Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Oost-Brabant

ECLI:NL:RBOBR:2026:5399

2026-04-17 Civiel recht; Personen- en familierecht C/01/419812 / FA RK 25-4070, C/01/422741 / JE RK 26-89 en C/01/423113 / JE RK 26-151
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Uitspraakdatum
2026-04-17
Publicatiedatum
2026-07-23
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/01/419812 / FA RK 25-4070, C/01/422741 / JE RK 26-89 en C/01/423113 / JE RK 26-151
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Eindbeslissing over een machtiging uithuisplaatsing, tevens tussenbeslissing over de zorgregeling. Uithuisplaatsing van twee zeer kwetsbare jongens (10 en 12 jaar) van wie de oudste ernstig gehandicapt is. Ouders voeren meer dan zeven jaar juridisch en persoonlijk strijd over de kinderen. Kinderen daardoor ernstig beklemd tussen de ouders. Hoewel opvoedkundig beide ouders voor de kinderen kunnen zorgen, toch plaatsing op neutrale plek vanuit noodzaak om de kinderen uit de strijd te halen en hen tot rust te laten komen, zodat zij ruimte krijgen voor hun eigen ontwikkeling en ontplooiing van hun talenten. Eerdere spoed uithuisplaatsing bij de moeder. Artikel 6 en 3 IVRK. Benoeming BC om de stem van het kind te laten horen over de zorgregeling.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (38.561 tekens)
beschikking
RECHTBANK OOST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht




Zaaknummer : C/01/419812 / FA RK 25-4070
Zaaknummer : C/01/422741 / JE RK 26-89
Zaaknummer : C/01/423113 / JE RK 26-151
Uitspraak : 17 april 2026



Beschikking in de zaak van




Zaaknummer C/01/419812 / FA RK 25-4070






[de moeder] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna te noemen de moeder,
advocaat mr. C.G.J.E. Lut,



tegen





[de vader]
,

wonend in [woonplaats] ,
hierna te noemen de vader,
advocaat mr. A. Smit.



De kinderrechter merkt in deze zaak als belanghebbende aan:




Stichting Jeugdbescherming Brabant,
statutair gevestigd in ’s-Hertogenbosch, vestiging Helmond,
hierna te noemen de Gecertificeerde Instelling (GI).




Zaaknummers C/01/422741 / JE RK 26-89 en C/01/423113 / JE RK 26-151




en op verzoek van




Stichting Jeugdbescherming Brabant,
statutair gevestigd in ’s-Hertogenbosch, vestiging Helmond,
hierna te noemen de Gecertificeerde Instelling (GI).



over





[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,



en





[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
In de zaken met de nummers 422741 / JE RK 26-89 en 423113 / JE RK 26-151 worden de moeder en de vader aangemerkt als belanghebbenden.



In zijn adviserende rol is in de zaken met de nummers C/01/419812 / FA RK 25-4070 en 423113 / JE RK 26-151 betrokken: de raad voor de kinderbescherming, locatie Eindhoven, hierna te noemen: de raad.





1De procedure dan wel het verdere verloop van de procedure


1.1.
In de zaak met nummer C/01/419812 / FA RK 25-4070 heeft de rechtbank kennisgenomen van:


het verzoekschrift (met bijlagen) van de moeder, bij de rechtbank ontvangen op 8 oktober 2025;


het verweerschrift (met bijlagen) van de vader, tevens houdend een zelfstandig verzoek, bij de rechtbank ontvangen op 4 december 2025;


- de correspondentie, waaronder met name:


een bericht van mr. Lut van 27 februari 2026;


een brief van [minderjarige 2] van 13 maart 2026, door de rechtbank ontvangen op 19 maart 2026;


een brief (met bijlagen) van de GI van 26 maart 2026;


de brieven van mr. Lut van 27 en 30 maart 2026;


een brief van mr. Smit van 30 maart 2026.





1.2.

In de zaak met nummer C/01/422741 / JE RK 26-89 heeft de kinderrechter bij beschikking van 18 februari 2026, uitvoerbaar bij voorraad, de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd voor de duur van een jaar, met ingang van 24 februari 2026 tot 24 februari 2027. Verder heeft de kinderrechter, uitvoerbaar bij voorraad, een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere ouder met gezag (de moeder) voor de duur van twee maanden, met ingang van 18 februari 2026 tot 18 april 2026. Het verzoek tot uithuisplaatsing heeft de kinderrechter voor het overige aangehouden en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank (hierna: de rechtbank) van
2 april 2026.



Sinds de beschikking van 18 februari 2026 heeft de rechtbank aanvullend de volgende stukken ontvangen:



een bericht van mr. Lut van 16 maart 2026, met als bijlage een brief van [minderjarige 2] van 13 maart 2026;


een brief (met bijlagen) van de GI van 26 maart 2026;


de brieven van mr. Lut van 27 en 30 maart 2026;


een brief van mr. Smit van 30 maart 2026.





1.3.

In de zaak met nummer C/01/423113 / JE RK 26-151 heeft de kinderrechter bij beschikking van 18 februari 2026 de zaak verwezen naar de zitting van de rechtbank op
2 april 2026. De kinderrechter heeft verder de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gewijzigd en deze voorlopig, voor de duur van twee maanden, en daarmee tot 18 april 2026, als volgt bepaald: de vader is gerechtigd tot door een professionele instantie begeleid contact met de kinderen onder regie van de GI.



Sinds de beschikking van 18 februari 2026 heeft de rechtbank aanvullend de volgende stukken ontvangen:



een brief (met bijlagen) van de GI van 26 maart 2026;


de brieven van mr. Lut van 27 en 30 maart 2026;


een brief van mr. Smit van 30 maart 2026.





1.4.

De zaken zijn gelijktijdig en mondeling met gesloten deuren behandeld op 2 april 2026.
Verschenen zijn:



de moeder met haar advocaat;


de vader met zijn advocaat;



[jeugdzorgwerker GI] en [jeugdzorgwerker GI] , de betrokken jeugdzorgwerkers, en [gedragsdeskundige GI] , gedragsdeskundige, namens de GI;



[medewerker Raad voor de Kinderbescherming] namens de raad.





1.5.
De griffier heeft de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld om hun mening over de verzoeken aan de rechter kenbaar te maken. [minderjarige 2] heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en de rechter een brief geschreven. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechter samengevat wat [minderjarige 2] heeft geschreven. Betrokkenen hebben daar op kunnen reageren.





2De feiten


2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van 30 september 2020 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op
1 februari 2021 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.



De financiële gevolgen van de echtscheiding zijn nog niet afgewikkeld. Daarover loopt bij deze rechtbank een procedure.




2.2.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .



2.3.
Bij de echtscheidingsbeschikking van 30 september 2020 heeft de rechtbank het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder bepaald. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de moeder en hebben op dit moment begeleid contact met de vader.



2.4.
Bij beschikking van 24 mei 2019 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI. Deze ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 18 februari 2026 tot 24 februari 2027.



2.5.
Tussen de vader en de kinderen gold een zorgregeling overeenkomstig een beschikking van 15 maart 2022, inhoudend een regeling van co-ouderschap in de vorm van week op/week af, met verdeling van de vakanties bij helfte.



2.6.

Bij beschikking van 5 februari 2026 heeft de kinderrechter de door de rechtbank op
15 maart 2022 vastgestelde zorgregeling geschorst voor de duur van vier weken en bepaald dat er tijdens deze periode enkel sprake kan zijn van begeleid contact tussen de vader en de kinderen onder regie van de GI. De beslissing op het verzoek voor het overige is aangehouden tot de zitting op 18 februari 2026.




2.7.
Bij beschikking van 18 februari 2026 heeft de kinderrechter de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gewijzigd overeenkomstig hetgeen hiervoor onder 1.3. is overwogen.





3De verzoeken en verweren



Zaaknummer C/01/419812 / FA RK 25-4070



3.1.
In de zaak met nummer C/01/419812 / FA RK 25-4070 verzoekt de moeder, uitvoerbaar bij voorraad:


primair: het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder te behouden en te bepalen dat tussen de vader en de kinderen een contactregeling zal bestaan van eens per twee weken van donderdag 8:30 uur tot en met maandagochtend 8:30 uur;


subsidiair te bepalen dat [minderjarige 1] zijn hoofdverblijfplaats bij de vader zal hebben en [minderjarige 2] bij de moeder, waarbij de kinderen in de even weekenden van donderdag 8:30 uur tot en met maandagochtend 8:30 uur bij de moeder verblijven en in oneven weekenden van donderdag 8:30 uur tot en met maandagochtend 8:30 uur bij de vader verblijven;


de verdeling van de vakanties en feestdagen vast te stellen overeenkomstig het schema dat door moeder als productie 14 is overgelegd;


te bepalen dat de Stichting Jeugdbescherming Brabant als uitvoerende gecertificeerde instelling vervangen wordt door het Leger der Heils.





3.2.
De vader voert verweer op de gronden en op de wijze als in het verweerschrift omschreven en concludeert tot afwijzing van de verzoeken van de moeder.



3.3.
De vader verzoekt zelfstandig:


het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader te bepalen;


te bepalen dat tussen de moeder en de kinderen een zorg- en contactregeling zal bestaan van eens per twee weken van vrijdag vanuit school tot de daaropvolgende maandagochtend naar school, alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen.





Zaaknummer C/01/422741 / JE RK 26-89




3.4.
In de zaak met nummer C/01/422741 / JE RK 26-89 resteert het verzoek van de GI om, uitvoerbaar bij voorraad, een zogenaamde ‘brede’ machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlenen voor de duur van zes maanden, waarvan per 18 april 2026 nog vier maanden resteren.


Tijdens de mondelinge behandeling heeft de GI haar verzoek verduidelijkt in die zin dat zij verzoekt om een brede machtiging, maar wel op een neutrale plek en niet bij één van de ouders.




3.5.
De moeder voert verweer en concludeert tot afwijzing van het verzoek.



3.6.
De vader voert verweer, maar in het geval het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet bij hem wordt bepaald en de zorgregeling uit de beschikking van 15 maart 2022 niet wordt hervat, voert de vader geen verweer tegen de gevraagde maatregel.





Zaaknummer C/01/423113 / JE RK 26-151




3.7.
In de zaak met nummer C/01/423113 / JE RK 26-151 resteert het verzoek van de GI om, uitvoerbaar bij voorraad, ook na 18 april 2026 de door de kinderrechter op 15 maart 2022 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen in die zin dat de zorgregeling tussen de vader en de kinderen wordt stopgezet en dat er enkel sprake kan zijn van begeleid contact tussen de vader en de kinderen onder regie van de GI middels inzet van professionals en een duidelijk plan, waarbij de procedure rondom het verzoek tot uithuisplaatsing tevens meegewogen wordt.



3.8
De vader voert verweer.





4De standpunten (tijdens de mondelinge behandeling)


4.1.
De GI heeft toegelicht dat als de kinderen bij één van de ouders wonen, het contact met de andere ouder waarschijnlijk verloren gaat. De kinderen zitten enorm klem en daarom is een uithuisplaatsing nodig. De plekken die op 18 februari 2026 beschikbaar waren - voor [minderjarige 1] bij [instelling] in [plaats] en voor [minderjarige 2] bij een gezinshuis in [plaats] - zijn nog beschikbaar, maar dat kan elk moment veranderen. Het belangrijkste doel van de uithuisplaatsing is om met de ouders aan de slag te gaan met intensieve hulpverlening. De GI is ervan overtuigd dat de ouders enkel baat kunnen hebben bij hulpverlening als de kinderen uit huis zijn. Als de kinderen uit huis geplaatst worden, zal het contact tussen de kinderen en hun ouders hoge prioriteit krijgen. De begeleide contacten tussen de vader en de kinderen gaan goed en de vader is tijdens de omgang in staat de strijd tussen de ouders bij de kinderen weg te houden. De GI heeft geen zicht op de opvoeding bij de moeder thuis.



4.2.

Door en namens de moeder is verklaard dat het goed gaat met de jongens bij haar.

[minderjarige 2] is stabiel op school en breidt buiten school zijn sociale netwerk uit, onder andere met voetbal. De moeder is bereid mee te werken aan de hulpverlening van Pactum. De moeder verzoekt dringend om de kinderen niet uit huis te plaatsen. Dat mag de kinderen niet worden aangedaan. Bovendien kan een uithuisplaatsing [minderjarige 1] niet de zorg bieden die hij nodig heeft. Een uithuisplaatsing is niet in het belang van de kinderen en ook niet nodig nu de kinderen het bij haar goed doen. De moeder wil de omgang van de vader met de kinderen niet verhinderen. Zij ziet dat de kinderen het fijn hebben bij de vader. De vader heeft een groot bedrijf en daarom kan hij de kinderen niet continue de zorg bieden die ze nodig hebben. Dat is in het verleden ook gebleken. Verblijf bij de moeder en omgang met de vader is het meest in het belang van de kinderen.




4.3.

Door en namens de vader is verklaard dat hij kan instemmen met een neutrale plek voor de kinderen in de situatie dat de kinderen geen hoofdverblijf bij hem krijgen, de co-ouderschapsregeling niet wordt hervat en de kinderen dus bij de moeder blijven. Er is bij de moeder voor de kinderen geen ruimte om zich uit te spreken. De vader merkt dat [minderjarige 2] monddood wordt gemaakt en hij vreest voor een verdere en onnodige verslechtering van de fysieke gezondheid van [minderjarige 1] omdat hij bij de moeder nauwelijks gestimuleerd wordt om zich lichamelijk te ontwikkelen. Een uithuisplaatsing op een neutrale plek kan er voor zorgen dat de kinderen zich kunnen uitspreken over wat zij willen, al heeft een dergelijke uithuisplaatsing niet de voorkeur van de vader. Hij zou liever zien dat de kinderen bij hem wonen. De vader heeft oog voor de zorg die de kinderen nodig hebben en kan die zorg ook bieden. Uit de verslagen van de omgang blijkt dat de jongens blij en vrolijk zijn op de boerderij en bij de vader.
De vader wil best aan de slag met hulpverlening en zal daarover met de GI het gesprek aangaan.




4.4.
De raad ziet dat beide ouders al zeven jaar veel stress ervaren De kinderen voelen die stress en worden daardoor klem gezet in hun gevoelens naar hun ouders. Het is belangrijk dat de kinderen uit de stressvolle situatie worden gehaald, want [minderjarige 2] is al beschadigd en het risico is groot dat dit zal toenemen. Van [minderjarige 1] is het moeilijk te zeggen of en zo ja in hoeverre hij al beschadigd is in zijn ontwikkeling, maar de strijd tussen de ouders zal ongetwijfeld ook een negatieve invloed op zijn ontwikkeling hebben. De raad vindt een uithuisplaatsing minder schadelijk voor de kinderen dan voortzetting van de huidige situatie.



5. De beoordeling in de zaak met nummer C/01/419812 / FA RK 25-4070 en de verdere beoordeling in de zaken met de nummers C/01/422741 / JE RK 26-89 en C/01/423113 / JE RK 26-151





5.1.
De rechtbank overweegt dat uitgangspunt is dat kinderen recht hebben op een zo gezond mogelijke ontwikkeling (artikel 6 Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind; hierna: IVRK) om te kunnen uitgroeien tot zelfstandige volwassenen. Daarnaast bepaalt artikel 3 IVRK dat het belang van het kind een overweging van de eerste orde dient te zijn bij beslissingen die over hen genomen worden. Deze rechten van de kinderen liggen ten grondslag aan de beslissingen van de rechtbank.



5.2.
Om proceseconomische redenen begint de rechtbank met de beoordeling van het verzoek van de GI tot uithuisplaatsing in de zaak met nummer C/01/422741 / JE RK 26-89.



5.3.
De rechtbank is van oordeel dat een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van hun verzorging en opvoeding. De rechtbank zal haar oordeel hierna toelichten.



5.4.
Voor een gezonde ontwikkeling van de kinderen zijn basale zorg en veiligheid, een veilige gehechtheid met beide ouders en stimulering en begrenzing belangrijk. Met de GI en de raad maakt de rechtbank zich ernstige zorgen over de veilige gehechtheid van de kinderen aan hun ouders. De ouders verkeren al jarenlang in een enorme strijd, waarbij zij de belangen van de kinderen volledig uit het oog zijn verloren. Het lukt de ouders niet om elkaar als ouders te respecteren en samen te communiceren over de behoeften en belangen van hun kinderen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] staan sinds mei 2019 onder toezicht en de tijd heeft geen matigende invloed gehad op de strijd tussen de ouders. Integendeel, deze strijd lijkt steeds verder te escaleren. In de zeven jaar dat zij betrokken is, is het de GI gebleken dat beide ouders een even grote rol hebben in de strijd en niet tot reflectie op hun eigen gedrag kunnen komen. Zij wijzen alleen maar naar de ander. De ouders geven elkaar geen ruimte om hun rol als ouder en het contact met de kinderen op hun eigen manier in te vullen en slagen er over en weer niet in de kinderen toestemming te geven om onbelast contact te hebben met de andere ouder. Ouders handelen daarmee in strijd met wat is bepaald in artikel 1:247 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) dat ‘het ouderlijk gezag mede de verplichting van de ouder omvat om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen’. Ook lid 4 van dit artikel waarin het recht van het kind op gelijkwaardig ouderschap vastligt, wat niet ziet op een gelijke verdeling in tijd, maar juist op kwaliteit van ouderschap, wordt door de ouders geschonden doordat ze elkaar geen ruimte bieden in de opvoeding en verzorging van hun kinderen. Het lukt de ouders niet om de belangen van hun kinderen voorop te zetten.



5.5.
De strijd tussen de ouders maakt dat de kinderen klem zijn geraakt en beperkt worden in hun ontwikkeling. Bij [minderjarige 2] is merkbaar dat hij zo klem zit dat hij kwijt is wat hij nog kan zeggen en wie hij kan vertrouwen. Zo heeft de moeder gesteld dat het goed gaat met de kinderen bij haar, dat de kinderen bij haar willen wonen en bezwaren hebben tegen de omgang met de vader. Dit blijkt volgens de moeder ook uit de brief die [minderjarige 2] aan de rechtbank heeft geschreven. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de jeugdbeschermer echter verklaard dat zij aanwezig is geweest bij een vertrouwelijk gesprek tussen [minderjarige 2] en het CJG, waarin [minderjarige 2] zich heeft geuit op een wijze die niet overeenstemt met de inhoud van zijn brief. De rechtbank ziet in deze discrepantie een duidelijke aanwijzing van de mate waarin [minderjarige 2] klem zit tussen zijn ouders. Bij [minderjarige 1] is moeilijker vast te stellen wat de strijd tussen de ouders met hem doet. Hij kan zijn spanningen enkel uiten vanuit lichamelijke taal en onrust in zijn lijf, maar het kan niet anders dan dat ook hij veel last ervaart van de strijd en de daaruit al jarenlang voortvloeiende stress bij en spanningen tussen zijn ouders.



5.6.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat onontkoombaar is geworden dat de kinderen op een neutrale plek moeten worden geplaatst. De afgelopen jaren zijn vele mogelijkheden voor hulpverlening en interventies ingezet en deze hebben niet tot verbetering van de situatie voor de kinderen of vermindering van de strijd tussen de ouders geleid. De kinderen kunnen naar het oordeel van de rechtbank alleen nog op een neutrale plek - buiten de dagelijkse invloedsfeer van de ouders - tot rust komen en weer toekomen aan hun ontwikkeling en ontplooiing van hun talenten. De noodzaak om de kinderen uit de strijd te halen en hen de rust en ruimte voor hun eigen ontwikkeling te geven, weegt daarbij naar het oordeel van de rechtbank zwaarder dan het feit dat de kinderen niet bij elkaar geplaatst zullen kunnen worden. Verder zal een aparte plaatsing [minderjarige 2] de kans geven zich te richten op zijn eigen ontwikkeltaken. Door zijn zorgen over en voor [minderjarige 1] komt hij daar nu te weinig aan toe. De rechtbank gaat er wel van uit dat vanuit de nieuwe plekken gekeken wordt of de kinderen hun huidige scholen kunnen blijven bezoeken, zodat zij wat betreft hun schoolgang geen verandering hoeven door te maken.
Tot slot verwacht de rechtbank van de ouders dat zij zich zullen inzetten voor de contextuele therapie bij Pactum en daar beiden, vanuit het belang van hun kinderen, coöperatief aan zullen meewerken.




5.7.
De rechtbank zal de door de GI verzochte ‘brede’ machtiging verlenen, nu nog niet definitief duidelijk is waar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geplaatst kunnen worden.



5.8.
In de zaak met nummer C/01/423113 / JE RK 26-151 overweegt de rechtbank dat de GI op grond van artikel 1: 265f BW tijdens de uithuisplaatsing moet kijken welke contactregeling met de ouders in het belang van de kinderen is en hoe dit contact vormgegeven kan worden. De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij nog niet zoveel kan zeggen over de invulling van een contactregeling omdat dit onder meer afhangt van de plek waar de kinderen geplaatst zullen worden en de mogelijkheden daar. De rechtbank zal daarom voorlopig, in het licht van de uithuisplaatsing, de regie over de aard, duur en frequentie van de contacten met de ouders bij de GI beleggen, net als de vraag of de contacten begeleid moeten plaatsvinden. Daarbij zal als uitgangspunt gelden dat het contact tussen de kinderen en hun ouders gelijk zal zijn. De rechtbank vindt het wel belangrijk te benadrukken dat er contact moet zijn tussen de kinderen en hun ouders en dat de contacten met beide kinderen samen plaatsvinden om te zorgen dat het contact tussen hen gehandhaafd blijft.



5.9.
Het voorgaande betekent dat de opschorting van de regeling uit de beschikking van 15 maart 2022 komt te vervallen. De regeling uit deze beschikking herleeft niet, maar wordt voorlopig vervangen door een door de GI op grond van artikel 1:265f BW te bepalen regeling die geldt als een schriftelijke aanwijzing.



5.10.
Gelet op hetgeen hierna wordt overwogen over het onderzoek door een bijzondere curator, ziet de rechtbank aanleiding de definitieve beslissing op het verzoek aan te houden op dezelfde wijze als hierna te beslissen over de zaak met nummer C/01/419812 / FA RK 25-4070.



5.11.
In de zaak met nummer C/01/419812 / FA RK 25-4070 overweegt de rechtbank dat op grond van artikel 1:253a BW geschillen tussen de ouders in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening over die gezagsuitoefening op verzoek van beiden of één van hen aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Het geschil tussen de ouders over het hoofdverblijf en de zorgregeling, kan worden beschouwd als een geschil over de gezagsuitoefening.



5.12.
De rechtbank ziet zich geconfronteerd met een situatie waarin de spanningen tussen de ouders in plaats van de belangen van hun kinderen door hen op de voorgrond worden gesteld en waarin de communicatie en samenwerking tussen de ouders sinds jaren niet is verbeterd, maar eerder is verslechterd. De kinderen zitten vanwege de strijd tussen de ouders inmiddels zodanig klem dat het voor hen onmogelijk wordt gemaakt om beide ouders te blijven zien wanneer zij volledig bij één van hen wonen. Deze situatie is voor de rechtbank aanleiding om de kinderen op een neutrale plek te plaatsen. Vanuit deze neutrale plek kan vervolgens hopelijk het gesprek met de kinderen worden gevoerd over wat zij nu echt willen en wat zij nodig hebben in het contact met hun ouders.



5.13.
Tijdens de mondelinge behandeling is gesproken over het benoemen van een bijzondere curator. Artikel 1:250 BW bepaalt - voor zover hier van belang - het volgende: ‘wanneer in aangelegenheden over de verzorging en opvoeding van de minderjarigen de belangen van de met het gezag belaste ouders in strijd zijn met die van de minderjarigen, kan de rechtbank, indien dit in het belang van de minderjarigen noodzakelijk wordt geacht, daarbij in het bijzonder de aard van de belangenstrijd in aanmerking genomen, op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve een bijzondere curator benoemen’.



5.14.
Gebleken is dat zich een belangenstrijd in de zin van dit wetsartikel voordoet. Als gevolg van de strijd tussen de ouders is het voor de rechtbank niet voldoende duidelijk wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nodig hebben voor zichzelf en van hun ouders om tot een gezonde ontwikkeling te komen. De rechtbank vindt het belangrijk dat daar onderzoek naar wordt gedaan. Daarnaast staan de verhalen van de ouders lijnrecht tegenover elkaar en lijken [minderjarige 1] en [minderjarige 2] door de strijd en de spanningen tussen de ouders in een loyaliteitsconflict terechtgekomen. De rechtbank vindt het daarom belangrijk dat iemand [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een stem geeft.



5.15.
De kinderrechter acht het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat een bijzondere curator hun belangen behartigt en tracht inzicht te krijgen in wat zij zouden willen en nodig hebben. De bijzondere curator dient verder te onderzoeken op welke plek de kinderen het beste verder kunnen opgroeien en op welke manier de ouders de zorgtaken kunnen verdelen.



5.16.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben de ouders beiden verklaard de benoeming van een bijzondere curator met een gedragswetenschappelijke achtergrond te ondersteunen. Ook de raad en de GI vinden de benoeming van een bijzondere curator een goed idee, zij het enkel in het geval de kinderen op een neutrale plek worden geplaatst. Alleen dan kan een gesprek van de bijzondere curator met de jongens een realistisch beeld opleveren over een meer werkelijk beleefde mening.



5.17.

[naam bijzondere curator] , onder andere werkzaam als pedagoog en mediator, is bereid gevonden om in deze procedure als bijzondere curator op te treden en zal hiertoe door de rechtbank worden benoemd.



5.18.
De bijzondere curator dient te onderzoeken:


wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nodig hebben in hun relatie tot hun ouders om tot een gezonde ontwikkeling te komen;


wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nodig hebben om uit het loyaliteitsconflict, waarin zij mogelijk verkeren, te komen en niet langer last te hebben van de onderlinge strijd tussen de ouders;


indien mogelijk, op welke plek [minderjarige 1] en [minderjarige 2] het beste verder kunnen opgroeien, bij hun ouders of op een neutrale plek;


welke concrete verdeling van de zorg- en opvoedingstaken het meest in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is;


of er begeleiding nodig is van de contacten tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;


of er begeleiding nodig is van de contacten tussen de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .





5.19.
Indien de bijzondere curator daartoe aanleiding ziet, dan staat het haar eveneens vrij een advies uit te brengen over andere verwante onderwerpen dan wel de benodigde hulpverlening ten behoeve van de kinderen of de ouders.



5.20.
De bijzondere curator wordt verzocht gesprekken te voeren met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Gezien de beperkingen van [minderjarige 1] , die onder meer zien op zijn mogelijkheid tot communicatie, laat de rechtbank de vrijheid aan de bijzondere curator om in te schatten of en zo ja op welke manier communicatie met [minderjarige 1] mogelijk is. Verder wordt de bijzondere curator verzocht gesprekken te voeren met de moeder en de vader. De bijzondere curator wordt in overweging gegeven eveneens te spreken met de GI en de door de GI ingezette hulpverlening, onder meer ten behoeve van de communicatie met [minderjarige 1] , en met het CJG. Het staat de bijzondere curator vrij gesprekken te voeren met overige betrokken personen en met anderen, die informatie over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kunnen verschaffen.



5.21.
Het staat de bijzondere curator vrij het onderzoek in te richten zoals haar dat in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nodig lijkt. Voor het uitvoeren van de opdracht is het noodzakelijk dat de ouders meewerken aan het onderzoek van de bijzondere curator. De rechtbank gaat ervan uit dat voor beide kinderen een apart onderzoek nodig zal zijn, gelet op hun specifieke behoeften, mede gezien de beperkingen van [minderjarige 1] .



5.22.
De rechtbank ziet aanleiding om te bepalen dat tijdens het onderzoek van de bijzondere curator de GI de regie heeft over de contacten van de ouders met beide kinderen op de wijze als hiervoor onder 5.8. is overwogen. Het vormgeven van de contacten heeft een hoge prioriteit, maar moet zorgvuldig gebeuren in overleg met de ouders en de begeleiding op de plekken waar de kinderen verblijven. Het is belangrijk dat de bijzondere curator zich ten behoeve van haar onderzoek een voorstelling kan maken van hoe het contact tussen de ouders en de kinderen eruit ziet.



5.23.

De rechtbank is van oordeel dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voordat het onderzoek kan starten eerst moeten “landen” in de nieuwe woonsituatie en wennen aan hun nieuwe plek. De rechtbank verzoekt de bijzondere curator daarom haar onderzoek te starten vanaf
1 juni 2026 en om, gelet op de vakantieperiode, uiterlijk op 15 september 2026 schriftelijk verslag te doen van haar bevindingen aan de rechtbank onder vermelding van de zaaknummers C/01/419812 / FA RK 25-4070 en C/01/423113 / JE RK 26-151.
De (advocaten van) partijen worden daarna in de gelegenheid gesteld om op het verslag te reageren en zich uit te laten over de gewenste voortzetting van de procedure. De rechtbank zal de beslissing over het hoofdverblijf en de zorgregeling aanhouden in afwachting van het rapport van de bijzondere curator en de reacties van de (advocaten) van partijen.




5.24.
Tot slot verzoekt de rechtbank de bijzondere curator de leidraad werkwijze en verslag bijzondere curatoren ex artikel 1:250 BW in acht te nemen. Waar de leidraad mocht afwijken van wat in deze beschikking is bepaald, prevaleert de inhoud van deze beschikking.



5.25.
Tegen de beslissing tot benoeming van een bijzondere curator kan geen hoger beroep worden ingesteld, nu er sprake is van een tussenbeslissing als bedoeld in artikel 358, vierde lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Dit betekent dat deze beslissing directe werking heeft.



5.26.

Wijziging GI



5.26.1.
De moeder verzoekt om vervanging van de GI. Zij is het vertrouwen in de GI verloren. De GI signaleert weliswaar dat er sprake is van een zorgwekkende situatie voor de kinderen, maar pakt vervolgens niet haar rol en gaat niet voor de kinderen staan.



5.26.2.
De vader voert verweer en concludeert tot afwijzing van het verzoek. De vader ziet niet wat wijziging van de GI positief zal bijdragen aan het verbeteren van de situatie van de kinderen.



5.26.3.
De huidige jeugdzorgwerkers zijn inmiddels vier of vijf jaar betrokken en willen graag betrokken blijven.



5.26.4.
De rechtbank overweegt dat er met deze beschikking een aantal beslissingen wordt genomen die veel veranderingen met zich brengen, zoals de uithuisplaatsing van de kinderen op een neutrale plek en los van elkaar en de benoeming van een bijzondere curator. De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van de kinderen is om deze ontwikkelingen te monitoren via de huidige GI die al jarenlang betrokken is bij het gezin en bekend is met de zorgelijke en al lang bestaande negatieve dynamiek tussen de ouders. Daarbij zorgt de benoeming van een nieuwe GI met een omvangrijke dossieroverdracht voor vertraging, waarbij bovendien mogelijk kennis verloren zal gaan. Dit acht de rechtbank niet in het belang van de kinderen.



5.26.5.
De proceskosten tussen partijen tot op heden zullen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.






6De beslissing


De rechtbank




In de zaak met nummer C/01/422741 / JE RK 26-89




6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een pleeggezin, dan wel een accommodatie voor jeugdhulp dan wel een Wlz-instelling, voor de duur van vier maanden, met ingang van 18 april 2026 tot 18 augustus 2026;


6.2.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;



In de zaak met nummer C/01/419812 / FA RK 25-4070





6.3.
benoemt over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot bijzondere curator:


- [naam bijzondere curator] , kantoorhoudend in [adres]
telefoon: [telefoonnummer] ,e-mailadres: [e-mailadres] ;




6.4.
draagt de griffier op een afschrift van deze beschikking en de processtukken te doen toekomen aan de bijzondere curator;



6.5.
bepaalt dat partijen per omgaande hun adres, telefoon- en e-mailgegevens aan de bijzondere curator ter kennis brengen zodat contacten kunnen worden gelegd en afspraken gemaakt kunnen worden;



6.6.
bepaalt dat de bijzondere curator haar onderzoek vanaf 1 juni 2026 zal starten en verzoekt de bijzondere curator om uiterlijk 15 september 2026 aan de rechtbank schriftelijk verslag te doen van haar bevindingen en daarbij een standpunt over de verzoeken van de moeder en de vader in te nemen, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift van haar rapport aan de (advocaten van) ouders en de raad voor de kinderbescherming;



6.7.
stelt de (advocaten van) ouders tot uiterlijk 29 september 2026 in de gelegenheid om te reageren op het verslag van de bijzondere curator en om zich uit te laten over het resterende verzoek voor wat betreft het hoofdverblijf en de zorgregeling en de gewenste processuele voortgang;



6.8.
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



6.9.
wijst het verzoek van de moeder om de GI te vervangen af;




In de zaken met nummers C/01/419812 / FA RK 25-4070 en C/01/423113 / JE RK 26-151





6.10.
houdt de verdere beslissingen over het verzoek van de GI over de gewenste zorg- en contactregeling en de verzoeken van de ouders over het hoofdverblijf en de zorgregeling PRO FORMA aan tot 6 oktober 2026;



6.11.
bepaalt dat, in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek door de bijzondere curator, de regie over de aard, duur en frequente van de contacten tussen de ouders en de kinderen voorlopig bij de GI ligt, net als de vraag of de contacten begeleid moeten plaatsvinden;



6.12.
verklaart de beslissing onder 6.11. uitvoerbaar bij voorraad;



In alle zaken





6.13.
compenseert de proceskosten tot op heden tussen partijen aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.









Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026 door mr. dr. V.M. Smits (voorzitter), mr. L. Jongen en mr. A.A. Roodenburg (leden), allen kinderrechters, in aanwezigheid van de griffier.





Conc: TVe












Tegen deze beschikking kan, voor zover het een eindbeslissing betreft, -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof 's-Hertogenboscha. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraakb. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.



Artikel 1:265b, eerste lid, BW.