Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Oost-Brabant

ECLI:NL:RBOBR:2026:4877

2026-07-13 Strafrecht 82-017856-23 en 82-323236-23
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-13
Publicatiedatum
2026-07-10
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
82-017856-23 en 82-323236-23
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Onderzoek Helena. Wederrechtelijk verkregen voordeel uit arbeidsuitbuiting. Toewijzing van de ontnemingsvordering tot een bedrag van € 249.937,14.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (65.946 tekens)
RECHTBANK OOST-BRABANT
Parketnummer: [jw.sys.1.verdachte_parketnummer][jw.sys.1.verdachte_voornamen] [jw.sys.1.verdachte_voorv_naam]
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Team strafrecht


Parketnummer: 82-017856-23 en 82-323236-23 (ter terechtzitting gevoegd) (ontneming)



Datum uitspraak: 13 juli 2026



Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:





[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1970] ,
ingeschreven in de Basisregistratiepersonen op het adres:

[adres] .





1Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 januari 2025, 8 juni 2026, 9 juni 2026 en 2 juli 2026 (sluiting). De behandeling van de vordering heeft gelijktijdig plaatsgehad met de behandeling van de strafzaak tegen verdachte (hierna: veroordeelde) eveneens met parketnummers 82-017856-23 en 82-323236-23.


De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt dat de officier van justitie op de terechtzitting heeft ingenomen en van hetgeen door veroordeelde en haar raadslieden, mrs. M.E. Broekert en H.M. Dunsbergen, op de terechtzitting naar voren is gebracht.





2De inhoud van de vordering
De inleidende schriftelijke vordering van het Openbaar Ministerie van 16 december 2024 strekt ertoe dat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten en vaststellen op een bedrag van € 396.716,56 en aan veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de staat van dat bedrag.




3De grondslag voor ontneming
Veroordeelde is gelijktijdig met de uitspraak van dit ontnemingsvonnis door deze rechtbank, voor zover van belang, veroordeeld wegens het volgende strafbare feit: mensenhandel.


Uit het onderzoek leidt de rechtbank af dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van dit bewezenverklaarde strafbare feit. De grondslag voor ontneming van dat voordeel is daarom een veroordeling wegens een strafbaar feit als bedoeld in artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het gaat om voordeel dat zou zijn verkregen door middel van of uit de baten van het strafbare feit mensenhandel waarvoor veroordeelde is veroordeeld.





4De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

4.1.


Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich bij de berekening gebaseerd op het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, opgemaakt op 31 oktober 2023 naar aanleiding van het strafrechtelijk financieel onderzoek dat naar veroordeelde is ingesteld. De conclusie van dit rapport is, dat het door de veroordeelde totale wederrechtelijk verkregen voordeel € 396.716,56 bedraagt. De officier van justitie heeft zich, zoals uitgewerkt in het schriftelijk requisitoir van 8 juni 2026, op het standpunt gesteld dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel daarom moet worden geschat op een bedrag van € 396.716,56.




4.2.


Standpunt van de verdediging

De raadslieden van veroordeelde hebben overeenkomstig de inhoud van hun pleitnota van 9 juni 2026 het woord gevoerd en zich, indien de rechtbank komt tot een veroordeling van de mensenhandel, primair op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen omdat de veroordeelde geen wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), was geen werkneemster van veroordeelde en veroordeelde was haar daarom geen loon verschuldigd. De stoeterij van veroordeelde was hobbymatig en [slachtoffer] werkte voor haar plezier mee aan de verzorging van de paarden bij veroordeelde.



Het subsidiaire standpunt van de verdediging is dat het wederrechtelijk verkregen voordeel op een lager bedrag moet worden geschat, omdat rekening gehouden moet worden met de verjaringstermijn van 5 jaar ex artikel 3:307 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en de uitgangspunten voor de berekening in het rapport niet juist zijn. Bij de berekening moet worden uitgegaan van een lager aantal gemiddelde arbeidsuren dat [slachtoffer] heeft gewerkt. Dat [slachtoffer] , gemiddeld 7,25 uren per dag werkte voor veroordeelde, vindt – kort gezegd – onvoldoende steun in andere bewijsmiddelen. Uit het dossier volgt dat [slachtoffer] regelmatig hulp kreeg van bijvoorbeeld stagiaires, en jarenlang ook van [betrokkene] .



Bovendien is het in de paardenwereld geenszins normaal om loon te betalen aan personen die werkzaamheden verrichten op een stoeterij. De stoeterij zou zich de loonkosten van [slachtoffer] niet hebben kunnen veroorloven. Alleen al om die reden liepen er stagiaires rond, en werden vaste helpers als [betrokkene] en [slachtoffer] stevig ontzien in de huisvestingskosten, als ware het een betaling in natura voor de hand en spandiensten op de stoeterij. Het rapport van Paard en Advies bevat geen concrete en verifieerbare berekening van de duur van de werkzaamheden op de stoeterij. De uiteenzetting van Paard en Advies wordt door meerdere personen, onafhankelijk van elkaar, op basis van kennis dan wel eigen ervaring weerlegd. Daarmee is het onderdeel wederrechtelijk verkregen voordeel door besparing van loonkosten van de vordering onvoldoende aannemelijk gemaakt.



Verder zouden de huurinkomsten die veroordeelde heeft ontvangen niet als wederrechtelijk verkregen voordeel moeten worden aangemerkt. [slachtoffer] heeft daarnaast door het lage huisvestingsbedrag en het gratis stallen van haar paard minimaal € 760,- per maand bespaard, dit moet van het te betalen bedrag worden afgetrokken.



Als de rechtbank al oordeelt dat loon verschuldigd was, zou dat ten hoogste loon voor drie uur per dag moeten zijn.



Van het te betalen bedrag moet ook nog het bedrag van € 8.701,- dat veroordeelde aan de Belastingdienst als werkgeverslasten voor [slachtoffer] heeft betaald worden afgetrokken.



Verder zou nog eventueel het nettosalaris in mindering moeten worden gebracht als dat aan [slachtoffer] in haar hoedanigheid als benadeelde partij wordt betaald.



Indien de rechtbank het rapport van Paard en Advies als uitgangspunt neemt voor de ontnemingsvordering, dan verzoekt de verdediging om de benoeming van een deskundige voor een contra-expertise.




4.3.


Bewijsmiddelen

De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen.


1. De gebruikte bewijsvoering in het op 13 juli 2026 gewezen vonnis van deze rechtbank in de strafzaak tegen veroordeelde. Deze bewijsvoering neemt de rechtbank hier over en is (voor de leesbaarheid) als bijlage aan dit vonnis gehecht (hierna: de Bijlage). De voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel redengevende feiten en omstandigheden ontleent de rechtbank rechtstreeks aan deze bewijsmiddelen. In de ontnemingszaak verbindt de rechtbank op grond van dezelfde overwegingen dezelfde gevolgtrekkingen aan die bewijsmiddelen als in de strafzaak.

2. Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: het ontnemingsrapport) dat op 31 oktober 2023 is opgemaakt.


4.4.


Oordeel van de rechtbank


Voorwaardelijk verzoek

Voor de beoordeling van het verzoek tot de benoeming van een deskundige voor een contra-expertise hanteert de rechtbank het noodzaakscriterium, nu dit verzoek – in de ontnemingszaak – voor het eerst ter terechtzitting van 9 juni 2026 is gedaan. De rechtbank wijst dit verzoek af aangezien de rechtbank zich voldoende voorgelicht acht en geen noodzaak ziet tot het doen uitvoeren van een contra-expertise. De voorliggende vragen worden in het rapport afdoende beantwoord en de verdediging heeft reeds in de strafzaak de kans gekregen om aanvullende vragen te stellen aan de opsteller van het rapport. Die beantwoording maakt eveneens deel uit van het dossier.




Verjaring?

De rechtbank stelt voorop dat artikel 3:307 lid 1 BW in het onderhavige geval niet van toepassing is en dat dit artikel daarom niet tot gevolg heeft dat de verplichting tot het betalen van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel niet meer geldt. Van verjaring is dan ook geen sprake.




Het aantal gewerkte uren

De rechtbank gaat voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel in beginsel uit van de berekening als weergegeven in het ontnemingsrapport.




De berekening












Tabel 1: Tijdschema 'normale' werkdag [slachtoffer] (maandag t/m zaterdag)






Tijd




Werkzaamheden




Uren t.b.v. [bedrijf] /veroordeelde





5.00 - 06.45 uur


Kranten rond brengen


-




6.45 - 07.00 uur


Paarden voeren


0,25




07.00 - 07.30 uur


Paarden naar buiten brengen


0,50




07.30 - 08.00 uur


Ontbijten


-




08.00 - 10.00 uur


Stallen uitmesten, gang uitvegen


2,00




10.00 - 10.30 uur


Ochtendpauze


-




10.30 - 12.00 uur


Paarden voeren, diversen


1,50




12.00 - 13.00 uur


Lunchpauze


-




13.00 - 15.00 uur


Paarden buiten water geven, paddock uitmesten, longeren, schoonmaken


2,00




15.00 - 18.00 uur


Kranten rond brengen


-




18.00 - 19.00 uur


Avondeten


-




19.00 - 20.00 uur


Paarden voeren, naar binnen brengen


1,00








Totaal




7,25











Het uitgangspunt van de naar beneden afgerond 7 (gemiddelde) gewerkte uren per dag, met uitzondering van zondag, volgt uit de gedetailleerde verklaringen van [slachtoffer] . De verklaring van [slachtoffer] dat zij gedurende de gehele pleegperiode van maandag tot en met zaterdag ongeveer 7 uur en op zondag ongeveer 4 uur aan het werk was op de stoeterij wordt ondersteund door camerabeelden, een deskundigenrapport van Paard en Advies en getuigenverklaringen, een en ander als nader weergegeven in de bewijsvoering in het strafvonnis. Daarmee komt een gemiddelde werkweek uit op 46 werkuren per week (namelijk zes dagen van zeven uur en één dag van vier uur).



Veroordeelde was [slachtoffer] bovendien loon verschuldigd voor de door [slachtoffer] verrichte werkzaamheden, omdat zij naar het oordeel van de rechtbank als werkgever van [slachtoffer] kan worden aangemerkt. Voor de motivering van dat oordeel verwijst de rechtbank ook naar de bewijsvoering van het strafvonnis. Of veroordeelde/de stoeterij al dan niet in staat zou zijn geweest om loon aan [slachtoffer] te betalen is in het kader van het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet relevant.



De rechtbank komt wel tot een andere berekening en een ander totaalbedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat dan het Openbaar Ministerie. De rechtbank houdt in het voordeel van veroordeelde, in afwijking van het ontnemingsrapport, rekening met het volgende.




Minder arbeidsuren tot en met 2018

Zoals blijkt uit de Bijlage hielp [betrokkene] [slachtoffer] tot en met 2018 met het uitmesten van stallen. Daardoor werkte [slachtoffer] volgens haar eigen verklaring die de rechtbank als uitgangspunt neemt (gemiddeld) 1 tot 2 uur minder per dag. De rechtbank zal daarom voor de periode tot en met 2018 voor maandag tot en met zaterdag uitgaan van 5,5 werkuren per dag (7 – 1,5) en voor zondag van 2,5 uur werkuren per dag (4 – 1,5). Dit heeft gevolgen voor de gehele berekening, omdat het onbetaalde vakantiegeld en de vergoeding voor niet-genoten vakantie uren worden berekend op grond van het aantal gewerkte arbeidsuren. De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende concrete aanwijzingen zijn dat en hoeveel uren verder nog in mindering zouden moeten worden gebracht op het aantal uren van [slachtoffer] vanwege werkzaamheden van eventuele derden.




Nabetaling werkgeverslasten aan Belastingdienst

Bij de inhoudelijke behandeling van de ontnemingsvordering is door veroordeelde en haar raadslieden aangevoerd dat veroordeelde reeds € 8.701,- aan werkgeverslasten heeft (na)betaald aan de Belastingdienst. De raadslieden hebben deze betaling aannemelijk gemaakt door onderbouwende stukken aan de rechtbank toe te sturen. De rechtbank zal dit bedrag daarom aftrekken van het wederrechtelijk verkregen voordeel.




Huurinkomsten

De rechtbank oordeelt dat de huurinkomsten die veroordeelde heeft genoten geen wederrechtelijk verkregen voordeel betreft. Het is niet in strijd met het recht om een vergoeding te vragen en ontvangen voor woongenot, zoals in dit geval is gebeurd. Dat [slachtoffer] terwijl zij daar woonde werd uitgebuit, betekent niet dat door [slachtoffer] afgedragen huurkosten daarmee wederrechtelijk voordeel hebben opgeleverd. De rechtbank zal de € 46.800,- aan financieel voordeel door huurinkomsten dan ook niet aanmerken als wederrechtelijk verkregen voordeel.




Stallingskosten

Naar het oordeel van de rechtbank dienen de stallingskosten als aftrekpost in aanmerking te worden genomen. Immers, indien [slachtoffer] op een reguliere wijze zou zijn verloond, waar in onderhavige berekening vanuit wordt gegaan, zou ze ook de stallingskosten van haar paard Sultan hebben moeten betalen. De rechtbank stelt de stallingskosten vast op
€ 300,- per maand.




Woonkosten

De rechtbank overweegt dat onvoldoende is gebleken dat en in welke mate de door [slachtoffer] betaalde vergoeding voor het chalet onvoldoende dekkend was en dat veroordeelde derhalve extra kosten heeft gehad hiervoor die in het kader van het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel dienen te worden meegewogen.











Tabel 2: Onbetaalde uren [slachtoffer]









Aantal gewerkte weken




aantal onbetaalde uren





2010


26


923




2011


52


1.846




2012


52


1.846




2013


52


1.846




2014


52


1.846




2015


52


1.846




2016


52


1.846




2017


52


1.846




2018


52


1.846




2019


52


2.392




2020


52


2.392




2021


52


2.392




2022


52


2.392




2023


25


1.150





Totaal







26.409









Opmerking tabel 2: over de periode 2010 tot en met 2018 rekent de rechtbank in bovenstaande tabel voor maandag tot en met zaterdag met 5,5 gemiddelde arbeidsuren per dag en voor zondag met 2,5 gemiddelde arbeidsuren per dag. Dit aangezien [betrokkene] in die periode [slachtoffer] voortdurend hielp met het uitmesten van de stallen, en daarmee (gemiddeld) 1,5 uur arbeid voor [slachtoffer] bespaarde. Tot en met 2018 wordt daarom gerekend met 35,5 gemiddelde arbeidsuren per week, en vanaf 2019 tot en met 2023 met 46 gemiddelde arbeidsuren per week.













Tabel 3: Uurtarieven






Jaar




Semester




Leeftijd [slachtoffer]




Minimum uurloon





2010


H2


19


€ 4,29




2011


H1


20


€ 5,05







H2


20


€ 5,09




2012


H1


21


€ 6,05







H2


21


€ 6,09




2013


H1


22


€ 7,21







H2


22


€ 7,25




2014


H1


23


€ 8,57







H2


23


€ 8,63




2015


H1





€ 8,66







H2





€ 8,70




2016


H1





€ 8,80







H2





€ 8,87




2017


H1





€ 8,96







H2





€ 9,04




2018


H1





€ 9,11







H2





€ 9,20




2019


H1





€ 9,33







H2





€ 9,44




2020


H1





€ 9,54







H2





€ 9,70




2021


H1





€ 9,72







H2





€ 9,82




2022


H1





€ 9,96







H2





€ 10,14




2023


H1





€ 11,16
















Tabel 4: Berekening totaal aan onbetaald salaris [slachtoffer]






Periode




Minimum uurloon




Aantal onbetaalde uren




Onbetaald salaris





H2 2010


€ 4,29


923


€ 3.959,67




H1 2011


€ 5,05


923


€ 4.661,15




H2 2011


€ 5,09


923


€ 4.698,07




H1 2012


€ 6,05


923


€ 5.584,15




H2 2012


€ 6,09


923


€ 5.621,07




H1 2013


€ 7,21


923


€ 6.654,83




H2 2013


€ 7,25


923


€ 6.691,75




H1 2014


€ 8,57


923


€ 7.910,11




H2 2014


€ 8,63


923


€ 7.965,49




H1 2015


€ 8,66


923


€ 7.993,18




H2 2015


€ 8,70


923


€ 8.030,10




H1 2016


€ 8,80


923


€ 8.122,40




H2 2016


€ 8,87


923


€ 8.187,01




H1 2017


€ 8,96


923


€ 8.270,08




H2 2017


€ 9,04


923


€ 8.343,92




H1 2018


€ 9,11


923


€ 8.408,53




H2 2018


€ 9,20


923


€ 8.491,60




H1 2019


€ 9,33


1.196


€ 11.158,68




H2 2019


€ 9,44


1.196


€ 11.290,24




H1 2020


€ 9,54


1.196


€ 11.409,84




H2 2020


€ 9,70


1.196


€ 11.601,20




H1 2021


€ 9,72


1.196


€ 11.625,12




H2 2021


€ 9,82


1.196


€ 11.744,72




H1 2022


€ 9,96


1.196


€ 11.912,16




H2 2022


€ 10,14


1.196


€ 12.127,44




H1 2023


€ 11,16


1.150


€ 12.834,00





Totaal







26.409




€ 225.296,51
















Tabel 5: Berekening onbetaald vakantiegeld [slachtoffer]






Periode




Onbetaald salaris




Vakantiegeld (8%)





H2 2010


€ 3.959,67


€ 316,77




H1 2011


€ 4.661,15


€ 372,89




H2 2011


€ 4.698,07


€ 375,85




H1 2012


€ 5.584,15


€ 446,73




H2 2012


€ 5.621,07


€ 449,69




H1 2013


€ 6.654,83


€ 532,39




H2 2013


€ 6.691,75


€ 535,34




H1 2014


€ 7.910,11


€ 632,81




H2 2014


€ 7.965,49


€ 637,24




H1 2015


€ 7.993,18


€ 639,45




H2 2015


€ 8.030,10


€ 642,41




H1 2016


€ 8.122,40


€ 649,79




H2 2016


€ 8.187,01


€ 654,96




H1 2017


€ 8.270,08


€ 661,61




H2 2017


€ 8.343,92


€ 667,51




H1 2018


€ 8.408,53


€ 672,68




H2 2018


€ 8.491,60


€ 679,33




H1 2019


€ 11.158,68


€ 892,69




H2 2019


€ 11.290,24


€ 903,22




H1 2020


€ 11.409,84


€ 912,79




H2 2020


€ 11.601,20


€ 928,10




H1 2021


€ 11.625,12


€ 930,01




H2 2021


€ 11.744,72


€ 939,58




H1 2022


€ 11.912,16


€ 952,97




H2 2022


€ 12.127,44


€ 970,20




H1 2023


€ 12.834,00


€ 1.026,72





Totaal




€ 225.296,51




€ 18.023,72

















Tabel 6: Berekening niet genoten vakantie-uren [slachtoffer]






Periode




Minimum uurloon incl. 8% vakantiebijslag




Aantal opgebouwde vakantie-uren




Niet genoten vakantie-uren in €





H2 2010


€ 4,63


71


€ 328,96




H1 2011


€ 5,45


71


€ 387,23




H2 2011


€ 5,50


71


€ 390,30




H1 2012


€ 6,53


71


€ 463,91




H2 2012


€ 6,58


71


€ 466,98




H1 2013


€ 7,79


71


€ 552,86




H2 2013


€ 7,83


71


€ 555,93




H1 2014


€ 9,26


71


€ 657,15




H2 2014


€ 9,32


71


€ 661,75




H1 2015


€ 9,35


71


€ 664,05




H2 2015


€ 9,40


71


€ 667,12




H1 2016


€ 9,50


71


€ 674,78




H2 2016


€ 9,58


71


€ 680,15




H1 2017


€ 9,68


71


€ 687,05




H2 2017


€ 9,76


71


€ 693,19




H1 2018


€ 9,84


71


€ 698,55




H2 2018


€ 9,94


71


€ 705,46




H1 2019


€ 10,08


92


€ 927,03




H2 2019


€ 10,20


92


€ 937,96




H1 2020


€ 10,30


92


€ 947,89




H2 2020


€ 10,48


92


€ 963,79




H1 2021


€ 10,50


92


€ 965,78




H2 2021


€ 10,61


92


€ 975,72




H1 2022


€ 10,76


92


€ 989,63




H2 2022


€ 10,95


92


€ 1.007,51




H1 2023


€ 12,05


88


€ 1.060,65





Totaal







2031




€ 18.711,38









Opmerking tabel 6: in het rapport is het wettelijk aantal vakantiedagen per halfjaar vastgesteld op twee keer het aantal werkuren per week bij een 'regulier' fulltime dienstverband. De rechtbank heeft daarentegen bij de berekening met twee keer het aantal werkelijke werkuren per week gerekend omdat dat meer recht doet aan de feitelijke situatie.

















Tabel 7: Overzicht werkgeverslasten






Sector Agrarisch (sectorcode 1)




2010 tm 2017 (%)




2018 (%)




2019 (%)




2020 (%)




2021 (%)




2022 (%)




2023 (%)





Premie AWf (laag)





2,85


3,6


2,94


0,34


2,7


2,64




Premie Aof (laag) / premie WAO/WIA





6,27


6,46


6,77


7,03


5,49


5,82




Opslag Wko / opslag kinderopvang





0,5


0,5


0,5


0,5


0,5


0,5




Premie Whk (Agrarisch bedrijf)





0,95


0,86


0,88


0,89


0,89


0,85




Premie sectorfonds (agrarisch lang) - tot 2020





0,66


0,58
















Werkgeversheffing Zvw





6,9


6,95


6,7


7


6,75


6,68





Totaal (%)




15,76




18,13




18,95




17,79




15,76




16,33




16,49

















Tabel 8: Berekening werkgeverslasten [slachtoffer]






Periode




Bruto loonkosten




Werkgeverslasten (%)




Werkgeverslasten (€)





H2 2010


€ 4.605,40


15,76


€ 725,81




H1 2011


€ 5.421,28


15,76


€ 854,39




H2 2011


€ 5.464,22


15,76


€ 861,16




H1 2012


€ 6.494,80


15,76


€ 1.023,58




H2 2012


€ 6.537,74


15,76


€ 1.030,35




H1 2013


€ 7.740,08


15,76


€ 1.219,84




H2 2013


€ 7.783,02


15,76


€ 1.226,60




H1 2014


€ 9.200,07


15,76


€ 1.449,93




H2 2014


€ 9.264,48


15,76


€ 1.460,08




H1 2015


€ 9.296,68


15,76


€ 1.465,16




H2 2015


€ 9.339,62


15,76


€ 1.471,92




H1 2016


€ 9.446,98


15,76


€ 1.488,84




H2 2016


€ 9.522,12


15,76


€ 1.500,69




H1 2017


€ 9.618,74


15,76


€ 1.515,91




H2 2017


€ 9.704,62


15,76


€ 1.529,45




H1 2018


€ 9.779,77


18,13


€ 1.773,07




H2 2018


€ 9.876,38


18,13


€ 1.790,59




H1 2019


€ 12.978,40


18,95


€ 2.459,41




H2 2019


€ 13.131,42


18,95


€ 2.488,40




H1 2020


€ 13.270,52


17,79


€ 2.360,83




H2 2020


€ 13.493,09


17,79


€ 2.400,42




H1 2021


€ 13.520,91


15,76


€ 2.130,90




H2 2021


€ 13.660,01


15,76


€ 2.152,82




H1 2022


€ 13.854,76


16,33


€ 2.262,48




H2 2022


€ 14.105,15


16,33


€ 2.303,37




H1 2023


€ 14.921,37


16,49


€ 2.460,53





Totaal




€ 262.031,61







€ 43.406,53















Tabel 9: Opbrengsten






Component





[slachtoffer]






Onbetaald salaris


€ 225.296,51




Onbetaald vakantiegeld (8%)


€ 18.023,72




Niet genoten vakantie-uren


€ 18.711,38




Subtotaal


€ 262.031,61




Werkgeverslasten


€ 43.406,53




Nabetaling werkgeverslasten aan Belastingdienst


-€ 8.701,00




Stallingskosten


-€ 46.800,00





Totaal




€ 249.937,14









4.5.


Conclusie schatting wederrechtelijk verkregen voordeel

Op grond van het voorgaande schat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 249.937,14.






5De vaststelling van de betalingsverplichting


5.1.


Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de betalingsverplichting moet worden vastgesteld op hetzelfde bedrag als het door de officier van justitie geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, namelijk € 396.716,56.




5.2.


Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft met betrekking tot de vaststelling van de betalingsverplichting aandacht gevraagd voor het bepaalde in artikel 36e, negende lid, van het Wetboek van Strafrecht.




5.3.


Oordeel van de rechtbank


[slachtoffer] heeft het door veroordeelde niet betaalde loon dat deel uitmaakt van het wederrechtelijk verkregen voordeel ook gevorderd als schadevergoeding in de strafzaak. De rechtbank heeft in de strafzaak een bedrag van € 196.523,71 als schadevergoeding voor niet ontvangen nettoloon aan [slachtoffer] toegewezen. In artikel 36e, negende lid, van het Wetboek van Strafrecht staat dat bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, de aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen alsmede de verplichting tot betaling aan de staat van een som gelds ten behoeve van een benadeelde als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht voor zover die zijn voldaan, in mindering worden gebracht. Nu de in de strafzaak van veroordeelde aan [slachtoffer] in rechte toegekende vordering dan wel de daarmee samenhangende verplichting tot betaling aan de staat nog niet door veroordeelde is voldaan, ziet de rechtbank geen aanleiding om dit bedrag in mindering te brengen op de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat. Indien veroordeelde de toegewezen vordering van [slachtoffer] voor niet ontvangen nettoloon heeft betaald, staat op grond van artikel 6:6:26 van het Wetboek van Strafvordering de mogelijkheid open om een verzoek tot vermindering van de betalingsverplichting of teruggave van het reeds betaalde bedrag in te dienen. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling dat veroordeelde hetzelfde bedrag dubbel betaalt.




5.4.


Conclusie vaststelling betalingsverplichting

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank de betalingsverplichting vast op een bedrag van € 249.937,14.






6Het toepasselijke wetsartikel


De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.





7De beslissing


De rechtbank:




stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 249.937,14.


legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 249.937,14 aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;


waarbij geldt dat indien een andere veroordeelde geheel of gedeeltelijk betaalt, de veroordeelde in zoverre van deze betalingsverplichting zal zijn bevrijd;


bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.




Dit vonnis is gewezen door:
mr. A. Bernsen, voorzitter,
mr. A.E. de Kryger en mr. M.J.C. van der Vegte, leden,
in tegenwoordigheid van mr. R.H.A. de Poot, griffier,
en is uitgesproken op 13 juli 2026.