Rechtbank Oost-Brabant
ECLI:NL:RBOBR:2026:5023
2026-07-17
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
SHE 25/2722
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Jeugdwet. Aanvraag om verlenging jeugdhulp ten onrechte afgewezen. Mondelinge uitspraak. Beroep gegrond. Bestreden besluit vernietigd en opdracht nieuw besluit op bezwaar. Voorlopige voorziening getroffen op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2017:1477 Centrale Raad van Beroep 01-05-2017
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.864 tekens)
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/2722
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van 25 juni 2026 in de zaak tussen
[naam] , uit [naam] ,
in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige kinderen:
[naam]
[naam]
[naam]
,
eiseres
(gemachtigde: mr. I.A.C. Cools),
en
het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Samenwerking, het dagelijks bestuur
(gemachtigden: mr. N.T. Wagtmans en A.A. Stevens).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag om verlenging van de jeugdhulp voor de minderjarige kinderen van eiseres geboden door mevrouw [naam] (hierna: mevrouw [naam] ).
1.1.
Het dagelijks bestuur heeft deze aanvraag met het besluit van 12 december 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 26 september 2025 op het bezwaar van eiseres is het dagelijks bestuur, in afwijking van het advies van de Commissie bezwaarschriften, bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Het dagelijks bestuur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft [naam] , [naam] en [naam] in de gelegenheid gesteld te reageren op de beroepszaak. Zij hebben schriftelijk gereageerd.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep van eiseres op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het dagelijks bestuur.
1.5.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. De rechtbank heeft partijen gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Samenvatting
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van het verzoek om jeugdhulp in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) ten behoeve van de begeleiding individueel van de minderjarige kinderen door mevrouw [naam] . Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt het dagelijks bestuur op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
3.1.
De rechtbank treft de voorlopige voorziening dat het dagelijks bestuur aan de minderjarige kinderen jeugdhulp verstrekt in de vorm van een pgb ten behoeve van de begeleiding individueel door mevrouw [naam] in gelijke omvang als op grond van het besluit van 29 augustus 2024 tot aan 6 weken na de bekendmaking van de nieuwe beslissing op bezwaar.
3.2.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank verwerpt allereerst de stelling van eiseres dat het primaire besluit alleen betrekking had op jeugdhulp ten behoeve van [naam] en niet tevens op jeugdhulp ten behoeve van de andere minderjarige kinderen. Het dagelijks bestuur heeft genoegzaam toegelicht dat het primaire besluit om administratieve redenen op naam van het jongste kind is gesteld, maar dat het in materieel opzicht betrekking had op alle vier de kinderen. Die stelling van het dagelijks bestuur wordt ook afdoende onderbouwd met de gedingstukken.
5. Eiseres heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het dagelijks bestuur ten onrechte niet de concrete ondersteuningsbehoefte per minderjarige heeft vastgesteld. Het dagelijks bestuur heeft niet het stappenplan, bedoeld in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 1 mei 2017toegepast. Het bestreden besluit is niet zorgvuldig voorbereid en niet voorzien van een motivering die het bestreden besluit kan dragen.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt. Het dagelijks bestuur heeft met het plan van aanpak, dat ten grondslag ligt aan het primaire besluit, wel vastgesteld dat de minderjarige kinderen zijn aangewezen op jeugdhulp en aangewezen welke jeugdhulp wordt geïndiceerd, maar niet per minderjarige afzonderlijk inzichtelijk gemaakt welke opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen zich voordoen en welke concrete behoefte aan jeugdzorg daaruit voortvloeit, alsmede in welke omvang en op welk leefgebied die zorgbehoefte bestaat. Dit volgt niet uit de actieplannen, terwijl uit de gedingstukken duidelijk blijkt dat de hulpvraag en de zorgbehoefte niet voor alle vier de minderjarige kinderen identiek is. Het dagelijks bestuur heeft dusdoende geen juiste toepassing gegeven aan stap 2 van het hiervoor bedoelde stappenplan. Het gevolg daarvan is dat het dagelijks bestuur in het primaire besluit noch in het bestreden besluit inzichtelijk heeft gemaakt dat en waarom de geïndiceerde jeugdzorg adequaat voorziet in de zorgbehoefte van de minderjarige kinderen. In het bijzonder wordt uit het primaire besluit en het bestreden besluit niet duidelijk waarom de door mevrouw [naam] geboden begeleiding individueel niet voorziet in de zorgbehoefte van de minderjarige kinderen, en waarom de door CJG+ geboden begeleiding dat wel doet.
5.2.
Het dagelijks bestuur heeft er op gewezen dat eerder gestelde doelen van de begeleiding individueel door mevrouw [naam] niet zijn bereikt, en dat daarom is gekozen voor een afbouw van die begeleiding. Het dagelijks bestuur acht van belang dat Herlaarhof is betrokken om inzicht te krijgen wat op dit moment de best passende ondersteuning is in het gezin van eiseres. Dat onderzoek is nog niet afgerond, enerzijds vanwege vertraging bij Herlaarhof en anderzijds omdat eiseres niet heeft meegewerkt aan gesprekken vanuit Herlaarhof met de jonge kinderen. Het dagelijks bestuur meent dat voor wat betreft zaken die met de schoolgang van de kinderen te maken hebben passende ondersteuning door CJG+ beschikbaar is.
5.3.
Voor zover het dagelijks bestuur zich met het voorgaande op het standpunt heeft willen stellen dat de indicatie begeleiding individueel in de vorm van een pgb ten behoeve van de inhuur van mevrouw [naam] niet langer passend is, wijst de rechtbank erop dat dit standpunt geen grondslag vindt in de gedingstukken. Het door het dagelijks bestuur overgelegde dossier is, ondanks een rappel van de rechtbank, in zijn algemeenheid nog steeds verre van compleet en bovendien erg onduidelijk. Zo bevindt zich in het rechtbankdossier geen verslag van de evaluatie van 3 juli 2024 waarin die conclusie zou zijn getrokken. Er zijn wel foto’s (sic!) van een actieplan van 12 juli 2024. Daarin wordt – zakelijk weergegeven en voor zover hier relevant - gemeld dat het best goed gaat met [naam] , maar dat zij een aantal problemen ervaart. Eiseres heeft de huisarts om slaapmedicatie gevraagd. Huisarts wil dit graag overleggen met CJG+. Dit was in de vakantie van de jeugd- en gezinswerkers van CJG+. Er zal nog een telefonische afspraak met de huisarts worden gemaakt. Vermeld wordt dat [naam] mooie stappen maakt en [naam] mooie stapjes. Over [naam] wordt gemeld dat Herlaarhof adviseert procesdiagnostisch verder te kijken door middel van een AGB traject. Dan volgen enkele voor de rechtbank - zonder nadere toelichting, die ontbreekt - onbegrijpelijke zinnen:
“De vraag naar AGB zal dan zowel procesdiagnostisch zijn als behandelend om de vraag. In aansturing t.a.v. het gedrag van [naam] , op te pakken. Zie voor verdere informatie behandelplan Reinier van Arkel dd mei 2024”.
Ook dit behandelplan bevindt zich niet onder de gedingstukken. Verder valt te lezen dat de afgelopen periode er door alles rondom [naam] (het oudste kind van eiseres) vanuit CJG+ minder tijd en aandacht voor de andere kinderen is geweest. Sinds [naam] in crisis is geplaatst is er voor iedereen in het gezin meer rust gekomen. Moeder zet zich in en neemt adviezen vanuit hulpverlening over. Moeder staat open voor gesprekken met CJG+. Er worden in de opvoedsituatie kleine stapjes gezet. Het actieplan vervolgt:
“Voor de komende periode is het van belang dat er een plan gemaakt wordt hoe moeder uiteindelijk zelfstandig zonder hulpverlening van Jacqueline [ [naam] , toevoeging rechtbank] verder kan. CJG wil hierbij ondersteunen en mogelijk [onderstreping rechtbank] tijdelijk samen optrekken zodat het vertrouwen kan groeien. Het is van belang dat moeder gesterkt wordt en ook de spannende nieuwe fases in de levens van de kinderen [onderstreping rechtbank] kan ondersteunen.”.
5.4.
De rechtbank kan uit het hiervoor weergegeven actieplan op geen enkele manier opmaken dat het dagelijks bestuur van mening was dat de doelen van de begeleiding individueel door mevrouw [naam] niet behaald werden, of zelfs maar dat de opvoed- en ontwikkelingssituatie van de kinderen de stopzetting van het pgb ten behoeve van de begeleiding individueel door mevrouw [naam] op korte termijn rechtvaardigde. Evenmin kan daaruit worden opgemaakt dat de ondersteuning door CJG+ op voldoende niveau was ofwel dat deze ondersteuning in de toekomst onvoorwaardelijk zou worden voortgezet. Het gebruik van het woord ‘mogelijk’ in het hiervoor weergegeven citaat duidt daar in ieder geval niet op.
5.5.
Ook het indicatiebesluit van 29 augustus 2024, waarin het pgb voor de begeleiding individueel door mevrouw [naam] is verlengd tot en met 14 november 2025, bevat geen conclusie van die strekking. Dat besluit vermeldt namelijk het volgende:
“U krijgt deze individuele jeugdhulpvoorziening omdat, na het onderzoeken van uw hulpvraag, is vastgesteld dat deze voorziening passend is bij de problematieken en de ondersteuningsdoelen zoals vastgelegd in het actieplan.Ook is vastgesteld dat u op eigen kracht of binnen uw sociaal netwerk geen oplossing voor uw hulpvraag kunt vinden. Dit blijkt niet toereikend. Daarnaast kan uw hulpvraag niet worden opgelost door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een voorliggende voorziening of andere jeugdhulpvoorziening. Dit blijkt niet toereikend.”
Conclusie en gevolgen
6. Gelet op hetgeen hiervoor onder 5 is overwogen slaagt het beroep van eiseres. Het bestreden besluit zal worden vernietigd en het dagelijks bestuur wordt opgedragen opnieuw te beslissen op het bezwaar van eiseres, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Dit betekent dat overige beroepsgronden geen bespreking behoeven.
6.1.
Ter voorbereiding van de nieuwe beslissing op bezwaar moet het dagelijks bestuur onderzoek conform het stappenplan laten uitvoeren door een door het dagelijks bestuur aan te wijzen externe deskundige.
6.2.
De rechtbank wijst erop dat eiseres en de minderjarige kinderen op grond van artikel 8.1.2, derde lid, van de Jeugdwet medewerking moeten verlenen aan het onderzoek van de externe deskundige. Voor de duidelijkheid wijst de rechtbank eiseres erop dat de externe deskundige dit onderzoek niet kan verrichten zonder de kinderen te spreken. Als dat niet gebeurt, kan dit er mogelijk toe leiden dat de gevraagde voorziening niet wordt verleend.
6.3.
De rechtbank ziet gelet op de omstandigheden van het geval aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. De reden daarvoor is dat de door mevrouw [naam] verleende begeleiding individueel van de minderjarige kinderen gestaakt is, terwijl het de rechtbank op dit moment niet duidelijk is dat die begeleiding individueel niet de meest passende voorziening is. Voorshands valt geen inschatting te maken van de termijn waarop het dagelijks bestuur tot een nieuwe beslissing op bezwaar zal komen. Eiseres heeft er daarom een spoedeisend belang bij dat het dagelijks bestuur aan de minderjarige kinderen jeugdhulp verstrekt in gelijke vorm en omvang als op grond van het besluit van 29 augustus 2024, derhalve in de vorm van een pgb voor de begeleiding individueel van de kinderen door mevrouw [naam] voor 2 uur per week. Deze voorlopige voorziening vervalt 6 weken na de bekendmaking van de nieuwe beslissing op bezwaar.
6.4.
Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank het dagelijks bestuur in de kosten van deze procedure. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Ook moet het college het door eiser betaalde griffierecht van € 53,-vergoeden. Het dagelijks bestuur zal in de nieuw te nemen beslissing op bezwaar ook een besluit moeten nemen over vergoeding van de proceskosten die eiseres in bezwaar heeft gemaakt.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat het dagelijks bestuur een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 6 is overwogen;
treft de voorlopige voorziening dat het dagelijks bestuur aan eiseres jeugdhulp verleent in gelijke vorm en omvang als op grond van het besluit van 29 augustus 2024, en wel tot 6 weken na de bekendmaking van de nieuwe beslissing op bezwaar;
veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00;
bepaalt dat het dagelijks bestuur eiseres de door haar betaalde kosten van het griffierecht in beroep van € 53,00 vergoedt.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2026 door mr. A.F.C.J. Mosheuvel, voorzitter en mr. F. Schulmer en mr. R.A. de Wit, rechters, in aanwezigheid van drs. M.T. Petersen, griffier.
De voorzitter is verhinderd deze uitspraak
te ondertekenen.
Griffier Voorzitter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:CRVB:2017:1477.
Zie de artikelen 3:2, 3:46 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
Die bevoegdheid is neergelegd in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb.
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/2722
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van 25 juni 2026 in de zaak tussen
[naam] , uit [naam] ,
in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige kinderen:
[naam]
[naam]
[naam]
,
eiseres
(gemachtigde: mr. I.A.C. Cools),
en
het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Samenwerking, het dagelijks bestuur
(gemachtigden: mr. N.T. Wagtmans en A.A. Stevens).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag om verlenging van de jeugdhulp voor de minderjarige kinderen van eiseres geboden door mevrouw [naam] (hierna: mevrouw [naam] ).
1.1.
Het dagelijks bestuur heeft deze aanvraag met het besluit van 12 december 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 26 september 2025 op het bezwaar van eiseres is het dagelijks bestuur, in afwijking van het advies van de Commissie bezwaarschriften, bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Het dagelijks bestuur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft [naam] , [naam] en [naam] in de gelegenheid gesteld te reageren op de beroepszaak. Zij hebben schriftelijk gereageerd.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep van eiseres op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het dagelijks bestuur.
1.5.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. De rechtbank heeft partijen gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Samenvatting
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van het verzoek om jeugdhulp in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) ten behoeve van de begeleiding individueel van de minderjarige kinderen door mevrouw [naam] . Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt het dagelijks bestuur op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
3.1.
De rechtbank treft de voorlopige voorziening dat het dagelijks bestuur aan de minderjarige kinderen jeugdhulp verstrekt in de vorm van een pgb ten behoeve van de begeleiding individueel door mevrouw [naam] in gelijke omvang als op grond van het besluit van 29 augustus 2024 tot aan 6 weken na de bekendmaking van de nieuwe beslissing op bezwaar.
3.2.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank verwerpt allereerst de stelling van eiseres dat het primaire besluit alleen betrekking had op jeugdhulp ten behoeve van [naam] en niet tevens op jeugdhulp ten behoeve van de andere minderjarige kinderen. Het dagelijks bestuur heeft genoegzaam toegelicht dat het primaire besluit om administratieve redenen op naam van het jongste kind is gesteld, maar dat het in materieel opzicht betrekking had op alle vier de kinderen. Die stelling van het dagelijks bestuur wordt ook afdoende onderbouwd met de gedingstukken.
5. Eiseres heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het dagelijks bestuur ten onrechte niet de concrete ondersteuningsbehoefte per minderjarige heeft vastgesteld. Het dagelijks bestuur heeft niet het stappenplan, bedoeld in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 1 mei 2017toegepast. Het bestreden besluit is niet zorgvuldig voorbereid en niet voorzien van een motivering die het bestreden besluit kan dragen.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt. Het dagelijks bestuur heeft met het plan van aanpak, dat ten grondslag ligt aan het primaire besluit, wel vastgesteld dat de minderjarige kinderen zijn aangewezen op jeugdhulp en aangewezen welke jeugdhulp wordt geïndiceerd, maar niet per minderjarige afzonderlijk inzichtelijk gemaakt welke opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen zich voordoen en welke concrete behoefte aan jeugdzorg daaruit voortvloeit, alsmede in welke omvang en op welk leefgebied die zorgbehoefte bestaat. Dit volgt niet uit de actieplannen, terwijl uit de gedingstukken duidelijk blijkt dat de hulpvraag en de zorgbehoefte niet voor alle vier de minderjarige kinderen identiek is. Het dagelijks bestuur heeft dusdoende geen juiste toepassing gegeven aan stap 2 van het hiervoor bedoelde stappenplan. Het gevolg daarvan is dat het dagelijks bestuur in het primaire besluit noch in het bestreden besluit inzichtelijk heeft gemaakt dat en waarom de geïndiceerde jeugdzorg adequaat voorziet in de zorgbehoefte van de minderjarige kinderen. In het bijzonder wordt uit het primaire besluit en het bestreden besluit niet duidelijk waarom de door mevrouw [naam] geboden begeleiding individueel niet voorziet in de zorgbehoefte van de minderjarige kinderen, en waarom de door CJG+ geboden begeleiding dat wel doet.
5.2.
Het dagelijks bestuur heeft er op gewezen dat eerder gestelde doelen van de begeleiding individueel door mevrouw [naam] niet zijn bereikt, en dat daarom is gekozen voor een afbouw van die begeleiding. Het dagelijks bestuur acht van belang dat Herlaarhof is betrokken om inzicht te krijgen wat op dit moment de best passende ondersteuning is in het gezin van eiseres. Dat onderzoek is nog niet afgerond, enerzijds vanwege vertraging bij Herlaarhof en anderzijds omdat eiseres niet heeft meegewerkt aan gesprekken vanuit Herlaarhof met de jonge kinderen. Het dagelijks bestuur meent dat voor wat betreft zaken die met de schoolgang van de kinderen te maken hebben passende ondersteuning door CJG+ beschikbaar is.
5.3.
Voor zover het dagelijks bestuur zich met het voorgaande op het standpunt heeft willen stellen dat de indicatie begeleiding individueel in de vorm van een pgb ten behoeve van de inhuur van mevrouw [naam] niet langer passend is, wijst de rechtbank erop dat dit standpunt geen grondslag vindt in de gedingstukken. Het door het dagelijks bestuur overgelegde dossier is, ondanks een rappel van de rechtbank, in zijn algemeenheid nog steeds verre van compleet en bovendien erg onduidelijk. Zo bevindt zich in het rechtbankdossier geen verslag van de evaluatie van 3 juli 2024 waarin die conclusie zou zijn getrokken. Er zijn wel foto’s (sic!) van een actieplan van 12 juli 2024. Daarin wordt – zakelijk weergegeven en voor zover hier relevant - gemeld dat het best goed gaat met [naam] , maar dat zij een aantal problemen ervaart. Eiseres heeft de huisarts om slaapmedicatie gevraagd. Huisarts wil dit graag overleggen met CJG+. Dit was in de vakantie van de jeugd- en gezinswerkers van CJG+. Er zal nog een telefonische afspraak met de huisarts worden gemaakt. Vermeld wordt dat [naam] mooie stappen maakt en [naam] mooie stapjes. Over [naam] wordt gemeld dat Herlaarhof adviseert procesdiagnostisch verder te kijken door middel van een AGB traject. Dan volgen enkele voor de rechtbank - zonder nadere toelichting, die ontbreekt - onbegrijpelijke zinnen:
“De vraag naar AGB zal dan zowel procesdiagnostisch zijn als behandelend om de vraag. In aansturing t.a.v. het gedrag van [naam] , op te pakken. Zie voor verdere informatie behandelplan Reinier van Arkel dd mei 2024”.
Ook dit behandelplan bevindt zich niet onder de gedingstukken. Verder valt te lezen dat de afgelopen periode er door alles rondom [naam] (het oudste kind van eiseres) vanuit CJG+ minder tijd en aandacht voor de andere kinderen is geweest. Sinds [naam] in crisis is geplaatst is er voor iedereen in het gezin meer rust gekomen. Moeder zet zich in en neemt adviezen vanuit hulpverlening over. Moeder staat open voor gesprekken met CJG+. Er worden in de opvoedsituatie kleine stapjes gezet. Het actieplan vervolgt:
“Voor de komende periode is het van belang dat er een plan gemaakt wordt hoe moeder uiteindelijk zelfstandig zonder hulpverlening van Jacqueline [ [naam] , toevoeging rechtbank] verder kan. CJG wil hierbij ondersteunen en mogelijk [onderstreping rechtbank] tijdelijk samen optrekken zodat het vertrouwen kan groeien. Het is van belang dat moeder gesterkt wordt en ook de spannende nieuwe fases in de levens van de kinderen [onderstreping rechtbank] kan ondersteunen.”.
5.4.
De rechtbank kan uit het hiervoor weergegeven actieplan op geen enkele manier opmaken dat het dagelijks bestuur van mening was dat de doelen van de begeleiding individueel door mevrouw [naam] niet behaald werden, of zelfs maar dat de opvoed- en ontwikkelingssituatie van de kinderen de stopzetting van het pgb ten behoeve van de begeleiding individueel door mevrouw [naam] op korte termijn rechtvaardigde. Evenmin kan daaruit worden opgemaakt dat de ondersteuning door CJG+ op voldoende niveau was ofwel dat deze ondersteuning in de toekomst onvoorwaardelijk zou worden voortgezet. Het gebruik van het woord ‘mogelijk’ in het hiervoor weergegeven citaat duidt daar in ieder geval niet op.
5.5.
Ook het indicatiebesluit van 29 augustus 2024, waarin het pgb voor de begeleiding individueel door mevrouw [naam] is verlengd tot en met 14 november 2025, bevat geen conclusie van die strekking. Dat besluit vermeldt namelijk het volgende:
“U krijgt deze individuele jeugdhulpvoorziening omdat, na het onderzoeken van uw hulpvraag, is vastgesteld dat deze voorziening passend is bij de problematieken en de ondersteuningsdoelen zoals vastgelegd in het actieplan.Ook is vastgesteld dat u op eigen kracht of binnen uw sociaal netwerk geen oplossing voor uw hulpvraag kunt vinden. Dit blijkt niet toereikend. Daarnaast kan uw hulpvraag niet worden opgelost door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een voorliggende voorziening of andere jeugdhulpvoorziening. Dit blijkt niet toereikend.”
Conclusie en gevolgen
6. Gelet op hetgeen hiervoor onder 5 is overwogen slaagt het beroep van eiseres. Het bestreden besluit zal worden vernietigd en het dagelijks bestuur wordt opgedragen opnieuw te beslissen op het bezwaar van eiseres, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Dit betekent dat overige beroepsgronden geen bespreking behoeven.
6.1.
Ter voorbereiding van de nieuwe beslissing op bezwaar moet het dagelijks bestuur onderzoek conform het stappenplan laten uitvoeren door een door het dagelijks bestuur aan te wijzen externe deskundige.
6.2.
De rechtbank wijst erop dat eiseres en de minderjarige kinderen op grond van artikel 8.1.2, derde lid, van de Jeugdwet medewerking moeten verlenen aan het onderzoek van de externe deskundige. Voor de duidelijkheid wijst de rechtbank eiseres erop dat de externe deskundige dit onderzoek niet kan verrichten zonder de kinderen te spreken. Als dat niet gebeurt, kan dit er mogelijk toe leiden dat de gevraagde voorziening niet wordt verleend.
6.3.
De rechtbank ziet gelet op de omstandigheden van het geval aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. De reden daarvoor is dat de door mevrouw [naam] verleende begeleiding individueel van de minderjarige kinderen gestaakt is, terwijl het de rechtbank op dit moment niet duidelijk is dat die begeleiding individueel niet de meest passende voorziening is. Voorshands valt geen inschatting te maken van de termijn waarop het dagelijks bestuur tot een nieuwe beslissing op bezwaar zal komen. Eiseres heeft er daarom een spoedeisend belang bij dat het dagelijks bestuur aan de minderjarige kinderen jeugdhulp verstrekt in gelijke vorm en omvang als op grond van het besluit van 29 augustus 2024, derhalve in de vorm van een pgb voor de begeleiding individueel van de kinderen door mevrouw [naam] voor 2 uur per week. Deze voorlopige voorziening vervalt 6 weken na de bekendmaking van de nieuwe beslissing op bezwaar.
6.4.
Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank het dagelijks bestuur in de kosten van deze procedure. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Ook moet het college het door eiser betaalde griffierecht van € 53,-vergoeden. Het dagelijks bestuur zal in de nieuw te nemen beslissing op bezwaar ook een besluit moeten nemen over vergoeding van de proceskosten die eiseres in bezwaar heeft gemaakt.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat het dagelijks bestuur een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 6 is overwogen;
treft de voorlopige voorziening dat het dagelijks bestuur aan eiseres jeugdhulp verleent in gelijke vorm en omvang als op grond van het besluit van 29 augustus 2024, en wel tot 6 weken na de bekendmaking van de nieuwe beslissing op bezwaar;
veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00;
bepaalt dat het dagelijks bestuur eiseres de door haar betaalde kosten van het griffierecht in beroep van € 53,00 vergoedt.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2026 door mr. A.F.C.J. Mosheuvel, voorzitter en mr. F. Schulmer en mr. R.A. de Wit, rechters, in aanwezigheid van drs. M.T. Petersen, griffier.
De voorzitter is verhinderd deze uitspraak
te ondertekenen.
Griffier Voorzitter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:CRVB:2017:1477.
Zie de artikelen 3:2, 3:46 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
Die bevoegdheid is neergelegd in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb.