Rechtbank Oost-Brabant
ECLI:NL:RBOBR:2026:5204
2026-07-24
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
26/159
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Pw. Intrekking en terugvordering. Schending inlichtingenplicht. Eiseres heeft niet uit eigen beweging bij het college gemeld dat zij al vóór de aanvraag van de bijstandsuitkering over een bankrekening in Marokko beschikte. Verder heeft eiseres geen melding gemaakt van de aanschaf en het bezit van een appartement in Marokko en de herkomst van de kosten van de renovatie van deze woning. De inkomens- en vermogenspositie van eiseres is in de gehele beoordelingsperiode volstrekt onduidelijk gebleven. Daardoor was het recht op bijstand van eiseres niet vast te stellen. Geen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Citeert (5)
- ECLI:NL:CRVB:2023:393 Centrale Raad van Beroep 28-02-2023
- ECLI:NL:CRVB:2024:2192 Centrale Raad van Beroep 10-12-2024
- ECLI:NL:CRVB:2024:2193 Centrale Raad van Beroep 10-12-2024
- ECLI:NL:CRVB:2024:2194 Centrale Raad van Beroep 10-12-2024
- ECLI:NL:CRVB:2024:2195 Centrale Raad van Beroep 10-12-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (31.173 tekens)
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 26/159
uitspraak van de meervoudige kamer van 24 juli 2026 in de zaak tussen
[naam] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. J.W. Weehuizen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Hertogenbosch, het college
(gemachtigde: E.J.C. Mast).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van het recht op bijstand van eiseres over de periode van 24 december 2013 tot en met 1 december 2024. Verder is het teveel betaalde bedrag aan bijstand over de periode van 24 december 2013 tot en met 30 september 2024 tot een bedrag van € 162.324,21 van eiseres teruggevorderd. Eiseres is het niet eens met deze intrekking en terugvordering. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht de bijstand van eiseres heeft ingetrokken en teruggevorderd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 15 december 2025 op het bezwaar van eiseres is het college gebleven bij het besluit om het recht op bijstand in te trekken over de periode van 24 december 2013 tot en met 1 december 2024 en terug te vorderen tot een bedrag van € 162.324,21.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Voorgeschiedenis
3. Eiseres ontving sinds 24 december 2013 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande (ouder). Op 7 mei 2024 heeft het college een melding ontvangen dat eiseres zwart zou werken, een huis in Marokko zou hebben en een partner zou hebben. Deze melding was voor het college aanleiding het recht van eiseres op een bijstandsuitkering opnieuw te onderzoeken. Het college heeft voor dit onderzoek de sociale recherche ingeschakeld.
4. De sociaal rechercheur heeft eerst telefonisch contact gehad met de melder. Tijdens dit telefoongesprek heeft de melder aangegeven dat eiseres een huis in Marokko bezit, maar dat dat huis op naam staat van de zus van eiseres. Via een e-mail heeft de melder later nog aangevuld dat eiseres € 37.000,00 en € 30.000,00 heeft betaald voor het appartement. Ook heeft de melder aangegeven dat er in Marokko een procedure bij de rechtbank liep over het eigendom van het appartement. De rechtbank zou hebben besloten dat het appartement op naam van eiseres moest worden gezet. Vervolgens is het appartement niet op naam van eiseres, maar op naam van de dochter van eiseres gezet. Verder heeft de melder nog aangegeven dat eiseres € 2.000,00 per maand verdient in verband met schoonmaakwerkzaamheden. Zij zou samenwerken met twee vriendinnen en haar dochter.
5. Op 22 oktober 2024 heeft eiseres een verklaring afgelegd aan de sociaal rechercheur en een medewerker handhaving van het college. Bij deze gelegenheid heeft eiseres verklaard dat zij sinds 2014 of 2015 een bankrekening in Marokko heeft. Zij heeft deze bankrekening niet eerder aan het college gemeld, omdat zij dacht dat dat niet nodig was. Eiseres stelt dat deze bankrekening alleen een verzekering is voor als zij en/of haar kinderen komen te overlijden. Eiseres en haar kinderen kunnen in dat geval op kosten van die verzekering vanuit Nederland naar Marokko worden vervoerd. Eiseres heeft verder tijdens het gesprek op 22 oktober 2024 verklaard dat zij geen appartement heeft. Bij brief van 1 november 2024 heeft het college nog nadere informatie opgevraagd bij eiseres. Eiseres heeft een deel van de gevraagde gegevens overgelegd. Omdat eiseres nog niet alle gevraagde gegevens had overgelegd, heeft het college bij besluit van 12 december 2024 het recht van eiseres op een bijstandsuitkering met ingang van 2 december 2024 opgeschort. De uitbetaling van de bijstandsuitkering was al vanaf 1 oktober 2024 geblokkeerd.
6. De sociaal rechercheur heeft in het rapport van 10 januari 2025 geconcludeerd dat er gegronde vermoedens zijn dat eiseres via een opgezette schijnconstructie feitelijk de beschikking en zeggenschap heeft gehad over onroerend goed in Marokko. Hiervan heeft eiseres geen melding gemaakt. Daarnaast is de sociaal rechercheur gebleken dat eiseres geen melding heeft gemaakt van het bezit van een bankrekening in Marokko bij Bank Populaire (Chaabi bank). Dit rekeningnummer is geopend op 1 juli 2013. Eiseres heeft, ondanks herhaalde verzoeken, de bankafschriften van de Marokkaanse bankrekening niet ingeleverd over de periode van 1 juli 2013 tot 1 januari 2019 en vanaf 1 juli 2024 tot de datum van de rapportage. Dit betreft volgens de sociaal rechercheur een schending van de medewerkingsplicht en geeft voldoende grondslag om de uitkering op grond van artikel 54, vierde lid, van de Participatiewet (Pw) in te trekken per datum opschorting, te weten 2 december 2024. De sociaal rechercheur heeft vastgesteld dat de opgevraagde gegevens relevant zijn voor het recht op uitkering van eiseres vanaf de opschortingsdatum. Door niet de gevraagde medewerking te verlenen heeft eiseres de sociaal rechercheur de mogelijkheid ontnomen om daarnaar (nader) onderzoek te doen. Dit geldt volgens de sociaal rechercheur eens te meer nu eiseres nimmer melding heeft gemaakt van het bezit van de bankrekening in Marokko. Het feit dat hiervan geen melding is gemaakt, betekent volgens de sociaal rechercheur dat er sprake is van schending van de inlichtingenplicht. Daarnaast acht de sociaal rechercheur van belang, zowel voor het recht over het verleden als het huidige recht, wat de burgerlijke stand van eiseres is. Of een huwelijk in Nederland of elders is gesloten, doet daar niet aan af, aldus de sociaal rechercheur. De sociaal rechercheur heeft vastgesteld dat eiseres, ondanks herhaald verzoek, geen gelegaliseerde akte van de burgerlijke stand uit Marokko heeft ingeleverd. Ook de verklaringen van de dochter over de bijschrijvingen en kasstortingen op de Marokkaanse bankrekening van eiseres acht de sociaal rechercheur onvoldoende. Ook omdat deze verklaringen op geen enkele wijze worden ondersteund door bewijsstukken. Bij besluit van 13 januari 2025 heeft het college met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de Pw het recht van eiseres op een bijstandsuitkering ingetrokken per datum opschorting, 2 december 2024. In dit besluit heeft het college ook aangegeven dat nog wordt bezien of de bijstandsuitkering voorafgaand aan de periode van 2 december 2024 correct aan eiseres is verstrekt.
7. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de blokkering van de betaling van haar bijstandsuitkering en tegen de opschorting en intrekking per datum opschorting van haar bijstandsuitkering. Daarnaast heeft eiseres, gerelateerd aan deze drie bezwaarschriften, drie verzoeken om een voorlopige voorziening bij de rechtbank ingediend. Bij uitspraken van 18 februari 2025 heeft de rechtbank de verzoeken om een voorlopige voorziening te treffen afgewezen. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat eiseres geen spoedeisend belang heeft bij een beoordeling van de blokkering van de uitbetaling en de opschorting van het recht op bijstand. De voorzieningenrechter heeft de verzoeken dan ook niet inhoudelijk beoordeeld. De voorzieningenrechter heeft de intrekking van het recht op bijstand per 2 december 2024 wel inhoudelijk beoordeeld, omdat eiseres daarbij wel voldoende spoedeisend belang had. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat eiseres de door het college gevraagde gegevens niet binnen de gestelde termijn heeft ingeleverd en dit verzuim ook niet heeft hersteld. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat de door het college opgevraagde gegevens zien op het bestaan en de omvang van inkomen en vermogen en dat het college deze gegevens heeft mogen opvragen. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is door het niet aanleveren van de gevraagde gegevens sprake (gebleven) van een onduidelijke financiële situatie. De voorzieningenrechter heeft eiseres niet gevolgd in haar stelling dat de door haar aangeleverde gegevens voldoende zijn om haar uitkering te hervatten. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat Weener XL voldoende tijd heeft gegeven aan eiseres om de gevraagde gegevens in te leveren. De voorzieningenrechter is van oordeel dat eiseres verwijtbaar in verzuim is en er geen aanleiding is om een voorlopige voorziening te treffen.
8. Bij besluit van 17 april 2025 heeft het college de bezwaren van eiseres tegen de blokkering van de betaling van haar bijstandsuitkering en tegen de opschorting en intrekking per datum opschorting van haar bijstandsuitkering ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het tegen het besluit van 17 april 2025 ingestelde beroep bij uitspraak van 20 februari 2026 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe onder meer overwogen dat het college van eiseres kon verlangen dat zij volledige inzage verschafte in alle transacties op haar Marokkaanse bankrekening vanaf juli 2013. Daarom kon het college eiseres dus ook vragen bankafschriften over de periode van vóór 2019 aan te leveren. Daarbij hoefde het college geen genoegen te nemen met de verklaring van de Marokkaanse advocaat van eiseres nu die niet hetzelfde is als een verklaring van de bank, daarmee ook niet gelijk te stellen valt, en die verklaring bovendien ook niet is onderbouwd met bewijsstukken. Ook kon het college van eiseres verlangen dat zij verifieerbare bewijsstukken aanleverde over de herkomst van de kasstortingen en bijschrijvingen op haar Marokkaanse bankrekening. De verklaring van eiseres daarover is (volstrekt) onvoldoende, mede nu die niet is onderbouwd met bewijsstukken. Dat het totale bedrag van de bijschrijvingen onder de toepasselijke vermogensgrens ligt is in het kader van het onderzoek naar de herkomst van de bijschrijvingen en kasstortingen niet relevant, ook al nu het college nog geen onderzoek heeft kunnen doen naar de transacties van vóór 2019 omdat eiseres over die periode geen bankafschriften heeft verstrekt.
Totstandkoming van het bestreden besluit
9. Op 18 juni 2025 heeft de sociaal rechercheur een aanvullend rapport opgesteld over de periode vóór 2 december 2024. De sociaal rechercheur heeft op basis van dossierstudie in dit rapport geconcludeerd dat eiseres niet alle bankafschriften van de Marokkaanse bankrekening heeft overgelegd. Op de wel overgelegde bankafschriften zijn verschillende bij- en afschrijvingen zichtbaar. Daarnaast heeft de sociaal rechercheur vastgesteld dat eiseres economisch eigenaar is van een woning in Nador in Marokko. Aan de documenten waarin wordt vermeld dat de dochter van eiseres sinds 20 mei 2024 de eigenaar is van deze woning, dient volgens de sociaal rechercheur geen waarde te worden gehecht. Dit dient te worden gelijkgesteld aan de eerdere schijnconstructie waarbij de zus van eiseres juridisch eigenaar was van de woning. De sociaal rechercheur heeft geconcludeerd dat een en ander ertoe leidt dat het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld per ingangsdatum uitkering, te weten 24 december 2013. De sociaal rechercheur heeft daarom het college geadviseerd om met toepassing van artikel 54, derde lid, van de Pw het recht op uitkering in te trekken van 24 december 2013 tot en met 1 december 2024. Daarnaast heeft de sociaal rechercheur het college geadviseerd de ten onrechte genoten uitkering terug te vorderen over de periode 24 december 2013 tot en met 30 september 2024. Hierbij heeft hij opgemerkt dat de betaling van de uitkering al geblokkeerd stond per 1 oktober 2024. Deze periode is daarom niet tot uitbetaling gekomen, waardoor deze ook niet hoeft te worden teruggevorderd. De sociaal rechercheur ziet geen aanleiding om te adviseren de vordering te matigen. Dit omdat eiseres heeft verzuimd om melding te maken van de Marokkaanse bankrekening en zij niet alle gevraagde gegevens hiervan heeft ingeleverd. Namelijk alle gevraagde bankafschriften en voldoende helderheid over de bijschrijvingen en/of kasstortingen op de overgelegde bankafschriften. Daarnaast heeft zij ook geen melding gemaakt van het feit dat zij economisch eigenaar is van de woning in Nador in Marokko, waarover zij zelf aangifte heeft gedaan bij de politie in Nador.
10. Bij besluit van 14 juli 2025 heeft het college het recht op bijstand van eiseres ingetrokken over de periode van 24 december 2013 tot en met 1 december 2024. Het college doet dit op grond van de artikelen 11 en 17, eerste lid, van de Pw in samenhang met artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de Pw. Het college heeft zich hiertoe op het standpunt gesteld dat er al vanaf aanvang van de bijstand op 24 december 2013 sprake is van een onduidelijke financiële situatie. Die onduidelijkheid vangt aan met de beschikking van eiseres over de Marokkaanse bankrekening en zet zich voort met de aanschaf van en beschikking over de woning in Nador te Marokko. De onduidelijkheid is hiermee zo groot dat deze doorwerkt tot en met heden, maar in ieder geval tot en met 1 december 2024. Eiseres heeft volgens het college niet of onvoldoende gebruik gemaakt van de gelegenheid om alle onduidelijkheid weg te nemen. Gezien alle onduidelijkheid rondom de financiële situatie kan volgens het college niet worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, eiseres recht op bijstand zou hebben gehad vanaf aanvang van de bijstand op 24 december 2013 tot en met 1 december 2024. Omdat eiseres van 24 december 2013 tot en met 30 september 2024 te veel uitkering heeft ontvangen, moet eiseres dat terugbetalen. Het gaat om een bedrag van € 162.324,21. Het college ziet geen dringende redenen om in het geval van eiseres geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
11. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het beluit van 14 juli 2025. Het college heeft het bezwaar voorgelegd aan de commissie van advies voor de bezwaarschriften (de bezwaarschriftencommissie). De bezwaarschriftencommissie heeft het college geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren. Volgens de bezwaarcommissie is juist de periode vanaf de opening van de Marokkaanse bankrekening tot 1 januari 2019 van belang, omdat uit de overgelegde processen-verbaal van de Marokkaanse politie van 14 en 15 mei 2024 blijkt dat eiseres heeft verklaard dat zij in 2017 een appartement heeft gekocht in Nador. Eiseres heeft dit (nadien) uitdrukkelijk ontkend. Zij heeft gesteld dat het college haar conclusies heeft gebaseerd op aannames en mededelingen afkomstig van één of meer familieleden van haar in Marokko met wie zij in onmin leeft. Het college heeft volgens haar ten onrechte geen onderzoek verricht naar de herkomst van de documenten. De bezwaarcommissie ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de overgelegde processen-verbaal noch aan de inhoud daarvan. Eiseres bestrijdt de inhoud van het proces-verbaal van aangifte, maar zij heeft niet onderbouwd waarom dit document niet echt zou zijn. Daarnaast blijkt uit de stempels in het paspoort van eiseres dat zij op de datum dat de aangifte is gedaan, daadwerkelijk in Marokko is geweest. Anders dan eiseres stelt, zijn volgens de bezwaarcommissie de bij de politie afgelegde verklaringen niet uitsluitend afkomstig van familieleden waarmee zij in onmin leeft. Er is namelijk ook een verklaring van de verkoper van het appartement. Eiseres heeft betoogd dat de onduidelijkheden over de buitenlandse bankrekening over dermate geringe bedragen gaan dat dit een intrekking van de bijstandsuitkering over de periode van 24 december 2013 tot en met 30 september 2024 niet kan rechtvaardigen. De bezwaarcommissie is het daarmee niet eens. De ontbrekende informatie omvat de periode waarin een appartement is aangekocht en dat betreft dus zeker geen geringe bedragen. De bezwaarcommissie benadrukt dat het college als gevolg van het schenden van de inlichtingenplicht verplicht is om de uitkering in te trekken en terug te vorderen en dat een belangenafweging daarbij niet op zijn plaats is. Het is de bezwaarcommissie daarbij niet gebleken van dringende redenen op grond waarvan geheel of gedeeltelijk afgezien zou moeten worden van terugvordering.
12. Bij besluit van 15 december 2025 heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Het college heeft hiertoe het advies van de bezwaarcommissie gevolgd en daarnaar verwezen.
De beroepsgronden
13. Eiseres is van mening dat zij op afdoende wijze haar inlichtingenplicht is nagekomen. Verder is zij van mening dat zij op afdoende wijze de door het college verlangde inlichtingen dan wel stukken heeft verstrekt en zij bestrijdt uitdrukkelijk de door het college genoemde schijnconstructie. Het college heeft volgens eiseres geen eigen onderzoek uitgevoerd naar haar beweerdelijk laakbaar handelen, niet met betrekking tot de door het college gestelde schijnconstructie (woning) maar ook niet op een andere manier. Daarnaast baseert het college zich op door derden verstrekte stukken waarvan eiseres de juistheid bestrijdt. Eiseres stelt dat zij niet beschikt over relevante vermogensbestanddelen (gelden of anderszins) in Marokko dan wel in Nederland of enig ander land. Eiseres geeft aan dat zij wel een bankrekening in Marokko heeft aangehouden, maar die is in het verleden geopend om vanuit die rekening een begrafenisverzekering te kunnen voldoen ten behoeve van (indien zij komt te overlijden) het overbrengen van haar stoffelijk overschot naar Marokko. Eiseres stelt dat zij alle beschikbare bankafschriften met betrekking tot die rekening aan het college ter beschikking heeft gesteld. Voor zover op die bankrekening bedragen zijn gestort betreft het in totaal een bedrag dat niet boven de vermogensgrens uitkomt. Volgens eiseres kan zo nodig aan de hand van de betreffende bedragen een correctie van de bijstandstuitkering concreet worden berekend, zonder dat een volledige intrekking nodig is. Uiterst subsidiair is eiseres van mening dat er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien, al dan niet gedeeltelijk. Zij is psychisch en lichamelijk ten einde raad. Zij stelt ook niet meer in staat te zijn op normale wijze in het dagelijks leven te functioneren.
Het oordeel van de rechtbank
Het beoordelingskader
14. De te beoordelen periode loopt in dit geval van 24 december 2013 tot en met 1 december 2024.
14. Ingevolge artikel 17, eerste lid, eerste volzin, van de Pw doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Als de belanghebbende niet aan deze inlichtingenverplichting heeft voldaan, is het college op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw verplicht de bijstand in te trekken.
14. Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan, in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.
Heeft eiseres de inlichtingenverplichting geschonden?
17. De rechtbank is van oordeel dat eiseres de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Uit het dossier blijkt immers dat eiseres al sinds 1 juli 2013, dus vóór de aanvraag van de bijstandsuitkering, over een bankrekening in Marokko beschikt. Eiseres heeft niet uit eigen beweging bij het college gemeld dat zij over deze rekening beschikt. Het gaat om gegevens die van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand en dat had eiseres redelijkerwijs duidelijk moeten zijn. Door daarvan geen melding te maken, heeft zij vanaf de toekenning van de bijstandsuitkering, op 24 december 2013, de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres haar inlichtingenplicht heeft geschonden door geen melding te maken van de aanschaf en het bezit van het appartement in Marokko en de herkomst van de kosten van de renovatie van deze woning. De rechtbank legt dit oordeel hierna uit.
18. Het college legt aan zijn standpunt de resultaten van het eerdergenoemd onderzoek ten grondslag. Op grond van de resultaten van het onderzoek is bij het college het ernstige vermoeden ontstaan dat eiseres sinds 2017 een appartement in Marokko in haar bezit heeft en dit heeft betaald met geld van haar Marokkaanse bankrekening. Dit vermoeden is onder meer gebaseerd op een proces-verbaal van een aangifte van eiseres in Marokko. Volgens deze aangifte stelt eiseres de eigenaar te zijn van een appartement dat op naam staat van haar zus, maar door haarzelf in 2017 is betaald en waarvoor eiseres ook de kosten van een renovatie heeft betaald. Verder volgt uit de door de Marokkaanse politie opgenomen verklaringen van eiseres, haar zus en een vertegenwoordiger van de verkoper van het appartement dat eiseres in 2017 inderdaad de koper van het bedoelde appartement is geweest. Voor deze aankoop heeft eiseres via haar Marokkaanse bankrekening geld overgemaakt aan haar zus. Het college heeft de Marokkaanse documenten ter beoordeling voorgelegd aan het Internationaal Bureau Fraude (IBF). Daarop heeft het IBF het college medegedeeld dat de documenten – kort gezegd – authentiek lijken, maar dat alleen de instanties die de documenten hebben uitgegeven kunnen garanderen dat de inhoud klopt. Daarbij is op vragen van het college toegelicht dat de documenten zijn beoordeeld door (een medewerker van) de Attaché van het Bureau Sociale Zaken (BSZ) van de Nederlandse Ambassade in Rabat.
19. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan het onderzoek van het college te twijfelen. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit de stempels in het paspoort van eiseres blijkt dat eiseres op de datum van de aangifte ook daadwerkelijk in Marokko was. Ook weegt de rechtbank mee dat het niet alleen verklaringen zijn van familieleden met wie eiseres in onmin leeft, maar ook van haarzelf en van de verkoper van de woning die in de Marokkaanse procedure voor eiseres optrad als getuige. Eiseres heeft hier niets tegenover gesteld, anders dan de niet onderbouwde of geconcretiseerde stelling dat de Marokkaanse documenten zijn vervalst. Deze enkele stelling acht de rechtbank onvoldoende om te twijfelen aan de bevindingen van het college.
19. Met het onderzoek door de sociale recherche heeft het college naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat eiseres haar verplichting om mededeling te doen van feiten en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op haar recht op bijstand, niet is nagekomen.
Heeft het college terecht de bijstand ingetrokken?
21. Schending van de inlichtingenplicht levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandsbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.
22. De rechtbank is van oordeel dat de schending van de inlichtingenplicht in de situatie van eiseres een grond oplevert voor de intrekking van de bijstand in de te beoordelen periode. De rechtbank legt dit hierna uit.
23. Eiseres heeft tot op heden geen openheid van zaken gegeven over de Marokkaanse bankrekening. Evenmin heeft zij openheid van zaken gegeven over de aankoop en het bezit van het appartement, de herkomst van de kosten van de renovatie en de waarde van het appartement in de loop van de jaren. Zo ontbreekt bijvoorbeeld een taxatieverslag van de woning en elke andere informatie over deze woning, zoals de omvang en de staat. Eiseres heeft volstaan met de kale ontkenning dat zij op geen enkel moment eigenaar is (geweest) van deze woning. Verder volgt de rechtbank eiseres evenmin in haar subsidiaire betoog dat sprake zou zijn van bewijsnood ten aanzien van de bankafschriften over de periode voor 2019. Eiseres heeft op verzoek van het college de bankafschriften vanaf 1 januari 2019 overgelegd, maar de bankafschriften over de periode van de datum van de opening van de bankrekening tot 1 januari 2019 ontbreken nog steeds. Deze bankafschriften zijn van belang omdat het college concrete aanwijzingen heeft dat er in die periode op de niet gemelde Marokkaanse bankrekening geld heeft gestaan dat van invloed zou kunnen zijn op het recht op bijstand. Zoals de rechtbank ook heeft geoordeeld in de uitspraak van 20 februari 2026 vormt de verklaring van de Marokkaanse advocaat van eiseres onvoldoende onderbouwing van de stelling dat zij niet over deze bankafschriften kan beschikken, nu deze verklaring niet is gelijk te stellen met een verklaring van de bank van die strekking en die verklaring bovendien ook niet is onderbouwd met bewijsstukken.
24. Omdat eiseres heeft nagelaten duidelijkheid te bieden over haar Marokkaanse bankrekening en de woning in Nador, terwijl het wel op haar weg ligt om aannemelijk te maken dat zij ondanks schending van de inlichtingenverplichting recht had op bijstand, kan zij niet worden gevolgd in haar betoog dat haar recht op bijstand was vast te stellen. De inkomens- en vermogenspositie van eiseres in de gehele beoordelingsperiode is immers volstrekt onduidelijk gebleven. Daardoor was het recht op bijstand van eiseres niet vast te stellen. Het recht op bijstand is dan ook terecht ingetrokken.
Heeft het college de bijstand kunnen terugvorderen?
25. Het college is verplicht om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Dit uitgangspunt staat in artikel 58, eerste lid, van de Pw. Maar indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dat volgt uit artikel 58, achtste lid, van de Pw. Volgens vaste rechtspraak moet een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.
26. Op grond van wat eiseres naar voren heeft gebracht heeft het college bij afweging van de betrokken belangen geen dringende redenen hoeven aannemen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het besluit om niet van terugvordering af te zien getuigt niet van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen. Allereerst stelt de rechtbank vast dat de terugvordering niet is ontstaan, of is opgelopen, door toedoen van het college. De terugvordering over de periode van 24 december 2013 tot en met 30 september 2024 is het gevolg van het feit dat eiseres over die periode de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van haar Marokkaanse bankrekening, de aankoop en het bezit van de woning in Nador en de herkomst van de kosten voor de renovatie van deze woning. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat de terugvordering tot ernstige financiële gevolgen leidt. Hierbij komt dat eiseres bij de invordering als schuldenaar de bescherming geniet van de regels over de beslagvrije voet die zijn neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het college over een kwijtscheldingsregeling beschikt. Eiseres heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de terugvordering voor haar onnodig nadelige gevolgen oplevert.
Conclusie en gevolgen
27. Gelet op het vorenstaande heeft het college terecht de bijstand van eiseres ingetrokken en teruggevorderd. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. de Jong-Nibourg, voorzitter, en mr. F.M.E. Schulmer en mr. R.A. de Wit, leden, in aanwezigheid van drs. M.T. Petersen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
In de zaken met zaaknummers SHE 24/3996, SHE 24/4275 en SHE 25/289.
In de zaak met zaaknummer SHE 25/1065.
Zie de processen-verbaal van 14 en 15 mei 2024.
Bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 28 februari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:393.
ECLI:NL:CRVB:2024:2192, ECLI:NL:CRVB:2024:2193, ECLI:NL:CRVB:2024:2194, ECLI:NL:CRVB:2024:2195.
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 26/159
uitspraak van de meervoudige kamer van 24 juli 2026 in de zaak tussen
[naam] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. J.W. Weehuizen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Hertogenbosch, het college
(gemachtigde: E.J.C. Mast).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van het recht op bijstand van eiseres over de periode van 24 december 2013 tot en met 1 december 2024. Verder is het teveel betaalde bedrag aan bijstand over de periode van 24 december 2013 tot en met 30 september 2024 tot een bedrag van € 162.324,21 van eiseres teruggevorderd. Eiseres is het niet eens met deze intrekking en terugvordering. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht de bijstand van eiseres heeft ingetrokken en teruggevorderd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 15 december 2025 op het bezwaar van eiseres is het college gebleven bij het besluit om het recht op bijstand in te trekken over de periode van 24 december 2013 tot en met 1 december 2024 en terug te vorderen tot een bedrag van € 162.324,21.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Voorgeschiedenis
3. Eiseres ontving sinds 24 december 2013 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande (ouder). Op 7 mei 2024 heeft het college een melding ontvangen dat eiseres zwart zou werken, een huis in Marokko zou hebben en een partner zou hebben. Deze melding was voor het college aanleiding het recht van eiseres op een bijstandsuitkering opnieuw te onderzoeken. Het college heeft voor dit onderzoek de sociale recherche ingeschakeld.
4. De sociaal rechercheur heeft eerst telefonisch contact gehad met de melder. Tijdens dit telefoongesprek heeft de melder aangegeven dat eiseres een huis in Marokko bezit, maar dat dat huis op naam staat van de zus van eiseres. Via een e-mail heeft de melder later nog aangevuld dat eiseres € 37.000,00 en € 30.000,00 heeft betaald voor het appartement. Ook heeft de melder aangegeven dat er in Marokko een procedure bij de rechtbank liep over het eigendom van het appartement. De rechtbank zou hebben besloten dat het appartement op naam van eiseres moest worden gezet. Vervolgens is het appartement niet op naam van eiseres, maar op naam van de dochter van eiseres gezet. Verder heeft de melder nog aangegeven dat eiseres € 2.000,00 per maand verdient in verband met schoonmaakwerkzaamheden. Zij zou samenwerken met twee vriendinnen en haar dochter.
5. Op 22 oktober 2024 heeft eiseres een verklaring afgelegd aan de sociaal rechercheur en een medewerker handhaving van het college. Bij deze gelegenheid heeft eiseres verklaard dat zij sinds 2014 of 2015 een bankrekening in Marokko heeft. Zij heeft deze bankrekening niet eerder aan het college gemeld, omdat zij dacht dat dat niet nodig was. Eiseres stelt dat deze bankrekening alleen een verzekering is voor als zij en/of haar kinderen komen te overlijden. Eiseres en haar kinderen kunnen in dat geval op kosten van die verzekering vanuit Nederland naar Marokko worden vervoerd. Eiseres heeft verder tijdens het gesprek op 22 oktober 2024 verklaard dat zij geen appartement heeft. Bij brief van 1 november 2024 heeft het college nog nadere informatie opgevraagd bij eiseres. Eiseres heeft een deel van de gevraagde gegevens overgelegd. Omdat eiseres nog niet alle gevraagde gegevens had overgelegd, heeft het college bij besluit van 12 december 2024 het recht van eiseres op een bijstandsuitkering met ingang van 2 december 2024 opgeschort. De uitbetaling van de bijstandsuitkering was al vanaf 1 oktober 2024 geblokkeerd.
6. De sociaal rechercheur heeft in het rapport van 10 januari 2025 geconcludeerd dat er gegronde vermoedens zijn dat eiseres via een opgezette schijnconstructie feitelijk de beschikking en zeggenschap heeft gehad over onroerend goed in Marokko. Hiervan heeft eiseres geen melding gemaakt. Daarnaast is de sociaal rechercheur gebleken dat eiseres geen melding heeft gemaakt van het bezit van een bankrekening in Marokko bij Bank Populaire (Chaabi bank). Dit rekeningnummer is geopend op 1 juli 2013. Eiseres heeft, ondanks herhaalde verzoeken, de bankafschriften van de Marokkaanse bankrekening niet ingeleverd over de periode van 1 juli 2013 tot 1 januari 2019 en vanaf 1 juli 2024 tot de datum van de rapportage. Dit betreft volgens de sociaal rechercheur een schending van de medewerkingsplicht en geeft voldoende grondslag om de uitkering op grond van artikel 54, vierde lid, van de Participatiewet (Pw) in te trekken per datum opschorting, te weten 2 december 2024. De sociaal rechercheur heeft vastgesteld dat de opgevraagde gegevens relevant zijn voor het recht op uitkering van eiseres vanaf de opschortingsdatum. Door niet de gevraagde medewerking te verlenen heeft eiseres de sociaal rechercheur de mogelijkheid ontnomen om daarnaar (nader) onderzoek te doen. Dit geldt volgens de sociaal rechercheur eens te meer nu eiseres nimmer melding heeft gemaakt van het bezit van de bankrekening in Marokko. Het feit dat hiervan geen melding is gemaakt, betekent volgens de sociaal rechercheur dat er sprake is van schending van de inlichtingenplicht. Daarnaast acht de sociaal rechercheur van belang, zowel voor het recht over het verleden als het huidige recht, wat de burgerlijke stand van eiseres is. Of een huwelijk in Nederland of elders is gesloten, doet daar niet aan af, aldus de sociaal rechercheur. De sociaal rechercheur heeft vastgesteld dat eiseres, ondanks herhaald verzoek, geen gelegaliseerde akte van de burgerlijke stand uit Marokko heeft ingeleverd. Ook de verklaringen van de dochter over de bijschrijvingen en kasstortingen op de Marokkaanse bankrekening van eiseres acht de sociaal rechercheur onvoldoende. Ook omdat deze verklaringen op geen enkele wijze worden ondersteund door bewijsstukken. Bij besluit van 13 januari 2025 heeft het college met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de Pw het recht van eiseres op een bijstandsuitkering ingetrokken per datum opschorting, 2 december 2024. In dit besluit heeft het college ook aangegeven dat nog wordt bezien of de bijstandsuitkering voorafgaand aan de periode van 2 december 2024 correct aan eiseres is verstrekt.
7. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de blokkering van de betaling van haar bijstandsuitkering en tegen de opschorting en intrekking per datum opschorting van haar bijstandsuitkering. Daarnaast heeft eiseres, gerelateerd aan deze drie bezwaarschriften, drie verzoeken om een voorlopige voorziening bij de rechtbank ingediend. Bij uitspraken van 18 februari 2025 heeft de rechtbank de verzoeken om een voorlopige voorziening te treffen afgewezen. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat eiseres geen spoedeisend belang heeft bij een beoordeling van de blokkering van de uitbetaling en de opschorting van het recht op bijstand. De voorzieningenrechter heeft de verzoeken dan ook niet inhoudelijk beoordeeld. De voorzieningenrechter heeft de intrekking van het recht op bijstand per 2 december 2024 wel inhoudelijk beoordeeld, omdat eiseres daarbij wel voldoende spoedeisend belang had. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat eiseres de door het college gevraagde gegevens niet binnen de gestelde termijn heeft ingeleverd en dit verzuim ook niet heeft hersteld. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat de door het college opgevraagde gegevens zien op het bestaan en de omvang van inkomen en vermogen en dat het college deze gegevens heeft mogen opvragen. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is door het niet aanleveren van de gevraagde gegevens sprake (gebleven) van een onduidelijke financiële situatie. De voorzieningenrechter heeft eiseres niet gevolgd in haar stelling dat de door haar aangeleverde gegevens voldoende zijn om haar uitkering te hervatten. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat Weener XL voldoende tijd heeft gegeven aan eiseres om de gevraagde gegevens in te leveren. De voorzieningenrechter is van oordeel dat eiseres verwijtbaar in verzuim is en er geen aanleiding is om een voorlopige voorziening te treffen.
8. Bij besluit van 17 april 2025 heeft het college de bezwaren van eiseres tegen de blokkering van de betaling van haar bijstandsuitkering en tegen de opschorting en intrekking per datum opschorting van haar bijstandsuitkering ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het tegen het besluit van 17 april 2025 ingestelde beroep bij uitspraak van 20 februari 2026 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe onder meer overwogen dat het college van eiseres kon verlangen dat zij volledige inzage verschafte in alle transacties op haar Marokkaanse bankrekening vanaf juli 2013. Daarom kon het college eiseres dus ook vragen bankafschriften over de periode van vóór 2019 aan te leveren. Daarbij hoefde het college geen genoegen te nemen met de verklaring van de Marokkaanse advocaat van eiseres nu die niet hetzelfde is als een verklaring van de bank, daarmee ook niet gelijk te stellen valt, en die verklaring bovendien ook niet is onderbouwd met bewijsstukken. Ook kon het college van eiseres verlangen dat zij verifieerbare bewijsstukken aanleverde over de herkomst van de kasstortingen en bijschrijvingen op haar Marokkaanse bankrekening. De verklaring van eiseres daarover is (volstrekt) onvoldoende, mede nu die niet is onderbouwd met bewijsstukken. Dat het totale bedrag van de bijschrijvingen onder de toepasselijke vermogensgrens ligt is in het kader van het onderzoek naar de herkomst van de bijschrijvingen en kasstortingen niet relevant, ook al nu het college nog geen onderzoek heeft kunnen doen naar de transacties van vóór 2019 omdat eiseres over die periode geen bankafschriften heeft verstrekt.
Totstandkoming van het bestreden besluit
9. Op 18 juni 2025 heeft de sociaal rechercheur een aanvullend rapport opgesteld over de periode vóór 2 december 2024. De sociaal rechercheur heeft op basis van dossierstudie in dit rapport geconcludeerd dat eiseres niet alle bankafschriften van de Marokkaanse bankrekening heeft overgelegd. Op de wel overgelegde bankafschriften zijn verschillende bij- en afschrijvingen zichtbaar. Daarnaast heeft de sociaal rechercheur vastgesteld dat eiseres economisch eigenaar is van een woning in Nador in Marokko. Aan de documenten waarin wordt vermeld dat de dochter van eiseres sinds 20 mei 2024 de eigenaar is van deze woning, dient volgens de sociaal rechercheur geen waarde te worden gehecht. Dit dient te worden gelijkgesteld aan de eerdere schijnconstructie waarbij de zus van eiseres juridisch eigenaar was van de woning. De sociaal rechercheur heeft geconcludeerd dat een en ander ertoe leidt dat het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld per ingangsdatum uitkering, te weten 24 december 2013. De sociaal rechercheur heeft daarom het college geadviseerd om met toepassing van artikel 54, derde lid, van de Pw het recht op uitkering in te trekken van 24 december 2013 tot en met 1 december 2024. Daarnaast heeft de sociaal rechercheur het college geadviseerd de ten onrechte genoten uitkering terug te vorderen over de periode 24 december 2013 tot en met 30 september 2024. Hierbij heeft hij opgemerkt dat de betaling van de uitkering al geblokkeerd stond per 1 oktober 2024. Deze periode is daarom niet tot uitbetaling gekomen, waardoor deze ook niet hoeft te worden teruggevorderd. De sociaal rechercheur ziet geen aanleiding om te adviseren de vordering te matigen. Dit omdat eiseres heeft verzuimd om melding te maken van de Marokkaanse bankrekening en zij niet alle gevraagde gegevens hiervan heeft ingeleverd. Namelijk alle gevraagde bankafschriften en voldoende helderheid over de bijschrijvingen en/of kasstortingen op de overgelegde bankafschriften. Daarnaast heeft zij ook geen melding gemaakt van het feit dat zij economisch eigenaar is van de woning in Nador in Marokko, waarover zij zelf aangifte heeft gedaan bij de politie in Nador.
10. Bij besluit van 14 juli 2025 heeft het college het recht op bijstand van eiseres ingetrokken over de periode van 24 december 2013 tot en met 1 december 2024. Het college doet dit op grond van de artikelen 11 en 17, eerste lid, van de Pw in samenhang met artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de Pw. Het college heeft zich hiertoe op het standpunt gesteld dat er al vanaf aanvang van de bijstand op 24 december 2013 sprake is van een onduidelijke financiële situatie. Die onduidelijkheid vangt aan met de beschikking van eiseres over de Marokkaanse bankrekening en zet zich voort met de aanschaf van en beschikking over de woning in Nador te Marokko. De onduidelijkheid is hiermee zo groot dat deze doorwerkt tot en met heden, maar in ieder geval tot en met 1 december 2024. Eiseres heeft volgens het college niet of onvoldoende gebruik gemaakt van de gelegenheid om alle onduidelijkheid weg te nemen. Gezien alle onduidelijkheid rondom de financiële situatie kan volgens het college niet worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, eiseres recht op bijstand zou hebben gehad vanaf aanvang van de bijstand op 24 december 2013 tot en met 1 december 2024. Omdat eiseres van 24 december 2013 tot en met 30 september 2024 te veel uitkering heeft ontvangen, moet eiseres dat terugbetalen. Het gaat om een bedrag van € 162.324,21. Het college ziet geen dringende redenen om in het geval van eiseres geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
11. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het beluit van 14 juli 2025. Het college heeft het bezwaar voorgelegd aan de commissie van advies voor de bezwaarschriften (de bezwaarschriftencommissie). De bezwaarschriftencommissie heeft het college geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren. Volgens de bezwaarcommissie is juist de periode vanaf de opening van de Marokkaanse bankrekening tot 1 januari 2019 van belang, omdat uit de overgelegde processen-verbaal van de Marokkaanse politie van 14 en 15 mei 2024 blijkt dat eiseres heeft verklaard dat zij in 2017 een appartement heeft gekocht in Nador. Eiseres heeft dit (nadien) uitdrukkelijk ontkend. Zij heeft gesteld dat het college haar conclusies heeft gebaseerd op aannames en mededelingen afkomstig van één of meer familieleden van haar in Marokko met wie zij in onmin leeft. Het college heeft volgens haar ten onrechte geen onderzoek verricht naar de herkomst van de documenten. De bezwaarcommissie ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de overgelegde processen-verbaal noch aan de inhoud daarvan. Eiseres bestrijdt de inhoud van het proces-verbaal van aangifte, maar zij heeft niet onderbouwd waarom dit document niet echt zou zijn. Daarnaast blijkt uit de stempels in het paspoort van eiseres dat zij op de datum dat de aangifte is gedaan, daadwerkelijk in Marokko is geweest. Anders dan eiseres stelt, zijn volgens de bezwaarcommissie de bij de politie afgelegde verklaringen niet uitsluitend afkomstig van familieleden waarmee zij in onmin leeft. Er is namelijk ook een verklaring van de verkoper van het appartement. Eiseres heeft betoogd dat de onduidelijkheden over de buitenlandse bankrekening over dermate geringe bedragen gaan dat dit een intrekking van de bijstandsuitkering over de periode van 24 december 2013 tot en met 30 september 2024 niet kan rechtvaardigen. De bezwaarcommissie is het daarmee niet eens. De ontbrekende informatie omvat de periode waarin een appartement is aangekocht en dat betreft dus zeker geen geringe bedragen. De bezwaarcommissie benadrukt dat het college als gevolg van het schenden van de inlichtingenplicht verplicht is om de uitkering in te trekken en terug te vorderen en dat een belangenafweging daarbij niet op zijn plaats is. Het is de bezwaarcommissie daarbij niet gebleken van dringende redenen op grond waarvan geheel of gedeeltelijk afgezien zou moeten worden van terugvordering.
12. Bij besluit van 15 december 2025 heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Het college heeft hiertoe het advies van de bezwaarcommissie gevolgd en daarnaar verwezen.
De beroepsgronden
13. Eiseres is van mening dat zij op afdoende wijze haar inlichtingenplicht is nagekomen. Verder is zij van mening dat zij op afdoende wijze de door het college verlangde inlichtingen dan wel stukken heeft verstrekt en zij bestrijdt uitdrukkelijk de door het college genoemde schijnconstructie. Het college heeft volgens eiseres geen eigen onderzoek uitgevoerd naar haar beweerdelijk laakbaar handelen, niet met betrekking tot de door het college gestelde schijnconstructie (woning) maar ook niet op een andere manier. Daarnaast baseert het college zich op door derden verstrekte stukken waarvan eiseres de juistheid bestrijdt. Eiseres stelt dat zij niet beschikt over relevante vermogensbestanddelen (gelden of anderszins) in Marokko dan wel in Nederland of enig ander land. Eiseres geeft aan dat zij wel een bankrekening in Marokko heeft aangehouden, maar die is in het verleden geopend om vanuit die rekening een begrafenisverzekering te kunnen voldoen ten behoeve van (indien zij komt te overlijden) het overbrengen van haar stoffelijk overschot naar Marokko. Eiseres stelt dat zij alle beschikbare bankafschriften met betrekking tot die rekening aan het college ter beschikking heeft gesteld. Voor zover op die bankrekening bedragen zijn gestort betreft het in totaal een bedrag dat niet boven de vermogensgrens uitkomt. Volgens eiseres kan zo nodig aan de hand van de betreffende bedragen een correctie van de bijstandstuitkering concreet worden berekend, zonder dat een volledige intrekking nodig is. Uiterst subsidiair is eiseres van mening dat er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien, al dan niet gedeeltelijk. Zij is psychisch en lichamelijk ten einde raad. Zij stelt ook niet meer in staat te zijn op normale wijze in het dagelijks leven te functioneren.
Het oordeel van de rechtbank
Het beoordelingskader
14. De te beoordelen periode loopt in dit geval van 24 december 2013 tot en met 1 december 2024.
14. Ingevolge artikel 17, eerste lid, eerste volzin, van de Pw doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Als de belanghebbende niet aan deze inlichtingenverplichting heeft voldaan, is het college op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw verplicht de bijstand in te trekken.
14. Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan, in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.
Heeft eiseres de inlichtingenverplichting geschonden?
17. De rechtbank is van oordeel dat eiseres de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Uit het dossier blijkt immers dat eiseres al sinds 1 juli 2013, dus vóór de aanvraag van de bijstandsuitkering, over een bankrekening in Marokko beschikt. Eiseres heeft niet uit eigen beweging bij het college gemeld dat zij over deze rekening beschikt. Het gaat om gegevens die van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand en dat had eiseres redelijkerwijs duidelijk moeten zijn. Door daarvan geen melding te maken, heeft zij vanaf de toekenning van de bijstandsuitkering, op 24 december 2013, de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres haar inlichtingenplicht heeft geschonden door geen melding te maken van de aanschaf en het bezit van het appartement in Marokko en de herkomst van de kosten van de renovatie van deze woning. De rechtbank legt dit oordeel hierna uit.
18. Het college legt aan zijn standpunt de resultaten van het eerdergenoemd onderzoek ten grondslag. Op grond van de resultaten van het onderzoek is bij het college het ernstige vermoeden ontstaan dat eiseres sinds 2017 een appartement in Marokko in haar bezit heeft en dit heeft betaald met geld van haar Marokkaanse bankrekening. Dit vermoeden is onder meer gebaseerd op een proces-verbaal van een aangifte van eiseres in Marokko. Volgens deze aangifte stelt eiseres de eigenaar te zijn van een appartement dat op naam staat van haar zus, maar door haarzelf in 2017 is betaald en waarvoor eiseres ook de kosten van een renovatie heeft betaald. Verder volgt uit de door de Marokkaanse politie opgenomen verklaringen van eiseres, haar zus en een vertegenwoordiger van de verkoper van het appartement dat eiseres in 2017 inderdaad de koper van het bedoelde appartement is geweest. Voor deze aankoop heeft eiseres via haar Marokkaanse bankrekening geld overgemaakt aan haar zus. Het college heeft de Marokkaanse documenten ter beoordeling voorgelegd aan het Internationaal Bureau Fraude (IBF). Daarop heeft het IBF het college medegedeeld dat de documenten – kort gezegd – authentiek lijken, maar dat alleen de instanties die de documenten hebben uitgegeven kunnen garanderen dat de inhoud klopt. Daarbij is op vragen van het college toegelicht dat de documenten zijn beoordeeld door (een medewerker van) de Attaché van het Bureau Sociale Zaken (BSZ) van de Nederlandse Ambassade in Rabat.
19. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan het onderzoek van het college te twijfelen. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit de stempels in het paspoort van eiseres blijkt dat eiseres op de datum van de aangifte ook daadwerkelijk in Marokko was. Ook weegt de rechtbank mee dat het niet alleen verklaringen zijn van familieleden met wie eiseres in onmin leeft, maar ook van haarzelf en van de verkoper van de woning die in de Marokkaanse procedure voor eiseres optrad als getuige. Eiseres heeft hier niets tegenover gesteld, anders dan de niet onderbouwde of geconcretiseerde stelling dat de Marokkaanse documenten zijn vervalst. Deze enkele stelling acht de rechtbank onvoldoende om te twijfelen aan de bevindingen van het college.
19. Met het onderzoek door de sociale recherche heeft het college naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat eiseres haar verplichting om mededeling te doen van feiten en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op haar recht op bijstand, niet is nagekomen.
Heeft het college terecht de bijstand ingetrokken?
21. Schending van de inlichtingenplicht levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandsbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.
22. De rechtbank is van oordeel dat de schending van de inlichtingenplicht in de situatie van eiseres een grond oplevert voor de intrekking van de bijstand in de te beoordelen periode. De rechtbank legt dit hierna uit.
23. Eiseres heeft tot op heden geen openheid van zaken gegeven over de Marokkaanse bankrekening. Evenmin heeft zij openheid van zaken gegeven over de aankoop en het bezit van het appartement, de herkomst van de kosten van de renovatie en de waarde van het appartement in de loop van de jaren. Zo ontbreekt bijvoorbeeld een taxatieverslag van de woning en elke andere informatie over deze woning, zoals de omvang en de staat. Eiseres heeft volstaan met de kale ontkenning dat zij op geen enkel moment eigenaar is (geweest) van deze woning. Verder volgt de rechtbank eiseres evenmin in haar subsidiaire betoog dat sprake zou zijn van bewijsnood ten aanzien van de bankafschriften over de periode voor 2019. Eiseres heeft op verzoek van het college de bankafschriften vanaf 1 januari 2019 overgelegd, maar de bankafschriften over de periode van de datum van de opening van de bankrekening tot 1 januari 2019 ontbreken nog steeds. Deze bankafschriften zijn van belang omdat het college concrete aanwijzingen heeft dat er in die periode op de niet gemelde Marokkaanse bankrekening geld heeft gestaan dat van invloed zou kunnen zijn op het recht op bijstand. Zoals de rechtbank ook heeft geoordeeld in de uitspraak van 20 februari 2026 vormt de verklaring van de Marokkaanse advocaat van eiseres onvoldoende onderbouwing van de stelling dat zij niet over deze bankafschriften kan beschikken, nu deze verklaring niet is gelijk te stellen met een verklaring van de bank van die strekking en die verklaring bovendien ook niet is onderbouwd met bewijsstukken.
24. Omdat eiseres heeft nagelaten duidelijkheid te bieden over haar Marokkaanse bankrekening en de woning in Nador, terwijl het wel op haar weg ligt om aannemelijk te maken dat zij ondanks schending van de inlichtingenverplichting recht had op bijstand, kan zij niet worden gevolgd in haar betoog dat haar recht op bijstand was vast te stellen. De inkomens- en vermogenspositie van eiseres in de gehele beoordelingsperiode is immers volstrekt onduidelijk gebleven. Daardoor was het recht op bijstand van eiseres niet vast te stellen. Het recht op bijstand is dan ook terecht ingetrokken.
Heeft het college de bijstand kunnen terugvorderen?
25. Het college is verplicht om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Dit uitgangspunt staat in artikel 58, eerste lid, van de Pw. Maar indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dat volgt uit artikel 58, achtste lid, van de Pw. Volgens vaste rechtspraak moet een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.
26. Op grond van wat eiseres naar voren heeft gebracht heeft het college bij afweging van de betrokken belangen geen dringende redenen hoeven aannemen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het besluit om niet van terugvordering af te zien getuigt niet van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen. Allereerst stelt de rechtbank vast dat de terugvordering niet is ontstaan, of is opgelopen, door toedoen van het college. De terugvordering over de periode van 24 december 2013 tot en met 30 september 2024 is het gevolg van het feit dat eiseres over die periode de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van haar Marokkaanse bankrekening, de aankoop en het bezit van de woning in Nador en de herkomst van de kosten voor de renovatie van deze woning. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat de terugvordering tot ernstige financiële gevolgen leidt. Hierbij komt dat eiseres bij de invordering als schuldenaar de bescherming geniet van de regels over de beslagvrije voet die zijn neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het college over een kwijtscheldingsregeling beschikt. Eiseres heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de terugvordering voor haar onnodig nadelige gevolgen oplevert.
Conclusie en gevolgen
27. Gelet op het vorenstaande heeft het college terecht de bijstand van eiseres ingetrokken en teruggevorderd. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. de Jong-Nibourg, voorzitter, en mr. F.M.E. Schulmer en mr. R.A. de Wit, leden, in aanwezigheid van drs. M.T. Petersen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
In de zaken met zaaknummers SHE 24/3996, SHE 24/4275 en SHE 25/289.
In de zaak met zaaknummer SHE 25/1065.
Zie de processen-verbaal van 14 en 15 mei 2024.
Bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 28 februari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:393.
ECLI:NL:CRVB:2024:2192, ECLI:NL:CRVB:2024:2193, ECLI:NL:CRVB:2024:2194, ECLI:NL:CRVB:2024:2195.