Rechtbank Oost-Brabant
ECLI:NL:RBOBR:2026:165
2026-01-15
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
25/364
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Het college heeft in een brief aan eiser medegedeeld dat er twee jaar lang geen correspondentie van hem meer in behandeling wordt genomen. De rechtbank oordeelt dat deze brief niet kan worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid van de Awb. De brief heeft geen rechtsgevolg en is niet op een publiekrechtelijke grondslag gebaseerd.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2018:975 Raad van State 21-03-2018
- ECLI:NL:RVS:2025:5348 Raad van State 05-11-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.265 tekens)
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/364
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 januari 2026 in de zaak tussen
[eiser] uit [woonplaats] , eiser
en
het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant, het college
(gemachtigde: mr. E. Aerts).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen het niet-ontvankelijk verklaren van zijn bezwaar door het college. Eiser is het hier niet mee eens en hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de brief van 16 maart 2023 geen besluit is, zodat het college het bezwaar daartegen terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Het college heeft met de brief van 16 maart 2023 aan eiser medegedeeld dat er twee jaar lang geen correspondentie van hem meer in behandeling wordt genomen. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen deze brief. Met het bestreden besluit van 19 december 2024 heeft het college het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft eiser en namens het college: de gemachtigde, mr. J.M. Smarius en mr. I.J.N Fitters deelgenomen.
Feiten en omstandigheden
3. Het college heeft op 16 maart 2023 aan eiser een brief gestuurd, waarin, kort gezegd, eiser wordt aangesproken op zijn onacceptabele omgangsvormen en bejegening richting medewerkers van het college. In die brief geeft het college verder het volgende aan:
“(…) Het recht om gebruik te maken van wettelijke mogelijkheden geeft u niet het recht om onze medewerkers te beledigen en te bedreigen. Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden hebben wij daarom aan onze medewerkers opdracht gegeven om vanaf nu – voor de periode van 2 jaar – u niet meer te woord te staan. We nemen in deze periode dan ook geen correspondentie van u meer in behandeling.
Uw lopende bezwaarzaken ( [nummer] en [nummer] ) zullen nog schriftelijk worden afgehandeld. Voor het overige zult u van ons dan geen inhoudelijke reactie meer ontvangen. Mocht u desondanks de provincie blijven benaderen, sluiten wij verdere (juridische) stappen niet uit. (…)”
3.1.
Eiser heeft bezwaar aangetekend tegen deze brief.
3.2.
Op 2 december 2024 heeft een ambtelijke hoorzitting plaatsgevonden.
3.3.
Met het bestreden besluit van 19 december 2024 heeft het college het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. De brief van 16 maart 2023 is volgens het college niet op enig rechtsgevolg gericht en bevat slechts een voornemen, waarbij eiser niet in zijn rechtsbeschermingsmogelijkheden wordt beperkt. Er is enkel een interne gedragslijn opgelegd, wat is te kwalificeren als een feitelijke handeling. Daarom is geen sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Beoordeling door de rechtbank
Is sprake van een besluit zoals bedoeld in artikel 1:3, eerste lid van de Awb?
4. Gelet op de inhoud van het bestreden besluit dient de rechtbank, zoals ook op zitting is uitgelegd, in dit beroep eerst te beoordelen of het college het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het gaat daarbij om het antwoord op de vraag of de brief van 16 maart 2023 een besluit is zoals bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Alleen tegen een besluit kan namelijk bezwaar worden gemaakt.
4.1.
In artikel 1:3, eerste lid van de Awb is opgenomen:
“Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.”
Met het begrip rechtshandeling wordt bedoeld dat er sprake moet zijn van een rechtsgevolg, een verandering in de wereld van het recht zoals het doen ontstaan van een bevoegdheid, recht of verplichting of het teniet doen daarvan.
4.2.
Eiser voert aan dat de brief van 16 maart 2023 een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid van de Awb.
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank kan de brief van 16 maart 2023 niet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid van de Awb. Steun voor dat oordeel vindt de rechtbank in de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaronder de uitspraken van 21 maart 2018 en 17 november 2025. De brief van 16 maart 2023 bevat slechts een voornemen om niet meer te reageren op de brieven van eiser en heeft geen rechtsgevolg. Door de brief verandert er niets in de wereld van het recht. Zo heeft de brief, anders dan eiser op de zitting heeft aangevoerd, niet daadwerkelijk tot gevolg gehad dat aan hem bepaalde rechten, zoals het recht om aanvragen bij het college te doen, een bezwaarprocedure te voeren of een beroep niet tijdig beslissen in te dienen, werden ontnomen. Het college heeft ook gesteld dat de brief niet op dergelijke gevolgen gericht was. Dit volgt ook uit het verslag van de ambtelijke hoorzitting:
“(…) Door verweerder wordt bevestigd dat de heer [naam] wel bezwaar of een klacht kan indienen. (…)”
Uit dit verslag volgt verder dat er voorafgaand aan de hoorzitting verschillende gesprekken hebben plaatsgevonden tussen eiser en de directeur Vitaal en Ruimtelijk Brabant om in beeld te krijgen welke klachten- dan wel bezwaarprocedures er nog open stonden. In deze procedures heeft het college vervolgens alsnog een reactie gegeven. Daarnaast is de brief van 16 maart 2023 niet op een publiekrechtelijke grondslag gebaseerd. De brief is een feitelijke handeling. Het college heeft met de brief feitelijk met eiser gecommuniceerd over een intern afgesproken gedragslijn dan wel communicatiemaatregel. Het college heeft daarmee geen taak uitgevoerd die op grond van een wettelijk voorschrift aan het college is opgedragen.
4.4.
Omdat de brief van 16 maart 2023 dus geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid van de Awb, kan hiertegen geen bezwaar worden ingesteld. Het college heeft daarom terecht het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
4.5.
De beroepsgrond slaagt niet.
4.6.
Aan de overige beroepsgronden van eiser, die zijn gericht tegen de inhoud van de brief van 16 maart 2023, komt de rechtbank daarom niet meer toe.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M.H. Nelissen, rechter, in aanwezigheid van mr.F.M. van den Assem, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit volgt uit artikel 1:3 van de Awb gelezen in samenhang met de artikelen 7:1 en 8:1 van de Awb.
ECLI:NL:RVS:2018:975.
ECLI:NL:RVS:2025:5348.
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/364
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 januari 2026 in de zaak tussen
[eiser] uit [woonplaats] , eiser
en
het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant, het college
(gemachtigde: mr. E. Aerts).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen het niet-ontvankelijk verklaren van zijn bezwaar door het college. Eiser is het hier niet mee eens en hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de brief van 16 maart 2023 geen besluit is, zodat het college het bezwaar daartegen terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Het college heeft met de brief van 16 maart 2023 aan eiser medegedeeld dat er twee jaar lang geen correspondentie van hem meer in behandeling wordt genomen. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen deze brief. Met het bestreden besluit van 19 december 2024 heeft het college het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft eiser en namens het college: de gemachtigde, mr. J.M. Smarius en mr. I.J.N Fitters deelgenomen.
Feiten en omstandigheden
3. Het college heeft op 16 maart 2023 aan eiser een brief gestuurd, waarin, kort gezegd, eiser wordt aangesproken op zijn onacceptabele omgangsvormen en bejegening richting medewerkers van het college. In die brief geeft het college verder het volgende aan:
“(…) Het recht om gebruik te maken van wettelijke mogelijkheden geeft u niet het recht om onze medewerkers te beledigen en te bedreigen. Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden hebben wij daarom aan onze medewerkers opdracht gegeven om vanaf nu – voor de periode van 2 jaar – u niet meer te woord te staan. We nemen in deze periode dan ook geen correspondentie van u meer in behandeling.
Uw lopende bezwaarzaken ( [nummer] en [nummer] ) zullen nog schriftelijk worden afgehandeld. Voor het overige zult u van ons dan geen inhoudelijke reactie meer ontvangen. Mocht u desondanks de provincie blijven benaderen, sluiten wij verdere (juridische) stappen niet uit. (…)”
3.1.
Eiser heeft bezwaar aangetekend tegen deze brief.
3.2.
Op 2 december 2024 heeft een ambtelijke hoorzitting plaatsgevonden.
3.3.
Met het bestreden besluit van 19 december 2024 heeft het college het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. De brief van 16 maart 2023 is volgens het college niet op enig rechtsgevolg gericht en bevat slechts een voornemen, waarbij eiser niet in zijn rechtsbeschermingsmogelijkheden wordt beperkt. Er is enkel een interne gedragslijn opgelegd, wat is te kwalificeren als een feitelijke handeling. Daarom is geen sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Beoordeling door de rechtbank
Is sprake van een besluit zoals bedoeld in artikel 1:3, eerste lid van de Awb?
4. Gelet op de inhoud van het bestreden besluit dient de rechtbank, zoals ook op zitting is uitgelegd, in dit beroep eerst te beoordelen of het college het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het gaat daarbij om het antwoord op de vraag of de brief van 16 maart 2023 een besluit is zoals bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Alleen tegen een besluit kan namelijk bezwaar worden gemaakt.
4.1.
In artikel 1:3, eerste lid van de Awb is opgenomen:
“Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.”
Met het begrip rechtshandeling wordt bedoeld dat er sprake moet zijn van een rechtsgevolg, een verandering in de wereld van het recht zoals het doen ontstaan van een bevoegdheid, recht of verplichting of het teniet doen daarvan.
4.2.
Eiser voert aan dat de brief van 16 maart 2023 een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid van de Awb.
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank kan de brief van 16 maart 2023 niet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid van de Awb. Steun voor dat oordeel vindt de rechtbank in de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaronder de uitspraken van 21 maart 2018 en 17 november 2025. De brief van 16 maart 2023 bevat slechts een voornemen om niet meer te reageren op de brieven van eiser en heeft geen rechtsgevolg. Door de brief verandert er niets in de wereld van het recht. Zo heeft de brief, anders dan eiser op de zitting heeft aangevoerd, niet daadwerkelijk tot gevolg gehad dat aan hem bepaalde rechten, zoals het recht om aanvragen bij het college te doen, een bezwaarprocedure te voeren of een beroep niet tijdig beslissen in te dienen, werden ontnomen. Het college heeft ook gesteld dat de brief niet op dergelijke gevolgen gericht was. Dit volgt ook uit het verslag van de ambtelijke hoorzitting:
“(…) Door verweerder wordt bevestigd dat de heer [naam] wel bezwaar of een klacht kan indienen. (…)”
Uit dit verslag volgt verder dat er voorafgaand aan de hoorzitting verschillende gesprekken hebben plaatsgevonden tussen eiser en de directeur Vitaal en Ruimtelijk Brabant om in beeld te krijgen welke klachten- dan wel bezwaarprocedures er nog open stonden. In deze procedures heeft het college vervolgens alsnog een reactie gegeven. Daarnaast is de brief van 16 maart 2023 niet op een publiekrechtelijke grondslag gebaseerd. De brief is een feitelijke handeling. Het college heeft met de brief feitelijk met eiser gecommuniceerd over een intern afgesproken gedragslijn dan wel communicatiemaatregel. Het college heeft daarmee geen taak uitgevoerd die op grond van een wettelijk voorschrift aan het college is opgedragen.
4.4.
Omdat de brief van 16 maart 2023 dus geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid van de Awb, kan hiertegen geen bezwaar worden ingesteld. Het college heeft daarom terecht het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
4.5.
De beroepsgrond slaagt niet.
4.6.
Aan de overige beroepsgronden van eiser, die zijn gericht tegen de inhoud van de brief van 16 maart 2023, komt de rechtbank daarom niet meer toe.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M.H. Nelissen, rechter, in aanwezigheid van mr.F.M. van den Assem, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit volgt uit artikel 1:3 van de Awb gelezen in samenhang met de artikelen 7:1 en 8:1 van de Awb.
ECLI:NL:RVS:2018:975.
ECLI:NL:RVS:2025:5348.