Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Oost-Brabant

ECLI:NL:RBOBR:2026:4400

2026-06-19 Strafrecht 01.340924.25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Uitspraakdatum
2026-06-19
Publicatiedatum
2026-06-18
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
01.340924.25
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Veroordeling voor aanranding van een 17-jarige leerling die rijles volgt bij verdachte en het zich verschaffen van toegang tot kinderporno tot een gevangenisstraf van 4 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast moet verdachte het slachtoffer een schadevergoeding betalen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (34.812 tekens)
vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT


Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht



Parketnummer: 01.340924.25



Datum uitspraak: 19 juni 2026



Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:





[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1989] ,
wonende te [adres] .



Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 juni 2026.



De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.




De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 9 april 2026.


Aan verdachte is ten laste gelegd dat:



T.a.v. feit 1 primair:hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2024 tot en met 31 december 2024 te’s-Hertogenbosch, althans in Nederland,met een kind in de leeftijd van zestien tot achttien jaren, te weten [slachtoffer][2007]een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten:-het aanraken en/of betasten van de vagina van die [slachtoffer] en/of-het aanraken en/of betasten van het bovenbeen van die [slachtoffer] en/of-het aanraken en/of betasten en/of vastpakken van de handen van die [slachtoffer]en/of-het aanraken en/of betasten en/of vastpakken van het gezicht en/of hoofd van die[slachtoffer] ,terwijl dit feit werd begaan jegens een kind waarover verdachte het gezaguitoefende en/of een anderszins aan de zorg, waakzaamheid of opleiding vanverdachte toevertrouwd kind en/of een aan verdachte ondergeschikt kind, te wetenals zijnde de rij instructeur van die [slachtoffer] ;



T.a.v. feit 1 subsidiair:hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2024 tot en met 31 december 2024 te’s-Hertogenbosch, althans in Nederland,met een persoon, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen heeftverricht, te weten:-het aanraken en/of betasten van de vagina van die [slachtoffer] en/of-het aanraken en/of betasten van het bovenbeen van die [slachtoffer] en/of-het aanraken en/of betasten en/of vastpakken van de handen van die [slachtoffer]en/of-het aanraken en/of betasten en/of vastpakken van het gezicht en/of hoofd van die[slachtoffer] ,terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die[slachtoffer] daartoe de wil ontbrak;
T.a.v. feit 2:hij in of omstreeks de periode van 23 mei 2025 tot en met 10 juni 2025 te's-Hertogenbosch, althans in Nederland,meermalen, althans eenmaal,een of meer visuele weergaven van seksuele aard en/of met onmiskenbaar seksuelestrekkingwaarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,was betrokken of schijnbaar was betrokkenheeftverworven en/ofin bezit heeft gehad en/ofzich daartoe de toegang heeft verschaftte weten foto’s en/of video’s en/of een mobiele telefoon (Iphone 16 Pro Max)(bevattende afbeeldingen),waarop te zien is dat:die persoon vaginaal en/of anaal wordt gepenetreerd met een penisen/ofhet eigen lichaam vaginaal wordt gepenetreerd met eenvinger en/of hand, door die persoon(bestandsnaam: 2, zoals vermeld op pagina 84 van het proces-verbaal en tevensopgenomen in de collectiescan en de bijbehorende toonmap en bestandsnaam:[bestandsnaam ] en bestandsnaam [bestandsnaam ] , zoals opgenomen in de collectiescan en de bijbehorende toonmap)en/ofhet geslachtsdeel en/of van die persoon met een penis en/of vinger en/of handwordt/worden aangeraakten/ofhet geslachtsdeel van een ander kind/persoon met een vinger en/of handwordt/worden aangeraakt door die persoonen/ofdie persoon het eigen geslachtsdeel en/of de eigen borsten met een vinger en/ofhand en/of voorwerp aanraakt(bestandsnaam: 1, 3, 4 en 5 zoals vermeld op pagina 84 van het proces-verbaal entevens opgenomen in de collectiescan en de bijbehorende toonmap)en/ofdie persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij- die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en/of gekleed is en/of ineen (erotisch getinte) houding op een wijze die niet bij zijn leeftijd pasten/of- door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijzevan kleden van die persoon en/of de uitsnede van de foto’s/filmsnadrukkelijk het geslachtsdeel, de borsten en/of billen van die persoon in beeldworden gebracht(bestandsnaam: 5, zoals vermeld op pagina 84 van het proces-verbaal en tevensopgenomen in de collectiescan en de bijbehorende toonmap)en/ofbij/naast het gezicht en/of het lichaam van die persoon een (stijve) peniswordt gehouden,(bestandsnaam: 2, zoals vermeld op pagina 84 van het proces-verbaal en tevensopgenomen in de collectiescan en de bijbehorende toonmap).




De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.



Bewijs.



Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde.




Het standpunt van de verdediging.

Namens verdachte is integrale vrijspraak bepleit. Volgens zijn raadsman is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten te komen.
Ten aanzien van feit 1 is kan niet worden bewezen dat sprake is geweest van seksuele handelingen en dat verdachte seksuele bedoelingen heeft gehad. Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan aanranding van aangeefster.
Ten aanzien van feit 2 is geen sprake van beschikkingsmacht nu de afbeeldingen niet zijn gedownload en zijn opgeslagen op een gegevensdrager. Verdachte dient partieel te worden vrijgesproken van ‘verwerven’ en ‘in bezit hebben’ van kinderporno. Voorts kan niet worden bewezen dat verdachte opzet heeft gehad op het zich verschaffen van toegang tot kinderporno, ook niet in voorwaardelijke zin.











Bewijsbijlage.

Omwille van de leesbaarheid van de overwegingen, wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bijlage.




Het oordeel van de rechtbank.





Overwegingen ten aanzien van feit 1.

Verdachte is werkzaam als rijinstructeur en heeft tussen 1 maart 2024 en 31 december 2024 rijlessen gegeven aan aangeefster. Aangeefster verklaart dat verdachte haar tijdens de rijlessen op diverse plekken op haar lichaam heeft aangeraakt terwijl zij aan het rijden was. De rechtbank dient te beoordelen of deze verklaringen van aangeefster betrouwbaar zijn en of deze voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen.




Juridisch kader voor het bewijs in zedenzaken.

In het Wetboek van Strafvordering (Sv) is bepaald dat het bewijs dat een verdachte een strafbaar feit heeft begaan, niet uitsluitend kan worden aangenomen op basis van één bewijsmiddel, zoals een aangifte (artikel 342, tweede lid, Sv). Ook als de verklaring van een aangever betrouwbaar wordt geacht, is die enkele verklaring onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. De verklaring moet in ieder geval ondersteund worden door één bewijsmiddel uit een andere bron. Naast de aangifte is er dus steunbewijs nodig. Het is niet vereist dat voor de aangifte op het punt van de “kern” van het tenlastegelegde – hier de specifieke ontuchtige handelingen – steun is te vinden in het overige bewijsmateriaal. Het op bepaalde punten bevestigd zien van de verklaring van de aangeefster in andere bewijsmiddelen kan eveneens voldoende zijn, mits deze bewijsmiddelen afkomstig zijn van een andere bron en er geen te ver verwijderd verband bestaat tussen de verklaring van de aangeefster en het overige gebezigde bewijsmateriaal. De vraag of aan dit bewijsminimum is voldaan, vergt een beoordeling van het concrete geval.




Betrouwbaarheid verklaring aangeefster.

Allereest moet de rechtbank beoordelen of de verklaring van aangeefster betrouwbaar is. De rechtbank is van oordeel dat aangeefster consistent, gedetailleerd en concreet heeft verklaard over de aan verdachte ten laste gelegde handelingen. De rechtbank weegt daarin mee dat aangeefster haar verhaal chronologisch en opbouwend in ernst heeft verteld. Aangeefster verklaart bijvoorbeeld dat verdachte al bij aanvang van de rijlessen opmerkingen maakte en zich ongepast en niet professioneel gedroeg. De ernst en frequentie van de seksueel getinte opmerkingen en aanrakingen namen vervolgens toe naarmate de rijlessen vorderden. Ook heeft aangeefster de omschreven handelingen niet zwaarder aangezet dan hoe zij het op dat moment heeft beleefd. Op een aantal punten heeft zij zelfs haar best gedaan om de ernst van bepaalde handelingen te nuanceren; zo heeft aangeefster verklaard dat verdachte makkelijk was in de omgang, dat haar gedachten over hem goed waren en dat zij haar grenzen niet goed wist aan te geven.




Steunbewijs.

Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of de verklaring van aangeefster voldoende wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. Dat is het geval. De verklaring van aangeefster wordt op belangrijke punten ondersteund door de verklaring van verdachte. Daarnaast heeft aangeefster haar stagebegeleider, getuige [getuige] verteld wat er speelde. Hij verklaarde ook hoe hij zag dat aangeefster worstelde met de verhouding tussen haar als leerling en verdachte als rijinstructeur en met de vraag waar in een dergelijke verhouding de grenzen zouden moeten liggen. Daarnaast verklaart hij over het moment dat aangeefster net voor de feestdagen volledig geblokkeerd op stage kwam en dat zij op stage in slaap is gevallen. Aangeefster heeft haar hele verhaal na het behalen van haar rijbewijs gedetailleerd kunnen vertellen omdat zij toen pas alles op een rijtje kon zetten, aldus getuige [getuige]



De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de verklaring van aangeefster steun vindt in de overige, ook op zichzelf staande, bewijsmiddelen, zowel wat betreft de door haar omschreven seksueel grensoverschrijdende context als wat betreft de door haar omschreven ontuchtige handelingen. Bij die stand van zaken acht de rechtbank bewezen dat alle door aangeefster omschreven en ten laste gelegde handelingen hebben plaatsgevonden.




Periode.

De rechtbank zal de gehele ten laste gelegde periode bewezen verklaren. Hoewel aangeefster in maart 2024 is begonnen met lessen en zij op 23 december 2024 is geslaagd, zijn de fysieke aanrakingen in combinatie met ongepaste gesprekken begonnen in oktober 2024 en doorgegaan tot 31 december 2024 toen verdachte aangeefster een bericht met als inhoud: “ Baby de beste wensen. (…) Love you ” heeft gestuurd. De rechtbank acht daarom bewezen dat de handelingen hebben plaatsgevonden in de periode van 1 oktober 2024 tot en met 31 december 2024 omdat er van die periode berichten zijn en aangeefster heeft verklaard dat het fysieke contact nog heeft plaatsgevonden in de week nadat zij – op 23 december 2024 - is geslaagd voor haar rijbewijs.




Ontuchtige handelingen.

De ten laste gelegde handelingen – met uitzondering van het aanraken/betasten van de vagina – zijn naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf zonder nadere context niet onmiskenbaar seksueel van aard. Echter, gelet op de seksueel getinte gesprekken in de auto en de inhoud van de door verdachte via social media gestuurde sensuele berichten, is ook het aanraken van het bovenbeen, het gezicht en het hoofd en het vastpakken van de handen van aangeefster – in het licht van de context waarin die aanrakingen hebben plaatsgevonden – gericht op seksuele beleving. Daarmee krijgen deze aanrakingen een seksuele lading die in strijd is met de sociaal ethische norm.



Dat er seksueel getinte gesprekken hebben plaatsgevonden, wordt door verdachte niet ontkend. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij geen enkele seksuele intentie had met zijn aanrakingen dan ook onaannemelijk. Deze seksuele uitingen van verdachte schetsen een context waarin verdachte, alleen al met die uitingen, in vergaande mate de grenzen heeft overschreden die passen bij het contact tussen een rijinstructeur en zijn – minderjarige – leerling. Het is vervolgens binnen die context dat aangeefster verklaart dat verdachte haar tijdens de rijlessen ook diverse malen ontuchtig heeft aangeraakt. Voor het plaatsvinden van die omschreven aanrakingen is – zoals hiervoor geconcludeerd – steun te vinden in de verklaring en de bewoordingen van verdachte zelf, zoals het geven van een ‘tikje’ tegen het achterhoofd c.q. op het bovenbeen en het vastpakken van de handen van aangeefster tijdens het lessen.



De rechtbank is van oordeel dat de bewezen verklaarde handelingen, zeer ongepast in de relatie tussen een rijinstructeur en zijn leerling. Naast de met die afhankelijkheidsrelatie gepaard gaande machtsverhouding is verdachte 18 jaar ouder dan de aangeefster. Bovendien blijkt de seksuele aard van de handelingen van verdachte uit de vele seksuele opmerkingen die verdachte daaromheen maakte. De rechtbank is daarom van oordeel dat de handelingen van verdachte in strijd zijn met de sociaal-ethische norm en daarmee ontuchtig.




Conclusie.

Gelet op het vorengaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair ten laste gelegde.




Overwegingen ten aanzien van feit 2.

De rechtbank stelt vast dat uit onderzoek van de telefoon van verdachte is gebleken dat in de app Telegram visuele weergaven (ten minste 25 foto’s en 25 video’s) zijn aangetroffen die kunnen worden aangemerkt als kinderpornografisch. Verdachte heeft deze weergaven (voornamelijk) benaderd tussen 23 mei 2025 en 10 juni 2025. Hij heeft hiervoor een actieve handeling moeten verrichten. Om toegang te krijgen tot de kinderpornografische afbeeldingen, heeft hij bewust op de link geklikt die onder de voorvertoning stond. De rechtbank acht de verklaring dat hij geen opzet had op het kijken van kinderporno, mede gezien het aantal weergaven en de diverse momenten van benadering, dan ook onaannemelijk.



Anders dan door de verdediging is aangevoerd, acht de rechtbank de twee berichten in de chat met als onderdeel van de link [bestandsnaam ] en “[bestandsnaam ]” wel degelijk wijzend op kinderporno en niet op porno van meerderjarigen van klein formaat en tieners boven de achttien jaar.



In navolging van de officier van justitie en de verdediging, acht de rechtbank het ‘verwerven en ‘in bezit hebben’ van kinderporno niet bewezen zodat verdachte daarvan partieel zal worden vrijgesproken.




De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:


T.a.v. feit 1 (primair):

in de periode van 1 oktober 2024 tot en met 31 december 2024 in Nederland,


met een kind in de leeftijd van zestien tot achttien jaren, te weten [slachtoffer] (02-07-2007),


seksuele handelingen heeft verricht, te weten:


-het betasten van de vagina van die [slachtoffer] en


-het betasten van het bovenbeen van die [slachtoffer] en


-het vastpakken van de handen van die [slachtoffer] en


-het aanraken en vastpakken van het gezicht en hoofd van die [slachtoffer] ,


terwijl dit feit werd begaan jegens een aan de opleiding van verdachte toevertrouwd kind, te weten als zijnde de rijinstructeur van die [slachtoffer] ;




T.a.v. feit 2:

in de periode van 23 mei 2025 tot en met 10 juni 2025 in Nederland,


meermalen visuele weergaven van seksuele aard en/of met onmiskenbaar seksuele strekking


waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken,


zich daartoe de toegang heeft verschaft,


te weten foto’s en video’s waarop te zien is dat:


die persoon vaginaal en/of anaal wordt gepenetreerd met een penis en


het eigen lichaam vaginaal wordt gepenetreerd met een vinger en/of hand, door die persoon


(bestandsnaam: 2, zoals vermeld op pagina 84 van het proces-verbaal en tevens opgenomen in de collectiescan en de bijbehorende toonmap en bestandsnaam: [bestandsnaam ] en bestandsnaam [bestandsnaam ], zoals opgenomen in de collectiescan en de bijbehorende toonmap)


en


het geslachtsdeel en/of van die persoon met een penis en/of vinger en/of hand wordt/worden aangeraakt en


het geslachtsdeel van een ander kind/persoon met een vinger en/of hand wordt/worden aangeraakt door die persoon en


die persoon het eigen geslachtsdeel en/of de eigen borsten met een vinger en/of hand en/of voorwerp aanraakt


(bestandsnaam: 1, 3, 4 en 5 zoals vermeld op pagina 84 van het proces-verbaal en tevens opgenomen in de collectiescan en de bijbehorende toonmap)


en


die persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij



- die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en/of gekleed is en/of een (erotisch getinte) houding op een wijze die niet bij zijn leeftijd past en


- door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van die persoon en/of de uitsnede van de foto’s/films nadrukkelijk het geslachtsdeel, de borsten en/of billen van die persoon in beeld worden gebracht



(bestandsnaam: 5, zoals vermeld op pagina 84 van het proces-verbaal en tevens opgenomen in de collectiescan en de bijbehorende toonmap)


en


bij/naast het gezicht en/of het lichaam van die persoon een (stijve) penis wordt gehouden,


(bestandsnaam: 2, zoals vermeld op pagina 84 van het proces-verbaal en tevens opgenomen in de collectiescan en de bijbehorende toonmap)




Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.





De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.


Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.




De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.



Oplegging van straf en/of maatregel.



De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.




Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft – in geval van een bewezenverklaring – verzocht te volstaan met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en eventueel een geldboete.




Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.



De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.




Ernst van de feiten.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan aanranding van een minderjarige die aan zijn opleiding als rijinstructeur was toevertrouwd. Hij heeft zijn minderjarige leerling tijdens haar rijlessen betast. Hij raakte haar op diverse plekken aan terwijl zij rijles had waardoor ze geen kant op kon en het moeilijk vond om weerstand te bieden. Verdachte heeft hiermee op ernstige wijze de lichamelijke integriteit van het minderjarige slachtoffer geschonden. Deze ontuchtige handelingen gingen gepaard met vele zeer ongepaste en vergaande seksuele opmerkingen, vragen en berichten. Verdachte heeft misbruik gemaakt van de kwetsbare positie waarin het jonge slachtoffer zich bevond en het vertrouwen dat zij in hem mocht hebben als leraar en volwassene. Het slachtoffer, dat in haar schriftelijke slachtofferverklaring heeft verteld over de impact die het handelen van verdachte op haar en haar seksuele ontwikkeling heeft gehad. Het is een feit van algemene bekendheid dat de psychische en seksuele ontwikkeling van een persoon door feiten als de onderhavige ernstig en zelfs blijvend kan worden verstoord. Slachtoffers van zedendelicten ondervinden in de regel geruime tijd problemen op het gebied van hun zelfbeeld en hun vertrouwen in andere mensen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij hier kennelijk in het geheel niet bij stil heeft gestaan.
Daarnaast is er als ‘bijvangst’ kinderporno op de telefoon van verdachte aangetroffen. Door middel van een communicatiedienst heeft hij zich daartoe de toegang verschaft. Kinderporno is uitermate schadelijk, nu bij de vervaardiging daarvan kinderen seksueel worden misbruikt en uitgebuit. Dat maakt kinderporno bijzonder ongewenst. Met het binnenhalen van kinderporno heeft verdachte bijgedragen aan de instandhouding van de vraag daarnaar en hij moet daarom mede verantwoordelijk worden gehouden voor dat seksueel misbruik van kinderen en hun exploitatie. Voor een effectieve bestrijding van kinderporno is het dus noodzakelijk niet alleen degenen aan te pakken die kinderporno vervaardigen, maar ook degenen die kinderporno zoeken of binnenhalen. De rechtbank rekent dit verdachte dan ook zeer aan.




De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel justitiële documentatie (het strafblad) van verdachte van 23 april 2026, waaruit blijkt dat hij (in Nederland) niet eerder is veroordeeld voor een (zeden)misdrijf.
Verdachte heeft ter terechtzitting te kennen gegeven op korte termijn te stoppen als rijinstructeur en afscheid te hebben genomen bij de rijschool waar hij als zzp’er in dienst was. Deze beslissing houdt verband met de onderhavige zaak. De rechtbank acht (mede) daarom een beroepsverbod niet aan de orde.




Strafoplegging

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank onder andere gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij heeft de rechtbank vastgesteld dat doorgaans wordt gekozen voor de combinatie van een deels voorwaardelijke en een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals ook door de officier van justitie is gevorderd. Ook in dit geval acht de rechtbank, gezien de ernst van de feiten en in navolging van de eis van de officier van justitie, een gevangenisstraf passend. Wel acht de rechtbank het van belang een deel van deze gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen, opdat dit verdachte in de toekomst zal weerhouden van het plegen van strafbare feiten.



De raadsman heeft verzocht aan verdachte een geldboete en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De rechtbank is echter van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk.
Een geldboete zou geen recht doen aan de ernst van het bewezen verklaarde. De rechtbank is namelijk van oordeel dat verdachte de consequentie van zijn handelen moet ondervinden.



De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.




De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en namens haar is een bedrag gevorderd van € 4.000,- aan immateriële schade, ten gevolge van het onder feit 1 aan verdachte ten laste gelegde.



Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de vordering tot vergoeding van immaterieel geleden schade toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.




Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair – mocht de rechtbank tot bewezenverklaring komen van de onderste drie gedachtestreepjes – heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij alsnog niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering om er geen sprake is van een situatie waarin uit de aard en de ernst van de normaantijging (zonder meer) volgt dat van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is gelet op de beperkte inbreuk die de bewezen verklaarde handelingen op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij heeft gemaakt. Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht om de immateriële schade te matigen.




Beoordeling.

De rechtbank stelt voorop dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Indien het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is indien voornoemde aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partijen zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon met betrekking tot de benadeelde partij kan worden aangenomen.
De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zozeer voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon reeds kan worden aangenomen. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat seksuele delicten een ernstige inbreuk op de integriteit en persoonlijke levenssfeer van slachtoffers kunnen opleveren en dat slachtoffers nog geruime tijd met de psychische gevolgen daarvan te kampen kunnen hebben, waardoor reeds op die grond kan worden gesproken van schending van een persoonlijkheidsrecht. Resumerend is de rechtbank van oordeel dat het gestelde geestelijke letsel dat door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte is opgetreden, valt onder het bereik artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek.



Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de impact die het bewezen verklaarde op de benadeelde partij heeft gehad, is de rechtbank van oordeel dat dat deze gedragingen, in vergelijking met andere seksuele delicten, van beperkte aard zijn geweest. Gelet hierop en gelet op alle overige omstandigheden van het geval, waaronder de bedragen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd, begroot de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid op een bedrag van € 1.500,-. De rechtbank zal de benadeelde partij
niet-ontvankelijk verklaren in het overige gedeelte van de vordering.
De benadeelde partij kan dit gedeelte van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.



De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.




Wettelijke rente

Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2024, zijnde de laatste dag van de bewezen verklaarde periode. De schade wordt geacht op dat moment te zijn ontstaan.




Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2024 tot de dag der algehele voldoening.



Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.




Beslag.
Verdachte heeft ter terechtzitting afstand gedaan van de onder hem in beslag genomen telefoon (Apple iPhone 16 Pro Max) zodat de rechtbank daarop geen beslissing meer behoeft te nemen.




Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen: 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 245 en 252 van het Wetboek van Strafrecht.


DE UITSPRAAK


De rechtbank:




Bewezenverklaring.


- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.



Strafbaarheid.


- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende misdrijven oplevert:


T.a.v. feit 1 primair:

aanranding in de leeftijdscategorie van zestien tot achttien jaren, begaan jegens een aan de opleiding van diegene toevertrouwd kind;




T.a.v. feit 2:

een visuele weergave van seksuele aard of met een onmiskenbaar seksuele strekking, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, zich de toegang daartoe verschaffen.



- verklaart verdachte hiervoor strafbaar.



Strafoplegging.


- veroordeelt verdachte tot:


T.a.v. feit 1 primair, feit 2:

 een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

- stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.



Benadeelde partij

T.a.v. feit 1 primair:

- legt aan de verdachte op:
 de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van 1.500,00 euro.
- bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 15 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.


Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.







Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :



- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van 1.500,00 euro, bestaande uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
- veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.


Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.





Dit vonnis is gewezen door:
mr. S.A.E.M. Rampaart, voorzitter,
mr. J.H.L.M. Snijders en mr. T.C. Heijmerink, leden,
in tegenwoordigheid van mr. N.J.S. Doornbosch, griffier,
en is uitgesproken op 19 juni 2026.



De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.