Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Oost-Brabant

ECLI:NL:RBOBR:2026:4764

2026-07-07 Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht 25/3784
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-07
Publicatiedatum
2026-07-06
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
25/3784
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Eiseres heeft het bezwaarschrift tegen het besluit ingetrokken zoals bedoeld in artikel 6:21 van de Awb. Zij heeft de intrekking van het bezwaarschrift onvoorwaardelijk en ongeclausuleerd kenbaar gemaakt aan het bestuursorgaan. Er is geen sprake van dwang of dwaling en niet is gebleken dat eiseres de intrekking ongedaan heeft gemaakt. Verder is geen sprake van een uitzondering op de hoofdregel dat eerst bezwaar moet zijn gemaakt alvorens beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter. Omdat eiseres het bezwaarschrift tegen het besluit heeft ingetrokken, kan zij geen beroep instellen bij de rechtbank. Het beroep is om die reden niet-ontvankelijk.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.754 tekens)
RECHTBANK OOST-BRABANT


Bestuursrecht


zaaknummer: SHE 25/3784


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak tussen



[eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. B.J. Bloemendal),


en




het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heeze en Leende, het college
(gemachtigde: [naam] ).





Inleiding


1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiseres tegen de brief van het college van 3 december 2025.



1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.




Beoordeling door de rechtbank


2. Bij de beoordeling gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.



2.1.
In een besluit van 30 september 2025 heeft het college de subsidie ‘Huur om Niet’ 2025 aan eiseres vastgesteld op € 37.529,- en de pilot ‘Huur om Niet’ beëindigd per 1 januari 2026.



2.2.
Bij brief van 10 oktober 2025 heeft eiseres een bezwaarschrift ingediend. Bij e-mail van 2 november 2025 heeft eiseres haar bezwaarschrift ingetrokken.



2.3.
Bij brief van 3 december 2025 heeft het college gereageerd op de brief van eiseres van 10 oktober 2025.

3. Uit artikel 6:21, eerste lid, van de Awb volgt dat de indiener zijn bezwaarschrift schriftelijk kan intrekken.

4. Uit artikel 7:1, eerste lid en aanhef, van de Awb volgt dat voordat beroep kan worden ingesteld tegen een besluit, eerst bezwaar moet worden gemaakt tegen het besluit, tenzij sprake is van een uitzondering als bedoeld onder sub a tot en met g, van dat artikellid. Vervolgens staat tegen het besluit op bezwaar beroep open bij de rechtbank. Dit volgt uit artikel 8:1 gelezen in samenhang met artikel 7:1 van de Awb.

5. Tussen partijen is niet in geschil dat het bezwaarschrift van eiseres door een daartoe bevoegd persoon op 2 november 2025 schriftelijk is ingetrokken, zoals bedoeld in artikel 6:21 van de Awb. De rechtbank stelt vast dat eiseres de intrekking van het bezwaarschrift onvoorwaardelijk en ongeclausuleerd kenbaar heeft gemaakt aan het bestuursorgaan. Zo schrijft zij in haar e-mail van 2 november 2025: “Langs deze weg willen wij als bestuur dorpshuis [naam] het bezwaarschrift niet meer indienen. Dus intrekken.” Daarmee is de bezwaarprocedure formeel ten einde gekomen. Correspondentie van latere datum is dus niet meer gevoerd in het kader van een bezwaarprocedure. De brief van het college van 3 december 2025 kan dan ook niet worden aangemerkt als een besluit op bezwaar.

6. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat aan de intrekking van het bezwaarschrift geen betekenis mag worden toegekend omdat die onder dwang dan wel door dwaling tot stand zou zijn gekomen. Uit de stukken uit het dossier blijkt namelijk niet dat het college eiseres al dan niet ten onrechte heeft voorgehouden dat intrekking van het bezwaar noodzakelijk was om met het college in gesprek te kunnen gaan over de beëindiging van de pilot ‘[naam]’ (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2538, onder 5). Verder is niet gesteld noch gebleken dat eiseres de intrekking ongedaan heeft gemaakt door binnen dan wel buiten de bezwaartermijn een nieuw bezwaarschrift in te dienen.

7. Verder is in deze zaak geen sprake van een uitzondering op de hoofdregel dat bezwaar moet zijn gemaakt alvorens beroep te kunnen instellen bij de bestuursrechter, zoals bedoeld in artikel 7:1, eerste lid, van de Awb. De omstandigheid dat het college als bevoegd orgaan binnen de wettelijke beslistermijn een reactie heeft gegeven op de brief van eiseres van 10 oktober 2025, maakt niet dat alsnog sprake is van een beslissing op een bezwaar en dus een voor beroep vatbaar besluit. Voor toepassing van artikel 6:19 van de Awb, zoals eiseres stelt, bestaat ook geen aanleiding omdat met de brief van 3 december 2025 geen sprake is van een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van een bestreden besluit.




Conclusie en gevolgen

8. Omdat eiseres het bezwaarschrift tegen het besluit van 30 september 2025 heeft ingetrokken, kan zij geen beroep instellen bij de rechtbank. Het beroep is om die reden niet-ontvankelijk.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Ook krijgt eiseres geen vergoeding van het griffierecht.
Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.




Deze uitspraak is gedaan door mr. R. van den Munckhof, rechter, in aanwezigheid van mr. T.N.H. Tran, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.