Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Oost-Brabant

ECLI:NL:RBOBR:2026:4158

2026-06-03 Civiel recht C-01-423180 - HA ZA 26-86
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Uitspraakdatum
2026-06-03
Publicatiedatum
2026-06-12
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
C-01-423180 - HA ZA 26-86
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Incident vrijwaring. Afwijzing; geen rechtsverhouding gesteld voor vrijwaring.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.278 tekens)
RECHTBANK Oost-Brabant


Civiel recht



Zittingsplaats 's-Hertogenbosch



Zaaknummer: C/01/423180 / HA ZA 26-86




Vonnis in incident van 3 juni 2026




in de zaak van





[eiseres] BV,
te [plaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. C.P.R. Vrakking,



tegen





1 [gedaagde 1] B.V.,

te [plaats] ,2. [gedaagde 2],
te [plaats] ,
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
eisende partijen in het incident,
hierna te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. J.J.M. Cliteur.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van [eiseres] van 2 februari 2026
- de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring van [gedaagden] van 1 april 2026
- de conclusie van antwoord in het incident tot vrijwaring van [eiseres] van 15 april 2026
- de akte uitlating productie van [gedaagden] van 29 april 2026.



1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.






2De beoordeling in het incident



Het geschil in de hoofdzaak:




2.1.

In de hoofdzaak speelt, kort samengevat en alleen voor zover van belang voor de beoordeling van het incident, het volgende.

[eiseres] heeft in 2024 met [gedaagde 1] een overeenkomst gesloten voor de koop door [gedaagde 1] van 20% van de aandelen die [eiseres] hield in [A] B.V. (hierna: de Boekhandel). Een deel van de koopsom (een bedrag van 135.000,-) is omgezet in een geldlening van [eiseres] aan [gedaagde 1] In de geldleningsovereenkomst heeft [gedaagde 2] zich als borg gesteld.
Na de aandelenoverdracht is [gedaagde 1] op grond van een managementovereenkomst aangesteld als directeur van de Boekhandel. Volgens [eiseres] heeft [gedaagde 1] zich in die hoedanigheid op onrechtmatige wijze verrijkt ten koste van de Boekhandel. De Boekhandel heeft in verband daarmee de managementovereenkomst met [gedaagde 1] opgezegd, waarmee [gedaagde 1] defungeerde als directeur van de Boekhandel.
Volgens [eiseres] is [gedaagde 1] ook haar verplichtingen uit de geldleningsovereenkomst niet (tijdig) nagekomen. Zij vordert daarom in de hoofdzaak de (terug-) betaling van de restant leensom. Dat vordert [eiseres] op grond van de borgstelling ook van [gedaagde 2] .




De vordering in het incident en de standpunten van partijen:





2.2.

[gedaagden] vordert toestemming om [A] B.V. (in dit vonnis aangeduid als de Boekhandel) in vrijwaring te mogen oproepen.



2.3.


[gedaagden] legt daaraan het volgende ten grondslag.
De Boekhandel heeft zonder deugdelijke grond, en dus ten onrechte, de managementovereenkomst met [gedaagde 1] opgezegd. Die managementovereenkomst was echter van groot belang voor [gedaagde 1] , om inkomsten te kunnen genereren om te kunnen voldoen aan haar financiële verplichtingen uit hoofde van de geldleningsovereenkomst met [eiseres] . Nu de Boekhandel zonder enige grond een einde heeft gemaakt aan die managementovereenkomst, is zij aansprakelijk voor de schade die [gedaagden] daardoor lijdt. Die schade houdt verband met gederfde winst, de verplichting om een lening terug te betalen zonder dat daar tegenover enige vorm van inkomen staat en de opgekomen rentes. [gedaagden] heeft daarom recht en belang om de Boekhandel in vrijwaring op te roepen om deel te nemen aan deze procedure.




2.4.


[eiseres] voert onder meer de het volgende verweer.

[gedaagden] heeft niet geconcretiseerd hoe de door [eiseres] in de hoofdzaak gevorderde nakoming van een contractuele verplichting als schade moet worden gezien, die aan (het handelen van) de Boekhandel kan worden toegerekend. De Boekhandel is op geen enkele wijze betrokken bij de rechtsrelatie tussen partijen.
Bovendien is de verplichting voor [gedaagden] om de geldlening volledig af te lossen al ontstaan vóór het beëindigen van de managementovereenkomst. [gedaagden] waren voor dat moment al in verzuim met de aflossing van de geldlening.
Ook heeft [gedaagden] geen processueel belang bij de oproeping in vrijwaring en leidt dit incident onnodig vertragend.




De beoordeling van de incidentele vordering:





2.5.

De rechtbank overweegt dat voor toewijzing van een incidentele vordering tot vrijwaring is vereist, dat de gewaarborgde – hier [gedaagden] – zich beroept op een rechtsverhouding met een derde – in casus de Boekhandel – die meebrengt dat de derde verplicht is om de nadelige gevolgen van de beslissing tegen de gewaarborgde te dragen.
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagden] onvoldoende heeft gesteld en gemotiveerd op welke gronden op de Boekhandel de verplichting zou rusten om [gedaagden] te vrijwaren voor (een deel van) de nadelige gevolgen van het verliezen van de hoofdzaak. In de hoofdzaak gaat het om de nakoming door [gedaagden] van de contractuele verplichtingen die zij op grond van de geldleningsovereenkomst jegens [eiseres] heeft. Uit de stellingen van [gedaagden] kan niet worden geconcludeerd dat zij daarvoor de Boekhandel kan aanspreken. De Boekhandel is geen partij bij de geldleningsovereenkomst en ook overigens bieden de stellingen van [gedaagden] geen grondslag om te kunnen aannemen dat [gedaagden] haar verplichting om de geldleningsovereenkomst terug te betalen kan verleggen naar de Boekhandel. De enkele omstandigheid dat [gedaagden] een vordering op de Boekhandel heeft in verband met een onrechtmatige beëindiging van de managementovereenkomst, is daarvoor onvoldoende ook als van het bestaan van die vordering wordt uitgegaan. Volgens [gedaagden] gaat het in haar rechtsverhouding met de Boekhandel kort gezegd niet om de nadelige gevolgen van de geldlening op zichzelf, maar om andere nadelen in de context van de beëindiging van de managementovereenkomst. Die andere nadelen horen weliswaar niet thuis in een vrijwaringsprocedure, maar kunnen wel aan de orde komen in een afzonderlijke procedure tussen [gedaagden] en de Boekhandel. [gedaagden] kan, als daarvoor gronden zijn, vragen de zaken te voegen (artikel 222 Rv).
De incidentele vordering zal daarom worden afgewezen.




De beslissing over de proceskosten in het incident:





2.6.

[gedaagden] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op € 842,00 (€ 653,00 aan salaris advocaat (1 punt × € 653,00) en € 189,00 aan nakosten), plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.






3De beslissing


De rechtbank,




in het incident:




3.1.
wijst de incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring af,



3.2.
veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



3.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,





in de hoofdzaak:





3.4.
verwijst de zaak naar de rol van 15 juli 2026 voor conclusie van antwoord,



3.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.


Dit vonnis is gewezen door mr. L.S. Frakes en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.