2026 onder de verdachte in beslag genomen en behoorde aan de verdachte toe. De verdachte heeft geen toestemming gegeven aan de politie om zijn telefoon in te zien, en de telefoon is met de huidige software niet uit te lezen. De telefoon is voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien de verdachte op 17 januari 2026 ten overstaan van de politie heeft verklaard dat zich op zijn telefoon het gemaakte materiaal van [slachtoffer 2] bevindt, dat kinderpornografisch is. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet en het algemeen belang.




Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
36b, 36c, 36f, 57, 248, 252 Wetboek van Strafrecht.



De uitspraak


De rechtbank:



verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;



verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;



verklaart dat het bewezen verklaarde de misdrijven oplevert:




t.a.v. feit 1


gekwalificeerde verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren;





t.a.v. feit 2


gekwalificeerde verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren;





t.a.v. feit 3


Een visuele weergave van seksuele aard en met een onmiskenbaar seksuele strekking, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, is betrokken, vervaardigen en in bezit hebben, meermalen gepleegd;




verklaart verdachte hiervoor strafbaar;



legt op de volgende straf en maatregelen:




t.a.v. feit 1, feit 2, feit 3:

Een gevangenisstraf voor de duur van 60 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht




de inbeslaggenomen goederen:

verklaart onttrokken aan het verkeer het inbeslaggenomen goed, te weten:
- 1 STK GSM




t.a.v. feit 1, feit 3:


Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van 9.000,00 euro, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;



veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;




t.a.v. feit 1, feit 3:


Schadevergoedingsmaatregel

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] , van een bedrag van 9.000,00 euro, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;



bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 70 dagen;



bepaalt dat de toepassing van deze gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;



bepaalt dat wanneer de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;




t.a.v. feit 2, feit 3:


Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] :

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2] , van een bedrag van 12.500,00 euro, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;



veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;



bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;




t.a.v. feit 2, feit 3:


Schadevergoedingsmaatregel

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 2] , van een bedrag van 12.500,00 euro, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;



bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 87 dagen;



bepaalt dat de toepassing van deze gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;



bepaalt dat wanneer de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;





Dit vonnis is gewezen door:
mr. S.J.W. Hermans, voorzitter,
mr. J.H.L.M. Snijders en mr. S.A.E.M. Rampaart, leden,
in tegenwoordigheid van mr. R. Ringeling, griffier,
en is uitgesproken op 24 juli 2026.