Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Oost-Brabant

ECLI:NL:RBOBR:2026:4813

2026-07-09 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 25/1164
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-09
Publicatiedatum
2026-07-07
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
25/1164
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

NOW. De minister heeft op juiste gronden de definitieve tegemoetkoming op grond van de NOW-3, derde tranche, herzien. Geen reden om van terugvordering af te zien.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.708 tekens)
RECHTBANK OOST-BRABANT


Zittingsplaats 's-Hertogenbosch



Bestuursrecht



zaaknummer: SHE 25/1164


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [vestigingsplaats], eiseres
(gemachtigde: [naam]),


en




Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; namens deze UWV Eindhoven afdeling Bezwaar en Beroep, de minister
(gemachtigde: mr. X. Su).



Samenvatting


1.1

Deze uitspraak gaat over het besluit van de minister dat eiseres de subsidie die zij
heeft gekregen in het kader van de derde tijdelijke noodmaatregel voor overbrugging van werkgelegenheid, derde tranche (NOW-3, derde tranche), moet terugbetalen, namelijk
€ 5.719,-. De rechtbank heeft op 18 februari 2026 een tussenuitspraak gewezen. Daarin heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister zijn besluit onvoldoende had gemotiveerd. De minister heeft een aanvullende motivering gegeven. Daarover gaat deze einduitspraak.




1.2
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht heeft besloten dat eiseres de subsidie die zij heeft gekregen, moet terugbetalen.




Procesverloop


2.1
Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor de definitieve tegemoetkoming op grond van de NOW-3, derde tranche. In het besluit van 29 maart 2023 heeft de minister de tegemoetkoming definitief vastgesteld op € 30.854,- wat wil zeggen dat eiseres nog recht heeft op een nabetaling van € 5.441,-. Op 11 oktober 2024 heeft de minister een nieuw besluit over de definitieve vaststelling van de tegemoetkoming genomen. De tegemoetkoming van de NOW-3, derde tranche, is daarbij vastgesteld op € 25.135,-, omdat het omzetverlies minder was dan eiseres voorheen had ingeschat. Eiseres moet dan ook een bedrag van € 5.719,- terugbetalen.



2.2
Eiseres is het met het besluit van 11 oktober 2024 niet eens en is hiertegen in bezwaar gegaan. Met de beslissing op bezwaar van 31 maart 2025 (het bestreden besluit) is de minister bij zijn besluit gebleven.



2.3
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.


2.4
De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister deelgenomen.



2.5
In de tussenuitspraak van 18 februari 2026 (tussenuitspraak) heeft de rechtbank geoordeeld dat in het bestreden besluit sprake is van gebreken. De minister is vervolgens in de gelegenheid gesteld de genoemde gebreken binnen vier weken te herstellen. De minister moet hierbij in acht nemen wat in de tussenuitspraak is overwogen.



2.6
De minister heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.



2.7
Eiseres is door de rechtbank in de gelegenheid gesteld om te reageren op de aanvullende motivering van de minister. Zij heeft daarvan geen gebruik gemaakt.



2.8
De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.




Beoordeling door de rechtbank


3.1

De rechtbank moet beoordelen of de minister terecht heeft beslist dat eiseres
€ 5.719,- moet terugbetalen, die zij als NOW-3, derde tranche, tegemoetkoming heeft ontvangen. De rechtbank doet dit aan de hand van wat eiseres in beroep heeft aangevoerd (de beroepsgronden).




3.2
Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak van 18 februari 2026. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van oordelen die zonder voorbehoud in de tussenuitspraak zijn gegeven. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen, zoals volgt uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).



3.3
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Om het gebrek te herstellen, moet het de minister motiveren dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 4:49 van de Awb (Algemene wet bestuursrecht) om tot terugvordering over te gaan. Daarnaast moet de minister, mocht de terugvordering in stand blijven, een volledige belangenafweging maken in het kader van de terugvordering.



3.4
De rechtbank komt tot het oordeel dat de minister terecht heeft besloten tot terugvordering van de teveel verleende subsidie. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft. Voor de feiten en omstandigheden en het beoordelingskader dat van toepassing is, verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak van 18 februari 2026.




De reacties van partijen





4.1
De minister heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om het gebrek te herstellen. In zijn brief van 10 april 2026 heeft de minister een aanvullende motivering gegeven.



4.2
In zijn brief schrijft de minister dat eiseres, bij het aanvragen van het voorschot, een verwacht omzetverlies heeft opgegeven van 100%. Op basis van deze informatie is aan eiseres een voorschot toegekend van € 25.413,-. Bij de aanvraag voor de definitieve vaststelling heeft eiseres een voorschotverlies opgegeven van 100%. Op basis van deze informatie is de definitieve tegemoetkoming vastgesteld op € 30.854,-. Eiseres kreeg daarom een nabetaling van € 5.441,-.



4.3
Vervolgens is nader onderzoek verricht en is de definitieve vaststelling herzien. Hierbij is uitgegaan van een omzetverlies van 82%. Met deze gegevens is de definitieve vaststelling bepaald op € 25.135,-. Het bedrag dat eerder is nabetaald (€ 5.441,-) plus het verschil met het ontvangen voorschotbedrag (€ 278,-) geeft in totaal een terugvordering van € 5.719,-.



4.4
De minister stelt zich primair op het standpunt dat de definitieve vaststelling is herzien op grond van artikel 26 van de NOW-3 in relatie tot artikel 4:49, eerste lid, sub b van de Awb. Eiseres wist of had moeten weten dat de subsidievaststelling onjuist was. De minister baseert zijn standpunt op het gegeven dat uit de eigen administratie van eiseres blijkt dat zij wel degelijk omzet heeft behaald in de omzetperiode. Ook als eiseres gevolgd wordt in haar standpunt dat de omzetaangifte de juiste informatie bevat om de aanvraag te doen, blijkt dat eiseres in de omzetperiode omzet heeft behaald. Van welke gegevens ook wordt uitgegaan, er kan nooit sprake zijn van een omzetverlies van 100% zoals eiseres op haar aanvraag heeft opgegeven.



4.5
Volgens de minister kan hiermee gesproken worden van een kennelijke onjuiste subsidievaststelling, zoals is bedoeld in de Kamerstukken. Belangrijk vindt de minister hierbij dat eiseres een financieel adviseur heeft ingeschakeld voor het aanvragen van de definitieve vaststelling. Deze adviseur had moeten weten dat het opgegeven omzetverlies bij de definitieve vaststelling niet juist kon zijn.



4.6
Subsidiair stelt de minister zich op het standpunt dat de definitieve vaststelling is herzien op grond van artikel 26 van de NOW-3 in relatie tot artikel 4:49, eerste lid, sub a van de Awb. Er was volgens de minister sprake van feiten of omstandigheden waarvan hij bij de subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de subsidie lager dan de subsidieverlening zou zijn vastgesteld.



4.7
Over de belangenafweging schrijft de minister in zijn reactie als volgt. Volgens de minister gaat het om een zorgvuldige besteding van publieke middelen waardoor in beginsel gebruik moet worden gemaakt van de bevoegdheid tot terugvordering van onverschuldigd betaalde subsidiebedragen. Als zou worden afgezien van terugvordering, zou een werkgever meer subsidie ontvangen dan waarop hij recht heeft. Wat betreft de belangen van eiseres merkt de minister op dat er geen aanwijzingen zijn van een financiële situatie bij eiseres waarbij terugvordering niet mogelijk zou zijn. De minister vindt hierbij belangrijk dat de NOW-regelingen een ruimhartig invordertraject kennen. Vanwege deze beroepsprocedure wordt er daarom vanaf juni 2025 niet meer actief ingevorderd bij eiseres. Mocht sprake zijn van acute financiële onmacht, zoals bijvoorbeeld een faillissement, kan eisers een verzoek tot kwijtschelding doen bij de minister. De minister ziet daarom geen aanleiding om van terugvordering af te zien.



4.8
Op 17 april 2026 heeft de rechtbank eiseres in de gelegenheid gesteld te reageren op de herstelpoging van de minister. Eiseres heeft hierop niet gereageerd.



De overwegingen van de rechtbank




5. De rechtbank is van oordeel dat de aanvullende motivering van de minister voldoende inzichtelijk en toereikend is. De rechtbank motiveert dit als volgt.




De terugvordering




6.1
De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat het eiseres redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat zij teveel subsidie had ontvangen. Zowel uit de eigen administratie van eiseres (de grootboekkaarten) als haar omzetaangiftes blijkt namelijk dat sprake is van behaalde omzet in de omzetperiode. Hierdoor kan het omzetverlies nooit 100% zijn, terwijl eiseres dit wel op haar aanvraag heeft aangegeven.



6.2
Dat er verschil zit tussen de behaalde omzet volgens de eigen administratie van eiseres en de omzetaangiftes maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Uit beide bronnen blijkt namelijk dat eiseres omzet heeft behaald in de omzetperiode, zodat zij op basis van beide bronnen had kunnen weten dat haar omzetverlies in ieder geval geen 100% was. Zoals de rechtbank in de tussenuitspraak al heeft geoordeeld, gaat zij voor de vaststelling van het omzetverlies uit van de eigen administratie van eiseres. Dat er verschillen zijn tussen deze administratie en de omzetaangiftes en dat eiseres is uitgegaan van de aangiftes, moet voor rekening en risico van eiseres blijven.



6.3
De rechtbank heeft geen aanleiding te twijfelen aan de aanvullende motivering van de minister en volgt deze daarom. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres de aanvullende motivering niet heeft bestreden.



De belangenafweging

7. Uit de aanvullende motivering van de minister blijkt dat hij een afweging heeft gemaakt tussen enerzijds het belang van zorgvuldige besteding van publieke middelen en anderzijds het belang van eiseres. De minister vindt dat terecht tot terugvordering is overgegaan en de rechtbank kan de minister hierin volgen. De rechtbank heeft geen aanleiding te twijfelen aan de aanvullende motivering van de minister. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiseres de aanvullende motivering niet bestreden. Bovendien heeft zij op geen enkele manier onderbouwd dat zij in een financiële noodsituatie terecht is gekomen of zal komen door de terugvordering en heeft zij niet bestreden dat sprake is van coulante invordering.









Conclusie en gevolgen


8.1
Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Omdat de minister in zijn reactie op de tussenuitspraak met een aanvullende motivering het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.



8.2
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet de minister aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.



8.3
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. De minister moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 1. Dat is € 1.868,-.



8.4

Daarnaast concludeert de rechtbank dat dit een samenhangende zaak is, zoals bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Bpb. De gemachtigde van eiseres heeft dit beroep namelijk ingesteld tegelijk met een ander beroep. Deze zaken zijn door de bestuursrechter (nagenoeg) gelijktijdig behandeld en er is rechtsbijstand verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. De rechtbank doet vandaag uitspraak in dit beroep en het beroep met zaaknummer SHE 25/1165. Gelet op wat hiervoor is overwogen zijn deze twee beroepen samenhangend. Dit betekent dat voor deze twee beroepen gezamenlijk een proceskostenvergoeding van
€ 1.868,- geldt. De vergoeding voor dit beroep bedraagt dan ook € 934,-
(€ 1.868,- / 2).





















Beslissing


De rechtbank:




verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het bestreden besluit;


bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;


draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 385,- aan eiseres te vergoeden;


veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 934,-.





Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.C. Veelenturf, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.E.A. Schokker-Stadhouders, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Zie de uitspraken van 24 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR5704 en 15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4694, r.o. 2.2.


Kamerstukken II 1993/94, 23700, nr. 3, p. 78.