Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Oost-Brabant

ECLI:NL:RBOBR:2026:4812

2026-07-09 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 25/1286 en 25/1290
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-09
Publicatiedatum
2026-07-07
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
25/1286 en 25/1290
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

ZW. Na een eerdere einduitspraak heeft het UWV terecht een urenbeperking opgelegd van 6 uur per dag en 30 uur per week. Geen grondslag voor een grotere urenbeperking. Terecht beoordeeld dat geen recht bestaat op een ZW-uitkering. Terugvordering voorschot terecht.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (21.337 tekens)
RECHTBANK OOST-BRABANT


Zittingsplaats 's-Hertogenbosch



Bestuursrecht



zaaknummers: SHE 25/1286 en 25/1290


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. M. Cankaya),


en




de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. E. Lipman).



Samenvatting


In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een ZW-uitkering (Ziektewet) en de terugvordering van het voorschot dat het UWV aan eiser heeft betaald. Eiser is van mening dat hij meer beperkingen heeft dan door de verzekeringsarts wordt aangenomen. Hij is daarom niet geschikt voor zijn arbeid. Het UWV ziet geen aanleiding om een ander standpunt in te nemen. De rechtbank komt tot het oordeel dat de beroepsgronden geen aanleiding geven om te oordelen dat eiser ongeschikt is voor zijn arbeid. Ook komt de rechtbank tot het oordeel dat het UWV terecht het betaalde voorschot van eiser terugvordert. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond.




Procesverloop


1.1
Eiser meldt zich ziek per 28 augustus 2024. Op dat moment ontvangt hij nog een WW-uitkering (Werkloosheidswet). Deze WW-uitkering loopt tot en met 17 oktober 2024. Omdat het UWV op dat moment nog geen beoordeling heeft verricht, krijgt eiser een voorschot op zijn ZW-uitkering.



1.2
Met het besluit van 27 november 2024 wordt de aanvraag voor een ZW-uitkering afgewezen. Met het besluit van 4 december 2024 wordt het voorschot, dat is betaald over de periode van 18 oktober 2024 tot en met 31 oktober 2024, teruggevorderd. De terugvordering bedraagt € 1.140,30.



1.3
Eiser is het niet eens met deze besluiten en gaat daarom tegen die besluiten in bezwaar. Met de beslissing op bezwaar van 23 april 2025 wordt het bezwaar tegen de afwijzing van de ZW-uitkering ongegrond verklaard. Met de beslissing op bezwaar van eveneens 23 april 2025 wordt het bezwaar tegen de terugvordering van het voorschot ongegrond verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk heeft gekregen.



1.4
Omdat eiser het niet eens is met de beslissingen op zijn bezwaren, heeft hij hiertegen beroep ingesteld.



1.5
In reactie op het beroepschrift heeft het UWV een verweerschrift ingediend.



1.6
De rechtbank heeft het beroep op 18 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van het UWV deelgenomen.



1.7
Na de zitting heeft de rechtbank op 3 oktober 2025 het onderzoek heropend.



1.8
Op 29 oktober heeft eiser een schriftelijke reactie ingediend. Hierop heeft het UWV op 26 november 2025 gereageerd. Vervolgens hebben partijen over en weer op elkaar gereageerd.



1.9
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 op een nadere zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van het UWV deelgenomen.




Beoordeling door de rechtbank


2.1
De rechtbank moet beoordelen of het UWV terecht heeft vastgesteld dat eiser per 28 augustus 2024 geschikt is voor zijn arbeid en daarom geen recht heeft op een ZW-uitkering. Ook moet de rechtbank beoordelen of het UWV terecht het betaalde voorschot van eiser terugvordert. De rechtbank doet dit aan de hand van wat eiser tegen dit besluit heeft aangevoerd (de beroepsgronden).



2.2
De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep van eiser ongegrond is. Dat wil zeggen dat eiser geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Feiten en omstandigheden





3.1
Betrokkene is werkzaam als productiemedewerker wanneer hij zich op 20 november 2020 ziek meldt. Na het einde van de zogenoemde wachttijd van 104 weken vindt een onderzoek plaats naar het recht op een WIA-uitkering (Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen). Hieruit komt naar voren dat eiser per 18 november 2022 geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Eiser gaat in bezwaar, beroep en hoger beroep tegen deze beslissing, maar deze worden allemaal ongegrond verklaard. Dat wil zeggen dat eiser geen gelijk heeft gekregen en dat hij per 18 november 2022 geen recht heeft op een WIA-uitkering.



3.2
Na de afwijzing van zijn WIA-uitkering ontvangt eiser een WW-uitkering. Per 28 augustus 2024 heeft eiser zich opnieuw ziek gemeld. Deze ziekmelding heeft geleid tot de besluiten zoals die zijn vermeld onder het kopje ‘Procesverloop’.








De standpunten





Het standpunt van eiser




4. Na de zitting op 18 september 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend. Eiser heeft vervolgens op 29 oktober 2025 zijn reactie op het verweerschrift van het UWV ingediend. Deze reactie is gebaseerd op de antwoorden die verzekeringsarts I. Özkan van het Medisch Advies Loket B.V. op 29 oktober 2025 heeft gegeven op de vragen die eiser aan hem heeft voorgelegd. Özkan schrijft onder meer dat uit de medische informatie niet blijkt dat de klachten van eiser zijn toegenomen en eiser niet gevolgd kan worden in zijn stelling dat voor de rubrieken 2.6, 7, 8, 9 en 10 in de FML geen nadere beperkingen opgenomen hoeven te worden. Verder schrijft Özkan dat het UWV terecht geen beperkingen heeft opgenomen voor de knieklachten en dat niet vaststaat dat de epileptische aanvallen zullen toenemen als eiser meer buiten komt. Daarom is geen sprake van de mogelijkheid op excessief ziekteverzuim. Ten slotte schrijft Özkan dat de conclusies van de verzekeringsartsen navolgbaar zijn, behalve wat betreft de schouderklachten van eiser.




4.2
Gelet op het rapport van verzekeringsarts Özkan heeft eiser op de zitting van 23 juni 2026 laten weten zijn beroepsgronden in te trekken, behoudens de hierna te bespreken gronden.



4.3
Volgens eiser heeft het UWV ten onrechte geen aandacht besteed aan de schouderklachten van eiser. Vanwege deze schouderklachten is eiser ook niet geschikt voor ‘zijn arbeid’, de eerder geselecteerde functies. Eiser verzoekt daarom om een deskundige te benoemen.



4.4
Daarnaast kan eiser zich niet vinden in het oordeel dat geen sprake is van excessief ziekteverzuim. Hiervan was wel sprake in 2017 en de verzekeringsarts trekt ten onrechte de conclusie dat dit niet werd veroorzaakt door de epilepsie. Eiser voert aan dat het UWV ten onrechte de ziekmeldingen uit 2017 linkt aan galblaasproblemen en wijst op een brief van een vaatchirurg waaruit blijkt dat eiser pas in 2018 aan zijn galblaas is geopereerd. Eiser heeft op de zitting erkend dat de Centrale Raad van Beroep in de uitspraak van 25 september 2025 heeft geoordeeld dat van excessief ziekteverzuim geen sprake was, maar wijst erop dat in deze zaak een andere beoordelingsdatum voor ligt. Tot slot wijst eiser erop dat geen enkele werkgever hem in dienst zal willen nemen, omdat het risico op frequent en langdurig verzuim erg groot is. Het verzwijgen van zijn medische situatie kan later weer leiden tot arbeidsrechtelijk geschillen.



4.5
Over de terugvordering schrijft eiser dat deze vanwege dringende reden achterwege zou moeten blijven. De terugvordering is namelijk mede door het UWV ontstaan. Als het UWV tijdig een beoordeling had gedaan, zou ook geen terugvordering zijn ontstaan. Daarbij merkt eiser op dat hij sinds medio 2024 geen inkomen meer heeft. Er zijn onvoldoende financiële middelen om de terugvordering te voldoen.







Het standpunt van het UWV




5.1
Het UWV ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen reden om aan te nemen dat wel sprake zou zijn van excessief ziekteverzuim. Uit de aanwezige informatie blijkt niet dat bij eiser, rond de beoordelingsdatum, vaak (zware) aanvallen heeft, zodat er volgens de verzekeringsarts B&B sprake is van een minimaal verhoogd verzuimrisico.



5.2
Ook voor wat betreft de terugvordering ziet het UWV geen aanleiding om een ander standpunt in te nemen. In de beslissing van 29 oktober 2024, waarin het voorschot is toegekend, staat vermeld dat dit voorschot moet worden terugbetaald als geen recht bestaat op een ZW-uitkering. Eiser had hiermee dus rekening kunnen houden. Vervolgens heeft het UWV voortvarend alsnog een besluit genomen, namelijk op 27 november 2024. Dat dit te laat is, heeft eiser niet onderbouwd. Tot slot merkt het UWV op dat voldoende rekening is gehouden met de persoonlijke omstandigheden van eiser. Aan hem is namelijk medegedeeld dat hij voorlopig niet hoeft terug te betalen, omdat eiser geen aflossingscapaciteit heeft.



5.3
Op 26 november 2025 heeft het UWV gereageerd op de reactie van eiser van 29 oktober 2025. In zijn reactie komt het UWV tot de conclusie dat het geen aanleiding ziet een ander standpunt in te nemen.



Het beoordelingskader





Het recht op een ZW-uitkering




6.1
In artikel 19, eerste lid, van de ZW, is geregeld dat iemand recht heeft op een ZW-uitkering als diegene zijn arbeid niet kan verrichten. Dit moet wel rechtstreeks en medisch objectief vast te stellen zijn als gevolg van ziekte of gebrek.



6.2
Onder ‘zijn arbeid’ wordt meestal verstaan het werk dat iemand het laatst heeft verricht voordat diegene ziek werd. Hierop is een uitzondering mogelijk. Dat is wanneer iemand na een eerdere WIA-beoordeling niet meer heeft gewerkt en zich dan opnieuw ziek meldt.



6.3
In de uitspraak van 23 december 2022 heeft de CRvB (Centrale Raad van Beroep, dat is de hoogste rechter in dit soort zaken) een gewijzigd beoordelingskader vastgesteld. In dit beoordelingskader is vastgelegd dat iemand geen recht heeft op een ZW-uitkering wanneer is voldaan aan de volgende twee voorwaarden. Deze voorwaarden moeten allebei gelden, voordat een ZW-uitkering mag worden geweigerd:

1. van de functies (inclusief de reservefuncties) die bij de WIA-beoordeling zijn geselecteerd, zijn op de beoordelingsdatum minimaal drie functies nog geschikt voor betrokkene. Elke functie moet minimaal drie arbeidsplaatsen hebben.
2. deze functies zorgen voor een arbeidsgeschiktheid van minimaal 65%. Dit wordt beoordeeld door de loonwaarde van die functies tijdens de WIA-beoordeling te vergelijken met het maatmanloon van de betrokkene tijdens de WIA-beoordeling. Het maakt niet uit of deze functies tijdens de beoordeling van de ZW-uitkering nog in het CBBS aanwezig zijn of niet. Het maakt ook niet uit of deze functies tijdens de beoordeling van de ZW-uitkering zijn gewijzigd (belasting en/of loonwaarde).



6.4
Als de verzekeringsarts tijdens de beoordeling van de ZW-uitkering vaststelt dat de medische beperkingen hetzelfde zijn als tijdens de WIA-beoordeling, dan staat daarmee vast dat de functies van de WIA-beoordeling geschikt zijn voor betrokkene.



6.5
Bij de beoordeling stelt de rechtbank verder voorop dat het UWV zijn besluit over de arbeidsongeschiktheid mag baseren op een rapport dat is opgesteld door een verzekeringsarts (B&B). Dit mag het UWV niet als betrokkene aannemelijk maakt dat dit rapport niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, inconsequenties bevat of onvoldoende is gemotiveerd. Als betrokkene de inhoudelijke medische beoordeling van de verzekeringsarts (B&B) in twijfel trekt, geldt dat het in principe niet voldoende is als een betrokkene alleen zegt dat hij meer beperkt is dan de verzekeringsarts (B&B) heeft aangenomen. Betrokkene zal zijn standpunt moeten onderbouwen, bijvoorbeeld met medische informatie.



De terugvordering van het voorschot




7.1
De mogelijkheid tot het betalen van een voorschot, is geregeld in artikel 4:95 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).



7.2
In artikel 33 van de ZW is de terugvordering van ziekengeld geregeld. In dit artikel staat namelijk dat ziekengeld dat ten onrechte is betaald, door het UWV wordt teruggevorderd. Alleen wanneer sprake is van dringende reden, kan het UWV van terugvordering afzien.



7.3
Sinds 2024 ziet de CRvB de dringende reden als een open norm. Dat wil zeggen dat het UWV de relevante feiten en omstandigheden moet afwegen en dit moet afzetten tegen de algemene verplichting tot het terugbetalen van uitkering (of voorschot) dat ten onrechte is betaald. Bij de afweging van feiten en omstandigheden moet niet alleen worden gekeken naar de gevolgen van de terugvordering, maar ook naar de oorzaak ervan.



De overwegingen door de rechtbank





De medisch inhoudelijke beoordeling




8.1
De rechtbank is van oordeel dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat eiser per 28 augustus 2024 geen recht heeft op een ZW-uitkering. De rechtbank zal hierna toelichten hoe zij tot dit oordeel is gekomen.



8.2
Over de schouderklachten voert eiser aan dat deze nader onderzocht hadden moeten worden. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling. Uit de rapportage van de verzekeringsarts van 21 november 2024 blijkt dat de verzekeringsarts eiser heeft gevraagd naar zijn ervaren belemmeringen, recente klachten en andere ziekten. Hierbij heeft eiser zijn schouderklachten niet benoemd, maar wel onder meer zijn knieklachten. Vervolgens heeft een algemeen lichamelijk (observerend) onderzoek plaatsgevonden en een gericht onderzoek naar eisers knieklachten. Dit onderzoek heeft de verzekeringsarts geen aanleiding gegeven nader onderzoek te verrichten naar de schouders van eiser. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze gang van zaken niet van een onzorgvuldig verricht onderzoek. Er is ook geen aanleiding om aan te nemen dat eiser meer beperkt is door de schouderklachten die hij ervaart. Dat eiser op de vragenlijst bij de ziekmelding heeft aangegeven last te hebben van zijn schouder, maakt dit oordeel niet anders. Volgens de rechtbank had het op eisers weg gelegen om deze klachten bij de verzekeringsarts aan te kaarten tijdens het spreekuur. De rechtbank vindt hierbij belangrijk dat de verzekeringsarts eiser diverse keren naar zijn gezondheid heeft gevraagd.



8.3
De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn standpunt over het excessief ziekteverzuim. Zoals ter zitting door eiser is erkend, heeft de CRvB tot de datum waarop een WIA-beoordeling heeft plaatsgevonden (18 november 2022) geoordeeld dat geen sprake is van excessief ziekteverzuim. De rechtbank zal dus alleen een oordeel geven over de periode hierna en tot de datum waarop eiser zich heeft ziekgemeld (28 augustus 2024). Over deze periode oordeelt de rechtbank als volgt. Eiser heeft, na de afwijzing van zijn WIA-aanvraag per 18 november 2022, niet meer gewerkt. Hij ontving een WW-uitkering en heeft enkel twee maanden gewerkt op een werkervaringsplaats bij zijn zoon. Hieruit kan de rechtbank niet opmaken dat bij eiser sprake zou zijn van excessief ziekteverzuim. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat bij eiser sprake zou zijn van excessief ziekteverzuim. De rechtbank vindt hierbij belangrijk dat verzekeringsarts Özkan ook heeft aangegeven dat niet vaststaat dat de epileptische aanvallen zullen toenemen als eiser meer buiten komt en dat daarom geen sprake is van de mogelijkheid op excessief ziekteverzuim.



8.4
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het UWV terecht heeft beoordeeld dat bij eiser geen sprake is van meer beperkingen dan ten tijde van de WIA-beoordeling. Zoals blijkt uit het beoordelingskader staat daarmee de geschiktheid van eiser voor de functies die zijn geselecteerd tijdens de WIA-beoordeling vast. Daarom komt de rechtbank niet toe aan de arbeidskundige gronden van eisers beroep.



8.5
Eiser heeft de rechtbank verzocht een deskundige in te schakelen. De rechtbank zal dit niet doen, omdat zij geen reden heeft te twijfelen aan de beoordeling van het UWV.



De terugvordering




9.1
Zoals hiervoor uit het beoordelingskader van de terugvordering blijkt, is het UWV verplicht tot terugvordering over te gaan. Dit is alleen anders wanneer sprake is van een dringende reden. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat er dringende redenen zijn op grond waarvan het UWV niet hoeft terug te vorderen. De rechtbank komt als volgt tot dit oordeel.



9.2
Eiser heeft zich op 29 september 2024 bij het UWV ziekgemeld per 28 augustus 2024. Op 6 oktober 2024 heeft eiser de vragenlijsten ingevuld, waarna er op 11 oktober 2024 telefonisch contact met eiser heeft plaatsgevonden. Na de ziekmelding op 29 september 2024 heeft het UWV vier weken de tijd om een beschikking af te geven. Dit blijkt uit artikel 72c van de ZW. Dit wil zeggen dat het UWV uiterlijk op 28 oktober 2024 een beschikking had moeten afgeven.



9.3
Het UWV heeft vervolgens, omdat het meer tijd nodig had, op 29 oktober 2024 een brief naar eiser gestuurd dat hij een voorschot gaat ontvangen op zijn ZW-uitkering. In deze brief staat: “Als u geen recht heeft op een uitkering, moet het voorschot worden terugbetaald.” Hierna heeft het UWV op 27 november 2024 alsnog het besluit afgegeven dat eiser per 28 augustus 2024 geen recht heeft op een ZW-uitkering.





9.4
Gelet op deze gang van zaken is de rechtbank van oordeel dat er geen dringende redenen zijn waarom eiser het voorschot niet zou hoeven terug te betalen. In de brief van 29 oktober 2024 is namelijk aan eiser medegedeeld dat hij het voorschot moet terugbetalen als hij geen recht heeft op ZW-uitkering. Eiser wist dus dat hij mogelijk moest terugbetalen. Daarnaast heeft het UWV naar het oordeel van de rechtbank niet onnodig lang de tijd genomen om het besluit van 27 november 2024 te nemen. Tot slot heeft het UWV eiser laten weten op dit moment niet te hoeven terug te betalen, omdat hij geen aflossingscapaciteit heeft. Er zijn op dit moment dus geen nadelige financiële gevolgen voor eiser door de terugvordering.




Conclusie en gevolgen


10. Gelet op het voorgaande heeft het UWV terecht beoordeeld dat eiser per 28 augustus 2024 geen recht heeft op een ZW-uitkering. Het betaalde voorschot is op juiste gronden door het UWV teruggevorderd. Eiser krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn daarom ongegrond. Omdat de beroepen ongegrond zijn, krijgt eiser het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.


































Beslissing


De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.C. Veelenturf, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.E.A. Schokker-Stadhouders, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




ECLI:NL:CRVB:2025:1438.


ECLI:NL:CRVB:2022:2672.