Rechtbank Oost-Brabant
ECLI:NL:RBOBR:2026:1504
2026-01-29
Civiel recht
C-01-419326 - KG ZA 25-486
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Kort geding. Consumentenkoop. Vordering tot terugname auto en terugbetalen koopsom door verkoper. Vorderingen worden afgewezen. Onvoldoende aannemelijk dat sprake is van non-conformiteit die ontbinding van de koopovereenkomst rechtvaardigt. Ook een beroep op dwaling slaagt niet.
Citeert (3)
- ECLI:NL:HR:2007:AZ4663 Hoge Raad 29-06-2007
- ECLI:NL:HR:1998:ZC2572 Hoge Raad 06-02-1998
- ECLI:NL:HR:2009:BH2162 Hoge Raad 27-11-2009
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (34.609 tekens)
RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/419326 / KG ZA 25-486
Vonnis in kort geding van 29 januari 2026
in de zaak van
1 [eiser 1]2. [eiser 2] ,
te [plaats ] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. W. Boeters,
tegen
[gedaagde] B.V., handelend onder de naam [handelsnaam gedaagde],
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [handelsnaam gedaagde] ,
advocaat: mr. B.A.V.J. Mooren.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 december 2025 met producties 1 tot en met 7
- de akte eerste reactie tevens akte overleggen aanvullende producties van [handelsnaam gedaagde] met de producties 1 tot en met 10- de aanvullende producties 8 tot en met 13 van [eisers]- de mondelinge behandeling van 21 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de spreekaantekeningen van mr. Boeters- de pleitnotitie van mr. Mooren.
2De feiten
2.1.
[handelsnaam gedaagde] is een professioneel autoverkoper.
2.2.
[eisers] heeft in de zomer van 2025 laten blijken interesse te hebben in een Audi A6 Limousine 50 TFSI e quattro S edition met kenteken [kenteken] (hierna te noemen: de auto) die [handelsnaam gedaagde] te koop aanbood voor een bedrag van € 42.950,--. Het betreft een voertuig van 5 ½ jaar oud met ruim 92.000 gereden kilometers.
2.3.
[handelsnaam gedaagde] heeft de auto in juni 2025 ingekocht bij Euregio Motorcars (hierna te noemen: Euregio) in Duitsland. Op de factuur is onder het kopje “Übergabeprotokoll” het vakje “Unfallfahrzeug” door Euregio niet aangevinkt met daaronder de toevoeging “Unfallschaden sind nicht bekannt”.
2.4.
Op 22 juli 2025 heeft [eisers] rond 22:00 uur een bezoek gebracht aan de showroom van [handelsnaam gedaagde] in [plaats ] . [eisers] had nog enkele andere personen meegebracht.
2.5.
[eisers] heeft die avond de auto in de showroom bekeken en heeft ook die avond nog een proefrit gemaakt.
2.6.
[eisers] en [handelsnaam gedaagde] hebben diezelfde dag een koopovereenkomst gesloten waarbij [handelsnaam gedaagde] de auto aan [eisers] heeft verkocht voor een bedrag van € 40.000,--.
[handelsnaam gedaagde] heeft in dat kader een factuur opgemaakt die door [eisers] voor akkoord is ondertekend.
2.7.
In de factuur staat onder meer het volgende:
“6 maanden garantie uitsluitend op motor en versnellingsbak of 10000 Kilometer
(…)
GEEN GARANTIE!
KOPER ZIET OOK AF VAN WETTELIJKE GARANTIETERMIJN VAN 12 MAANDEN
Onze algemeen voorwaarden zijn van toepassing. U tekent voor akkoord
Bovag-garantie is uitgesloten. Voerttuig wordt VOETSTOOTS en ZONDER enige GARANTIE door verkoper aan koper verkocht en geleverd. Alle zichtbare en onzichtbare gebreken zijn voor rekening en risico van koper. Ook komt koper geen beroep op non-conformiteit toe gelijk koper hiervan afstand doet.”
2.8.
[eisers] heeft voor de financiering van de aankoop van de auto een financial leaseovereenkomst afgesloten van € 25.000,--.
2.9.
Op 4 augustus 2025 heeft [eisers] de auto rond 16:00 uur bij [handelsnaam gedaagde] opgehaald.
Daarbij heeft [eisers] geconstateerd dat de auto een rammelend geluid maakte. Het euvel is door [handelsnaam gedaagde] kosteloos verholpen.
2.10.
[eisers] heeft later die dag ook melding gemaakt van een storingsmelding in het pre-sensesysteem. [handelsnaam gedaagde] heeft aangeboden ook dit gebrek kosteloos te onderzoeken en zo nodig te herstellen. Daarvoor werd een afspraak ingepland op 28 augustus 2025.
2.11.
Kort na de aflevering van het voertuig op 4 augustus 2025 heeft [eisers] bij [handelsnaam gedaagde] melding gemaakt van hagelschade aan de auto. [eisers] informeert bij [handelsnaam gedaagde] of zij daarmee bekend was. [handelsnaam gedaagde] heeft daarop geantwoord dat het voertuig bij haar geen deuken of krassen had.
[eisers] informeert verder bij [handelsnaam gedaagde] of de auto – buiten de hagelschade – geen ander schadeverleden heeft. [handelsnaam gedaagde] antwoordt daarop: “niet dat wij weten”.
2.12.
Bij e-mail van 11 augustus 2025 heeft [eisers] de koopovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden. Volgens [eisers] beantwoord de auto niet aan de overeenkomst en is sprake van misleidende mededelingen en bedrog door [handelsnaam gedaagde] nu achteraf is gebleken dat de auto hagelschade en meerdere technische storingen heeft. Bovendien zou [eisers] inmiddels zijn gebleken dat de auto een (door [handelsnaam gedaagde] verzwegen) schadeverleden heeft.
2.13.
In antwoord daarop heeft [handelsnaam gedaagde] bij e-mail van 13 augustus 2025 bericht dat ontbinding van de koopovereenkomst niet mogelijk is omdat [eisers] de auto heeft geaccepteerd met alle zichtbare en onzichtbare gebreken en bovendien afstand heeft gedaan van enig beroep op non-conformiteit.
[handelsnaam gedaagde] wijst er verder op dat zij uit coulance reeds een afspraak heeft ingepland om de storing aan het pre-sensesysteem te onderzoeken en zo nodig te verhelpen.
[handelsnaam gedaagde] nodigt uit om de auto gezamenlijk te inspecteren en te zoeken naar een oplossing,
2.14.
Bij brief van zijn advocaat van 18 augustus 2025 heeft [eisers] onder bijvoeging van een rapport van [A] B.V. (hierna te noemen: [A] ) van diezelfde datum [handelsnaam gedaagde] gesommeerd om:
de koopovereenkomst te ontbinden;
de koopsom terug te betalen;
te bevestigen dat [handelsnaam gedaagde] de schade vergoedt die [eisers] lijdt in verband met de leaseovereenkomst;
de door [eisers] gemaakte expertisekosten te vergoeden.
de wettelijke rente aan [eisers] te betalen.
2.15.
In haar rapport concludeert [A] als volgt:
Eindconclusie en Slotverklaring
Na uitgebreid technisch en juridisch onderzoek, waarbij het voertuig met kenteken [kenteken] (Audi A6 Limousine - 50 TFSI e quattro S edition) is onderzocht op schadeverleden, actuele schade, technische gebreken en marktwaarde, komt [A] BV tot de volgende conclusies.
Het voertuig is op 1 augustus 2025 door de consument aangekocht met een kilometerstand van 92.511 km. Binnen korte tijd na levering zijn er ernstige gebreken vastgesteld, waaronder:
- een structureel schadeverleden zoals aangetoond via het Carfax-rapport (oorsprong: België)
- zichtbare hagelschade bestaande uit meer dan 100 deuken over het gehele koetswerk
- meerdere technische storingen (dashboardwaarschuwingen en elektronische fouten)
- een herstelcalculatie van meer dan € 5.973 op basis van SilverDAT
Uit objectieve waardebepaling op basis van Autotelex Pro blijkt dat een schadevrij voertuig van deze specificatie een handelswaarde heeft van circa € 41.850. Door het gecombineerde effect van het verzwegen schadeverleden, de zichtbare schade en gebreken, resteert een resterende economische waarde van niet meer dan circa € 7.500. Dit maakt het voertuig economisch total loss.
Op juridisch vlak is vastgesteld dat de verkoper in strijd heeft gehandeld met de mededelingsplicht. Op grond van artikel 7:17 BW en met verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (waaronder ECLI:NL:HR:2007:AZ4663, ECLI:NL:HR:1998:ZC2572 en ECLI:NL:HR:2009:BH2162) staat vast dat een voertuig met verzwegen schadeverleden non-conform is geleverd.
Bovendien is de clausule op de factuur waarbij wordt afgezien van wettelijke garantie op grond van artikel 7:6 BW dwingendrechtelijk ongeldig. De consument behoudt alle wettelijke rechten, ongeacht enige ondertekende verklaring of vermelding op de factuur.
Gezien bovenstaande technische en juridische bevindingen is de koopovereenkomst op basis van consumentenkoop op meerdere gronden aantoonbaar ontbindbaar. De consument heeft recht op volledige restitutie van het aankoopbedrag en bijkomende kosten, conform zijn wettelijke rechten.
Namens [A] BV wordt hiermee verklaard dat het voertuig ten tijde van inspectie niet voldeed aan de eisen die daaraan gesteld mogen worden door een gemiddeld geïnformeerde consument.
In het rapport wordt verwezen naar een bijgevoegd, op 7 augustus 2025 aangemaakt Voertuig Historie Rapport van Carfax. Daarin staat het volgende schadeoverzicht:
2.16.
[handelsnaam gedaagde] heeft in een e-mail van 25 augustus 2025 haar eerder ingenomen standpunt dat ontbinding van de koopovereenkomst niet mogelijk is herhaald.
[handelsnaam gedaagde] betwist dat de auto hagelschade had bij aflevering en heeft zich nogmaals bereid verklaard om de technische storing te onderzoeken en zo nodig te verhelpen.
Het rapport van [A] zit volgens [handelsnaam gedaagde] niet goed in elkaar.
2.17.
Bij e-mail van 11 september 2025 heeft de advocaat van [eisers] aan [handelsnaam gedaagde] bericht dat de overeenkomst als ontbonden moet worden beschouwd met de aanzegging van een kort geding.
3Het geschil
3.1.
[eisers] vordert - samengevat – om [handelsnaam gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. te veroordelen om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis de auto terug te nemen en de koopovereenkomst ongedaan te maken, dan wel als vernietigd te beschouwen;
II. te veroordelen om aan [eisers] de kooprijs van € 40.000,-- terug te betalen;
III. te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 7.670,05 als voorschot op gevolgschade bestaande uit onder meer aanvullende leasekosten en expertisekosten;
IV. te veroordelen om de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.511,26 te vergoeden;
V. te veroordelen tot betaling van wettelijke rente over de gevorderde bedragen;
VI. te veroordelen in de proceskosten, inclusief de nakosten en te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
[eisers] legt aan de vordering het volgende ten grondslag.
3.2.1.
[eisers] heeft de koopovereenkomst met [handelsnaam gedaagde] rechtsgeldig ontbonden dan wel vernietigd. [eisers] dient de auto daarom terug te nemen, de koopsom aan terug te betalen en de schade die [eisers] heeft geleden als gevolg van de tekortkoming van [handelsnaam gedaagde] , te vergoeden.
3.2.2.
De koopovereenkomst kwalificeert als een consumentenkoop zodat [eisers] een beroep kan doen op de daarvoor geldende wettelijke bepalingen. Daarvan kan niet ten nadele van [eisers] worden afgeweken. De exoneratieclausules in het koopcontract waar [handelsnaam gedaagde] zich op beroept zijn daarom nietig.
3.2.3.
Er is sprake van non-conformiteit in de zin van artikel 7:17 BW nu de auto niet beantwoordt aan de overeenkomst. Na aankoop is namelijk gebleken dat:
de auto in het verleden tweemaal aanzienlijke schade heeft gehad hetgeen door [handelsnaam gedaagde] voor [eisers] is verwegen;
de auto hagelschade heeft bestaande uit meer dan 100 deukjes terwijl [handelsnaam gedaagde] had verklaard dat de auto geen krassen of deuken had;
de auto technische gebreken heeft en het motormanagementsysteem daardoor meerdere foutmeldingen geeft.
Gelet op de aard van de gebreken en de eerder mislukte herstelpogingen van [handelsnaam gedaagde] kan van [eisers] in redelijkheid geen herstel worden gevergd. [eisers] stelt zich daarom primair op het standpunt dat hij de koopovereenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden
3.2.4.
Subsidiair stelt [eisers] dat de koopovereenkomst is vernietigd wegens dwaling dan wel bedrog. [eisers] heeft gedwaald over de essentiële eigenschappen van de auto. Hij was er niet van op de hoogte dat de auto een schadeverleden had. Die dwaling is te wijten aan het schenden van de mededelingsplicht door [handelsnaam gedaagde] .
Zij wist of behoorde te weten van het schadeverleden en had [eisers] daarover moeten inlichten. Indien [eisers] op de hoogte was geweest van het schadeverleden had hij de overeenkomst niet, althans niet onder dezelfde voorwaarden, gesloten.
3.2.5.
Op grond van artikel 6:277 BW dient [handelsnaam gedaagde] ook de door geleden gevolgschade te vergoeden. Die bestaat uit een bedrag van € 7.397,80 aan aanvullende leasekosten en een bedrag van € 272,25 aan expertisekosten. [handelsnaam gedaagde] dient ook de door gemaakte buitengerechtelijke incassokosten te vergoeden.
3.3.
[handelsnaam gedaagde] voert verweer.
3.3.1.
Het ontbreekt [eisers] aan voldoende spoedeisend belang. [eisers] heeft niet onderbouwd waarom ingrijpen door de voorzieningenrechter noodzakelijk is.
Niet gebleken is dat de auto door niet kan worden gebruikt en de leasetermijnen had [eisers] sowieso moeten betalen. De kwestie speelt ook al sinds augustus 2025.
3.3.2.
De zaak leent zich bovendien niet voor beoordeling in kort geding; [eisers] vordert feitelijk dat de voorzieningenrechter een rechtstoestand vaststelt, in het leven roept of beëindigd. Een dergelijke vordering hoort bij uitstek thuis in een bodemprocedure.
3.3.3.
De koopovereenkomst kwalificeert niet als een consumentenkoop. In de leaseovereenkomst heeft [eisers] namelijk verklaard dat de auto uitsluitend zakelijk zal worden gebruikt. [eisers] kan dus geen beroep doen op de wettelijke bepalingen ter zake consumentenkoop. Dat betekent dat in de koopovereenkomst een beroep op non-conformiteit rechtsgeldig is uitgesloten.
3.3.4.
[eisers] heeft bovendien door het ondertekenen van de koopovereenkomst verklaard dat de auto beantwoordt aan de overeenkomst. Een beroep op non-conformiteit kan dan niet slagen.
3.3.5.
[handelsnaam gedaagde] betwist de betrouwbaarheid van het door overgelegde rapport van [A] en de daarin neergelegde bevindingen. [A] is niet onafhankelijk en mist de deskundigheid om de technische staat van aan auto te kunnen beoordelen. Er blijkt ook nergens uit dat [A] de auto daadwerkelijk heeft onderzocht. De schades uit het verleden zijn deugdelijk hersteld. Niet gebleken is dat die schades in de weg staan aan een normaal gebruik van de auto.
3.3.6.
[handelsnaam gedaagde] betwist dat de auto bij aflevering hagelschade had. Ook de monteur en de autopoetser die het voertuig na de aankoop afleveringsgereed hebben gemaakt bevestigen dat. Euregio, de partij die de auto aan [handelsnaam gedaagde] heeft verkocht, heeft ook bevestigd dat de auto ten tijde van de verkoop aan [handelsnaam gedaagde] vrij was van hagel- of andere (kenbare) schade. Indien al sprake zou zijn geweest van hagelschade dan geldt dat [eisers] dat had kunnen (en moeten) zien. Hij heeft de auto voor aankoop met de door hem meegebrachte personen uitvoerig onderzocht en in de aangeboden staat gekocht. Hij heeft alle zichtbare en onzichtbare gebreken aanvaard.
3.3.7.
Ten aanzien van de door gestelde storingsmelding is [handelsnaam gedaagde] niet in verzuim. [handelsnaam gedaagde] heeft namelijk geen gelegenheid gekregen om een eventueel gebrek te herstellen. [handelsnaam gedaagde] heeft daartoe wel een uitdrukkelijk aanbod gedaan maar [eisers] heeft dat van de hand gewezen.
3.3.8.
[eisers] had niet zomaar mogen aannemen dat de auto in het verleden geen schade heeft gehad. De auto werd niet zodanig aangeboden en partijen zijn evenmin overeengekomen dat het voertuig een schadevrij verleden had. [eisers] heeft ten tijde van de aankoop ook niet kenbaar gemaakt dat het voor hem van belang was dat de auto in het verleden geen schade had opgelopen.
[handelsnaam gedaagde] wist niet dat het voertuig een schadeverleden had en had ook geen aanleiding om dat te vermoeden gezien de technische staat waarin het voertuig werd aangeboden alsook gelet op de verklaring van Euregio (“Unfallschaden sind nicht bekannt”) zoals vermeld op de factuur. De omstandigheid dat [handelsnaam gedaagde] geen melding heeft gedaan van een – haar niet bekend - schadeverleden levert geen non-conformiteit op nu partijen het ontbreken van een schadeverleden niet zijn overeengekomen.
3.3.9.
[handelsnaam gedaagde] betwist dat hij meerdere (vergeefse) herstelpogingen zou hebben ondernomen. Zij heeft een direct bij afname van het voertuig geconstateerde storingsmelding meteen verholpen. Ter zake een tweede klacht omtrent storingsmeldingen had zij met [eisers] reeds een afspraak ingepland voor onderzoek en (eventueel) herstel; zij is echter niet meer in de gelegenheid gesteld het aangeboden herstel uit te voeren vanwege de ingeroepen ontbinding/vernietiging van de overeenkomst. [handelsnaam gedaagde] is dan ook niet in verzuim.
3.3.10.
Voor zover al sprake zou zijn van non-conformiteit dan rechtvaardigen de gestelde gebreken de ontbinding van de koopovereenkomst niet.
3.3.11.
Het beroep op dwaling slaagt evenmin. Dat [eisers] niet op de hoogte was van het schadeverleden van de auto komt voor rekening van [eisers] zelf. [handelsnaam gedaagde] was van het schadeverleden niet op de hoogte en heeft daarover ook geen uitspraken of toezeggingen gedaan. [handelsnaam gedaagde] had – gezien de technische staat van het voertuig en de verklaring van Euregio op de verkoopfactuur - geen reden om te twijfelen aan de technische staat van de auto. Indien het schadeverleden voor [eisers] van belang was bij de aankoop had hij daarover vragen moeten stellen. Dat heeft hij niet gedaan.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eisers] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
4.2.
Het spoedeisend belang van [eisers] bij de gevorderde voorzieningen volgt voldoende uit de aard van de vordering. [eisers] heeft er belang bij dat de auto feitelijk door [handelsnaam gedaagde] wordt teruggenomen en de koopsom wordt terugbetaald, vooruitlopend op een definitief oordeel van de bodemrechter over de ingeroepen ontbinding c.q. vernietiging. Hangende deze beslissing draagt [eisers] het risico op schade of tenietgaan van de auto en dient hij zijn verplichtingen jegens de financier van het voertuig na te komen. Met de gevorderde voorziening wordt [eisers] in staat gesteld zich te verlossen van dat risico en van de verplichtingen jegens de leasemaatschappij. Van [eisers] kan niet worden gevergd dat hij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. De vraag óf voldoende aannemelijk is te achten dat de bodemrechter de ingeroepen ontbinding c.q. vernietiging zal honoreren en er aldus aanleiding bestaat op daarop in kort geding te anticiperen wordt hierna beantwoord.
4.3.
[eisers] stelt zich primair op het standpunt dat hij de koopovereenkomst met [handelsnaam gedaagde] heeft ontbonden en dat [handelsnaam gedaagde] in het kader van de op haar rustende ongedaanmakingsverplichting de auto moet terugnemen en de koopsom moet terugbetalen.
Om te kunnen beoordelen of de ontbinding door [eisers] stand zal houden, dient eerst te worden vastgesteld of sprake is van een consumentenkoop in de zin van artikel 7:5 lid 1 sub a BW. [eisers] doet in het kader van de ontbinding namelijk een beroep op de bepalingen voor consumentenkoop in Titel 1, afdeling 1 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Volgens [eisers] is sprake van non-conformiteit in de zin van artikel 7:17 BW.
In de koopovereenkomst is een beroep op non-conformiteit uitdrukkelijk uitgesloten. Indien sprake is van een consumentenkoop dan heeft die exoneratie geen werking omdat de bepalingen over de consumentenkoop van dwingend recht zijn waarvan niet ten nadele van de consument kan worden afgeweken.
4.4.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende aannemelijk dat sprake is van een consumentenkoop. Het gaat hier om een koop van een roerende zaak tussen een natuurlijk persoon als koper en een professionele verkoper. Het enkele feit dat [eisers] tegenover de leasemaatschappij – al dan niet om redenen van fiscale aard - heeft verklaard dat de auto uitsluitend zakelijk zou worden gereden, geeft onvoldoende aanleiding voor een ander oordeel. Op vragen van de voorzieningenrechter antwoorde mevrouw [eisers] dat zij de auto in privé heeft gekocht en de omzetbelasting op de aankoop niet in voordruk heeft genomen. Zij gebruikt de auto ten behoeve van haar eenmanszaak en brengt de zakelijk gereden kilometers ten laste van de bedrijfskosten. [handelsnaam gedaagde] heeft deze stellingen niet weersproken en andere aanwijzingen dat [eisers] de auto zou hebben gekocht voor louter zakelijke doeleinden ontbreken.
4.5.
[eisers] noemt een drietal feitelijke gronden waaruit zou volgen dat de auto niet beantwoordt aan de overeenkomst.
4.5.1.
De eerste grond is dat na aflevering is gebleken dat de auto een schadeverleden heeft en [handelsnaam gedaagde] daar bij de verkoop niets over heeft gemeld. [eisers] wijst daarbij op het Voertuig Historie Rapport van Carfax waaruit blijkt dat in 2020 en in 2023 schade aan de auto is gerapporteerd. De schades hebben zich voorgedaan in België en de met herstel van de schade gemoeide kosten zijn in het rapport begroot op respectievelijk € 13.000,-- tot € 14.000,-- en € 3.000,-- tot € 4.000,--.
4.5.2.
Dat [handelsnaam gedaagde] het schadeverleden niet aan [eisers] heeft gemeld staat vast. [handelsnaam gedaagde] stelt dat zij dat ook niet kon melden omdat dit schadeverleden bij haar niet bekend was en zij ook geen aanleiding had om een dergelijk schadeverleden te vermoeden.
Dat [handelsnaam gedaagde] het schadeverleden niet aan [eisers] heeft gemeld is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat de auto niet de eigenschappen bezit die [eisers] op grond van de koopovereenkomst redelijkerwijs mocht verwachten. Een koper van een tweedehands auto mag er immers niet zonder meer van uitgaan dat een verkoper op de hoogte is van het volledige schadeverleden van die auto.
4.5.3.
De voorzieningenrechter ziet in dit geval onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat [handelsnaam gedaagde] in dit geval redelijkerwijs wel had moeten weten dat de auto in het verleden schade heeft gehad. De Duitse verkoper van wie [handelsnaam gedaagde] de auto heeft ingekocht heeft in de factuur uitdrukkelijk verklaard dat er geen schade bekend is. Gesteld noch gebleken is verder dat de staat waarin de auto verkeerde [handelsnaam gedaagde] aanleiding had moeten geven te vermoeden dat sprake is geweest van schade in het verleden. Ook het door [eisers] overgelegde expertiserapport van [A] reikt daarvoor geen aanknopingspunten aan.
4.5.4.
Uit het enkele feit dat [handelsnaam gedaagde] niets heeft gemeld over schades uit het verleden had [eisers] dan ook niet zonder meer mogen afleiden dat de auto (dus) volledig schadevrij was. Onweersproken staat immers vast dat [eisers] ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst zelf niet naar een eventueel schadeverleden heeft geïnformeerd noch anderszins duidelijk gemaakt dat een schadevrij verleden voor hem van wezenlijk belang was om tot aankoop over te gaan.
4.5.5.
Tenslotte is gesteld noch gebleken dat de schades uit het verleden ondeugdelijk zijn hersteld en zulks het normale gebruik van de auto verhindert of beperkt.
4.6.
De tweede grond die [eisers] aandraagt voor de gestelde non-conformiteit ziet op de storingsmeldingen die het motormanagementsysteem genereert.
De voorzieningenrechter kan over deze klacht kort zijn: voor zover al vast is komen te staan dat sprake is van storingsmeldingen die aan een normaal gebruik in de weg staan heeft [handelsnaam gedaagde] onweersproken gesteld dat zij vanwege na de aflevering aan haar gemelde storingsmeldingen al had aangeboden om daar onderzoek naar te doen en zo nodig (kosteloos) herstelwerkzaamheden uit te voeren. Vast staat ook dat te dier zake zelfs al een afspraak was ingepland, zij het dat die afspraak door de ingeroepen ontbinding c.q. vernietiging van de koopovereenkomst werd “ingehaald”.
Nu [handelsnaam gedaagde] heeft aangeboden om eventuele gebreken, verband houdende met storingsmeldingen die het motormanagementsysteem genereert, te onderzoeken en zo nodig (kosteloos) te herstellen komt [eisers] niet het recht toe om vanwege die storingsmeldingen de ontbinding van de koopovereenkomst in te roepen.
4.7.
De laatste feitelijke grond die [eisers] heeft aangedragen voor de gestelde non-conformiteit is dat na aankoop zou zijn gebleken dat de auto ten tijde van de aankoop hagelschade had, onder meer blijkend uit meer dan 100 kleine deukjes.
4.7.1.
[handelsnaam gedaagde] betwist dat de deukjes aanwezig waren op het moment dat de auto aan [eisers] werd geleverd. [handelsnaam gedaagde] onderbouwt die stelling onder meer met een verklaring van de monteur en de autopoetser die de auto destijds gereed hebben gemaakt voor aflevering aan [eisers] . Zij verklaren geen deukjes te hebben waargenomen. [handelsnaam gedaagde] beroept zich verder op een verklaring van de Duitse partij die het voertuig indertijd aan haar verkocht heeft. In deze “Zustandbestätigung” verklaart de verkoper dat met betrekking tot het voertuig ten tijde van de verkoop ( 21 juni 2025 blijkens de overgelegde factuur) “kein Hagelschaden oder andere Schaden erkennbar waren”.
4.7.2.
Voor zover er desondanks van uit moet worden gegaan dat de auto hagelschade had toen [eisers] de auto bij [handelsnaam gedaagde] kwam ophalen, geldt dat van een redelijk oplettende koper die een tweedehands auto in een prijsklasse als deze (€ 40.000,--) koopt en afneemt mag worden verwacht dat hij deugdelijk onderzoekt of de auto uiterlijk waarneembare gebreken vertoont die voor hem van belang (kunnen) zijn voor de aankoop. Vast staat dat [eisers] de auto op twee momenten heeft geïnspecteerd (althans heeft kunnen inspecteren). De eerste keer was op 22 juli 2025 in de showroom van [handelsnaam gedaagde] . [eisers] heeft toen, in bijzijn van enkele metgezellen, het voertuig uitgebreid kunnen bekijken in de showroom en heeft er vervolgens ook een proefrit mee gemaakt. Op basis daarvan heeft [eisers] de auto gekocht voor € 40.000,-. Op de dag van levering heeft [eisers] de auto overdag buiten (bij daglicht) nogmaals kunnen inspecteren alvorens het voertuig in ontvangst te nemen. Kennelijk zijn de (meer dan 100) deukjes waarover [eisers] zich thans beklaagt bij geen van de beide visuele inspecties opgemerkt terwijl deze – vide het rapport van [A] – door een normaal oplettende koper wel opgemerkt hadden kunnen worden. [eisers] kan zich vanwege die deukjes dan niet beroepen op non-conformiteit.
4.7.3.
Voor zover al zou moeten worden aangenomen dat van [eisers] onder de gegeven omstandigheden, waaronder het bericht van [handelsnaam gedaagde] dat de auto geen krasjes of deukjes had, in redelijkheid niet had mogen worden verwacht dat hij de deukjes had ontdekt voor de levering, dan is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat dit een afwijking van het overeengekomene betreft die gezien haar geringe betekenis een ontbinding van de koopovereenkomst niet rechtvaardigt (vide artikel 7:22 lid 1 sub a. BW). Hooguit geeft dat [eisers] recht op een vermindering van de koopprijs op grond van sub b van artikel 7:22 lid 1 BW. De thans in kort geding gevorderde voorzieningen sluiten hier niet op aan.
4.8.
Slotsom is dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter voorshands onvoldoende aannemelijk is geworden dat [eisers] onder de gegeven omstandigheden gerechtigd was om de koopovereenkomst met [eisers] te ontbinden op de daartoe in dit kort geding aangedragen gronden.
4.9.
Subsidiair doet [eisers] een beroep op vernietiging van de koopovereenkomst wegens dwaling. [eisers] stelt in dat kader dat hij de overeenkomst niet zou hebben gesloten, althans niet onder dezelfde voorwaarden, ware hij op de hoogte geweest van het schadeverleden van de auto. Volgens [eisers] heeft [handelsnaam gedaagde] haar mededelingsplicht geschonden door [eisers] niet in te lichten over dat schadeverleden.
Zoals ook reeds hiervoor (onder 4.5) is overwogen is naar het oordeel van de voorzieningenrechter van schending van de mededelingsplicht geen sprake. Niet aannemelijk is geworden dat [handelsnaam gedaagde] wist of had moeten weten dat de auto in het verleden schade had opgelopen. Gesteld noch gebleken is dat de (gevolgen van) schadevoorvallen zoals vermeld in het Carfax rapport voor [handelsnaam gedaagde] als autohandelaar uiterlijk waarneembaar waren, bijvoorbeeld omdat deze niet deugdelijk waren hersteld. [handelsnaam gedaagde] stelt (onweersproken) dat zij onder meer een uitgebreide lakdikte controle heeft uitgevoerd en daarbij geen afwijkingen heeft geconstateerd. Mede in het licht van de verklaring van de Duitse autohandelaar bij wie [handelsnaam gedaagde] de auto heeft ingekocht dat de auto schadevrije was, bestond voor [handelsnaam gedaagde] onder de gegeven omstandigheden geen aanleiding om nader te onderzoeken of de auto mogelijk toch een schadeverleden had. Daarbij is mede van belang dat het voor [handelsnaam gedaagde] niet, althans onvoldoende duidelijk was dat [eisers] wezenlijk belang hechtte aan een eventueel schadeverleden van het voertuig waarin hij belangstelling had getoond. Onweersproken staat vast dat [eisers] dat van tevoren niet duidelijk heeft gemaakt en ten tijde van de aankoop evenmin bij [handelsnaam gedaagde] heeft geïnformeerd of zij bekend was met eventuele schade uit het verleden.
Aan de in artikel 6:228 BW gesteld voorwaarden voor dwaling is dan niet voldaan.
4.10.
Slotsom is dat onvoldoende zeker is dat de bodemrechter zal oordelen dat de koopovereenkomst door rechtsgeldig is ontbonden danwel vernietigd. Dat leidt ertoe dat geen grond bestaat om [handelsnaam gedaagde] te veroordelen om de auto terug te nemen, de koopsom terug te betalen en eventuele gevolgschade te vergoeden.
De vorderingen van [eisers] zullen daarom worden afgewezen.
4.11.
[eisers] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [handelsnaam gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
€
2.995,00
- salaris advocaat
€
1.107,00
Totaal
€
4.102,00
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eisers] af,
5.2.
veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 4.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. W. Schoorlemmer en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026.
Terug te lezen in het als productie 3 door [handelsnaam gedaagde] overgelegde berichtenverkeer over de periode 22 juli 2025 tot en met 11 augustus 2025
Productie 12 van [eisers]
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/419326 / KG ZA 25-486
Vonnis in kort geding van 29 januari 2026
in de zaak van
1 [eiser 1]2. [eiser 2] ,
te [plaats ] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. W. Boeters,
tegen
[gedaagde] B.V., handelend onder de naam [handelsnaam gedaagde],
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [handelsnaam gedaagde] ,
advocaat: mr. B.A.V.J. Mooren.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 december 2025 met producties 1 tot en met 7
- de akte eerste reactie tevens akte overleggen aanvullende producties van [handelsnaam gedaagde] met de producties 1 tot en met 10- de aanvullende producties 8 tot en met 13 van [eisers]- de mondelinge behandeling van 21 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de spreekaantekeningen van mr. Boeters- de pleitnotitie van mr. Mooren.
2De feiten
2.1.
[handelsnaam gedaagde] is een professioneel autoverkoper.
2.2.
[eisers] heeft in de zomer van 2025 laten blijken interesse te hebben in een Audi A6 Limousine 50 TFSI e quattro S edition met kenteken [kenteken] (hierna te noemen: de auto) die [handelsnaam gedaagde] te koop aanbood voor een bedrag van € 42.950,--. Het betreft een voertuig van 5 ½ jaar oud met ruim 92.000 gereden kilometers.
2.3.
[handelsnaam gedaagde] heeft de auto in juni 2025 ingekocht bij Euregio Motorcars (hierna te noemen: Euregio) in Duitsland. Op de factuur is onder het kopje “Übergabeprotokoll” het vakje “Unfallfahrzeug” door Euregio niet aangevinkt met daaronder de toevoeging “Unfallschaden sind nicht bekannt”.
2.4.
Op 22 juli 2025 heeft [eisers] rond 22:00 uur een bezoek gebracht aan de showroom van [handelsnaam gedaagde] in [plaats ] . [eisers] had nog enkele andere personen meegebracht.
2.5.
[eisers] heeft die avond de auto in de showroom bekeken en heeft ook die avond nog een proefrit gemaakt.
2.6.
[eisers] en [handelsnaam gedaagde] hebben diezelfde dag een koopovereenkomst gesloten waarbij [handelsnaam gedaagde] de auto aan [eisers] heeft verkocht voor een bedrag van € 40.000,--.
[handelsnaam gedaagde] heeft in dat kader een factuur opgemaakt die door [eisers] voor akkoord is ondertekend.
2.7.
In de factuur staat onder meer het volgende:
“6 maanden garantie uitsluitend op motor en versnellingsbak of 10000 Kilometer
(…)
GEEN GARANTIE!
KOPER ZIET OOK AF VAN WETTELIJKE GARANTIETERMIJN VAN 12 MAANDEN
Onze algemeen voorwaarden zijn van toepassing. U tekent voor akkoord
Bovag-garantie is uitgesloten. Voerttuig wordt VOETSTOOTS en ZONDER enige GARANTIE door verkoper aan koper verkocht en geleverd. Alle zichtbare en onzichtbare gebreken zijn voor rekening en risico van koper. Ook komt koper geen beroep op non-conformiteit toe gelijk koper hiervan afstand doet.”
2.8.
[eisers] heeft voor de financiering van de aankoop van de auto een financial leaseovereenkomst afgesloten van € 25.000,--.
2.9.
Op 4 augustus 2025 heeft [eisers] de auto rond 16:00 uur bij [handelsnaam gedaagde] opgehaald.
Daarbij heeft [eisers] geconstateerd dat de auto een rammelend geluid maakte. Het euvel is door [handelsnaam gedaagde] kosteloos verholpen.
2.10.
[eisers] heeft later die dag ook melding gemaakt van een storingsmelding in het pre-sensesysteem. [handelsnaam gedaagde] heeft aangeboden ook dit gebrek kosteloos te onderzoeken en zo nodig te herstellen. Daarvoor werd een afspraak ingepland op 28 augustus 2025.
2.11.
Kort na de aflevering van het voertuig op 4 augustus 2025 heeft [eisers] bij [handelsnaam gedaagde] melding gemaakt van hagelschade aan de auto. [eisers] informeert bij [handelsnaam gedaagde] of zij daarmee bekend was. [handelsnaam gedaagde] heeft daarop geantwoord dat het voertuig bij haar geen deuken of krassen had.
[eisers] informeert verder bij [handelsnaam gedaagde] of de auto – buiten de hagelschade – geen ander schadeverleden heeft. [handelsnaam gedaagde] antwoordt daarop: “niet dat wij weten”.
2.12.
Bij e-mail van 11 augustus 2025 heeft [eisers] de koopovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden. Volgens [eisers] beantwoord de auto niet aan de overeenkomst en is sprake van misleidende mededelingen en bedrog door [handelsnaam gedaagde] nu achteraf is gebleken dat de auto hagelschade en meerdere technische storingen heeft. Bovendien zou [eisers] inmiddels zijn gebleken dat de auto een (door [handelsnaam gedaagde] verzwegen) schadeverleden heeft.
2.13.
In antwoord daarop heeft [handelsnaam gedaagde] bij e-mail van 13 augustus 2025 bericht dat ontbinding van de koopovereenkomst niet mogelijk is omdat [eisers] de auto heeft geaccepteerd met alle zichtbare en onzichtbare gebreken en bovendien afstand heeft gedaan van enig beroep op non-conformiteit.
[handelsnaam gedaagde] wijst er verder op dat zij uit coulance reeds een afspraak heeft ingepland om de storing aan het pre-sensesysteem te onderzoeken en zo nodig te verhelpen.
[handelsnaam gedaagde] nodigt uit om de auto gezamenlijk te inspecteren en te zoeken naar een oplossing,
2.14.
Bij brief van zijn advocaat van 18 augustus 2025 heeft [eisers] onder bijvoeging van een rapport van [A] B.V. (hierna te noemen: [A] ) van diezelfde datum [handelsnaam gedaagde] gesommeerd om:
de koopovereenkomst te ontbinden;
de koopsom terug te betalen;
te bevestigen dat [handelsnaam gedaagde] de schade vergoedt die [eisers] lijdt in verband met de leaseovereenkomst;
de door [eisers] gemaakte expertisekosten te vergoeden.
de wettelijke rente aan [eisers] te betalen.
2.15.
In haar rapport concludeert [A] als volgt:
Eindconclusie en Slotverklaring
Na uitgebreid technisch en juridisch onderzoek, waarbij het voertuig met kenteken [kenteken] (Audi A6 Limousine - 50 TFSI e quattro S edition) is onderzocht op schadeverleden, actuele schade, technische gebreken en marktwaarde, komt [A] BV tot de volgende conclusies.
Het voertuig is op 1 augustus 2025 door de consument aangekocht met een kilometerstand van 92.511 km. Binnen korte tijd na levering zijn er ernstige gebreken vastgesteld, waaronder:
- een structureel schadeverleden zoals aangetoond via het Carfax-rapport (oorsprong: België)
- zichtbare hagelschade bestaande uit meer dan 100 deuken over het gehele koetswerk
- meerdere technische storingen (dashboardwaarschuwingen en elektronische fouten)
- een herstelcalculatie van meer dan € 5.973 op basis van SilverDAT
Uit objectieve waardebepaling op basis van Autotelex Pro blijkt dat een schadevrij voertuig van deze specificatie een handelswaarde heeft van circa € 41.850. Door het gecombineerde effect van het verzwegen schadeverleden, de zichtbare schade en gebreken, resteert een resterende economische waarde van niet meer dan circa € 7.500. Dit maakt het voertuig economisch total loss.
Op juridisch vlak is vastgesteld dat de verkoper in strijd heeft gehandeld met de mededelingsplicht. Op grond van artikel 7:17 BW en met verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (waaronder ECLI:NL:HR:2007:AZ4663, ECLI:NL:HR:1998:ZC2572 en ECLI:NL:HR:2009:BH2162) staat vast dat een voertuig met verzwegen schadeverleden non-conform is geleverd.
Bovendien is de clausule op de factuur waarbij wordt afgezien van wettelijke garantie op grond van artikel 7:6 BW dwingendrechtelijk ongeldig. De consument behoudt alle wettelijke rechten, ongeacht enige ondertekende verklaring of vermelding op de factuur.
Gezien bovenstaande technische en juridische bevindingen is de koopovereenkomst op basis van consumentenkoop op meerdere gronden aantoonbaar ontbindbaar. De consument heeft recht op volledige restitutie van het aankoopbedrag en bijkomende kosten, conform zijn wettelijke rechten.
Namens [A] BV wordt hiermee verklaard dat het voertuig ten tijde van inspectie niet voldeed aan de eisen die daaraan gesteld mogen worden door een gemiddeld geïnformeerde consument.
In het rapport wordt verwezen naar een bijgevoegd, op 7 augustus 2025 aangemaakt Voertuig Historie Rapport van Carfax. Daarin staat het volgende schadeoverzicht:
2.16.
[handelsnaam gedaagde] heeft in een e-mail van 25 augustus 2025 haar eerder ingenomen standpunt dat ontbinding van de koopovereenkomst niet mogelijk is herhaald.
[handelsnaam gedaagde] betwist dat de auto hagelschade had bij aflevering en heeft zich nogmaals bereid verklaard om de technische storing te onderzoeken en zo nodig te verhelpen.
Het rapport van [A] zit volgens [handelsnaam gedaagde] niet goed in elkaar.
2.17.
Bij e-mail van 11 september 2025 heeft de advocaat van [eisers] aan [handelsnaam gedaagde] bericht dat de overeenkomst als ontbonden moet worden beschouwd met de aanzegging van een kort geding.
3Het geschil
3.1.
[eisers] vordert - samengevat – om [handelsnaam gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. te veroordelen om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis de auto terug te nemen en de koopovereenkomst ongedaan te maken, dan wel als vernietigd te beschouwen;
II. te veroordelen om aan [eisers] de kooprijs van € 40.000,-- terug te betalen;
III. te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 7.670,05 als voorschot op gevolgschade bestaande uit onder meer aanvullende leasekosten en expertisekosten;
IV. te veroordelen om de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.511,26 te vergoeden;
V. te veroordelen tot betaling van wettelijke rente over de gevorderde bedragen;
VI. te veroordelen in de proceskosten, inclusief de nakosten en te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
[eisers] legt aan de vordering het volgende ten grondslag.
3.2.1.
[eisers] heeft de koopovereenkomst met [handelsnaam gedaagde] rechtsgeldig ontbonden dan wel vernietigd. [eisers] dient de auto daarom terug te nemen, de koopsom aan terug te betalen en de schade die [eisers] heeft geleden als gevolg van de tekortkoming van [handelsnaam gedaagde] , te vergoeden.
3.2.2.
De koopovereenkomst kwalificeert als een consumentenkoop zodat [eisers] een beroep kan doen op de daarvoor geldende wettelijke bepalingen. Daarvan kan niet ten nadele van [eisers] worden afgeweken. De exoneratieclausules in het koopcontract waar [handelsnaam gedaagde] zich op beroept zijn daarom nietig.
3.2.3.
Er is sprake van non-conformiteit in de zin van artikel 7:17 BW nu de auto niet beantwoordt aan de overeenkomst. Na aankoop is namelijk gebleken dat:
de auto in het verleden tweemaal aanzienlijke schade heeft gehad hetgeen door [handelsnaam gedaagde] voor [eisers] is verwegen;
de auto hagelschade heeft bestaande uit meer dan 100 deukjes terwijl [handelsnaam gedaagde] had verklaard dat de auto geen krassen of deuken had;
de auto technische gebreken heeft en het motormanagementsysteem daardoor meerdere foutmeldingen geeft.
Gelet op de aard van de gebreken en de eerder mislukte herstelpogingen van [handelsnaam gedaagde] kan van [eisers] in redelijkheid geen herstel worden gevergd. [eisers] stelt zich daarom primair op het standpunt dat hij de koopovereenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden
3.2.4.
Subsidiair stelt [eisers] dat de koopovereenkomst is vernietigd wegens dwaling dan wel bedrog. [eisers] heeft gedwaald over de essentiële eigenschappen van de auto. Hij was er niet van op de hoogte dat de auto een schadeverleden had. Die dwaling is te wijten aan het schenden van de mededelingsplicht door [handelsnaam gedaagde] .
Zij wist of behoorde te weten van het schadeverleden en had [eisers] daarover moeten inlichten. Indien [eisers] op de hoogte was geweest van het schadeverleden had hij de overeenkomst niet, althans niet onder dezelfde voorwaarden, gesloten.
3.2.5.
Op grond van artikel 6:277 BW dient [handelsnaam gedaagde] ook de door geleden gevolgschade te vergoeden. Die bestaat uit een bedrag van € 7.397,80 aan aanvullende leasekosten en een bedrag van € 272,25 aan expertisekosten. [handelsnaam gedaagde] dient ook de door gemaakte buitengerechtelijke incassokosten te vergoeden.
3.3.
[handelsnaam gedaagde] voert verweer.
3.3.1.
Het ontbreekt [eisers] aan voldoende spoedeisend belang. [eisers] heeft niet onderbouwd waarom ingrijpen door de voorzieningenrechter noodzakelijk is.
Niet gebleken is dat de auto door niet kan worden gebruikt en de leasetermijnen had [eisers] sowieso moeten betalen. De kwestie speelt ook al sinds augustus 2025.
3.3.2.
De zaak leent zich bovendien niet voor beoordeling in kort geding; [eisers] vordert feitelijk dat de voorzieningenrechter een rechtstoestand vaststelt, in het leven roept of beëindigd. Een dergelijke vordering hoort bij uitstek thuis in een bodemprocedure.
3.3.3.
De koopovereenkomst kwalificeert niet als een consumentenkoop. In de leaseovereenkomst heeft [eisers] namelijk verklaard dat de auto uitsluitend zakelijk zal worden gebruikt. [eisers] kan dus geen beroep doen op de wettelijke bepalingen ter zake consumentenkoop. Dat betekent dat in de koopovereenkomst een beroep op non-conformiteit rechtsgeldig is uitgesloten.
3.3.4.
[eisers] heeft bovendien door het ondertekenen van de koopovereenkomst verklaard dat de auto beantwoordt aan de overeenkomst. Een beroep op non-conformiteit kan dan niet slagen.
3.3.5.
[handelsnaam gedaagde] betwist de betrouwbaarheid van het door overgelegde rapport van [A] en de daarin neergelegde bevindingen. [A] is niet onafhankelijk en mist de deskundigheid om de technische staat van aan auto te kunnen beoordelen. Er blijkt ook nergens uit dat [A] de auto daadwerkelijk heeft onderzocht. De schades uit het verleden zijn deugdelijk hersteld. Niet gebleken is dat die schades in de weg staan aan een normaal gebruik van de auto.
3.3.6.
[handelsnaam gedaagde] betwist dat de auto bij aflevering hagelschade had. Ook de monteur en de autopoetser die het voertuig na de aankoop afleveringsgereed hebben gemaakt bevestigen dat. Euregio, de partij die de auto aan [handelsnaam gedaagde] heeft verkocht, heeft ook bevestigd dat de auto ten tijde van de verkoop aan [handelsnaam gedaagde] vrij was van hagel- of andere (kenbare) schade. Indien al sprake zou zijn geweest van hagelschade dan geldt dat [eisers] dat had kunnen (en moeten) zien. Hij heeft de auto voor aankoop met de door hem meegebrachte personen uitvoerig onderzocht en in de aangeboden staat gekocht. Hij heeft alle zichtbare en onzichtbare gebreken aanvaard.
3.3.7.
Ten aanzien van de door gestelde storingsmelding is [handelsnaam gedaagde] niet in verzuim. [handelsnaam gedaagde] heeft namelijk geen gelegenheid gekregen om een eventueel gebrek te herstellen. [handelsnaam gedaagde] heeft daartoe wel een uitdrukkelijk aanbod gedaan maar [eisers] heeft dat van de hand gewezen.
3.3.8.
[eisers] had niet zomaar mogen aannemen dat de auto in het verleden geen schade heeft gehad. De auto werd niet zodanig aangeboden en partijen zijn evenmin overeengekomen dat het voertuig een schadevrij verleden had. [eisers] heeft ten tijde van de aankoop ook niet kenbaar gemaakt dat het voor hem van belang was dat de auto in het verleden geen schade had opgelopen.
[handelsnaam gedaagde] wist niet dat het voertuig een schadeverleden had en had ook geen aanleiding om dat te vermoeden gezien de technische staat waarin het voertuig werd aangeboden alsook gelet op de verklaring van Euregio (“Unfallschaden sind nicht bekannt”) zoals vermeld op de factuur. De omstandigheid dat [handelsnaam gedaagde] geen melding heeft gedaan van een – haar niet bekend - schadeverleden levert geen non-conformiteit op nu partijen het ontbreken van een schadeverleden niet zijn overeengekomen.
3.3.9.
[handelsnaam gedaagde] betwist dat hij meerdere (vergeefse) herstelpogingen zou hebben ondernomen. Zij heeft een direct bij afname van het voertuig geconstateerde storingsmelding meteen verholpen. Ter zake een tweede klacht omtrent storingsmeldingen had zij met [eisers] reeds een afspraak ingepland voor onderzoek en (eventueel) herstel; zij is echter niet meer in de gelegenheid gesteld het aangeboden herstel uit te voeren vanwege de ingeroepen ontbinding/vernietiging van de overeenkomst. [handelsnaam gedaagde] is dan ook niet in verzuim.
3.3.10.
Voor zover al sprake zou zijn van non-conformiteit dan rechtvaardigen de gestelde gebreken de ontbinding van de koopovereenkomst niet.
3.3.11.
Het beroep op dwaling slaagt evenmin. Dat [eisers] niet op de hoogte was van het schadeverleden van de auto komt voor rekening van [eisers] zelf. [handelsnaam gedaagde] was van het schadeverleden niet op de hoogte en heeft daarover ook geen uitspraken of toezeggingen gedaan. [handelsnaam gedaagde] had – gezien de technische staat van het voertuig en de verklaring van Euregio op de verkoopfactuur - geen reden om te twijfelen aan de technische staat van de auto. Indien het schadeverleden voor [eisers] van belang was bij de aankoop had hij daarover vragen moeten stellen. Dat heeft hij niet gedaan.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eisers] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
4.2.
Het spoedeisend belang van [eisers] bij de gevorderde voorzieningen volgt voldoende uit de aard van de vordering. [eisers] heeft er belang bij dat de auto feitelijk door [handelsnaam gedaagde] wordt teruggenomen en de koopsom wordt terugbetaald, vooruitlopend op een definitief oordeel van de bodemrechter over de ingeroepen ontbinding c.q. vernietiging. Hangende deze beslissing draagt [eisers] het risico op schade of tenietgaan van de auto en dient hij zijn verplichtingen jegens de financier van het voertuig na te komen. Met de gevorderde voorziening wordt [eisers] in staat gesteld zich te verlossen van dat risico en van de verplichtingen jegens de leasemaatschappij. Van [eisers] kan niet worden gevergd dat hij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. De vraag óf voldoende aannemelijk is te achten dat de bodemrechter de ingeroepen ontbinding c.q. vernietiging zal honoreren en er aldus aanleiding bestaat op daarop in kort geding te anticiperen wordt hierna beantwoord.
4.3.
[eisers] stelt zich primair op het standpunt dat hij de koopovereenkomst met [handelsnaam gedaagde] heeft ontbonden en dat [handelsnaam gedaagde] in het kader van de op haar rustende ongedaanmakingsverplichting de auto moet terugnemen en de koopsom moet terugbetalen.
Om te kunnen beoordelen of de ontbinding door [eisers] stand zal houden, dient eerst te worden vastgesteld of sprake is van een consumentenkoop in de zin van artikel 7:5 lid 1 sub a BW. [eisers] doet in het kader van de ontbinding namelijk een beroep op de bepalingen voor consumentenkoop in Titel 1, afdeling 1 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Volgens [eisers] is sprake van non-conformiteit in de zin van artikel 7:17 BW.
In de koopovereenkomst is een beroep op non-conformiteit uitdrukkelijk uitgesloten. Indien sprake is van een consumentenkoop dan heeft die exoneratie geen werking omdat de bepalingen over de consumentenkoop van dwingend recht zijn waarvan niet ten nadele van de consument kan worden afgeweken.
4.4.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende aannemelijk dat sprake is van een consumentenkoop. Het gaat hier om een koop van een roerende zaak tussen een natuurlijk persoon als koper en een professionele verkoper. Het enkele feit dat [eisers] tegenover de leasemaatschappij – al dan niet om redenen van fiscale aard - heeft verklaard dat de auto uitsluitend zakelijk zou worden gereden, geeft onvoldoende aanleiding voor een ander oordeel. Op vragen van de voorzieningenrechter antwoorde mevrouw [eisers] dat zij de auto in privé heeft gekocht en de omzetbelasting op de aankoop niet in voordruk heeft genomen. Zij gebruikt de auto ten behoeve van haar eenmanszaak en brengt de zakelijk gereden kilometers ten laste van de bedrijfskosten. [handelsnaam gedaagde] heeft deze stellingen niet weersproken en andere aanwijzingen dat [eisers] de auto zou hebben gekocht voor louter zakelijke doeleinden ontbreken.
4.5.
[eisers] noemt een drietal feitelijke gronden waaruit zou volgen dat de auto niet beantwoordt aan de overeenkomst.
4.5.1.
De eerste grond is dat na aflevering is gebleken dat de auto een schadeverleden heeft en [handelsnaam gedaagde] daar bij de verkoop niets over heeft gemeld. [eisers] wijst daarbij op het Voertuig Historie Rapport van Carfax waaruit blijkt dat in 2020 en in 2023 schade aan de auto is gerapporteerd. De schades hebben zich voorgedaan in België en de met herstel van de schade gemoeide kosten zijn in het rapport begroot op respectievelijk € 13.000,-- tot € 14.000,-- en € 3.000,-- tot € 4.000,--.
4.5.2.
Dat [handelsnaam gedaagde] het schadeverleden niet aan [eisers] heeft gemeld staat vast. [handelsnaam gedaagde] stelt dat zij dat ook niet kon melden omdat dit schadeverleden bij haar niet bekend was en zij ook geen aanleiding had om een dergelijk schadeverleden te vermoeden.
Dat [handelsnaam gedaagde] het schadeverleden niet aan [eisers] heeft gemeld is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat de auto niet de eigenschappen bezit die [eisers] op grond van de koopovereenkomst redelijkerwijs mocht verwachten. Een koper van een tweedehands auto mag er immers niet zonder meer van uitgaan dat een verkoper op de hoogte is van het volledige schadeverleden van die auto.
4.5.3.
De voorzieningenrechter ziet in dit geval onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat [handelsnaam gedaagde] in dit geval redelijkerwijs wel had moeten weten dat de auto in het verleden schade heeft gehad. De Duitse verkoper van wie [handelsnaam gedaagde] de auto heeft ingekocht heeft in de factuur uitdrukkelijk verklaard dat er geen schade bekend is. Gesteld noch gebleken is verder dat de staat waarin de auto verkeerde [handelsnaam gedaagde] aanleiding had moeten geven te vermoeden dat sprake is geweest van schade in het verleden. Ook het door [eisers] overgelegde expertiserapport van [A] reikt daarvoor geen aanknopingspunten aan.
4.5.4.
Uit het enkele feit dat [handelsnaam gedaagde] niets heeft gemeld over schades uit het verleden had [eisers] dan ook niet zonder meer mogen afleiden dat de auto (dus) volledig schadevrij was. Onweersproken staat immers vast dat [eisers] ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst zelf niet naar een eventueel schadeverleden heeft geïnformeerd noch anderszins duidelijk gemaakt dat een schadevrij verleden voor hem van wezenlijk belang was om tot aankoop over te gaan.
4.5.5.
Tenslotte is gesteld noch gebleken dat de schades uit het verleden ondeugdelijk zijn hersteld en zulks het normale gebruik van de auto verhindert of beperkt.
4.6.
De tweede grond die [eisers] aandraagt voor de gestelde non-conformiteit ziet op de storingsmeldingen die het motormanagementsysteem genereert.
De voorzieningenrechter kan over deze klacht kort zijn: voor zover al vast is komen te staan dat sprake is van storingsmeldingen die aan een normaal gebruik in de weg staan heeft [handelsnaam gedaagde] onweersproken gesteld dat zij vanwege na de aflevering aan haar gemelde storingsmeldingen al had aangeboden om daar onderzoek naar te doen en zo nodig (kosteloos) herstelwerkzaamheden uit te voeren. Vast staat ook dat te dier zake zelfs al een afspraak was ingepland, zij het dat die afspraak door de ingeroepen ontbinding c.q. vernietiging van de koopovereenkomst werd “ingehaald”.
Nu [handelsnaam gedaagde] heeft aangeboden om eventuele gebreken, verband houdende met storingsmeldingen die het motormanagementsysteem genereert, te onderzoeken en zo nodig (kosteloos) te herstellen komt [eisers] niet het recht toe om vanwege die storingsmeldingen de ontbinding van de koopovereenkomst in te roepen.
4.7.
De laatste feitelijke grond die [eisers] heeft aangedragen voor de gestelde non-conformiteit is dat na aankoop zou zijn gebleken dat de auto ten tijde van de aankoop hagelschade had, onder meer blijkend uit meer dan 100 kleine deukjes.
4.7.1.
[handelsnaam gedaagde] betwist dat de deukjes aanwezig waren op het moment dat de auto aan [eisers] werd geleverd. [handelsnaam gedaagde] onderbouwt die stelling onder meer met een verklaring van de monteur en de autopoetser die de auto destijds gereed hebben gemaakt voor aflevering aan [eisers] . Zij verklaren geen deukjes te hebben waargenomen. [handelsnaam gedaagde] beroept zich verder op een verklaring van de Duitse partij die het voertuig indertijd aan haar verkocht heeft. In deze “Zustandbestätigung” verklaart de verkoper dat met betrekking tot het voertuig ten tijde van de verkoop ( 21 juni 2025 blijkens de overgelegde factuur) “kein Hagelschaden oder andere Schaden erkennbar waren”.
4.7.2.
Voor zover er desondanks van uit moet worden gegaan dat de auto hagelschade had toen [eisers] de auto bij [handelsnaam gedaagde] kwam ophalen, geldt dat van een redelijk oplettende koper die een tweedehands auto in een prijsklasse als deze (€ 40.000,--) koopt en afneemt mag worden verwacht dat hij deugdelijk onderzoekt of de auto uiterlijk waarneembare gebreken vertoont die voor hem van belang (kunnen) zijn voor de aankoop. Vast staat dat [eisers] de auto op twee momenten heeft geïnspecteerd (althans heeft kunnen inspecteren). De eerste keer was op 22 juli 2025 in de showroom van [handelsnaam gedaagde] . [eisers] heeft toen, in bijzijn van enkele metgezellen, het voertuig uitgebreid kunnen bekijken in de showroom en heeft er vervolgens ook een proefrit mee gemaakt. Op basis daarvan heeft [eisers] de auto gekocht voor € 40.000,-. Op de dag van levering heeft [eisers] de auto overdag buiten (bij daglicht) nogmaals kunnen inspecteren alvorens het voertuig in ontvangst te nemen. Kennelijk zijn de (meer dan 100) deukjes waarover [eisers] zich thans beklaagt bij geen van de beide visuele inspecties opgemerkt terwijl deze – vide het rapport van [A] – door een normaal oplettende koper wel opgemerkt hadden kunnen worden. [eisers] kan zich vanwege die deukjes dan niet beroepen op non-conformiteit.
4.7.3.
Voor zover al zou moeten worden aangenomen dat van [eisers] onder de gegeven omstandigheden, waaronder het bericht van [handelsnaam gedaagde] dat de auto geen krasjes of deukjes had, in redelijkheid niet had mogen worden verwacht dat hij de deukjes had ontdekt voor de levering, dan is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat dit een afwijking van het overeengekomene betreft die gezien haar geringe betekenis een ontbinding van de koopovereenkomst niet rechtvaardigt (vide artikel 7:22 lid 1 sub a. BW). Hooguit geeft dat [eisers] recht op een vermindering van de koopprijs op grond van sub b van artikel 7:22 lid 1 BW. De thans in kort geding gevorderde voorzieningen sluiten hier niet op aan.
4.8.
Slotsom is dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter voorshands onvoldoende aannemelijk is geworden dat [eisers] onder de gegeven omstandigheden gerechtigd was om de koopovereenkomst met [eisers] te ontbinden op de daartoe in dit kort geding aangedragen gronden.
4.9.
Subsidiair doet [eisers] een beroep op vernietiging van de koopovereenkomst wegens dwaling. [eisers] stelt in dat kader dat hij de overeenkomst niet zou hebben gesloten, althans niet onder dezelfde voorwaarden, ware hij op de hoogte geweest van het schadeverleden van de auto. Volgens [eisers] heeft [handelsnaam gedaagde] haar mededelingsplicht geschonden door [eisers] niet in te lichten over dat schadeverleden.
Zoals ook reeds hiervoor (onder 4.5) is overwogen is naar het oordeel van de voorzieningenrechter van schending van de mededelingsplicht geen sprake. Niet aannemelijk is geworden dat [handelsnaam gedaagde] wist of had moeten weten dat de auto in het verleden schade had opgelopen. Gesteld noch gebleken is dat de (gevolgen van) schadevoorvallen zoals vermeld in het Carfax rapport voor [handelsnaam gedaagde] als autohandelaar uiterlijk waarneembaar waren, bijvoorbeeld omdat deze niet deugdelijk waren hersteld. [handelsnaam gedaagde] stelt (onweersproken) dat zij onder meer een uitgebreide lakdikte controle heeft uitgevoerd en daarbij geen afwijkingen heeft geconstateerd. Mede in het licht van de verklaring van de Duitse autohandelaar bij wie [handelsnaam gedaagde] de auto heeft ingekocht dat de auto schadevrije was, bestond voor [handelsnaam gedaagde] onder de gegeven omstandigheden geen aanleiding om nader te onderzoeken of de auto mogelijk toch een schadeverleden had. Daarbij is mede van belang dat het voor [handelsnaam gedaagde] niet, althans onvoldoende duidelijk was dat [eisers] wezenlijk belang hechtte aan een eventueel schadeverleden van het voertuig waarin hij belangstelling had getoond. Onweersproken staat vast dat [eisers] dat van tevoren niet duidelijk heeft gemaakt en ten tijde van de aankoop evenmin bij [handelsnaam gedaagde] heeft geïnformeerd of zij bekend was met eventuele schade uit het verleden.
Aan de in artikel 6:228 BW gesteld voorwaarden voor dwaling is dan niet voldaan.
4.10.
Slotsom is dat onvoldoende zeker is dat de bodemrechter zal oordelen dat de koopovereenkomst door rechtsgeldig is ontbonden danwel vernietigd. Dat leidt ertoe dat geen grond bestaat om [handelsnaam gedaagde] te veroordelen om de auto terug te nemen, de koopsom terug te betalen en eventuele gevolgschade te vergoeden.
De vorderingen van [eisers] zullen daarom worden afgewezen.
4.11.
[eisers] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [handelsnaam gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
€
2.995,00
- salaris advocaat
€
1.107,00
Totaal
€
4.102,00
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eisers] af,
5.2.
veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 4.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. W. Schoorlemmer en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026.
Terug te lezen in het als productie 3 door [handelsnaam gedaagde] overgelegde berichtenverkeer over de periode 22 juli 2025 tot en met 11 augustus 2025
Productie 12 van [eisers]