Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Oost-Brabant

ECLI:NL:RBOBR:2026:5412

2026-07-24 Strafrecht 01-062923-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-24
Publicatiedatum
2026-07-23
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
01-062923-25
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vrijspraak van gekwalificeerde verkrachting. Veroordeling voor poging tot gekwalificeerde verkrachting, aanranding en het indringend schriftelijk seksueel benaderen van een twaalf jarig meisje tot een werkstraf voor de duur van 120 uren en een voorwaardelijke jeugddetentie van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren. Beroep op ontslag van alle rechtsvervolging afgewezen. Toewijzing vordering benadeelde partij.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (36.363 tekens)
vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT


Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht



Parketnummer: 01-062923-25



Datum uitspraak: 24 juli 2026



Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:





[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2005,
wonende te [adres] .



Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 10 juli 2026.



De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.




De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 25 juni 2026.


Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:




feit 1:


hij, op of omstreeks 26 september 2024, te Boxtel, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten



- het zoenen van die [slachtoffer] in haar nek/hals,


- het meermalen, althans eenmaal brengen/duwen/houden van zijn, verdachtes, vingers in/op de vagina, althans tussen de schaamlippen, en/of de anus van die [slachtoffer] en/of


- het meermalen, althans eenmaal brengen/duwen/houden van zijn, verdachtes, penis in/op de vagina, althans tussen de schaamlippen, en/of de anus van die [slachtoffer] en welke verkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door


- de broek van die [slachtoffer] uit te trekken,


- die [slachtoffer] op de grond te duwen,


- voorbij te gaan aan haar verbale signalen en/of


- door te zeggen ‘als je nu niet meewerkt ga ik je pijn doen’, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;




subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij, op of omstreeks 26 september 2024, te Boxtel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam te verrichten en deze poging tot verkrachting te doen afgegaan door, te vergezellen van en/of te volgen door dwang, geweld en/of bedreiging



- de broek van die [slachtoffer] heeft uitgetrokken,


- die [slachtoffer] op de grond heeft geduwd,


- voorbij is gegaan aan de verbale signalen van die [slachtoffer] en/of


- heeft gezegd ‘als je nu niet meewerkt ga ik je pijn doen’, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;



meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of


zou kunnen leiden:





hij, op of omstreeks 26 september 2024, te Boxtel, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten


-het zoenen van die [slachtoffer] in haar nek/hals,


-het meermalen, althans eenmaal brengen/duwen/houden van zijn, verdachtes, vingers in/op de vagina, althans tussen de schaamlippen, en/of de anus van die [slachtoffer] en/of



- het meermalen, althans eenmaal brengen/duwen/houden van zijn, verdachtes, penis in/op de vagina, althans tussen de schaamlippen, en/of de anus van die [slachtoffer] ;




feit 2:


hij, op of omstreeks 26 september 2024, te Boxtel, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten


-het zoenen van die [slachtoffer] in haar nek/hals,


-het meermalen, althans eenmaal de vagina, de anus en/of de billen, althans het lichaam van die [slachtoffer] met zijn hand(en) en/of vinger(s) te betasten en/of aan te raken;





feit 3:


hij, in of omstreeks de periode van 8 september 2024 tot en met 27 september 2024, te Boxtel, althans in Nederland een kind beneden de leeftijd van zestien jaren en/of een persoon die zich voordeed als een kind beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [slachtoffer] indringend mondeling en/of schriftelijk seksueel heeft benaderd op een wijze die schadelijk te achten was voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, door



- meermalen via social media erotische berichten te versturen,


- meermalen aan te dringen op het maken van een afspraak en/of


- een concrete afspraak te maken met die [slachtoffer] .




De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsvraag


Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.




Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit. Ten aanzien van feit 2 met betrekking tot het zoenen in de hals en feit 3 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Op specifieke standpunten gaat de rechtbank hierna in, voor zover dat nodig is.




Het oordeel van de rechtbank.





Bewijsminimum

Bij de beoordeling van het bewijs stelt de rechtbank voorop dat zedenzaken zich doorgaans
kenmerken door het gegeven dat slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste
gelegde seksuele handelingen; het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Dat is ook in deze zaak het geval. Op grond van artikel 342, tweede lid, Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, niet uitsluitend worden aangenomen op grond van de verklaring van één getuige. Ook niet als de rechtbank deze verklaring betrouwbaar zou achten. Om tot een bewezenverklaring te komen is dus steunbewijs nodig uit een andere bron.



Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad betekent de bewijsminimumregel in
zedenzaken niet dat vereist is dat het (seksueel) misbruik als zodanig bevestiging vindt in
ander bewijsmateriaal, maar is voldoende als de verklaring van de aangeefster op bepaalde punten bevestiging vindt in de andere bewijsmiddelen. Deze bewijsmiddelen
moeten voldoende steun geven aan de verklaring van de aangeefster. Dit betekent dat het
steunbewijs op relevante wijze in verband moet staan met de inhoud van de verklaring van
de aangeefster. Er mag tussen de verklaring van de aangeefster en het overige bewijsmateriaal geen sprake zijn van een te ver verwijderd verband.




Bewijsmiddelen

De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.




Bewijsoverwegingen




1 Feit 1



De verklaring van [slachtoffer] , geboren op 21 januari 2012, (hierna: het slachtoffer), komt er in de kern op neer dat zij online seksueel getinte berichten heeft uitgewisseld met een medebewoner van [wooninstelling] , te weten de verdachte (de rechtbank: zoals hierna bewezen onder feit 3) en dat er in diezelfde periode een fysieke ontmoeting heeft plaatsgevonden bij het station in Boxtel, alwaar de verdachte in het bos onder dwang seksuele handelingen bij het slachtoffer heeft verricht.




1.1
Betrouwbaarheid verklaring aangeefster, steunbewijs en de verklaring van verdachte


De rechtbank dient allereerst de vraag te beantwoorden of de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar is.



De verdediging heeft betoogd dat de verklaring onvoldoende overtuigend is, niet wordt ondersteund door relevant steunbewijs en er bovendien contra-indicaties zijn die aan de betrouwbaarheid daarvan afdoen. De verdediging heeft er daarbij op gewezen dat de verklaring zeer voorzichtig moet worden benaderd gelet op de jonge leeftijd en de beperkingen van het slachtoffer.



De rechtbank volgt de verdediging niet en is van oordeel dat de verklaring van het slachtoffer gedetailleerd en in de kern consistent is. Zij neemt daarbij in aanmerking dat aangeefster over de seksuele handelingen, de dwang, bedreiging en geweldshandelingen overwegend steeds hetzelfde heeft verklaard. De verdachte heeft haar in het bos een zuigzoen gegeven, haar broek naar beneden getrokken, haar op de grond geduwd en op haar billen geslagen. Daarbij heeft hij met verbale dreigementen geprobeerd haar tot medewerking te bewegen. Hij heeft haar vagina met zijn vingers aangeraakt en getracht zijn penis in haar anus en vagina te brengen, terwijl het slachtoffer herhaaldelijk heeft aangegeven dat hij moest stoppen.



De rechtbank overweegt dat de verdachte in eerste instantie kort na het incident in lijn met de verklaringen van het slachtoffer ten overstaan van zijn groepsleiding uit zichzelf heeft gezegd dat het slachtoffer seks wilde, dat het niet helemaal is gelukt omdat het niet paste en dat hij niet gelijk is gestopt toen zij vroeg om te stoppen. Bij de politie heeft de verdachte in eerste instantie gezwegen en vervolgens verklaard dat hij enkel een zuigzoen heeft gegeven. Deze verklaring is volgens de verdediging juist. Vervolgens heeft de verdachte bij de reclassering echter wederom een andere verklaring gegeven, te weten dat hij de vagina en borsten van het slachtoffer heeft aangeraakt. De rechtbank gaat uit van de juistheid van de initiële spontane verklaring van de verdachte tegenover zijn groepsleiding, die de verklaring van het slachtoffer volledig ondersteunt. Dat de verklaring niet door strafrechtprofessionals is opgetekend, zoals door de verdediging is aangevoerd, doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de betrouwbaarheid daarvan.



De rechtbank acht de verklaring van het slachtoffer in zijn geheel betrouwbaar, geloofwaardig en bruikbaar voor het bewijs. Voor deze verklaring is ook voldoende steunbewijs aanwezig, namelijk de hiervoor al benoemde initiële verklaring van verdachte en ook de waargenomen zuigzoen in de nek van aangeefster.




1.2 (
(Poging tot) seksueel binnendringen van het lichaam (penetratie)


Aangeefster heeft verklaard dat de verdachte heeft geprobeerd zijn penis in haar vagina en anus te brengen, maar dat zij niet weet of deze er in is geweest. Uit het NFI-rapport van 21 maart 2025 blijkt dat er in de vagina noch in de anus van aangeefster DNA-sporen zijn aangetroffen die te herleiden zijn tot de verdachte. Ander forensisch bewijs ontbreekt. Gelet op de onduidelijkheid van de verklaring van het slachtoffer op dit punt en het ontbreken van forensisch bewijs, is naar het oordeel van de rechtbank niet buiten gerede twijfel komen vast te staan dat de verdachte daadwerkelijk met zijn penis, dan wel zijn vingers, in de anus of de vagina van aangeefster is binnen gedrongen. Uit de verklaring van aangeefster en de initiële verklaring van verdachte blijkt wel duidelijk dat verdachte heeft geprobeerd zijn penis in de anus en vagina van aangeefster te stoppen.



Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank de primair ten laste gelegde gekwalificeerde verkrachting niet bewezen. Zij acht wel de subsidiair ten laste gelegde poging tot gekwalificeerde verkrachting bewezen.


2. Feit 2


Zoals in r.o. 1.1. overwogen, acht de rechtbank de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar. Voor de rechtbank staat aldus vast dat de verdachte een zuigzoen in de hals van het slachtoffer heeft gegeven en met zijn vingers de vagina en billen van het slachtoffer heeft betast. De verdachte heeft de zuigzoen bekend.



Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van aanranding. Zij acht het onder feit 2 tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.


3. Feit 3


Ten aanzien van feit 3 wordt zonder nadere overwegingen verwezen naar de bewijsbijlage, waaruit volgt dat de verdachte het slachtoffer via social media seksuele berichten heeft gestuurd.





De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte:



feit 1:


subsidiair:

op 26 september 2024, te Boxtel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] , seksuele handelingen, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, te verrichten:



meermalen, zijn, verdachtes, vingers op de vagina en de anus van die [slachtoffer] heeft gebracht/geduwd/gehouden en


meermalen, zijn, verdachtes, penis op de vagina en de anus van die [slachtoffer] heeft gebracht/geduwd/gehouden;


en deze poging tot verkrachting te doen voorafgaan door en te vergezellen van dwang, geweld en bedreiging doordat hij:


de broek van die [slachtoffer] heeft uitgetrokken,


die [slachtoffer] op de grond heeft geduwd,


voorbij is gegaan aan de verbale signalen van die [slachtoffer] en


heeft gezegd ‘als je nu niet meewerkt ga ik je pijn doen’, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;


terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;



feit 2:

op 26 september 2024, te Boxtel, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] seksuele handelingen heeft verricht, te weten



het zoenen van die [slachtoffer] in haar nek/hals,


het meermalen de vagina en de billen van die [slachtoffer] met zijn hand(en) en/of vinger(s) aan te raken;





feit 3:

in de periode van 19 september 2024 tot en met 26 september 2024, te Boxtel, een kind beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [slachtoffer] , indringend schriftelijk seksueel heeft benaderd op een wijze die schadelijk te achten was voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, door meermalen via social media erotische berichten te versturen.



Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.




Verfeitelijking

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde subsidiaire feit heeft de rechtbank de verfeitelijking van de seksuele handelingen aangevuld conform het onder feit 1 primair ten laste gelegde. De rechtbank is van oordeel dat de feitelijke omschrijving van hetgeen onder feit 1 subsidiair ten laste is gelegd kan worden gelezen in samenhang met het onder feit 1 primair ten laste gelegde, zodat voor alle procespartijen voldoende duidelijk is geweest, waarop de tenlastelegging voor wat betreft feit 1 subsidiair betrekking heeft.




De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.



De strafbaarheid van verdachte.


Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ten aanzien van feit 2 en 3 moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat de strafuitsluitingsgrond in lid 3 van de artikelen 247 en 251 Sr van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) aan de orde is. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat sprake is van een verstandelijke beperking bij zowel de verdachte als het slachtoffer, een omgeving waaruit zij elkaar kennen waarbij min of meer leeftijdsgenoten bij elkaar op woongroepen zitten en de chatberichten voorafgaand aan de ontmoeting die vanuit beide partijen (vrijwillig) gelijkwaardig seksueel getint taalgebruik bevatten.




Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen beroep op een strafuitsluitingsgrond toekomt.




Het oordeel van de rechtbank.

In lid 3 van artikel 247 Sr is een strafuitsluitingsgrond opgenomen voor gelijkwaardig seksueel contact tussen leeftijdsgenoten. Of er sprake is van deze genoemde strafuitsluitingsgrond, is afhankelijk van de omstandigheden. De wetgever stelt hierbij, in lijn met de reeds bestaande jurisprudentie onder de oude wetgeving, dat de volgende factoren relevant zijn:



het leeftijdsverschil tussen de betrokkenen;


de mate van vrijwilligheid;


of betrokkenen een (seksuele) relatie hadden;


de aard van de seksuele handelingen.




De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake was van een gelijkwaardige situatie tussen de verdachte en het slachtoffer en overweegt daartoe als volgt.



Onder leeftijdsgenoot wordt een persoon met een gering leeftijdsverschil ten opzichte van de ander verstaan. De rechtbank stelt vast dat de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde achttien jaar oud was. Het slachtoffer was twaalf jaar oud. Het leeftijdsverschil is ruim zes jaar en niet gering te noemen. De omstandigheid dat de verdachte verstandelijk beperkt is en (mede daardoor) jonger van geest is, maakt dit niet anders. Daar komt bij dat zij geen (affectieve) relatie met elkaar hadden. Ook is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake geweest van vrijwilligheid aan de kant van het slachtoffer. Dat zij eerder seksuele berichten heeft verstuurd, maakt niet dat toestemming is verleend voor daadwerkelijk fysiek seksueel contact. Al het voorgaande draagt naar het oordeel van de rechtbank bij aan de vaststelling dat geen sprake was van een gelijkwaardige situatie tussen de verdachte en het slachtoffer. Dat betekent dat geen sprake is van de strafuitsluitingsgrond als bedoeld in lid 3 van artikel 247 Sr.



De rechtbank verwerpt eveneens het beroep op de strafuitsluitingsgrond van artikel 251 lid 3 Sr. Uit de tekst van deze bepaling volgt dat de daarin opgenomen strafuitsluitingsgrond geen betrekking heeft op het in artikel 251 lid onder a Sr genoemde strafbare feit. Nu de verdachte voor dat feit wordt veroordeeld, kan het beroep op deze strafuitsluitingsgrond reeds daarom niet slagen. Het verweer wordt dan ook verworpen.



Er is ook geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.




Oplegging van straf en maatregel.



De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte, met toepassing van het jeugdstrafrecht, wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair te vervangen door 75 dagen jeugddetentie, en een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie heeft daarbij aangegeven dat de uitvoering van de werkstraf niet plaats dient te vinden op het terrein van [wooninstelling] , alwaar het slachtoffer woonachtig is.



Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.




Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft verzocht om het jeugdstrafrecht toe te passen. De raadsvrouw heeft bepleit dat bij het bepalen van de aan de verdachte op te leggen straf rekening gehouden dient te worden met de gelijkwaardige situatie tussen het slachtoffer en de verdachte en zijn lage emotionele leeftijd.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden, waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.



De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.




Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot gekwalificeerde verkrachting, aanranding en het indringend schriftelijk seksueel benaderen van een 12-jarig meisje. De verdachte, destijds 18 jaar oud, is in contact gekomen met het slachtoffer via paardrijles en heeft seksueel getinte berichten gestuurd en online contact onderhouden met het slachtoffer. Vervolgens heeft hij met het slachtoffer afgesproken en haar meegenomen naar een bos gelegen vlakbij het station in Boxtel. Tijdens deze afspraak heeft hij zich schuldig gemaakt aan een poging tot verkrachting en aan aanranding. Hoewel duidelijk voor hem moet zijn geweest dat het slachtoffer dit niet wilde, heeft de verdachte een zuigzoen in haar nek gegeven, haar vagina en billen aangeraakt en geprobeerd zijn penis in haar vagina en anus te brengen. Hiermee heeft de verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en het veiligheidsgevoel van het slachtoffer. Hij heeft zich bij zijn handelen kennelijk laten leiden door zijn seksuele fantasieën en heeft er niet bij stilgestaan dat dergelijk handelen kan zorgen voor psychische schade bij een minderjarige en haar normale seksuele ontwikkeling in de weg kan staan. De ervaring leert dat dergelijke delicten een grote impact hebben op de slachtoffers waar zij langdurig de gevolgen van ondervinden. Uit de toelichting op de vordering benadeelde partij alsook de slachtofferverklaring blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is. De rechtbank neemt dit de verdachte uiterst kwalijk.




Samenloop

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van feit 1 (poging tot gekwalificeerde verkrachting) en feit 2 (aanranding) sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De bewezen verklaarde gedragingen leveren in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend, feitencomplex op dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt.




Persoon van verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 1 juni 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit.



De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland over de verdachte van 1 juni 2026. Uit de rapportage volgt dat, bij een bewezenverklaring, de delictgerelateerde factor gezocht moet worden op het gebied van psychosociaal functioneren. De verdachte is gediagnosticeerd met een autisme spectrum stoornis en ADHD. Hij heeft moeite met het vormgeven van relaties, het inzien van achterliggende gevoelens en gedachten van anderen en het anticiperen daarop. Hij heeft hiernaast veel moeite met het overwegen en inschatten van bedoelingen van anderen en inzien wat juiste en onjuiste keuzes zijn. Van zijn mentor is vernomen dat zijn EQ (emotionele intelligentie) veel lager ligt dan het IQ.
De reclassering sluit niet uit dat dit alles een rol heeft gespeeld tijdens het delict. Het moeite hebben met afstemmen op anderen, de gebrekkige impulsbeheersing en de geringe leerbaarheid zullen in de toekomst een punt van aandacht blijven, waardoor een vorm van langdurige zorg geïndiceerd blijft. Daarentegen laat de verdachte groei zien in zijn gedrag, is hij niet meer fysiek agressief en kan hij zich beter terugtrekken uit een situatie. Ook vraagt hij vaker anderen om advies.



De reclassering adviseert bij een veroordeling van de verdachte hem op te leggen een straf zonder bijzondere voorwaarden, gelet op de ontkennende houding, het ontbreken van zicht op de eventuele doorwerking van de psychische problematiek en de reeds aanwezige hulpverlening. Voor wat betreft de straf wijst de reclassering erop dat de verdachte ingeval van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zijn plek bij het beschermd wonen zal verliezen en eveneens wordt betwijfeld of hij zich kan handhaven binnen een gevangenisregime. De verdachte is daarentegen wel in staat een taakstraf uit te voeren, met dien verstande dat rekening dient te worden gehouden met zijn beperkingen.




Toepassing van het jeugdstrafrecht

Op grond van artikel 77c Sr kan de rechtbank jongeren van 18 tot 23 jaar oud berechten met toepassing van het jeugdstrafrecht, indien daartoe aanleiding bestaat op grond van de persoonlijkheid van de dader of vanwege de omstandigheden waaronder het feit is begaan.
De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke situatie zich hier voordoet. De verdachte was ten tijde van het plegen van het feit 18 jaar oud. De indruk die de rechtbank ter terechtzitting van verdachte heeft gekregen, is die van een bijzonder kwetsbare jongeman die de nodige hulp en begeleiding behoeft. Dit beeld wordt bevestigd door het reclasseringsrapport, waaruit volgt dat langdurige zorg geïndiceerd blijft. De verdachte woont begeleid bij [wooninstelling] en zijn financiën worden beheerd door een bewindvoerder.



Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank, met de officier van justitie en de raadsvrouw, in de persoon van de verdachte voldoende aanleiding om toepassing te geven aan het jeugdstrafrecht.




De strafoplegging

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de feiten in beginsel een onvoorwaardelijke jeugddetentie rechtvaardigt. Tegelijkertijd dient de rechtbank bij de strafoplegging rekening te houden met de persoon van verdachte en het belang van de maatschappij bij het voorkomen van nieuwe (soortgelijke) strafbare feiten. Alles afwegende, acht de rechtbank het passend om een voorwaardelijke jeugddetentie van 3 maanden op te leggen om de verdachte ervan te weerhouden om nieuwe strafbare feiten te plegen. De rechtbank is echter van oordeel dat uitsluitend een gehele voorwaardelijke jeugddetentie geen recht doet aan de ernst van de feiten. Om die reden zal de rechtbank tevens een werkstraf opleggen voor de duur van 120 uren, te vervangen door 60 dagen jeugddetentie indien de werkstraf niet of niet naar behoren is verricht.



De rechtbank legt een lichtere straf op dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank komt tot een andere bewezenverklaring dan waarop de officier van justitie haar eis heeft gebaseerd.






De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert schadevergoeding van € 6.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.



Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.




Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om de schade naar billijkheid te schatten. Daarbij geldt dat, indien de rechtbank tot een beperktere bewezenverklaring komt, dit gevolgen zal hebben voor zowel de onderbouwing als de omvang van de vordering.




Het oordeel van de rechtbank.

Naar het oordeel van de rechtbank is vast komen te staan dat de benadeelde als gevolg van de bewezenverklaarde feiten (1, 2 en 3) immateriële schade heeft geleden. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde op andere wijze in de persoon is aangetast in de zin van artikel 6:106 sub b BW, nu het gaat om ernstige (zeden)feiten waar een forse normschending aan de orde is. Er is door verdachte inbreuk gemaakt op de persoonlijke en lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De in dit verband relevante nadelige gevolgen van de bewezen verklaarde feiten liggen dusdanig voor de hand dat een persoonsaantasting kan worden aangenomen.



Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van
€ 6.000,-.




Conclusie

De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 6.000,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 26 september 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.



Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.




Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 september 2024 tot de dag der algehele voldoening.



Gelet op de toepassing van het jeugdstrafrecht, de bijzonder kwetsbare positie van de verdachte en de omstandigheid dat hij geen betaald werk heeft en is aangewezen op een Wajong-uitkering, zal de gijzeling in geval van onverhaalbaarheid op 0 dagen worden bepaald.



Aangezien aan de verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.




Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
36f, 45, 55, 57, 77c, 77i, 77m, 77x, 77y, 77z, 247, 248, 251 Wetboek van Strafrecht.



De uitspraak


De rechtbank:



verklaart het onder 1 primair tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;



verklaart het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;



verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;



verklaart dat het bewezen verklaarde de misdrijven opleveren:




t.a.v. feit 1 subsidiair, feit 2:


eendaadse samenloop van:





poging tot gekwalificeerde verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren;





en;



aanranding in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren;



t.a.v. feit 3


een kind beneden de leeftijd van zestien jaren indringend schriftelijk seksueel benaderen op een wijze die schadelijk te achten is voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren;




verklaart verdachte hiervoor strafbaar;



legt op de volgende straffen en maatregel;




t.a.v. feit 1 subsidiair, feit 2, feit 3:

een werkstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen jeugddetentie;




t.a.v. feit 1 subsidiair, feit 2, feit 3:

een jeugddetentie voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;



voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;




t.a.v. feit 1 subsidiair, feit 2, feit 3:


Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van 6.000,00 euro, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 september 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;



veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;




t.a.v. feit 1 subsidiair, feit 2, feit 3:


Schadevergoedingsmaatregel

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van 6.000,00 euro, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 september 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;



bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 0 dagen;



bepaalt dat wanneer de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.





Dit vonnis is gewezen door:
mr. S.A.E.M. Rampaart, voorzitter,
mr. S.J.W. Hermans en mr. J.H.L.M. Snijders, leden,
in tegenwoordigheid van mr. R. Ringeling, griffier,
en is uitgesproken op 24 juli 2026.