Rechtbank Oost-Brabant
ECLI:NL:RBOBR:2026:4171
2026-06-11
Civiel recht
11803050 \ CV EXPL 25-3918
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Aanneming van werk. Renovatie gevel woning. Vordering tot betaling vervangende schadevergoeding wegens wanprestatie. 6:74 BW. Verzuim. Gebrekkige prestatie. Gevolgschade.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (28.774 tekens)
RECHTBANK
OOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: 11803050 \ CV EXPL 25-3918
Vonnis van 11 juni 2026
in de zaak van
1 [eiser 1] 2. [eiser 2] ,
beide te [plaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
gemachtigden: mr. F.E. Majtlis en mr. R. Sheombar,
tegen
[gedaagde] , h.o.d.n. [bedrijfsnaam gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 juli 2025, met 22 producties;- de conclusie van antwoord (tevens houdende eis in reconventie) van 18 september 2025, met 1 productie;- de brief van 3 februari 2026, waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de conclusie van antwoord in reconventie van 30 april 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 mei 2026. De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen: [eisers] , namens hen mr. F.E. Majtlis en mr. R. Sheombar (als gemachtigden); en tot slot mr. L. van Dord, kantoorgenoot van de gemachtigden (als toehoorder).
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling is [gedaagde] niet verschenen.
1.4.
Evenmin is tijdens de mondelinge behandeling een gemachtigde namens [gedaagde] verschenen. De kantonrechter stelt vast dat mr. A. Alkir voorheen optrad als gemachtigde van [gedaagde] , maar dat mr. Alkir zich door middel van een bericht aan de rechtbank van 29 augustus 2025 heeft onttrokken. Onder gelijktijdige toezending van de conclusie van antwoord heeft mr. Alkir vervolgens op 18 september 2025 de rechtbank bericht dat hij de heer [gedaagde] weer bijstaat in deze procedure. De rechtbank stelt verder vast dat de voormalig kantoorgenoot van mr. Alkir, mr. Sahin, de rechtbank op 4 februari 2026 heeft bericht dat noch mr. Alkir noch een andere medewerker van het advocatenkantoor de heer [gedaagde] bijstaat. Op 29 april 2026 heeft de griffie van de rechtbank per e-mail aan mr. Alkir verzocht om de rechtbank te laten weten of hij de heer [gedaagde] nog bijstaat. Op 30 april 2026 heeft mr. Alkir de rechtbank bericht dat hij dit eerst wil bespreken met de heer [gedaagde] en daarvan nog in afwachting is. Vervolgens heeft mr. Alkir op 1 mei 2026 de rechtbank (nogmaals) bericht dat hij de heer [gedaagde] niet meer bijstaat.
1.5.
De kantonrechter stelt verder vast dat [gedaagde] bij brief van 3 februari 2026 is opgeroepen. De oproepbrief is verstuurd naar het bij de rechtbank bekende (woon)adres van [gedaagde] , zijnde het adres waarop de dagvaarding in deze procedure is betekend. De kantonrechter heeft, vanwege het niet verschijnen van [gedaagde] ten tijde van de mondelinge behandeling, geprobeerd telefonisch contact te leggen met [gedaagde] , maar dat contact kwam niet tot stand. De kantonrechter stelt dan ook vast dat [gedaagde] behoorlijk is opgeroepen, en zonder bericht niet op de mondelinge behandeling is verschenen. De kantonrechter ziet, gelet op het voorgaande, geen aanleiding de zaak aan te houden en [eisers] hebben om vonnis verzocht.
1.6.
Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben de gemachtigden van [eisers] spreekaantekeningen voorgedragen.
1.7.
Tot slot is op de mondelinge behandeling bepaald dat er op 11 juni 2026 een vonnis wordt uitgesproken.
2De feiten
2.1.
Tussen partijen is in maart 2024 een overeenkomst van aanneming van werk gesloten voor het uitvoeren van werkzaamheden aan de gevel van de woning van [eisers] De werkzaamheden bestonden in het bijzonder uit het renoveren van het voegwerk in de gevel en het impregneren van de gevel.
2.2.
Partijen hebben een aanneemsom van EUR € 16.350,- (exclusief btw) afgesproken.
2.3.
[eisers] hebben hiervan een bedrag van € 14.350,- voldaan.
2.4.
Tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden - in april en mei 2024 - hebben [eisers] verschillende (beweerde) gebreken geconstateerd.
2.5.
[eisers] hebben tijdens de werkzaamheden per Whatsapp verscheidene klachten gemeld aan de medewerker van [gedaagde] , onder meer op 9 april, 29 april en 6 mei 2024. [eisers] klagen dat het voegwerk aan de voorgevel gebrekkig is uitgehakt, dat er stukken baksteen in de gevel zijn beschadigd, dat het nieuwe voegwerk niet correct is uitgevoerd en dat de dakgoot vol zit met voegspecie.
2.6.
Daarnaast hebben [eisers] tijdens de werkzaamheden ontdekt dat er (gevolg)schade is ontstaan aan de tuin, waar zij de medewerker van [gedaagde] onder meer op 6 en 30 april 2024 hebben aangesproken.
2.7.
[eisers] hebben op 16 september 2024 Top Expertise ingeschakeld om te beoordelen in hoeverre het uitgevoerde werk gebreken vertoont, welk deel van het werk nog openstaat, en wat de herstelkosten zijn. [gedaagde] is schriftelijk uitgenodigd om bij dit onderzoek aanwezig te zijn, maar hij is niet verschenen.
2.8.
De bevindingen van Top Expertise komen erop neer dat er verscheidene gebreken worden geconstateerd. Zo laten de voegen los wanneer daar met een vinger overheen wordt gewreven. De gevel is bovendien niet geïmpregneerd. Op een aantal plaatsen ontbreken stukken baksteen uit het metselwerk aan de gevel. Verder constateert Top Expertise dat er andere schade is opgetreden. Zo zijn de tegels, borders en een muurtje in de tuin beschadigd en verzakt door het gebruik van de hoogwerker tijdens de werkzaamheden door de medewerkers van [gedaagde] . Tot slot is de bestrating in de tuin besmeurd met voegspecie.
2.9.
Top Expertise heeft ook een begroting gemaakt van de kosten voor herstel van de gebreken en voor de schade. Top Expertise schat de herstelkosten op een totaalbedrag van
€ 22.136,95 (inclusief btw). Verder bedragen de kosten voor dit deskundigenonderzoek
€ 1.512,50 (inclusief btw).
2.10.
Bij brief van 23 december 2024 hebben [eisers] [gedaagde] in gebreke gesteld en hem gesommeerd om binnen een termijn van 21 dagen, dat wil zeggen voor 13 januari 2025, het werk te herstellen en af te ronden, conform de bevindingen van Top Expertise. Bovendien geven zij aan dat, mocht [gedaagde] hieraan niet voldoen, de vordering wordt omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding. Dit bericht is per mail, per post en per aangetekende post aan [gedaagde] verzonden.
2.11.
De medewerker van [gedaagde] ( [A] ) geeft [eisers] telefonisch te kennen dat hij kennis heeft genomen van de brief en dat een advocaat namens [gedaagde] met een inhoudelijke reactie zal komen. Een inhoudelijke reactie blijft uit.
2.12.
Bij gebreke van enige (re)actie hebben [eisers] bij brief van 27 januari 2025 hun vordering tot nakoming omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding. Daarbij is aangegeven dat de (totale) herstelkosten van de gebreken zijn begroot op € 22.136,96, zoals door Top Expertise begroot in het rapport. [eisers] geven te kennen dat zij dit bedrag verrekenen met de nog resterende aanneemsom van € 2.000,-. Zij geven aan [gedaagde] een termijn tot 10 februari 2025 om het bedrag van € 20.136,96 te voldoen.
2.13.
Op 27 januari 2025 zendt de medewerker van [gedaagde] een emailbericht aan [eisers] . In dit bericht wordt aansprakelijkheid in algemene zin van de hand gewezen.
2.14.
In april 2025 schakelen [eisers] een derde genaamd ‘ [B] ’ in om de geconstateerde gebreken aan de gevel van de woning te herstellen. Deze kosten voor deze werkzaamheden bedragen € 14.677,30 (inclusief btw). [eisers] laten nog geen herstelwerkzaamheden uitvoeren aan de schade aan de tuin.
2.15.
Partijen hebben verder niet meer met elkaar gecorrespondeerd en zijn dan ook niet tot een vergelijk gekomen, waarna [eisers] deze procedure begonnen zijn.
3Het geschil
in conventie
3.1.
[eisers] vorderen - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 16.004,80, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[eisers] leggen aan de vordering – samengevat - het volgende ten grondslag.
[gedaagde] is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen, doordat het wel uitgevoerde werk gebreken vertoont en onderdelen van het werk niet zijn afgemaakt.
[eisers] stellen dat [gedaagde] in verzuim is en dat zij recht hebben op vervangende schadevergoeding. Daarnaast stellen [eisers] dat zij recht hebben op vergoeding van gevolgschade van de tekortkoming, omdat de tuinbestrating als gevolg van de werkzaamheden van [gedaagde] is beschadigd. Het totale bedrag aan schadevergoeding betreft een bedrag van € 18.004,80. Na verrekening met de resterende aanneemsom van € 2000,- omvat deze schadevergoeding een bedrag van € 16.004,80. Tot slot maken [eisers] aanspraak op vergoeding van deskundigenkosten van € 1.512,50 en proceskosten.
3.3.
[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
[gedaagde] vordert veroordeling van [eisers] tot betaling van € 2.000, vermeerderd met rente en kosten. [gedaagde] legt aan de vordering ten grondslag dat [eisers] nog € 2.000,- aan resterende aanneemsom moeten betalen.
3.6.
[eisers] voeren verweer dat strekt tot afwijzing van de vordering van [gedaagde] in reconventie. [eisers] voeren aan dat zij, in de berekening van hun vordering in conventie, bij wijze van verrekening reeds rekening hebben gehouden met de resterende aanneemsom. De som van € 2.000,- is namelijk al in mindering gebracht op hetgeen zij in conventie van [gedaagde] vorderen.
3.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
in conventie en in reconventie
Inleidende opmerkingen
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat zij een overeenkomst van aanneming van werk hebben gesloten (art. 7:750 Burgerlijk Wetboek (BW)). Evenmin is in geschil wat de inhoud van het aangenomen werk was en wat de overeengekomen aanneemsom bedroeg.
4.2.
De rechtbank moet in deze procedure beoordelen of [gedaagde] gehouden is tot betaling van vervangende schadevergoeding aan [eisers] op grond van wanprestatie. [eisers] hebben hun vorderingen namelijk (primair) gebaseerd op artikel 6:74 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van artikel 6:74 BW is voor zo’n verplichting tot schadevergoeding allereerst nodig dat een schuldenaar zijn verplichtingen niet, niet tijdig of niet behoorlijk is nagekomen. Voor het kunnen toewijzen van vervangende schadevergoeding als bedoeld in artikel 6:87 BW is daarnaast vereist dat de schuldenaar in verzuim is met de nakoming van de betreffende verbintenis. Verzuim treedt in wanneer de schuldenaar, na een schriftelijke ingebrekestelling, niet binnen de daarin gestelde redelijke termijn nakomt (artikelen 6:81 en 6:82 lid 1 BW). Ook is een schriftelijke omzettingsverklaring nodig (artikel 6:87 lid 1 BW).
4.3.
Gelet op de onderlinge samenhang tussen de vorderingen in conventie en de vordering in reconventie, bespreekt de rechtbank deze gezamenlijk.
[gedaagde] is niet (behoorlijk) nagekomen
4.4.
[eisers] hebben aan hun stelling dat er sprake is van wanprestatie - samengevat - ten grondslag gelegd dat er (i) werkzaamheden aan de gevel niet goed zijn uitgevoerd; (ii) werkzaamheden aan de gevel geheel niet zijn uitgevoerd; en (iii) gevolgschade aan de tuin is opgetreden. De rechtbank beoordeelt achtereenvolgens of sprake is van deze (categorieën van) gestelde tekortkomingen.
(i) Niet goed uitgevoerd werk aan de gevel
4.5.
[eisers] stellen, onder verwijzing naar het rapport van Top Expertise, dat de werkzaamheden met betrekking tot het voegwerk niet goed zijn uitgevoerd. De voegen laten namelijk los wanneer daar met een vinger overheen wordt gewreven. Daarnaast zijn bij het samenstellen van de voegspecie de onjuiste mengverhoudingen zijn gebruikt en is de verwerkingsinstructie niet opgevolgd. Daar komt bij dat het voegwerk slordig is verricht.
4.6.
[gedaagde] heeft onvoldoende betwist dat de voegwerkzaamheden niet naar behoren zijn uitgevoerd. Hij heeft slechts in zijn algemeenheid opgemerkt dat het voegwerk naar behoren is heeft uitgevoerd. Daar staat tegenover dat [eisers] de tekortkoming uitvoerig hebben onderbouwd, onder meer met het rapport van Top Expertise, alsook met verscheidene foto’s. Verder heeft [gedaagde] nog aangevoerd dat is afgesproken dat er voeg op cementbasis is gebruikt. Dit standpunt gaat volledig aan de door [eiser 1] ingenomen stellingen voorbij. Kern van het verwijt van [eisers] is juist dat de voegen loslaten, wat er ook zij van het daarbij gebruikte type voegbasis. Naar het oordeel van de rechtbank is deze tekortkoming al met al komen vast te staan.
4.7.
Verder stellen [eisers] dat er bakstenen in de gevel zijn afgebrokkeld. [eisers] hebben deze stelling onderbouwd aan de hand van het rapport van Top Expertise en aan de hand van foto’s. Ook uit de Whatsappcorrespondentie tussen partijen blijkt dat bakstenen zijn afgebroken. [gedaagde] heeft deze tekortkoming niet weersproken, zodat ook deze tekortkoming is komen vast te staan.
(ii) Niet uitgevoerd werk aan de gevel
4.8.
Volgens [eisers] zijn de afgesproken werkzaamheden van het impregneren van de gevel geheel niet uitgevoerd. De gevel is namelijk niet geïmpregneerd. Dat blijkt wanneer Top Expertise water op de gevel spuit en het water direct in het metselwerk trekt. [gedaagde] heeft niet betwist dat het impregneren van de gevel onderdeel was van het afgesproken werk en heeft niet betwist dat hij deze werkzaamheden niet heeft verricht. Daarmee is deze tekortkoming naar het oordeel van de rechtbank komen vast te staan.
(iii) Gevolgschade aan de tuin
4.9.
Ten slotte stellen [eisers] dat er (gevolg)schade aan de tuin is opgetreden. De tegels, borders en het muurtje van de tuin van [eisers] zijn beschadigd. In het bijzonder zijn de tuintegels ingezakt. Onder verwijzing van naar het rapport stellen [eisers] dat de hoogwerker, waar de medewerkers van [gedaagde] zich van hebben bediend tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden, deze schade heeft veroorzaakt. Verder is de tuinbestrating besmeurd met residu van het mengen van de voegspecie. In de eerdere Whatsapp-correspondentie heeft [gedaagde] de schade aan de tuin erkend. Bij conclusie van antwoord is niet weersproken dat deze schade is opgetreden. Daarmee is de schade vast komen te staan.
4.10.
Al met al is de rechtbank met [eisers] van oordeel dat [gedaagde] zijn verplichtingen niet, althans niet behoorlijk, is nagekomen.
Verzuim is ingetreden en de vordering is geldig omgezet in vervangende schadevergoeding
4.11.
De rechtbank is vervolgens met [eisers] van oordeel dat [gedaagde] in verzuim verkeert met het nakomen van zijn verplichtingen. [eisers] hebben immers aangevoerd dat zij op 23 december 2024 een ingebrekestelling aan [gedaagde] hebben verzonden. In dit bericht hebben zij [gedaagde] een termijn gesteld om de gebreken voor 13 januari 2025 te herstellen. [gedaagde] heeft nagelaten om binnen die termijn tot herstel over te gaan.
4.12.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] per 13 januari 2024 in verzuim verkeert (voor wat betreft het gebrekkige werk aan de gevel). Voor wat betreft de schade aan de tuin is de rechtbank - met [eisers] - van oordeel dat [gedaagde] reeds sinds de ontstaansdatum van deze schade, te weten 6 april 2024, in verzuim verkeert. De schade aan de tuin kwalificeert immers als ‘gevolgschade’. Voor gevolgschade geldt dat deugdelijke nakoming blijvend onmogelijk is en dat er dus geen ingebrekestelling of verzuim wordt vereist. Het alsnog deugdelijk verrichten van de gebrekkige prestatie (kort gezegd: het werk aan de gevel) maakt de gevolgschade (aan de tuin) immers niet ongedaan.
4.13.
Verder oordeelt de rechtbank dat [eisers] – bij gebreke van herstel van het werk door [gedaagde] en het uitblijven van een reactie op de ingebrekestelling - hun vordering tot nakoming rechtsgeldig hebben omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding. Dat hebben [eisers] gedaan met de omzettingsverklaring van 27 januari 2025.
4.14.
Namens [gedaagde] is in de conclusie van antwoord nog aangevoerd dat [gedaagde] onvoldoende kans heeft gehad om de gebreken te onderzoeken en het werk te herstellen. Dit verweer kan [gedaagde] niet baten. [eisers] hebben ten tijde van de mondelinge behandeling aangevoerd, en met producties onderbouwd, dat zij aan [gedaagde] ruimschoots, namelijk minimaal vijf keer, de mogelijkheid hebben geboden om te herstellen. Zo is door [eisers] in april en mei 2024 per Whatsapp en telefonisch al meermaals gevraagd om herstel. Daarna is een veelvoud van brieven en sommaties aan [gedaagde] gericht. In september 2024 is [gedaagde] uitgenodigd om bij het deskundigenonderzoek naar de gebreken aanwezig te zijn, maar hij is daarop niet ingegaan. Vervolgens hebben [eisers] bij brief van 23 december 2024 [gedaagde] formeel in gebreke gesteld en hem een redelijke termijn geboden om tot herstel over te gaan, maar dat herstel bleef uit. Het kan dan ook niet worden gezegd dat [gedaagde] onvoldoende gelegenheid heeft gekregen te herstellen. [gedaagde] heeft zijn standpunt niet verder toegelicht en helaas is [gedaagde] niet ter zitting verschenen om duidelijkheid te verschaffen. Dat komt voor zijn rekening en risico.
4.15.
Het voorgaande betekent dat [gedaagde] gehouden is om de schade van [eisers] te vergoeden.
De omvang van de schadevergoeding
4.16.
De kantonrechter merkt op dat het in conventie gevorderde bedrag van € 16.004,80 als volgt tot stand is gekomen. [eisers] heeft [B] ingeschakeld om de gebreken aan de gevel te herstellen. [eisers] is voor deze herstelwerkzaamheden een bedrag van € 14.677,30 (inclusief btw) kwijt geweest. De herstelkosten voor de schade aan de tuin zijn door Top Expertise begroot op € 3.327,50 inclusief btw. Het totale bedrag van de gevorderde herstelkosten is daarmee € 18.004,80 inclusief btw. [eisers] heeft haar vordering op [gedaagde] – op de voet van art. 6:127 lid 2 BW – reeds verrekend met het nog aan [gedaagde] verschuldigde bedrag van € 2.000,- (de resterende aanneemsom). Na die verrekening betreft het gevorderde bedrag voor de herstelkosten in totaal € 16.004,80 (inclusief btw).
4.17.
[gedaagde] heeft de verrekening van het bedrag van € 2000,- in conventie niet bestreden.
4.18.
Namens [gedaagde] is in de conclusie van antwoord slechts aangevoerd dat het gevorderde bedrag aan herstelwerkzaamheden, alsook het bedrag aan begrote herstelkosten voor de tuin, te hoog is. Er had een goedkoper persoon ingeschakeld had kunnen worden om de schade te herstellen. Daarom hebben [eisers] niet voldaan aan hun verplichting om de geleden schade te beperken, aldus nog steeds [gedaagde] . De rechtbank is – met [eisers] - van oordeel dat dit verweer (ruim) onvoldoende is onderbouwd. Zo heeft [gedaagde] op geen enkele wijze concreet gemaakt waarom de herstelkosten te hoog zouden zijn en wie het gebrekkige werk dan zou kunnen herstellen en voor welk bedrag. Ook het standpunt dat de schade aan de tuin voor minder geld kan worden hersteld, mist iedere onderbouwing. Daar komt bij dat, zoals door de gemachtigden van [eisers] terecht is opgemerkt, de uiteindelijke kosten voor herstel van de gevel juist fors lager zijn uitgevallen dan het bedrag dat daarvoor eerder door Top Expertise was begroot. Ook daarom gaat de rechtbank aan het verweer van [gedaagde] voorbij.
Conclusies van de rechtbank
4.19.
Gelet op al het voorgaande zal de (hoofd)vordering van [eisers] in conventie worden toegewezen. Dit betekent dat [gedaagde] zal worden veroordeeld om het bedrag van
€ 16.004,80 aan [eisers] te betalen.
4.20.
Nu de conventionele vordering van [eisers] zal worden toegewezen op de primaire grondslag (wanprestatie als bedoeld in art. 6:74 BW), behoeft de subsidiaire grondslag van [eisers] (onrechtmatige daad als bedoeld in art. 6:162 BW) geen bespreking meer.
4.21.
In hetgeen hiervoor is geoordeeld, ligt besloten dat de reconventionele vordering van [gedaagde] zal worden afgewezen. De rechtbank heeft in de toewijzing van de conventionele vorderingen van [eisers] namelijk al rekening gehouden met de in reconventie gevorderde resterende aanneemsom van € 2.000,-. Dat bedrag is immers al verrekend en tegen die verrekening in conventie is geen verweer geformuleerd. Met [eisers] is de rechtbank is dan ook van oordeel dat voor een toewijzing van de reconventionele vordering van [gedaagde] geen grond meer is.
De wettelijke rente
4.22.
De rechtbank zal, zoals door [eisers] gevorderd en door [gedaagde] niet bestreden, het toegewezen bedrag van € 16.004,80 vermeerderen met wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW, nu [gedaagde] in verzuim is met voldoening van de vervangende schadevergoeding.
De wettelijke rente is, zoals gevorderd, toewijsbaar met ingang van 10 februari 2025, zijnde de uiterste betaaldatum in de omzettingsverklaring van 27 januari 2025.
Kosten van de deskundige
4.23.
[eisers] vorderen tot slot betaling van het bedrag van € 1.512,50. Dit bedrag betreft de kosten van het in opdracht van [eisers] verrichte deskundigenonderzoek door Top Expertise. [gedaagde] heeft tegen deze vordering geen specifiek verweer geformuleerd.
4.24.
Op grond van het bepaalde in art. 6:96 lid 2 sub b BW heeft [eisers] recht op vergoeding van redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid.
De kantonrechter is van oordeel dat de door Top Expertise in rekening gebrachte kosten als redelijk moeten worden aangemerkt. Het gevorderde bedrag van € 1.512,50 zal dan ook worden toegewezen. De wettelijke rente over dit bedrag is, zoals gevorderd, toewijsbaar met ingang van 11 juli 2025.
Proceskosten
4.25.
[gedaagde] is zowel in conventie als in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
4.26.
De proceskosten van [eisers] (in conventie) worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
148,57
- griffierecht
€
732,00
- salaris gemachtigde
€
1.080,00
(2,5 punten × € 432,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.104,57
4.27.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.28.
De proceskosten in reconventie worden als volgt vastgesteld. Gelet op de samenhang tussen de vordering in reconventie en de vordering in conventie, zal er slechts een half punt worden toegekend voor het gemachtigdensalaris dat toepasselijk is op de vordering. Dat betekent dat de proceskosten in reconventie worden begroot op € 216,00 (1/2 punt maal het tarief € 432,00).
5De beslissing
De kantonrechter:
In conventie
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 17.517,30, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over:
- het bedrag van € 16.004,80 (aan schadevergoeding), met ingang van 10 februari 2025,- het bedrag van € 1.512,50 (aan kosten deskundigenonderzoek),met ingang van 11 juli 2025,telkens tot de dag van volledige betaling;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.104,57, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
In reconventie
5.4.
wijst de vordering af;
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 216,00;
In conventie en in reconventie
5.6.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de beslissingen onder 5.1, 5.2, 5.3 en 5.5 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.N. van Haren en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026.
Productie 14 bij Dagvaarding.
Productie 12 bij Dagvaarding.
Producties 9 en 14 bij Dagvaarding.
Productie 1 bij Conclusie van Antwoord.
Productie 14 bij Dagvaarding.
Productie 8 bij Dagvaarding.
Productie 16 bij Dagvaarding.
Productie 17 bij Dagvaarding.
Productie 19 bij Dagvaarding.
Productie 14 bij Dagvaarding.
OOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: 11803050 \ CV EXPL 25-3918
Vonnis van 11 juni 2026
in de zaak van
1 [eiser 1] 2. [eiser 2] ,
beide te [plaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
gemachtigden: mr. F.E. Majtlis en mr. R. Sheombar,
tegen
[gedaagde] , h.o.d.n. [bedrijfsnaam gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 juli 2025, met 22 producties;- de conclusie van antwoord (tevens houdende eis in reconventie) van 18 september 2025, met 1 productie;- de brief van 3 februari 2026, waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de conclusie van antwoord in reconventie van 30 april 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 mei 2026. De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen: [eisers] , namens hen mr. F.E. Majtlis en mr. R. Sheombar (als gemachtigden); en tot slot mr. L. van Dord, kantoorgenoot van de gemachtigden (als toehoorder).
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling is [gedaagde] niet verschenen.
1.4.
Evenmin is tijdens de mondelinge behandeling een gemachtigde namens [gedaagde] verschenen. De kantonrechter stelt vast dat mr. A. Alkir voorheen optrad als gemachtigde van [gedaagde] , maar dat mr. Alkir zich door middel van een bericht aan de rechtbank van 29 augustus 2025 heeft onttrokken. Onder gelijktijdige toezending van de conclusie van antwoord heeft mr. Alkir vervolgens op 18 september 2025 de rechtbank bericht dat hij de heer [gedaagde] weer bijstaat in deze procedure. De rechtbank stelt verder vast dat de voormalig kantoorgenoot van mr. Alkir, mr. Sahin, de rechtbank op 4 februari 2026 heeft bericht dat noch mr. Alkir noch een andere medewerker van het advocatenkantoor de heer [gedaagde] bijstaat. Op 29 april 2026 heeft de griffie van de rechtbank per e-mail aan mr. Alkir verzocht om de rechtbank te laten weten of hij de heer [gedaagde] nog bijstaat. Op 30 april 2026 heeft mr. Alkir de rechtbank bericht dat hij dit eerst wil bespreken met de heer [gedaagde] en daarvan nog in afwachting is. Vervolgens heeft mr. Alkir op 1 mei 2026 de rechtbank (nogmaals) bericht dat hij de heer [gedaagde] niet meer bijstaat.
1.5.
De kantonrechter stelt verder vast dat [gedaagde] bij brief van 3 februari 2026 is opgeroepen. De oproepbrief is verstuurd naar het bij de rechtbank bekende (woon)adres van [gedaagde] , zijnde het adres waarop de dagvaarding in deze procedure is betekend. De kantonrechter heeft, vanwege het niet verschijnen van [gedaagde] ten tijde van de mondelinge behandeling, geprobeerd telefonisch contact te leggen met [gedaagde] , maar dat contact kwam niet tot stand. De kantonrechter stelt dan ook vast dat [gedaagde] behoorlijk is opgeroepen, en zonder bericht niet op de mondelinge behandeling is verschenen. De kantonrechter ziet, gelet op het voorgaande, geen aanleiding de zaak aan te houden en [eisers] hebben om vonnis verzocht.
1.6.
Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben de gemachtigden van [eisers] spreekaantekeningen voorgedragen.
1.7.
Tot slot is op de mondelinge behandeling bepaald dat er op 11 juni 2026 een vonnis wordt uitgesproken.
2De feiten
2.1.
Tussen partijen is in maart 2024 een overeenkomst van aanneming van werk gesloten voor het uitvoeren van werkzaamheden aan de gevel van de woning van [eisers] De werkzaamheden bestonden in het bijzonder uit het renoveren van het voegwerk in de gevel en het impregneren van de gevel.
2.2.
Partijen hebben een aanneemsom van EUR € 16.350,- (exclusief btw) afgesproken.
2.3.
[eisers] hebben hiervan een bedrag van € 14.350,- voldaan.
2.4.
Tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden - in april en mei 2024 - hebben [eisers] verschillende (beweerde) gebreken geconstateerd.
2.5.
[eisers] hebben tijdens de werkzaamheden per Whatsapp verscheidene klachten gemeld aan de medewerker van [gedaagde] , onder meer op 9 april, 29 april en 6 mei 2024. [eisers] klagen dat het voegwerk aan de voorgevel gebrekkig is uitgehakt, dat er stukken baksteen in de gevel zijn beschadigd, dat het nieuwe voegwerk niet correct is uitgevoerd en dat de dakgoot vol zit met voegspecie.
2.6.
Daarnaast hebben [eisers] tijdens de werkzaamheden ontdekt dat er (gevolg)schade is ontstaan aan de tuin, waar zij de medewerker van [gedaagde] onder meer op 6 en 30 april 2024 hebben aangesproken.
2.7.
[eisers] hebben op 16 september 2024 Top Expertise ingeschakeld om te beoordelen in hoeverre het uitgevoerde werk gebreken vertoont, welk deel van het werk nog openstaat, en wat de herstelkosten zijn. [gedaagde] is schriftelijk uitgenodigd om bij dit onderzoek aanwezig te zijn, maar hij is niet verschenen.
2.8.
De bevindingen van Top Expertise komen erop neer dat er verscheidene gebreken worden geconstateerd. Zo laten de voegen los wanneer daar met een vinger overheen wordt gewreven. De gevel is bovendien niet geïmpregneerd. Op een aantal plaatsen ontbreken stukken baksteen uit het metselwerk aan de gevel. Verder constateert Top Expertise dat er andere schade is opgetreden. Zo zijn de tegels, borders en een muurtje in de tuin beschadigd en verzakt door het gebruik van de hoogwerker tijdens de werkzaamheden door de medewerkers van [gedaagde] . Tot slot is de bestrating in de tuin besmeurd met voegspecie.
2.9.
Top Expertise heeft ook een begroting gemaakt van de kosten voor herstel van de gebreken en voor de schade. Top Expertise schat de herstelkosten op een totaalbedrag van
€ 22.136,95 (inclusief btw). Verder bedragen de kosten voor dit deskundigenonderzoek
€ 1.512,50 (inclusief btw).
2.10.
Bij brief van 23 december 2024 hebben [eisers] [gedaagde] in gebreke gesteld en hem gesommeerd om binnen een termijn van 21 dagen, dat wil zeggen voor 13 januari 2025, het werk te herstellen en af te ronden, conform de bevindingen van Top Expertise. Bovendien geven zij aan dat, mocht [gedaagde] hieraan niet voldoen, de vordering wordt omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding. Dit bericht is per mail, per post en per aangetekende post aan [gedaagde] verzonden.
2.11.
De medewerker van [gedaagde] ( [A] ) geeft [eisers] telefonisch te kennen dat hij kennis heeft genomen van de brief en dat een advocaat namens [gedaagde] met een inhoudelijke reactie zal komen. Een inhoudelijke reactie blijft uit.
2.12.
Bij gebreke van enige (re)actie hebben [eisers] bij brief van 27 januari 2025 hun vordering tot nakoming omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding. Daarbij is aangegeven dat de (totale) herstelkosten van de gebreken zijn begroot op € 22.136,96, zoals door Top Expertise begroot in het rapport. [eisers] geven te kennen dat zij dit bedrag verrekenen met de nog resterende aanneemsom van € 2.000,-. Zij geven aan [gedaagde] een termijn tot 10 februari 2025 om het bedrag van € 20.136,96 te voldoen.
2.13.
Op 27 januari 2025 zendt de medewerker van [gedaagde] een emailbericht aan [eisers] . In dit bericht wordt aansprakelijkheid in algemene zin van de hand gewezen.
2.14.
In april 2025 schakelen [eisers] een derde genaamd ‘ [B] ’ in om de geconstateerde gebreken aan de gevel van de woning te herstellen. Deze kosten voor deze werkzaamheden bedragen € 14.677,30 (inclusief btw). [eisers] laten nog geen herstelwerkzaamheden uitvoeren aan de schade aan de tuin.
2.15.
Partijen hebben verder niet meer met elkaar gecorrespondeerd en zijn dan ook niet tot een vergelijk gekomen, waarna [eisers] deze procedure begonnen zijn.
3Het geschil
in conventie
3.1.
[eisers] vorderen - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 16.004,80, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[eisers] leggen aan de vordering – samengevat - het volgende ten grondslag.
[gedaagde] is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen, doordat het wel uitgevoerde werk gebreken vertoont en onderdelen van het werk niet zijn afgemaakt.
[eisers] stellen dat [gedaagde] in verzuim is en dat zij recht hebben op vervangende schadevergoeding. Daarnaast stellen [eisers] dat zij recht hebben op vergoeding van gevolgschade van de tekortkoming, omdat de tuinbestrating als gevolg van de werkzaamheden van [gedaagde] is beschadigd. Het totale bedrag aan schadevergoeding betreft een bedrag van € 18.004,80. Na verrekening met de resterende aanneemsom van € 2000,- omvat deze schadevergoeding een bedrag van € 16.004,80. Tot slot maken [eisers] aanspraak op vergoeding van deskundigenkosten van € 1.512,50 en proceskosten.
3.3.
[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
[gedaagde] vordert veroordeling van [eisers] tot betaling van € 2.000, vermeerderd met rente en kosten. [gedaagde] legt aan de vordering ten grondslag dat [eisers] nog € 2.000,- aan resterende aanneemsom moeten betalen.
3.6.
[eisers] voeren verweer dat strekt tot afwijzing van de vordering van [gedaagde] in reconventie. [eisers] voeren aan dat zij, in de berekening van hun vordering in conventie, bij wijze van verrekening reeds rekening hebben gehouden met de resterende aanneemsom. De som van € 2.000,- is namelijk al in mindering gebracht op hetgeen zij in conventie van [gedaagde] vorderen.
3.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
in conventie en in reconventie
Inleidende opmerkingen
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat zij een overeenkomst van aanneming van werk hebben gesloten (art. 7:750 Burgerlijk Wetboek (BW)). Evenmin is in geschil wat de inhoud van het aangenomen werk was en wat de overeengekomen aanneemsom bedroeg.
4.2.
De rechtbank moet in deze procedure beoordelen of [gedaagde] gehouden is tot betaling van vervangende schadevergoeding aan [eisers] op grond van wanprestatie. [eisers] hebben hun vorderingen namelijk (primair) gebaseerd op artikel 6:74 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van artikel 6:74 BW is voor zo’n verplichting tot schadevergoeding allereerst nodig dat een schuldenaar zijn verplichtingen niet, niet tijdig of niet behoorlijk is nagekomen. Voor het kunnen toewijzen van vervangende schadevergoeding als bedoeld in artikel 6:87 BW is daarnaast vereist dat de schuldenaar in verzuim is met de nakoming van de betreffende verbintenis. Verzuim treedt in wanneer de schuldenaar, na een schriftelijke ingebrekestelling, niet binnen de daarin gestelde redelijke termijn nakomt (artikelen 6:81 en 6:82 lid 1 BW). Ook is een schriftelijke omzettingsverklaring nodig (artikel 6:87 lid 1 BW).
4.3.
Gelet op de onderlinge samenhang tussen de vorderingen in conventie en de vordering in reconventie, bespreekt de rechtbank deze gezamenlijk.
[gedaagde] is niet (behoorlijk) nagekomen
4.4.
[eisers] hebben aan hun stelling dat er sprake is van wanprestatie - samengevat - ten grondslag gelegd dat er (i) werkzaamheden aan de gevel niet goed zijn uitgevoerd; (ii) werkzaamheden aan de gevel geheel niet zijn uitgevoerd; en (iii) gevolgschade aan de tuin is opgetreden. De rechtbank beoordeelt achtereenvolgens of sprake is van deze (categorieën van) gestelde tekortkomingen.
(i) Niet goed uitgevoerd werk aan de gevel
4.5.
[eisers] stellen, onder verwijzing naar het rapport van Top Expertise, dat de werkzaamheden met betrekking tot het voegwerk niet goed zijn uitgevoerd. De voegen laten namelijk los wanneer daar met een vinger overheen wordt gewreven. Daarnaast zijn bij het samenstellen van de voegspecie de onjuiste mengverhoudingen zijn gebruikt en is de verwerkingsinstructie niet opgevolgd. Daar komt bij dat het voegwerk slordig is verricht.
4.6.
[gedaagde] heeft onvoldoende betwist dat de voegwerkzaamheden niet naar behoren zijn uitgevoerd. Hij heeft slechts in zijn algemeenheid opgemerkt dat het voegwerk naar behoren is heeft uitgevoerd. Daar staat tegenover dat [eisers] de tekortkoming uitvoerig hebben onderbouwd, onder meer met het rapport van Top Expertise, alsook met verscheidene foto’s. Verder heeft [gedaagde] nog aangevoerd dat is afgesproken dat er voeg op cementbasis is gebruikt. Dit standpunt gaat volledig aan de door [eiser 1] ingenomen stellingen voorbij. Kern van het verwijt van [eisers] is juist dat de voegen loslaten, wat er ook zij van het daarbij gebruikte type voegbasis. Naar het oordeel van de rechtbank is deze tekortkoming al met al komen vast te staan.
4.7.
Verder stellen [eisers] dat er bakstenen in de gevel zijn afgebrokkeld. [eisers] hebben deze stelling onderbouwd aan de hand van het rapport van Top Expertise en aan de hand van foto’s. Ook uit de Whatsappcorrespondentie tussen partijen blijkt dat bakstenen zijn afgebroken. [gedaagde] heeft deze tekortkoming niet weersproken, zodat ook deze tekortkoming is komen vast te staan.
(ii) Niet uitgevoerd werk aan de gevel
4.8.
Volgens [eisers] zijn de afgesproken werkzaamheden van het impregneren van de gevel geheel niet uitgevoerd. De gevel is namelijk niet geïmpregneerd. Dat blijkt wanneer Top Expertise water op de gevel spuit en het water direct in het metselwerk trekt. [gedaagde] heeft niet betwist dat het impregneren van de gevel onderdeel was van het afgesproken werk en heeft niet betwist dat hij deze werkzaamheden niet heeft verricht. Daarmee is deze tekortkoming naar het oordeel van de rechtbank komen vast te staan.
(iii) Gevolgschade aan de tuin
4.9.
Ten slotte stellen [eisers] dat er (gevolg)schade aan de tuin is opgetreden. De tegels, borders en het muurtje van de tuin van [eisers] zijn beschadigd. In het bijzonder zijn de tuintegels ingezakt. Onder verwijzing van naar het rapport stellen [eisers] dat de hoogwerker, waar de medewerkers van [gedaagde] zich van hebben bediend tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden, deze schade heeft veroorzaakt. Verder is de tuinbestrating besmeurd met residu van het mengen van de voegspecie. In de eerdere Whatsapp-correspondentie heeft [gedaagde] de schade aan de tuin erkend. Bij conclusie van antwoord is niet weersproken dat deze schade is opgetreden. Daarmee is de schade vast komen te staan.
4.10.
Al met al is de rechtbank met [eisers] van oordeel dat [gedaagde] zijn verplichtingen niet, althans niet behoorlijk, is nagekomen.
Verzuim is ingetreden en de vordering is geldig omgezet in vervangende schadevergoeding
4.11.
De rechtbank is vervolgens met [eisers] van oordeel dat [gedaagde] in verzuim verkeert met het nakomen van zijn verplichtingen. [eisers] hebben immers aangevoerd dat zij op 23 december 2024 een ingebrekestelling aan [gedaagde] hebben verzonden. In dit bericht hebben zij [gedaagde] een termijn gesteld om de gebreken voor 13 januari 2025 te herstellen. [gedaagde] heeft nagelaten om binnen die termijn tot herstel over te gaan.
4.12.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] per 13 januari 2024 in verzuim verkeert (voor wat betreft het gebrekkige werk aan de gevel). Voor wat betreft de schade aan de tuin is de rechtbank - met [eisers] - van oordeel dat [gedaagde] reeds sinds de ontstaansdatum van deze schade, te weten 6 april 2024, in verzuim verkeert. De schade aan de tuin kwalificeert immers als ‘gevolgschade’. Voor gevolgschade geldt dat deugdelijke nakoming blijvend onmogelijk is en dat er dus geen ingebrekestelling of verzuim wordt vereist. Het alsnog deugdelijk verrichten van de gebrekkige prestatie (kort gezegd: het werk aan de gevel) maakt de gevolgschade (aan de tuin) immers niet ongedaan.
4.13.
Verder oordeelt de rechtbank dat [eisers] – bij gebreke van herstel van het werk door [gedaagde] en het uitblijven van een reactie op de ingebrekestelling - hun vordering tot nakoming rechtsgeldig hebben omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding. Dat hebben [eisers] gedaan met de omzettingsverklaring van 27 januari 2025.
4.14.
Namens [gedaagde] is in de conclusie van antwoord nog aangevoerd dat [gedaagde] onvoldoende kans heeft gehad om de gebreken te onderzoeken en het werk te herstellen. Dit verweer kan [gedaagde] niet baten. [eisers] hebben ten tijde van de mondelinge behandeling aangevoerd, en met producties onderbouwd, dat zij aan [gedaagde] ruimschoots, namelijk minimaal vijf keer, de mogelijkheid hebben geboden om te herstellen. Zo is door [eisers] in april en mei 2024 per Whatsapp en telefonisch al meermaals gevraagd om herstel. Daarna is een veelvoud van brieven en sommaties aan [gedaagde] gericht. In september 2024 is [gedaagde] uitgenodigd om bij het deskundigenonderzoek naar de gebreken aanwezig te zijn, maar hij is daarop niet ingegaan. Vervolgens hebben [eisers] bij brief van 23 december 2024 [gedaagde] formeel in gebreke gesteld en hem een redelijke termijn geboden om tot herstel over te gaan, maar dat herstel bleef uit. Het kan dan ook niet worden gezegd dat [gedaagde] onvoldoende gelegenheid heeft gekregen te herstellen. [gedaagde] heeft zijn standpunt niet verder toegelicht en helaas is [gedaagde] niet ter zitting verschenen om duidelijkheid te verschaffen. Dat komt voor zijn rekening en risico.
4.15.
Het voorgaande betekent dat [gedaagde] gehouden is om de schade van [eisers] te vergoeden.
De omvang van de schadevergoeding
4.16.
De kantonrechter merkt op dat het in conventie gevorderde bedrag van € 16.004,80 als volgt tot stand is gekomen. [eisers] heeft [B] ingeschakeld om de gebreken aan de gevel te herstellen. [eisers] is voor deze herstelwerkzaamheden een bedrag van € 14.677,30 (inclusief btw) kwijt geweest. De herstelkosten voor de schade aan de tuin zijn door Top Expertise begroot op € 3.327,50 inclusief btw. Het totale bedrag van de gevorderde herstelkosten is daarmee € 18.004,80 inclusief btw. [eisers] heeft haar vordering op [gedaagde] – op de voet van art. 6:127 lid 2 BW – reeds verrekend met het nog aan [gedaagde] verschuldigde bedrag van € 2.000,- (de resterende aanneemsom). Na die verrekening betreft het gevorderde bedrag voor de herstelkosten in totaal € 16.004,80 (inclusief btw).
4.17.
[gedaagde] heeft de verrekening van het bedrag van € 2000,- in conventie niet bestreden.
4.18.
Namens [gedaagde] is in de conclusie van antwoord slechts aangevoerd dat het gevorderde bedrag aan herstelwerkzaamheden, alsook het bedrag aan begrote herstelkosten voor de tuin, te hoog is. Er had een goedkoper persoon ingeschakeld had kunnen worden om de schade te herstellen. Daarom hebben [eisers] niet voldaan aan hun verplichting om de geleden schade te beperken, aldus nog steeds [gedaagde] . De rechtbank is – met [eisers] - van oordeel dat dit verweer (ruim) onvoldoende is onderbouwd. Zo heeft [gedaagde] op geen enkele wijze concreet gemaakt waarom de herstelkosten te hoog zouden zijn en wie het gebrekkige werk dan zou kunnen herstellen en voor welk bedrag. Ook het standpunt dat de schade aan de tuin voor minder geld kan worden hersteld, mist iedere onderbouwing. Daar komt bij dat, zoals door de gemachtigden van [eisers] terecht is opgemerkt, de uiteindelijke kosten voor herstel van de gevel juist fors lager zijn uitgevallen dan het bedrag dat daarvoor eerder door Top Expertise was begroot. Ook daarom gaat de rechtbank aan het verweer van [gedaagde] voorbij.
Conclusies van de rechtbank
4.19.
Gelet op al het voorgaande zal de (hoofd)vordering van [eisers] in conventie worden toegewezen. Dit betekent dat [gedaagde] zal worden veroordeeld om het bedrag van
€ 16.004,80 aan [eisers] te betalen.
4.20.
Nu de conventionele vordering van [eisers] zal worden toegewezen op de primaire grondslag (wanprestatie als bedoeld in art. 6:74 BW), behoeft de subsidiaire grondslag van [eisers] (onrechtmatige daad als bedoeld in art. 6:162 BW) geen bespreking meer.
4.21.
In hetgeen hiervoor is geoordeeld, ligt besloten dat de reconventionele vordering van [gedaagde] zal worden afgewezen. De rechtbank heeft in de toewijzing van de conventionele vorderingen van [eisers] namelijk al rekening gehouden met de in reconventie gevorderde resterende aanneemsom van € 2.000,-. Dat bedrag is immers al verrekend en tegen die verrekening in conventie is geen verweer geformuleerd. Met [eisers] is de rechtbank is dan ook van oordeel dat voor een toewijzing van de reconventionele vordering van [gedaagde] geen grond meer is.
De wettelijke rente
4.22.
De rechtbank zal, zoals door [eisers] gevorderd en door [gedaagde] niet bestreden, het toegewezen bedrag van € 16.004,80 vermeerderen met wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW, nu [gedaagde] in verzuim is met voldoening van de vervangende schadevergoeding.
De wettelijke rente is, zoals gevorderd, toewijsbaar met ingang van 10 februari 2025, zijnde de uiterste betaaldatum in de omzettingsverklaring van 27 januari 2025.
Kosten van de deskundige
4.23.
[eisers] vorderen tot slot betaling van het bedrag van € 1.512,50. Dit bedrag betreft de kosten van het in opdracht van [eisers] verrichte deskundigenonderzoek door Top Expertise. [gedaagde] heeft tegen deze vordering geen specifiek verweer geformuleerd.
4.24.
Op grond van het bepaalde in art. 6:96 lid 2 sub b BW heeft [eisers] recht op vergoeding van redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid.
De kantonrechter is van oordeel dat de door Top Expertise in rekening gebrachte kosten als redelijk moeten worden aangemerkt. Het gevorderde bedrag van € 1.512,50 zal dan ook worden toegewezen. De wettelijke rente over dit bedrag is, zoals gevorderd, toewijsbaar met ingang van 11 juli 2025.
Proceskosten
4.25.
[gedaagde] is zowel in conventie als in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
4.26.
De proceskosten van [eisers] (in conventie) worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
148,57
- griffierecht
€
732,00
- salaris gemachtigde
€
1.080,00
(2,5 punten × € 432,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.104,57
4.27.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.28.
De proceskosten in reconventie worden als volgt vastgesteld. Gelet op de samenhang tussen de vordering in reconventie en de vordering in conventie, zal er slechts een half punt worden toegekend voor het gemachtigdensalaris dat toepasselijk is op de vordering. Dat betekent dat de proceskosten in reconventie worden begroot op € 216,00 (1/2 punt maal het tarief € 432,00).
5De beslissing
De kantonrechter:
In conventie
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 17.517,30, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over:
- het bedrag van € 16.004,80 (aan schadevergoeding), met ingang van 10 februari 2025,- het bedrag van € 1.512,50 (aan kosten deskundigenonderzoek),met ingang van 11 juli 2025,telkens tot de dag van volledige betaling;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.104,57, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
In reconventie
5.4.
wijst de vordering af;
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 216,00;
In conventie en in reconventie
5.6.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de beslissingen onder 5.1, 5.2, 5.3 en 5.5 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.N. van Haren en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026.
Productie 14 bij Dagvaarding.
Productie 12 bij Dagvaarding.
Producties 9 en 14 bij Dagvaarding.
Productie 1 bij Conclusie van Antwoord.
Productie 14 bij Dagvaarding.
Productie 8 bij Dagvaarding.
Productie 16 bij Dagvaarding.
Productie 17 bij Dagvaarding.
Productie 19 bij Dagvaarding.
Productie 14 bij Dagvaarding.