Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Oost-Brabant

ECLI:NL:RBOBR:2026:4815

2026-07-09 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht SHE 25/1165
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-09
Publicatiedatum
2026-07-07
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
SHE 25/1165
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

NOW. De minister heeft op juiste gronden de definitieve tegemoetkoming op grond van de NOW-2 herzien. Geen reden om van terugvordering af te zien.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.792 tekens)
RECHTBANK OOST-BRABANT


Zittingsplaats 's-Hertogenbosch



Bestuursrecht



zaaknummer: SHE 25/1165


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [vestigingsplaats], eiseres
(gemachtigde: [naam]),


en




Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; namens deze UWV Eindhoven afdeling Bezwaar en Beroep, de minister
(gemachtigde: mr. X. Su).



Samenvatting


1.1
Deze uitspraak gaat over het besluit van de minister dat eiseres de subsidie die zij heeft gekregen in het kader van de tweede tijdelijke noodmaatregel voor overbrugging van werkgelegenheid (NOW-2), moet terugbetalen, namelijk € 21.328,-. De rechtbank heeft op 18 februari 2026 een tussenuitspraak gewezen. Daarin heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister zijn besluit onvoldoende had gemotiveerd. De minister heeft een aanvullende motivering gegeven. Daarover gaat deze einduitspraak.



1.2
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht heeft besloten dat eiseres de subsidie die zij heeft gekregen, moet terugbetalen.




Procesverloop


2.1
Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor de definitieve tegemoetkoming op grond van de NOW-2. In het besluit van 14 juli 2022 heeft de minister de tegemoetkoming definitief vastgesteld op € 19.107,-. Op 11 oktober 2024 heeft de minister een nieuw besluit over de definitieve vaststelling van de tegemoetkoming genomen. De tegemoetkoming van de NOW-2 is daarbij vastgesteld op € 0,-, omdat het omzetverlies minder dan 20% bedroeg. Eiseres moet op grond van dit nieuwe besluit een bedrag van € 21.328,- terugbetalen.



2.2
Eiseres is het met het besluit van 11 oktober 2024 niet eens en is hiertegen in bezwaar gegaan. Met de beslissing op bezwaar van 31 maart 2025 (het bestreden besluit) is de minister bij de afwijzing van de aanvraag en de terugvordering gebleven.



2.3
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroepschrift gereageerd met een verweerschrift.



2.4
De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister deelgenomen.



2.5
In de tussenuitspraak van 18 februari 2026 (tussenuitspraak) heeft de rechtbank geoordeeld dat in het bestreden besluit sprake is van gebreken. De minister is vervolgens in de gelegenheid gesteld de genoemde gebreken binnen vier weken te herstellen. De minister moet hierbij in acht nemen wat in de tussenuitspraak is overwogen.



2.6
De minister heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.



2.7
Eiseres is door de rechtbank in de gelegenheid gesteld om te reageren op de aanvullende motivering van de minister. Zij heeft daarvan geen gebruik gemaakt.



2.8
De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.




Beoordeling door de rechtbank


3.1

De rechtbank moet beoordelen of de minister terecht heeft beslist dat eiseres
€ 21.328,- moet terugbetalen, die zij als NOW-2 tegemoetkoming heeft ontvangen. De rechtbank doet dit aan de hand van wat eiseres in beroep heeft aangevoerd (de beroepsgronden).




3.2
Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak van 18 februari 2026. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van oordelen die zonder voorbehoud in de tussenuitspraak zijn gegeven. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen, zoals volgt uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).



3.3
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Om het gebrek te herstellen, moet het de minister motiveren dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 4:49 van de Awb (Algemene wet bestuursrecht) om tot terugvordering over te gaan. Daarnaast moet de minister, mocht de terugvordering in stand blijven, een volledige belangenafweging maken in het kader van de terugvordering.



3.4
De rechtbank komt tot het oordeel dat de minister terecht heeft besloten tot terugvordering van de teveel verleende subsidie. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft. Voor de feiten en omstandigheden en het beoordelingskader dat van toepassing is, verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak van 18 februari 2026.




De reacties van partijen





4.1
De minister heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om het gebrek te herstellen. In zijn brief van 10 april 2026 heeft de minister een aanvullende motivering gegeven.



4.2
In zijn brief schrijft de minister dat eiseres, bij het aanvragen van het voorschot, een verwacht omzetverlies heeft opgegeven van 60%. Op basis van deze informatie is aan eiseres een voorschot toegekend van € 21.328,-. Bij de aanvraag voor de definitieve vaststelling heeft eiseres een voorschotverlies opgegeven van 43%. Op basis van deze informatie is de definitieve tegemoetkoming vastgesteld op € 19.107,-. Omdat eiseres een hoger bedrag aan voorschot heeft ontvangen, wordt een bedrag van € 2.221,- teruggevorderd.



4.3
Vervolgens is nader onderzoek verricht en is de definitieve vaststelling herzien. Hierbij is uitgegaan van een omzetverlies van 3%. Met deze gegevens is de definitieve vaststelling bepaald op € 0,- omdat niet is voldaan aan de doelstelling en voorwaarden van de NOW-regeling. Het volledige bedrag dat eerder als voorschot is betaald (€ 21.328,-), wordt daarom teruggevorderd.



4.4
De minister stelt zich primair op het standpunt dat de definitieve vaststelling is herzien op grond van artikel 20 van de NOW-2 in relatie tot artikel 4:49, eerste lid, sub b van de Awb. Eiseres wist of had moeten weten dat de subsidievaststelling onjuist was. Eiseres stelt namelijk dat het omzetverlies vastgesteld moet worden op basis van de aangifte omzetbelasting. Volgens de minister is deze stelling per definitie onjuist. De aangifte wordt namelijk opgegeven per kwartaal, terwijl de omzet voor de omzetperiode van de NOW-2 ziet op een periode van vier maanden, namelijk juni, juli, augustus en september 2020. Verder wijst de minister erop dat de aanvraag van eiseres is gebaseerd op te hoge omzetgegevens die niet corresponderen met de eigen administratie van eiseres. Daarbij heeft eiseres ook nog eens gebruik gemaakt van een financieel adviseur. Hij heeft ook de vereiste derden verklaring opgesteld. Volgens de minister had de financieel adviseur, met diens deskundigheid, moeten weten dat het opgegeven omzetverlies niet juist kon zijn.



4.5
Subsidiair stelt de minister zich op het standpunt dat de definitieve vaststelling is herzien op grond van artikel 20 van de NOW-2 in relatie tot artikel 4:49, eerste lid, sub a van de Awb. Er was volgens de minister sprake van feiten of omstandigheden waarvan hij bij de subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de subsidie lager dan de subsidieverlening zou zijn vastgesteld.



4.6
Over de belangenafweging schrijft de minister in zijn reactie als volgt. Volgens de minister gaat het om een zorgvuldige besteding van publieke middelen waardoor in beginsel gebruik moet worden gemaakt van de bevoegdheid tot terugvordering van onverschuldigd betaalde subsidiebedragen. Als zou worden afgezien van terugvordering, zou een werkgever meer subsidie ontvangen dan waarop hij recht heeft. Wat betreft de belangen van eiseres merkt de minister op dat er geen aanwijzingen zijn van een financiële situatie bij eiseres waarbij terugvordering niet mogelijk zou zijn. De minister vindt hierbij belangrijk dat de NOW-regelingen een ruimhartig invordertraject kennen. Vanwege deze beroepsprocedure wordt er daarom vanaf juni 2025 niet meer actief ingevorderd bij eiseres. Mocht sprake zijn van acute financiële onmacht, zoals bijvoorbeeld een faillissement, kan eisers een verzoek tot kwijtschelding doen bij de minister. De minister ziet daarom geen aanleiding om van terugvordering af te zien.



4.7
Op 17 april 2026 heeft de rechtbank eiseres in de gelegenheid gesteld te reageren op de herstelpoging van de minister. Eiseres heeft hierop niet gereageerd.



De overwegingen van de rechtbank




5. De rechtbank is van oordeel dat de aanvullende motivering van de minister voldoende inzichtelijk en toereikend is. De rechtbank motiveert dit als volgt.




De terugvordering




6.1
Volgens de minister was het eiseres redelijkerwijs duidelijk, of kon het haar redelijkerwijs duidelijk zijn, dat zij teveel subsidie ontving, omdat eiseres is uitgegaan van de aangiftes omzet. Deze zijn echter volgens de minister gebaseerd op een kwartaal, terwijl de NOW-2 op 4 (andere) maanden ziet. De rechtbank volgt de minister niet in dit standpunt. In de stukken die de minister heeft overgelegd, zijn namelijk omzetaangiftes van eiseres aanwezig over maanden (onder andere over juni, juli, augustus en september 2020) en over kwartalen (onder andere over het derde kwartaal van 2020). Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan de rechtbank de stelling van de minister, dat de aangiftes zien op een kwartaal, niet volgen.



6.2

De minister schrijft echter ook in zijn aanvullende motivering dat hij van mening is dat eiseres onjuiste gegevens heeft verstrekt. Eiseres heeft volgens de minister namelijk te hoge omzetgegevens opgegeven die niet zijn gebaseerd op de eigen administratie. Daarnaast heeft eiseres gebruik gemaakt van een financieel adviseur die kennis moet hebben van de administratie van eiseres. Dat de financieel adviseur onjuiste omzetgegevens heeft opgegeven, komt volgens de minister voor rekening en risico van de werkgever. De rechtbank begrijpt uit de stelling van de minister dat hij vindt dat eiseres hierdoor wist of kon weten dat zij onjuiste omzetgegevens heeft verstrekt.
De rechter vindt deze motivering aannemelijk. Zoals de rechtbank in de tussenuitspraak heeft geoordeeld, is de minister terecht uitgegaan van de cijfers uit de grootboekkaarten, omdat deze cijfers rechtstreeks uit de administratie van eiseres komen, terwijl voor de aangiftes nog een tussenstap nodig is. Eiseres heeft ondanks meerdere vragen daarover van de rechtbank tijdens de zitting geen eenduidige en consistente verklaring kunnen geven voor het verschil tussen de grootboekkaarten en de aangiftes omzetbelasting. Daarbij heeft eiseres ook verklaard dat tussen de eigen administratie en de aangiftes omzetbelasting geen verschillen kunnen zitten. Waarom dat in het geval van eiseres dan wel zo was, is niet opgehelderd. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het verschil in cijfers tussen de grootboekkaarten en de aangiftes voor rekening en risico van eiseres moet blijven. Eiseres blijft namelijk verantwoordelijk voor haar eigen administratie en zij had daarom behoren te weten dat deze verschillen bestonden.




6.3
De rechtbank heeft geen aanleiding te twijfelen aan de aanvullende motivering van de minister en volgt deze daarom. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres de aanvullende motivering niet heeft bestreden.





De belangenafweging

7. Uit de aanvullende motivering van de minister blijkt dat hij een afweging heeft gemaakt tussen enerzijds het belang van zorgvuldige besteding van publieke middelen en anderzijds het belang van eiseres. De minister vindt dat terecht tot terugvordering is overgegaan en de rechtbank kan de minister hierin volgen. De rechtbank heeft geen aanleiding te twijfelen aan de aanvullende motivering van de minister. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiseres de aanvullende motivering niet heeft bestreden. Bovendien heeft zij op geen enkele manier onderbouwd dat zij in een financiële noodsituatie terecht is gekomen of zal komen door de terugvordering en heeft zij niet bestreden dat sprake is van coulante invordering.





Conclusie en gevolgen


8.1
Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Omdat de minister in zijn reactie op de tussenuitspraak met een aanvullende motivering het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.



8.2
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet de minister aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.



8.3
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. De minister moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert twee punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 1. Dat is € 1.868,-.



8.4

Daarnaast concludeert de rechtbank dat dit een samenhangende zaak is, zoals bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Bpb. De gemachtigde van eiseres heeft dit beroep namelijk ingesteld tegelijk met een ander beroep. Deze zaken zijn door de bestuursrechter (nagenoeg) gelijktijdig behandeld en er is rechtsbijstand verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. De rechtbank doet vandaag uitspraak in dit beroep en het beroep met zaaknummer SHE 25/1164. Gelet op wat hiervoor is overwogen zijn deze twee beroepen samenhangend. Dit betekent dat voor deze twee beroepen gezamenlijk een proceskostenvergoeding van
€ 1.868,- geldt. De vergoeding voor dit beroep bedraagt dan ook € 934,-. (€ 1.868,- / 2).















Beslissing


De rechtbank:




verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het bestreden besluit;


bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;


draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 385,- aan eiseres te vergoeden;


veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 934,-.





Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.C. Veelenturf, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.E.A. Schokker-Stadhouders, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Zie de uitspraken van 24 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR5704 en 15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4694, r.o. 2.2.