Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Oost-Brabant

ECLI:NL:RBOBR:2026:4076

2026-06-12 Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht 25/290
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Uitspraakdatum
2026-06-12
Publicatiedatum
2026-06-10
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
25/290
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Wahv, aanmaning verkeersboete, kostenvergoeding bezwaar, onbevoegd.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.974 tekens)
RECHTBANK OOST-BRABANT


Zittingsplaats 's-Hertogenbosch


Bestuursrecht


zaaknummer: SHE 25/290


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2026 in de zaak tussen



[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
gemachtigde: [naam]


en




de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

namens verweerder: Het Centraal Justitieel Incasso Bureau, hierna: Het CJIB,
gemachtigden: dhr. mr. W.D. Dorenbos en mw. mr. D. Hut.






Inleiding


1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiser van 20 januari 2025 dat hij heeft ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een beslissing door het CJIB met betrekking tot de kostenvergoeding voor het door hem op 27 februari 2024 ingediende bezwaarschrift tegen een aanmaning in verband met een verkeersboete.



1.1.
De rechtbank heeft partijen met de brief van 26 september 2025 medegedeeld dat zij een zitting niet nodig vindt. Daarop heeft eiser laten weten dat hij graag gehoord wil worden op een zitting. De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben alleen de gemachtigden van het CJIB deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn zonder bericht niet naar de zitting gekomen.





Beoordeling door de rechtbank


2. Voordat de rechtbank toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep dient zij eerst te beoordelen of zij bevoegd is om hiervan kennis te nemen. Daarbij zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.



2.1.
Op 9 november 2023 heeft de officier van justitie op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) aan eiser een verkeersboete opgelegd van € 389,-. Eiser heeft daartegen op 21 december 2023 administratief beroep ingesteld bij de officier van justitie. Op 22 januari 2024 is vanwege het uitblijven van de betaling van de boete een aanmaning verzonden waarbij het boetebedrag is verhoogd naar € 579,-.



2.2.
Eiser heeft op 27 februari 2024 bezwaar gemaakt bij het CJIB tegen de aanmaning en verzocht om een vergoeding van de proceskosten die hij voor het indienen van dit bezwaar heeft gemaakt.



2.3.
Op 26 november 2024 heeft de officier van justitie het administratieve beroep tegen de verkeersboete ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen. Op 13 januari 2025 heeft eiser bij de (kantonrechter van de) rechtbank Rotterdam beroep ingesteld tegen deze beslissing.



2.4.
Op 23 december 2024 heeft eiser het CJIB in gebreke gesteld vanwege het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaar tegen de aanmaning.



2.5.
Op grond van artikel 8:5, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit als bedoeld in artikel 1 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak. In dit artikel staat dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit dat is genomen op grond van de Wahv.



2.6.
Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Voor de vaststelling welke voorzieningen openstaan tegen het niet tijdig nemen van een besluit, is bepalend het antwoord op de vraag welke voorzieningen zouden openstaan, indien een reëel besluit zou zijn genomen.



2.7.
De rechtbank stelt vast dat het beroep van eiser betrekking heeft op het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek om proceskosten die hij stelt te hebben gemaakt in verband met zijn bezwaar tegen de aanmaning van het CJIB. De aanmaning betreft een verkeersboete en dat is een besluit krachtens de Wahv waartegen geen beroep kan worden ingesteld. Verder geldt overigens ook dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit inhoudende een aanmaning.



2.8.
Uit de systematiek van de Awb volgt verder dat de bestuursrechter alleen aan een verzoek om vergoeding van de proceskosten toekomt wanneer zij bevoegd is om kennis te nemen van het onderliggende geschil. Nu geen beroep openstaat voor het onderliggende geschil over de aanmaning, geldt dit eveneens voor een beroep dat ziet op het niet tijdig nemen van een beslissing over de in verband met het bezwaar tegen de aanmaning gemaakte proceskosten.



2.9.
Dat betekent dat de rechtbank niet bevoegd is om over het beroep van eiser te oordelen. Omdat de rechtbank onbevoegd is om van het inleidende beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit kennis te nemen, kan zij ook niet met toepassing van artikel 6:20, derde lid van de Awb een oordeel geven over het door het CJIB aan het dossier toegevoegde besluit van 14 februari 2025.





Conclusie en gevolgen


3. De rechtbank verklaart zich onbevoegd. De griffier zal daarom het betaalde griffierecht terugstorten. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




Beslissing


De rechtbank:

- verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen;
- gelast de griffier om het betaalde griffierecht aan eiser terug te betalen.




Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Wijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. P.H.M. van Hout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2026.














griffier


rechter













Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:









Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



ECLI:NL:CRVB:2016:3831.


Deze aanmaning is gebaseerd op artikel 23, derde lid, en artikel 24, eerste lid, van de Wahv.


Artikel 8:4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb.


ECLI:NL:RBAMS:2017:7199 en ook ECLI:NL:HR:2024:748.