Rechtbank Oost-Brabant
ECLI:NL:RBOBR:2026:4757
2026-07-06
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
25/3224 en 25/3225
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Het verzoek van eisers om handhavend optreden tegen de huisvesting minderjarige statushouders is afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat de woongroep van minderjarige statushouders niet aan te merken is als één huishouden en daarmee ook niet op één lijn is te stellen. De huisvesting van minderjarige statushouders is daarom in strijd met het omgevingsplan. Het college moet een nieuw besluit nemen over de vraag of tot handhaving moet worden overgegaan.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RVS:2017:967 Raad van State 12-04-2017
- ECLI:NL:RVS:2015:160 Raad van State 28-01-2015
- ECLI:NL:RVS:2017:967 Raad van State 12-04-2017
- ECLI:NL:RVS:2026:3487 Raad van State 17-06-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.966 tekens)
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: SHE 25/3224 en SHE 25/3225
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2026 in de zaken tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: [naam]),
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: [naam]),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Valkenswaard
(gemachtigde: mr. S.M.P. Looijmans).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: Stichting [naam] uit [vestigingsplaats] (derde-partij),(gemachtigde [naam]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over weigering om handhavend op te treden tegen de huisvesting van minderjarige statushouders in het pand [adres] te [woonplaats] (de woning). Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij willen met deze procedure bereiken dat de woning in overeenstemming met het omgevingsplan wordt gebruikt.
1.1.
De rechtbank merkt de woongroep van minderjarige statushouders niet aan als één huishouden. De woongroep is daarmee ook niet op één lijn te stellen. Het omgevingsplan laat alleen zelfstandige bewoning door één huishouden toe. De huisvesting van de minderjarige statushouders is dan ook in strijd met het omgevingsplan. Eisers krijgen dus gelijk. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten op bezwaar en draagt het college op om opnieuw op de bezwaren te beslissen.
Inleiding
2. De derde-partij heeft de woning van medio oktober 2024 tot medio oktober 2026 gehuurd voor de opvang van maximaal acht statushouders in de leeftijd van 16 tot 18 jaar. 2.1. Eisers wonen in de buurt van de woning. Zij hebben ieder een verzoek om handhavend optreden ingediend omdat het gebruik van de woning voor huisvesting van minderjarige statushouders volgens hen in strijd is het met het omgevingsplan. Het college heeft deze verzoeken met de besluiten van 21 januari 2025 en 6 februari 2025 afgewezen. 2.2. Eisers hebben daartegen bezwaar gemaakt. De adviescommissie voor de bezwaarschriften heeft geadviseerd om alsnog tot handhaving over te gaan. Met de bestreden besluiten van 30 september 2025 op de bezwaren van eisers is het college, in afwijking van het advies van de adviescommissie, bij de afwijzing van de verzoeken gebleven.
2.3.
Eisers hebben beroepen ingesteld tegen de bestreden besluiten.
2.4.
De rechtbank heeft de beroepen op 29 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van het college en de gemachtigde van de derde-partij.
Beoordeling door de rechtbank
Toepasselijke regelgeving
3. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft elke gemeente van rechtswege een omgevingsplan dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bevat een tijdelijk deel, waarin alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. 3.1. Op het perceel van de woning waren vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan “[naam]” (bestemmingsplan) en het paraplubestemmingsplan “[naam]” (parapluplan) van toepassing. Op grond van het bestemmingsplan heeft het perceel waarop de woning staat de enkelbestemming “Wonen” en de nadere aanduiding “Maximaal aantal wooneenheden: 1’’.
Op grond van artikel 16.1 juncto artikel 16.2.1 van de bestemmingsplanregels zijn de gronden onder meer bestemd voor wonen, met dien verstande dat op de gronden maximaal één woning of wooneenheid is toegestaan. Volgens de begripsomschrijving in artikel 1.19 van de regels van het parapluplan wordt onder wonen verstaan: “het gebruik van een woning of wooneenheid door één afzonderlijk huishouden”. Een huishouden wordt in artikel 1.12 omschreven als een verzameling van één of meer personen die een gemeenschappelijke huishouding voeren, waarbij sprake is van continuïteit in samenstelling en onderlinge verbondenheid.
Is sprake van een overtreding?
4. Het college is alleen bevoegd om tot handhaving over te gaan als sprake is van een overtreding van een wettelijk voorschrift. In deze zaak gaat het om de vraag of sprake is van zelfstandige bewoning door één huishouden. De woning wordt bewoond door een woongroep van minderjarige statushouders die worden begeleid naar zelfstandige huisvesting. De woongroep kan op één lijn worden gesteld met een huishouden als de minderjarige statushouders een gemeenschappelijke huishouding zouden voeren, waarbij sprake moet zijn continuïteit in samenstelling en onderlinge verbondenheid.4.1. Eisers voeren aan dat geen sprake is van continuïteit in de samenstelling voorafgaand aan en na de bewoning van het pand. Voor zover bekend bestond geen enkele band tussen de minderjarige statushouders voordat zij het pand betrokken. Het verblijf in de woning is tijdelijk van aard. Het uiteindelijke doel is doorstroming naar een andere woning zodra zij de leeftijd van 18 jaar bereiken of wanneer hereniging met familie mogelijk is. Hiermee staat van tevoren vast dat de samenstelling van de groep binnen twee jaar zal wijzigen. Er is volgens eisers geen intentie om voor onbepaalde tijd één huishouden te vormen.4.2. Het college stelt de woongroep van minderjarige statushouders wel op één lijn met een huishouden. Volgens het college is sprake van een zekere duurzaamheid wat betreft de bewoning, aangezien twee jaar een bestendige huurperiode betreft. Er mag geen sprake zijn van wisseling van bewoners. Het is niet toegestaan bij het vertrek van een bewoner een nieuwe bewoner te plaatsen, omdat dat afbreuk doet aan de continuïteit in samenstelling. Dat is volgens het college afgesproken met de derde partij.4.3. De rechtbank stelt op grond van het verhandelde tijdens de zitting vast dat de woongroep in opdracht van Stichting [naam] wordt gehuisvest en begeleid door de derde partij. Stichting [naam] is door de overheid aangewezen om de voogdij, opvang en begeleiding te organiseren voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen. De woongroep is door de derde partij en/of door Stichting [naam] samengesteld uit minderjarige statushouders van 16 – 18 jaar. Vanaf 15 oktober 2024 verblijven er acht minderjarige statushouders in de woning. Zij worden begeleid naar zelfstandig wonen. De bewoners stromen uit bij gezinshereniging of als zij meerderjarig zijn en naar een zelfstandige woning kunnen vertrekken. Tijdens de zitting is gebleken dat één bewoner op enig moment de woning heeft verlaten met het oog op gezinshereniging. Daarvoor is geen nieuwe bewoner in de plaats gekomen. Als de bewoners meerderjarig worden zonder dat zij ergens anders kunnen gaan wonen, worden zij nog steeds in de woning gehuisvest en begeleid. Dat gebeurt in het kader van de verlengde opvang tot 21 jaar. 4.4. De minderjarige statushouders hebben naar het oordeel van de rechtbank niet de intentie om bestendig, voor onbepaalde tijd een met een gezinsband vergelijkbaar samenlevingsverband aan te gaan. Het gaat niet om een samenlevingsvorm die bestond vóór en zal standhouden ná bewoning van de woning. De begeleiding is immers gericht op zelfstandig wonen. Het is de bedoeling dat de individuele statushouders zelfstandig gaan wonen nadat zij volwassen geworden zijn en een woning kunnen krijgen. Zij kunnen ook al eerder uitstromen in geval van gezinshereniging. Het samenwonen van de minderjarige statushouders kenmerkt zich dan ook door een van tevoren vaststaande tijdelijkheid van de samenwoning. In deze situatie is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van één huishouding als bedoeld in de planregels.4.5. De stelling van het college dat is afgesproken met de derde partij dat bij vertrek van een bewoner geen nieuwe bewoner wordt geplaatst, leidt niet tot een ander oordeel. De nakoming van deze afspraak is niet geborgd. Maar ook als deze afspraak zou worden nagekomen, doet dat niet af aan de intentie van de bewoners. De intentie is niet om bestendig, voor onbepaalde tijd, een met een gezinsband vergelijkbaar samenwerkingsverband aan te gaan. Het gaat, zoals gezegd, om een van tevoren vaststaande tijdelijkheid van de samenwoning. 4.6. Uit het voorgaande vloeit al voort dat geen sprake is van zelfstandige bewoning door één huishouden. Het gebruik van de woning is dan ook in strijd met het omgevingsplan en is verboden op grond van artikel 5.1, eerste lid onder a, van de Omgevingswet. Het college is bevoegd om tot handhaving over te gaan. Gelet op deze conclusie komt de rechtbank niet meer toe aan wat eisers verder hebben aangevoerd.Conclusie en gevolgen
5. De beroepen zijn gegrond omdat het college ten onrechte heeft aangenomen niet bevoegd te zijn tot handhaving. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten op bezwaar. 5.1. De rechtbank ziet geen aanleiding om het geschil tussen partijen nu al finaal te beslechten. Dat komt doordat er nader onderzoek en een nadere afweging moet plaatsvinden bij de vraag of het college tot handhaving moet overgaan. Daarbij geldt volgens vaste rechtspraak als uitgangspunt dat het algemeen belang is gediend met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat is gediend met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie. Ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen tot het oordeel leiden dat er een bijzonder geval is. In dit geval heeft nog geen onderzoek naar de mogelijkheid tot legalisatie en naar andere bijzondere omstandigheden plaatsgevonden. Dat moet alsnog gebeuren. Daarbij moet het college de feiten en omstandigheden betrekken ten tijde van het nieuwe besluit op de bezwaren van eisers.
6. De rechtbank ziet aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van eisers voor de behandeling van de beroepen. De beroepen van eisers zijn ingesteld door dezelfde gemachtigde, de beroepschriften zijn gelijkluidend en de beroepen zijn tegelijk op de zitting van 29 juni 2026 behandeld. De rechtbank bepaalt de proceskosten die voor vergoeding in aanmerking daarom op € 1.868,00 (één punt voor de beroepschriften en één punt voor het verschijnen op zitting, met een waarde van € 934,00 per punt en wegingsfactor 1). Omdat de beroepen gegrond zijn, moet het college het griffierecht aan elk van eisers vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart de beroepen gegrond;
vernietigt de bestreden besluiten van 30 september 2025;
draagt het college op om een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van eisers, met inachtneming van deze uitspraak;
bepaalt dat het college de proceskosten van eisers in beroep tot een bedrag van € 1.868,00 moet vergoeden;
bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,00 aan elk van eisers moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Hutten, rechter, in aanwezigheid van R.G. van der Korput, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 12 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:967.
Zie bijv. de uitspraken van de Afdeling van 28 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:160 en 12 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:967.
Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling van 17 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3487.
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: SHE 25/3224 en SHE 25/3225
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2026 in de zaken tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: [naam]),
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: [naam]),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Valkenswaard
(gemachtigde: mr. S.M.P. Looijmans).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: Stichting [naam] uit [vestigingsplaats] (derde-partij),(gemachtigde [naam]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over weigering om handhavend op te treden tegen de huisvesting van minderjarige statushouders in het pand [adres] te [woonplaats] (de woning). Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij willen met deze procedure bereiken dat de woning in overeenstemming met het omgevingsplan wordt gebruikt.
1.1.
De rechtbank merkt de woongroep van minderjarige statushouders niet aan als één huishouden. De woongroep is daarmee ook niet op één lijn te stellen. Het omgevingsplan laat alleen zelfstandige bewoning door één huishouden toe. De huisvesting van de minderjarige statushouders is dan ook in strijd met het omgevingsplan. Eisers krijgen dus gelijk. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten op bezwaar en draagt het college op om opnieuw op de bezwaren te beslissen.
Inleiding
2. De derde-partij heeft de woning van medio oktober 2024 tot medio oktober 2026 gehuurd voor de opvang van maximaal acht statushouders in de leeftijd van 16 tot 18 jaar. 2.1. Eisers wonen in de buurt van de woning. Zij hebben ieder een verzoek om handhavend optreden ingediend omdat het gebruik van de woning voor huisvesting van minderjarige statushouders volgens hen in strijd is het met het omgevingsplan. Het college heeft deze verzoeken met de besluiten van 21 januari 2025 en 6 februari 2025 afgewezen. 2.2. Eisers hebben daartegen bezwaar gemaakt. De adviescommissie voor de bezwaarschriften heeft geadviseerd om alsnog tot handhaving over te gaan. Met de bestreden besluiten van 30 september 2025 op de bezwaren van eisers is het college, in afwijking van het advies van de adviescommissie, bij de afwijzing van de verzoeken gebleven.
2.3.
Eisers hebben beroepen ingesteld tegen de bestreden besluiten.
2.4.
De rechtbank heeft de beroepen op 29 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van het college en de gemachtigde van de derde-partij.
Beoordeling door de rechtbank
Toepasselijke regelgeving
3. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft elke gemeente van rechtswege een omgevingsplan dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bevat een tijdelijk deel, waarin alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. 3.1. Op het perceel van de woning waren vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan “[naam]” (bestemmingsplan) en het paraplubestemmingsplan “[naam]” (parapluplan) van toepassing. Op grond van het bestemmingsplan heeft het perceel waarop de woning staat de enkelbestemming “Wonen” en de nadere aanduiding “Maximaal aantal wooneenheden: 1’’.
Op grond van artikel 16.1 juncto artikel 16.2.1 van de bestemmingsplanregels zijn de gronden onder meer bestemd voor wonen, met dien verstande dat op de gronden maximaal één woning of wooneenheid is toegestaan. Volgens de begripsomschrijving in artikel 1.19 van de regels van het parapluplan wordt onder wonen verstaan: “het gebruik van een woning of wooneenheid door één afzonderlijk huishouden”. Een huishouden wordt in artikel 1.12 omschreven als een verzameling van één of meer personen die een gemeenschappelijke huishouding voeren, waarbij sprake is van continuïteit in samenstelling en onderlinge verbondenheid.
Is sprake van een overtreding?
4. Het college is alleen bevoegd om tot handhaving over te gaan als sprake is van een overtreding van een wettelijk voorschrift. In deze zaak gaat het om de vraag of sprake is van zelfstandige bewoning door één huishouden. De woning wordt bewoond door een woongroep van minderjarige statushouders die worden begeleid naar zelfstandige huisvesting. De woongroep kan op één lijn worden gesteld met een huishouden als de minderjarige statushouders een gemeenschappelijke huishouding zouden voeren, waarbij sprake moet zijn continuïteit in samenstelling en onderlinge verbondenheid.4.1. Eisers voeren aan dat geen sprake is van continuïteit in de samenstelling voorafgaand aan en na de bewoning van het pand. Voor zover bekend bestond geen enkele band tussen de minderjarige statushouders voordat zij het pand betrokken. Het verblijf in de woning is tijdelijk van aard. Het uiteindelijke doel is doorstroming naar een andere woning zodra zij de leeftijd van 18 jaar bereiken of wanneer hereniging met familie mogelijk is. Hiermee staat van tevoren vast dat de samenstelling van de groep binnen twee jaar zal wijzigen. Er is volgens eisers geen intentie om voor onbepaalde tijd één huishouden te vormen.4.2. Het college stelt de woongroep van minderjarige statushouders wel op één lijn met een huishouden. Volgens het college is sprake van een zekere duurzaamheid wat betreft de bewoning, aangezien twee jaar een bestendige huurperiode betreft. Er mag geen sprake zijn van wisseling van bewoners. Het is niet toegestaan bij het vertrek van een bewoner een nieuwe bewoner te plaatsen, omdat dat afbreuk doet aan de continuïteit in samenstelling. Dat is volgens het college afgesproken met de derde partij.4.3. De rechtbank stelt op grond van het verhandelde tijdens de zitting vast dat de woongroep in opdracht van Stichting [naam] wordt gehuisvest en begeleid door de derde partij. Stichting [naam] is door de overheid aangewezen om de voogdij, opvang en begeleiding te organiseren voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen. De woongroep is door de derde partij en/of door Stichting [naam] samengesteld uit minderjarige statushouders van 16 – 18 jaar. Vanaf 15 oktober 2024 verblijven er acht minderjarige statushouders in de woning. Zij worden begeleid naar zelfstandig wonen. De bewoners stromen uit bij gezinshereniging of als zij meerderjarig zijn en naar een zelfstandige woning kunnen vertrekken. Tijdens de zitting is gebleken dat één bewoner op enig moment de woning heeft verlaten met het oog op gezinshereniging. Daarvoor is geen nieuwe bewoner in de plaats gekomen. Als de bewoners meerderjarig worden zonder dat zij ergens anders kunnen gaan wonen, worden zij nog steeds in de woning gehuisvest en begeleid. Dat gebeurt in het kader van de verlengde opvang tot 21 jaar. 4.4. De minderjarige statushouders hebben naar het oordeel van de rechtbank niet de intentie om bestendig, voor onbepaalde tijd een met een gezinsband vergelijkbaar samenlevingsverband aan te gaan. Het gaat niet om een samenlevingsvorm die bestond vóór en zal standhouden ná bewoning van de woning. De begeleiding is immers gericht op zelfstandig wonen. Het is de bedoeling dat de individuele statushouders zelfstandig gaan wonen nadat zij volwassen geworden zijn en een woning kunnen krijgen. Zij kunnen ook al eerder uitstromen in geval van gezinshereniging. Het samenwonen van de minderjarige statushouders kenmerkt zich dan ook door een van tevoren vaststaande tijdelijkheid van de samenwoning. In deze situatie is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van één huishouding als bedoeld in de planregels.4.5. De stelling van het college dat is afgesproken met de derde partij dat bij vertrek van een bewoner geen nieuwe bewoner wordt geplaatst, leidt niet tot een ander oordeel. De nakoming van deze afspraak is niet geborgd. Maar ook als deze afspraak zou worden nagekomen, doet dat niet af aan de intentie van de bewoners. De intentie is niet om bestendig, voor onbepaalde tijd, een met een gezinsband vergelijkbaar samenwerkingsverband aan te gaan. Het gaat, zoals gezegd, om een van tevoren vaststaande tijdelijkheid van de samenwoning. 4.6. Uit het voorgaande vloeit al voort dat geen sprake is van zelfstandige bewoning door één huishouden. Het gebruik van de woning is dan ook in strijd met het omgevingsplan en is verboden op grond van artikel 5.1, eerste lid onder a, van de Omgevingswet. Het college is bevoegd om tot handhaving over te gaan. Gelet op deze conclusie komt de rechtbank niet meer toe aan wat eisers verder hebben aangevoerd.Conclusie en gevolgen
5. De beroepen zijn gegrond omdat het college ten onrechte heeft aangenomen niet bevoegd te zijn tot handhaving. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten op bezwaar. 5.1. De rechtbank ziet geen aanleiding om het geschil tussen partijen nu al finaal te beslechten. Dat komt doordat er nader onderzoek en een nadere afweging moet plaatsvinden bij de vraag of het college tot handhaving moet overgaan. Daarbij geldt volgens vaste rechtspraak als uitgangspunt dat het algemeen belang is gediend met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat is gediend met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie. Ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen tot het oordeel leiden dat er een bijzonder geval is. In dit geval heeft nog geen onderzoek naar de mogelijkheid tot legalisatie en naar andere bijzondere omstandigheden plaatsgevonden. Dat moet alsnog gebeuren. Daarbij moet het college de feiten en omstandigheden betrekken ten tijde van het nieuwe besluit op de bezwaren van eisers.
6. De rechtbank ziet aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van eisers voor de behandeling van de beroepen. De beroepen van eisers zijn ingesteld door dezelfde gemachtigde, de beroepschriften zijn gelijkluidend en de beroepen zijn tegelijk op de zitting van 29 juni 2026 behandeld. De rechtbank bepaalt de proceskosten die voor vergoeding in aanmerking daarom op € 1.868,00 (één punt voor de beroepschriften en één punt voor het verschijnen op zitting, met een waarde van € 934,00 per punt en wegingsfactor 1). Omdat de beroepen gegrond zijn, moet het college het griffierecht aan elk van eisers vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart de beroepen gegrond;
vernietigt de bestreden besluiten van 30 september 2025;
draagt het college op om een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van eisers, met inachtneming van deze uitspraak;
bepaalt dat het college de proceskosten van eisers in beroep tot een bedrag van € 1.868,00 moet vergoeden;
bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,00 aan elk van eisers moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Hutten, rechter, in aanwezigheid van R.G. van der Korput, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 12 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:967.
Zie bijv. de uitspraken van de Afdeling van 28 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:160 en 12 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:967.
Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling van 17 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3487.