Rechtbank Oost-Brabant
ECLI:NL:RBOBR:2025:4782
2025-07-30
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
24/750 en 24/2407
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De uitspraak gaat over een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van tien appartementen in een monumentaal pand in Deurne en het herstellen van een tuinmuur (de omgevingsvergunning). Daarnaast gaat de uitspraak over het besluit om de nummeraanduiding in te trekken en een nieuwe nummeraanduiding vast te stellen (het huisnummerbesluit). De rechtbank geeft eiseres geen gelijk maar het college. Dat betekent dat de omgevingsvergunning en de wijziging van de huisnummering in stand blijven.
Citeert (11)
- ECLI:NL:RVS:2024:844 Raad van State 28-02-2024
- ECLI:NL:RVS:2025:2677 Raad van State 18-06-2025
- ECLI:NL:RVS:2019:3252 Raad van State 25-09-2019
- ECLI:NL:RVS:2021:953 Raad van State 04-05-2021
- ECLI:NL:RVS:2020:1617 Raad van State 10-07-2020
- ECLI:NL:RVS:2024:1392 Raad van State 03-04-2024
- ECLI:NL:RVS:2015:1510 Raad van State 13-05-2015
- ECLI:NL:RVS:2017:712 Raad van State 15-03-2017
- ECLI:NL:RVS:2020:2706 Raad van State 11-11-2020
- ECLI:NL:RVS:2025:2528 Raad van State 04-06-2025
- ECLI:NL:RVS:2013:BY9957 Raad van State 30-01-2013
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (30.697 tekens)
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: SHE 24/750 en SHE 24/2407
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2025 in de zaken tussen
[naam], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: [naam]),
en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Deurne, het college
(gemachtigden: M. Cornelissen, mr. M. de Joode en ing. E. Franken)
Als derde-gemachtigde heeft deelgenomen: [naam] (vergunninghoudster)
(gemachtigden: [naam] en [naam])
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van tien appartementen in een monumentaal pand in Deurne en het herstellen van een tuinmuur (de omgevingsvergunning). Daarnaast gaat de uitspraak over het besluit om de nummeraanduiding in te trekken en een nieuwe nummeraanduiding vast te stellen (het huisnummerbesluit). Het bezwaar dat eiseres heeft gemaakt, is door het college niet-ontvankelijk verklaard omdat zij volgens het college geen belanghebbende is bij de wijziging van de huisnummering.
1.1.
Eiseres is het niet eens met het de besluiten van het college. Als belangrijkste bezwaar tegen het bouwplan stelt zij dat de binnenzijde van het monument wordt vernield en zij voert in dat kader beroepsgronden aan. Verder vindt zij dat zij belanghebbende is bij het huisnummerbesluit.
1.2.
De rechtbank geeft eiseres geen gelijk maar het college. Dat betekent dat de omgevingsvergunning en de wijziging van de huisnummering in stand blijven.
Procesverloop
2.1.
Op 25 april 2022 heeft het college een aanvraag ontvangen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van tien nieuwe woningen (appartementen) in een monumentaal pand en het herstellen van een tuinmuur (het bouwplan) aan [adres] te [plaats] (het perceel).
2.2.
Het college heeft met het besluit van 12 december 2023 besloten de nummeraanduiding in te trekken en een nieuwe nummeraanduiding vast te stellen.
2.3.
Met het besluit van 21 december 2023 heeft het college de omgevingsvergunning verleend.
2.4.
Met het besluit van 25 april 2024 heeft het college het bezwaar van eiseres tegen het huisnummerbesluit niet-ontvankelijk verklaard.
2.5.
Eiseres heeft tegen beide besluiten beroep ingesteld.
2.6
Het college heeft daarop gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft met haar e-mail van 17 juni 2025 daarop gereageerd.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van het college. Eiseres en haar gemachtigde zijn met bericht van afwezigheid niet verschenen. Ook vergunninghoudster is niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
3. Aan de hand van de beroepsgronden, de ingediende stukken en de zitting beoordeelt de rechtbank de verlening van de omgevingsvergunning.
3.1.
De rechtbank zal de beroepen van eiseres hierna ongegrond verklaren. Zij komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht de omgevingsvergunning heeft verleend. Verder is het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat eiseres niet kan worden aangemerkt als belanghebbende bij het huisnummerbesluit.
3.2.
Deze beslissing staat aan het einde van deze uitspraak onder het kopje “Beslissing”. Eerst zal de rechtbank toelichten hoe zij tot deze beslissing is gekomen.
Omgevingswet
3.3.
Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 25 april 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Feiten en omstandigheden
3.4.
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden:
- Het bouwplan betreft een voormalig Fraterhuis dat een rijksmonument is. Dat wordt verbouwd tot tien woningen en een tuinmuur wordt hersteld. Eiseres woont op ongeveer 230 meter afstand van het project, daarnaast is zij eigenaar van twee aangrenzende percelen aan het bouwplan, kadastraal bekend gemeente Deurne, sectie [sectienummer], nummers [sectieletter] en [sectieletter] (de aangrenzende percelen).
- Op het perceel gelden de bestemmingsplannen “Centrum Deurne” en “Paraplubestemmingsplan Deurne 2021”. Op grond van het bestemmingsplan “Centrum Deurne” is aan de locatie de enkelbestemming “dienstverlening” en de dubbelbestemming “waarde-archeologie 3” toegekend.
- Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan omdat binnen de enkelbestemming “Dienstverlening” met functieaanduiding kantoor, het strijdig is om dit gebouw voor wonen te gebruiken. Daarnaast is het Fraterhuis aangewezen als rijksmonument.
- Het college heeft de omgevingsvergunning verleend voor de volgende activiteiten:
1. bouwen (artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo);
2. het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan (artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo);
3. een aangewezen monument te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen of te laten gebruiken waardoor het wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht (artikel 2.1. eerste lid, onder f van de Wabo).
- Het college heeft het bouwplan met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo, vergund.
Nader stuk
3.5.1.
Eiseres heeft een dag voor de zitting een nadere reactie (aangeduid als pleitaantekeningen) gestuurd aan de rechtbank als reactie op het verweerschrift van het college. Het college heeft aangegeven dat het dit stuk op de dag van de zitting heeft ontvangen en dat het geen bezwaar heeft tegen acceptatie van dit stuk, behalve de nieuwe beroepsgronden die daarin worden genoemd. Het heeft geen tijd gehad om zich daarin te verdiepen en kan daarop ook niet adequaat reageren.
3.5.2.
De rechtbank overweegt dat eiseres het nadere stuk zeer kort voor de zitting heeft ingediend. Bij het indienen van nadere stukken is de termijn van artikel 8:58 van de Awb van tien dagen voor de zitting van belang, maar deze termijn is niet bepalend voor de vraag of het overleggen van nadere stukken in strijd is met de goede procesorde. Voor het antwoord op die vraag is namelijk doorslaggevend of een zinvolle bespreking van de stukken op de zitting kan plaatsvinden. Het feit dat eiseres het nadere stuk pleitaantekeningen heeft genoemd en deze ook op de zitting had kunnen voordragen, neemt niet weg dat het om een nader stuk als bedoeld in artikel 8:58 van de Awb gaat. Eiseres en haar gemachtigde zijn niet verschenen op de zitting zodat het stuk geen aantekeningen van een pleidooi zijn, maar een nader stuk.
3.5.3.
In dit geval is het nadere stuk zodanig laat ingediend dat het college geen tijd meer heeft gehad om dit te bestuderen. Dat het daarom niet adequaat kon reageren op deze nieuwe beroepsgronden acht de rechtbank daarom aannemelijk. Bovendien acht de rechtbank het in strijd met de goede procesorde om pas in dit stadium van de procedure nieuwe gronden aan te voeren. Dit houdt in dat de rechtbank het nadere stuk zal accepteren, maar dat de nieuwe beroepsgronden die daarin staan vermeld wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden laten. Dit betreft de grond van eiseres dat er ten onrechte geen ecologisch onderzoek is uitgevoerd.
Is eiseres ten onrechte niet als belanghebbende aangemerkt bij het huisnummerbesluit?
3.6.1.
Eiseres voert aan dat haar bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard ten aanzien van het huisnummerbesluit. Eiseres is van oordeel dat zij wel belanghebbende is bij het bestreden besluit. Ten onrechte is afgezien van het horen en het college heeft vervolgens op basis van een aanname zonder meewegen van alle feiten en omstandigheden haar bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk geacht. Als er een hoorzitting had plaatsgevonden, was haar belang duidelijk geworden. Zij woont op korte afstand en is de eigenaar van de direct aangrenzende percelen. Verder heeft zij een voorkeursrecht tot aankoop van het aangrenzende object ten noorden en heeft vergevorderde plannen tot aankoop van onroerend goed in de directe nabijheid.
3.6.2.
Het college stelt zich op het standpunt dat eiseres geen argumenten naar voren heeft gebracht waaruit volgt dat zij dan wel rechthebbende is van het pand aan [adres] te [plaats] dan wel rechthebbende is van een elders gelegen verblijfsobject met eenzelfde huisnummer. Het college blijft daarom bij haar standpunt dat eiseres niet als belanghebbende kan worden aangemerkt en derhalve ook kennelijk niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar beroep.
3.6.3.
Eiseres stelt naar aanleiding hiervan dat haar belang bij de omgevingsvergunning wordt erkend door het college en het huisnummerbesluit is daar direct van afgeleid. Zonder een onherroepelijk bouwplan zijn er geen huisnummers toe te kennen. Het belang op grond van het (inmiddels uitgeoefende) voorkeursrecht wordt niet betwist en tot slot moet het begrip belanghebbende ruimhartig worden opgevat (Habitatrichtlijn bijlage IV, Aarhusverdrag).
3.6.4.
De rechtbank overweegt dat alleen aan dit deel van haar betoog wordt toegekomen, als het college ten onrechte heeft overwogen dat het bezwaar van eiseres (kennelijk) niet-ontvankelijk is, omdat eiseres geen belanghebbende is bij het huisnummerbesluit. Daarom zal zij eerst op die vraag ingaan.
3.6.5.
De rechtbank overweegt dat op grond artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien als het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is. In artikel 7:13, vierde lid, van de Awb, is - voor zover relevant - bepaald dat de commissie beslist over de toepassing van artikel 7:3, voor zover bij wettelijk voorschrift niet anders is bepaald. Wettelijke voorschriften als hiervoor bedoeld zijn voor de gemeente Deurne neergelegd in de Verordening Commissie bezwaarschriften 2020.In artikel 9 van de verordening is bepaald dat de voorzitter beslist over de toepassing van artikel 7:3 van de Awb, het afzien van horen.
3.6.6.
De commissie heeft in haar advies het college geadviseerd om het bezwaarschrift van eiseres kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren, omdat eiseres niet kan worden aangemerkt als belanghebbende. Het advies van de commissie vermeldt verder dat de voorzitter vanwege de kennelijke niet-ontvankelijkheid van het bezwaarschift heeft besloten eiseres niet te horen. Het college heeft dit advies ten grondslag gelegd aan het besluit op bezwaar van 15 april 2024.
3.6.7.
De rechtbank volgt het standpunt van het college dat het belang van eiseres niet rechtstreeks bij dit besluit betrokken is. Het besluit van 21 december 2023 heeft namelijk uitsluitend betrekking op de toekenning van een nummeraanduiding voor de appartementen die vergunninghoudster wil realiseren. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling is bepalend voor het antwoord op de vraag of eiseres als belanghebbende kan worden aangemerkt, of haar belang rechtstreeks betrokken is bij de toekenning van de nummeraanduiding. Daarvan is sprake als eiseres rechthebbende is ten aanzien van het betrokken pand, een pand heeft met hetzelfde huisnummer als het nummer dat is toegekend of is gebleken dat het besluit op andere wijze gevolgen voor haar kan hebben. Eiseres is geen rechthebbende van het pand. De aanspraak die zij stelt te maken op een voorkeursrecht, is door haar niet met enig bewijs ondersteunt, ook niet in het nadere stuk. Bovendien zou die aanspraak haar ook niet tot rechthebbende maken. Zij is ook geen rechthebbende van een pand met hetzelfde huisnummer. Haar woning is in een andere straat met een ander nummer gelegen. Gezien wat eiseres in bezwaar naar voren heeft gebracht, heeft het huisnummerbesluit ook op een andere manier geen gevolgen voor haar.
3.6.8.
Dat eiseres belanghebbende is bij de omgevingsvergunning maakt niet dat zij ook belanghebbende is bij het huisnummerbesluit. Dit is een apart besluit en de belanghebbendheid moet bij ieder besluit en de rechtsgevolgen die het heeft op zichzelf worden beoordeeld. Voor zover eiseres doelt dat er sprake is van onlosmakende samenhang tussen de twee besluiten in de zin van de Wabo, doet zich die situatie in dit geval niet voor. Die rechtspraak heeft betrekking op de samenhang tussen verschillende besluitonderdelen die in de Wabo worden genoemd, en niet de samenhang tussen twee afzonderlijke besluiten die op grond van verschillende wetten zijn genomen, zodat het beroep op die rechtspraak alleen daarom al niet slaagt.
3.6.9.
Ook slaagt haar argument niet dat het belanghebbende begrip ruimer moet worden opgevat onder verwijzing naar het verdrag van Aarhus. In de uitspraak van 4 mei 2021 oordeelde de Afdeling dat artikel 8:1 Awb (de omstandigheid dat alleen belanghebbende toegang hebben tot de bestuursrechter) op dit punt moet worden aangepast voor zover het omgevingsrechtelijke zaken betreft èn de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van toepassing is. Dat laatste is hier niet het geval en om deze reden gaat de verwijzing naar de rechtspraak over het Verdrag van Aarhus niet op.
3.6.10.
De beoordeling die het college op grond van de bezwaargronden van eiseres heeft gemaakt, kan naar het oordeel van de rechtbank zonder eiseres te horen op een zitting worden vastgesteld. De rechtbank ziet dan ook geen reden om te oordelen dat het college ten onrechte heeft afgezien van het horen en dat eiseres ten onrechte niet als belanghebbende is aangemerkt.
3.6.11.
Het betoog van eiseres slaagt niet en haar beroep over het huisnummerbesluit is ongegrond.
Is eiseres belanghebbende bij de verleende omgevingsvergunning?
3.7.
De rechtbank overweegt dat eiseres belanghebbende is bij de verleende omgevingsvergunning omdat de aangrenzende percelen aan het bouwplan in eigendom zijn van eiseres. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling wordt de belanghebbendheid in beginsel namelijk aangenomen bij bewoners en eigenaren, en ook bij anderszins zakelijk of persoonlijk gerechtigden van een perceel dat grenst aan het perceel waarover het besluit gaat of dat gelijk te stellen is met een aangrenzend perceel. Bij dergelijke percelen wordt ervan uitgegaan dat feitelijke gevolgen, indien die zich voordoen, in beginsel van enige betekenis zijn. Op grond daarvan kan eiseres op grond van artikel 1:2 van de Awb worden aangemerkt als belanghebbende.
Relativiteit
3.8.1.
Eiseres is het niet eens met de interne verbouwing van het rijksmonument. Zij beroept zich op verschillende onderdelen van het pand waarvan de monumentale waarden aangetast zouden worden. Zo heeft de kapel volgens haar als geheel de allerhoogste waarde en moet daarom volgens haar geheel intact blijven. Met de verlaagde plafonds voor ventilatiekanalen en leidingen, wordt het hele karakter van het gebouw vernield. De kapconstructie moet volgens haar aan de binnenzijde behouden blijven en niet geïsoleerd worden want dit kan wellicht op papier wel, maar is in de praktijk niet onomkeerbaar. Verder stelt zij dat dit de enige en laatste gelegenheid is om de pui aan de achterzijde in originele staat te herstellen. De toepassing van Van Ruysdaelglas zou een goede aanvulling zijn op de isolatie van het pand en op de etages had vloerverwarming toegepast kunnen worden.
3.8.2.
De rechtbank begrijpt dat eiseres daarmee betoogt dat ten onrechte een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f is verleend. Dit is in beginsel een norm die het belang van het behoud van cultureel erfgoed beoogt te beschermen. Niettemin kan eiseres een beroep doen op deze norm, maar dan moet de wijziging van het monument dat met de omgevingsvergunning mogelijk wordt gemaakt, effect hebben op haar woon- en leefomgeving. In dat geval zal op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling het belang van behoud van het cultureel erfgoed geacht verweven te zijn met het behoud van de woon- en leefomgeving. Eiseres is zoals hiervoor is weergegeven eigenaar van twee aangrenzende percelen. Zij woont niet op deze percelen want eiseres woont namelijk ongeveer 230 meter verderop aan [adres] te [plaats], terwijl de percelen gezien de toelichting van de het college tijdens de zitting en de foto’s die behoren tot het dossier, niet worden gebruikt als onderdeel van haar woon- en leefomgeving. Daarop staat groen zoals bamboe, bomen en andere beplanting en geen bebouwing. Verder wekt de feitelijke situatie de indruk dat de aangrenzende percelen door de bebossing en begroeiing aansluiten op de tuin van het monument. Daar komt bij dat de wijziging van het monument hoofdzakelijk bestaat uit een inpandige wijziging. Aan de buitenzijde van het pand worden aan de pui wel werkzaamheden verricht, maar deze bestaan uit het terugbrengen van de pui zoals deze was voor het verval en niet naar de oorspronkelijke situatie.
3.8.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de wijziging van het monument dus niet of nauwelijks effect op de woon- en leefomgeving van eiseres. Zij kan dan ook niet met succes een beroep doen op de door haar gestelde schending van regels. Gelet op het zogenoemde relativiteitsbeginsel zal de rechtbank deze beroepsgronden zoals genoemd onder 3.8.1. daarom niet inhoudelijk beoordelen. Ze kunnen namelijk niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
Het advies van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
3.9.
De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor het standpunt van eiseres dat het advies van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed van 10 april 2020 is genegeerd, juist is. Het college heeft op de zitting nog eens benadrukt dat het advies is gevolgd en dit is naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit ook toereikend gemotiveerd.
Moet het bouwplan voldoen aan nieuwbouwregels?
3.10.
Het betoog van eiseres dat moet worden voldaan aan de eisen van nieuwbouw in plaats van verbouw begrijpt de rechtbank zodanig dat eiseres van oordeel is dat het bouwplan in strijd is met de regels het Bouwbesluit 2012. Dit betoog slaagt niet omdat sprake is van verbouw. Van verbouw is sprake als het bouwplan ziet op het geheel of gedeeltelijk vernieuwen, het veranderen of het vergroten van een bouwwerk. De rechtbank maakt uit de stukken van het dossier op dat het gebouw gedeeltelijk wordt vernieuwd. Daarbij blijven de fundering en de gevel intact. Daarom heeft het college terecht overwogen dat geen sprake van nieuwbouw, maar van verbouw. Op grond daarvan volgt de rechtbank niet het standpunt van eiseres dat het bouwplan aan de nieuwbouwregels moet voldoen.
Toegang tot aangrenzende percelen
3.11.1.
Eiseres voert verder aan dat de toegang tot de percelen altijd via perceel [adres] is gegaan zonder enige beperking en dient ook na de herbestemming geborgd te blijven. Toegang en erfdienstbaarheid via [adres] bestaat al vanaf de aankoop van haar aangrenzende percelen op 8 oktober 1998 wat door de betreffende eigenaren bevestigd wordt. In de tweede plaats is zij van oordeel dat in dat kader sprake is van verkrijgende verjaring vanaf 8 oktober 2008 en meer subsidiair is sprake van bevrijdende verjaring vanaf 8 oktober 2018.
3.11.2.
Het college stelt dat van toegang tot aangrenzende percelen nooit sprake is geweest. Zo ver bekend is hebben beide percelen van eiseres geen eigen toegang tot het perceel van [adres].
3.11.3.
De rechtbank overweegt dat eiseres niet heeft onderbouwd dat er sprake zou zijn van een zakelijk recht waardoor toegang via het perceel aan [adres] gewaarborgd zou moeten blijven. Voor zover eiseres betoogt dat er sprake is van een evident privaatrechtelijke belemmering omdat een erfdienstbaarheid ten bate van de aangrenzende percelen zou zijn gaan gelden, is dit niet met enig bewijs is ondersteunt. Zo legt zij geen notariële akte over en dan rest enkel het beroep op verjaring. De bewijslast daarvan rust op degene die een beroep doet op (het bestaan van) de erfdienstbaarheid. Alleen al daarom is er geen sprake van een evident privaatrechtelijke belemmering. Voor het oordeel van de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van een omgevingsvergunning in de weg staat, is alleen aanleiding wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is namelijk de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit, waarbij de bewijslast wordt beheerst door de in die procedure geldende regels. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in het gestelde recht van overpad terecht geen reden gezien om de vergunning te weigeren.
Parkeren
3.12.1.
Eiseres voert ten aanzien van het parkeren aan dat het uitgevoerde parkeerdrukonderzoek is achterhaald. Zoals iedereen zag aankomen is de parkeerdruk in het centrum toegenomen na afschaffen van betaald parkeren. Het college is niet ingegaan op de mogelijkheid om beschikbare grond te verwerven voor parkeren op eigen terrein.
3.12.2.
Het college stelt dat nieuwe initiatieven voor parkeren worden getoetst aan de Regeling parkeernormen Deurne 2019 (hierna: regeling parkeernormen). Hierbij dient in beginsel in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein te worden voorzien. In de omgevingsvergunning is reeds onderbouwd dat het niet mogelijk is om te parkeren op eigen terrein vanwege de monumentale waarden van het pand en de tuin omdat daarvoor een monumentale tuinmuur deels afgebroken dient te worden. Indien parkeren op eigen terrein niet of niet in voldoende mate mogelijk is, kan gebruik gemaakt worden van een
afwijkingsmogelijkheid die de regeling parkeernormen biedt, waaronder het benutten
van parkeerplaatsen in de openbare ruimte. Hiervoor dient een parkeerdrukonderzoek
te worden uitgevoerd. Het parkeeronderzoek maakt onderdeel uit van de verleende
omgevingsvergunning. Uit het onderzoek volgt dat er sprake is van een acceptabele
parkeersituatie en dat parkeren in de openbare ruimte geen belemmeringen zal
opleveren. Op de piekmomenten is er sprake van een bezettingsgraad van 44,4% met
de parkeerplekken van [adres] erbij komt dit uit op een bezettingsgraad van 59,8%.
Hiermee wordt voldaan aan de regeling parkeernormen. Door eiseres is geen
tegenrapport ingebracht of anderszins aannemelijk gemaakt dat aan het parkeeronderzoek onjuiste uitgangspunten ten grondslag liggen of dat de parkeerdruk is toegenomen. Daarnaast is het ook niet aannemelijk dat door afschaffing van betaald parkeren de parkeerdruk op de piekmomenten boven de toegestane 85% uitkomt.
3.12.3.
Ten aanzien van het parkeerdrukonderzoek van 25 april 2022 overweegt de rechtbank dat deze op het moment van het verlenen van de omgevingsvergunning op 21 december 2023 nog niet achterhaald was. Weliswaar is de omgevingsvergunning negen dagen voor het afschaffen van het betaald parkeren verleend, maar naast het feit dat dit mogelijke probleem toen nog niet speelde, heeft eiseres niet gesteld noch onderbouwd dat de aanwezigheidspercentage boven de toegestane 85% zal uitkomen. Het college heeft verder tijdens de zitting nader toegelicht dat dit ook niet het geval zal zijn. Naar het oordeel van de rechtbank wordt voldaan aan de regeling parkeernormen. In het betoog van eiseres heeft het college terecht geen reden gezien om de vergunning te weigeren.
3.12.4.
De rechtbank overweegt verder dat college voldoende toereikend heeft toegelicht dat het niet mogelijk is om te parkeren op eigen terrein vanwege de monumentale waarden van het pand en de tuin, en omdat daarvoor een monumentale tuinmuur deels afgebroken zou moeten worden. Daar waar eiseres betoogt dat de tuin geen monumentale waarde heeft omdat deze dateert uit de jaren 90, en dat er om die reden geen relatie bestaat tussen het pand en de tuin en dat het college daarom onterecht heeft geoordeeld dat de parkeerplaatsen gevonden moeten worden in de openbare ruimte, slaagt dit niet. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de tuin behouden moet blijven voor die functie en niet voor parkeren op eigen terrein.
Handhaving
3.13.1.
Eiseres verzoekt ten slotte dat het college tot handhaving moet overgaan als wordt aangevangen met de werkzaamheden voordat de omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden. Dat is een kwestie van naleving van de wettelijke voorschriften en handhaving van de omgevingsvergunning is hier niet aan de orde is. In deze zaak gaat het alleen om toetsing van het besluit om de omgevingsvergunning te verlenen.
3.13.2
De rechtbank overweegt dat het college overigens terecht naar voren heeft gebracht dat zes weken na het verlenen van de vergunning mag worden aangevangen met de werkzaamheden en dat het instellen van beroep geen schorsende werking heeft. Het college heeft verder nog toegelicht dat de werkzaamheden inmiddels zijn gestart waarbij tweewekelijks door de gemeente toezicht wordt gehouden op de uitvoering van de verleende vergunning zoals omschreven in de voorschriften. In het geval dat in afwijking van de verleende vergunning wordt gebouwd zal handhavend worden opgetreden.
3.14.
De rechtbank is van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het de omgevingsvergunning op juist gronden heeft verleend.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is in beide zaken ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en dat beide bestreden besluiten in stand blijven. Eiseres krijgt daarom het griffierecht in beide zaken niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.W. Huijben, rechter, in aanwezigheid van mr.I.M.C. van Og, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2025.
Griffier
De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 28 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:844 en van 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2677.
Bijlage 4 artikel 9 van de verordening Commissie bezwaarschriften Deurne 2020.
Uitspraak van de Afdeling van 25 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3252.
Uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1617 en van 3 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1392.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 13 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2015:1510 en 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:712.
Uitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, r.o. 10.36-10.37.
Opgenomen in artikel 8:69a van de Awb.
Artikel 1.12 Bouwbesluit
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 4 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2528 en 30 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY9957.
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: SHE 24/750 en SHE 24/2407
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2025 in de zaken tussen
[naam], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: [naam]),
en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Deurne, het college
(gemachtigden: M. Cornelissen, mr. M. de Joode en ing. E. Franken)
Als derde-gemachtigde heeft deelgenomen: [naam] (vergunninghoudster)
(gemachtigden: [naam] en [naam])
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van tien appartementen in een monumentaal pand in Deurne en het herstellen van een tuinmuur (de omgevingsvergunning). Daarnaast gaat de uitspraak over het besluit om de nummeraanduiding in te trekken en een nieuwe nummeraanduiding vast te stellen (het huisnummerbesluit). Het bezwaar dat eiseres heeft gemaakt, is door het college niet-ontvankelijk verklaard omdat zij volgens het college geen belanghebbende is bij de wijziging van de huisnummering.
1.1.
Eiseres is het niet eens met het de besluiten van het college. Als belangrijkste bezwaar tegen het bouwplan stelt zij dat de binnenzijde van het monument wordt vernield en zij voert in dat kader beroepsgronden aan. Verder vindt zij dat zij belanghebbende is bij het huisnummerbesluit.
1.2.
De rechtbank geeft eiseres geen gelijk maar het college. Dat betekent dat de omgevingsvergunning en de wijziging van de huisnummering in stand blijven.
Procesverloop
2.1.
Op 25 april 2022 heeft het college een aanvraag ontvangen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van tien nieuwe woningen (appartementen) in een monumentaal pand en het herstellen van een tuinmuur (het bouwplan) aan [adres] te [plaats] (het perceel).
2.2.
Het college heeft met het besluit van 12 december 2023 besloten de nummeraanduiding in te trekken en een nieuwe nummeraanduiding vast te stellen.
2.3.
Met het besluit van 21 december 2023 heeft het college de omgevingsvergunning verleend.
2.4.
Met het besluit van 25 april 2024 heeft het college het bezwaar van eiseres tegen het huisnummerbesluit niet-ontvankelijk verklaard.
2.5.
Eiseres heeft tegen beide besluiten beroep ingesteld.
2.6
Het college heeft daarop gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft met haar e-mail van 17 juni 2025 daarop gereageerd.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van het college. Eiseres en haar gemachtigde zijn met bericht van afwezigheid niet verschenen. Ook vergunninghoudster is niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
3. Aan de hand van de beroepsgronden, de ingediende stukken en de zitting beoordeelt de rechtbank de verlening van de omgevingsvergunning.
3.1.
De rechtbank zal de beroepen van eiseres hierna ongegrond verklaren. Zij komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht de omgevingsvergunning heeft verleend. Verder is het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat eiseres niet kan worden aangemerkt als belanghebbende bij het huisnummerbesluit.
3.2.
Deze beslissing staat aan het einde van deze uitspraak onder het kopje “Beslissing”. Eerst zal de rechtbank toelichten hoe zij tot deze beslissing is gekomen.
Omgevingswet
3.3.
Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 25 april 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Feiten en omstandigheden
3.4.
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden:
- Het bouwplan betreft een voormalig Fraterhuis dat een rijksmonument is. Dat wordt verbouwd tot tien woningen en een tuinmuur wordt hersteld. Eiseres woont op ongeveer 230 meter afstand van het project, daarnaast is zij eigenaar van twee aangrenzende percelen aan het bouwplan, kadastraal bekend gemeente Deurne, sectie [sectienummer], nummers [sectieletter] en [sectieletter] (de aangrenzende percelen).
- Op het perceel gelden de bestemmingsplannen “Centrum Deurne” en “Paraplubestemmingsplan Deurne 2021”. Op grond van het bestemmingsplan “Centrum Deurne” is aan de locatie de enkelbestemming “dienstverlening” en de dubbelbestemming “waarde-archeologie 3” toegekend.
- Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan omdat binnen de enkelbestemming “Dienstverlening” met functieaanduiding kantoor, het strijdig is om dit gebouw voor wonen te gebruiken. Daarnaast is het Fraterhuis aangewezen als rijksmonument.
- Het college heeft de omgevingsvergunning verleend voor de volgende activiteiten:
1. bouwen (artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo);
2. het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan (artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo);
3. een aangewezen monument te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen of te laten gebruiken waardoor het wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht (artikel 2.1. eerste lid, onder f van de Wabo).
- Het college heeft het bouwplan met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo, vergund.
Nader stuk
3.5.1.
Eiseres heeft een dag voor de zitting een nadere reactie (aangeduid als pleitaantekeningen) gestuurd aan de rechtbank als reactie op het verweerschrift van het college. Het college heeft aangegeven dat het dit stuk op de dag van de zitting heeft ontvangen en dat het geen bezwaar heeft tegen acceptatie van dit stuk, behalve de nieuwe beroepsgronden die daarin worden genoemd. Het heeft geen tijd gehad om zich daarin te verdiepen en kan daarop ook niet adequaat reageren.
3.5.2.
De rechtbank overweegt dat eiseres het nadere stuk zeer kort voor de zitting heeft ingediend. Bij het indienen van nadere stukken is de termijn van artikel 8:58 van de Awb van tien dagen voor de zitting van belang, maar deze termijn is niet bepalend voor de vraag of het overleggen van nadere stukken in strijd is met de goede procesorde. Voor het antwoord op die vraag is namelijk doorslaggevend of een zinvolle bespreking van de stukken op de zitting kan plaatsvinden. Het feit dat eiseres het nadere stuk pleitaantekeningen heeft genoemd en deze ook op de zitting had kunnen voordragen, neemt niet weg dat het om een nader stuk als bedoeld in artikel 8:58 van de Awb gaat. Eiseres en haar gemachtigde zijn niet verschenen op de zitting zodat het stuk geen aantekeningen van een pleidooi zijn, maar een nader stuk.
3.5.3.
In dit geval is het nadere stuk zodanig laat ingediend dat het college geen tijd meer heeft gehad om dit te bestuderen. Dat het daarom niet adequaat kon reageren op deze nieuwe beroepsgronden acht de rechtbank daarom aannemelijk. Bovendien acht de rechtbank het in strijd met de goede procesorde om pas in dit stadium van de procedure nieuwe gronden aan te voeren. Dit houdt in dat de rechtbank het nadere stuk zal accepteren, maar dat de nieuwe beroepsgronden die daarin staan vermeld wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden laten. Dit betreft de grond van eiseres dat er ten onrechte geen ecologisch onderzoek is uitgevoerd.
Is eiseres ten onrechte niet als belanghebbende aangemerkt bij het huisnummerbesluit?
3.6.1.
Eiseres voert aan dat haar bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard ten aanzien van het huisnummerbesluit. Eiseres is van oordeel dat zij wel belanghebbende is bij het bestreden besluit. Ten onrechte is afgezien van het horen en het college heeft vervolgens op basis van een aanname zonder meewegen van alle feiten en omstandigheden haar bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk geacht. Als er een hoorzitting had plaatsgevonden, was haar belang duidelijk geworden. Zij woont op korte afstand en is de eigenaar van de direct aangrenzende percelen. Verder heeft zij een voorkeursrecht tot aankoop van het aangrenzende object ten noorden en heeft vergevorderde plannen tot aankoop van onroerend goed in de directe nabijheid.
3.6.2.
Het college stelt zich op het standpunt dat eiseres geen argumenten naar voren heeft gebracht waaruit volgt dat zij dan wel rechthebbende is van het pand aan [adres] te [plaats] dan wel rechthebbende is van een elders gelegen verblijfsobject met eenzelfde huisnummer. Het college blijft daarom bij haar standpunt dat eiseres niet als belanghebbende kan worden aangemerkt en derhalve ook kennelijk niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar beroep.
3.6.3.
Eiseres stelt naar aanleiding hiervan dat haar belang bij de omgevingsvergunning wordt erkend door het college en het huisnummerbesluit is daar direct van afgeleid. Zonder een onherroepelijk bouwplan zijn er geen huisnummers toe te kennen. Het belang op grond van het (inmiddels uitgeoefende) voorkeursrecht wordt niet betwist en tot slot moet het begrip belanghebbende ruimhartig worden opgevat (Habitatrichtlijn bijlage IV, Aarhusverdrag).
3.6.4.
De rechtbank overweegt dat alleen aan dit deel van haar betoog wordt toegekomen, als het college ten onrechte heeft overwogen dat het bezwaar van eiseres (kennelijk) niet-ontvankelijk is, omdat eiseres geen belanghebbende is bij het huisnummerbesluit. Daarom zal zij eerst op die vraag ingaan.
3.6.5.
De rechtbank overweegt dat op grond artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien als het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is. In artikel 7:13, vierde lid, van de Awb, is - voor zover relevant - bepaald dat de commissie beslist over de toepassing van artikel 7:3, voor zover bij wettelijk voorschrift niet anders is bepaald. Wettelijke voorschriften als hiervoor bedoeld zijn voor de gemeente Deurne neergelegd in de Verordening Commissie bezwaarschriften 2020.In artikel 9 van de verordening is bepaald dat de voorzitter beslist over de toepassing van artikel 7:3 van de Awb, het afzien van horen.
3.6.6.
De commissie heeft in haar advies het college geadviseerd om het bezwaarschrift van eiseres kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren, omdat eiseres niet kan worden aangemerkt als belanghebbende. Het advies van de commissie vermeldt verder dat de voorzitter vanwege de kennelijke niet-ontvankelijkheid van het bezwaarschift heeft besloten eiseres niet te horen. Het college heeft dit advies ten grondslag gelegd aan het besluit op bezwaar van 15 april 2024.
3.6.7.
De rechtbank volgt het standpunt van het college dat het belang van eiseres niet rechtstreeks bij dit besluit betrokken is. Het besluit van 21 december 2023 heeft namelijk uitsluitend betrekking op de toekenning van een nummeraanduiding voor de appartementen die vergunninghoudster wil realiseren. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling is bepalend voor het antwoord op de vraag of eiseres als belanghebbende kan worden aangemerkt, of haar belang rechtstreeks betrokken is bij de toekenning van de nummeraanduiding. Daarvan is sprake als eiseres rechthebbende is ten aanzien van het betrokken pand, een pand heeft met hetzelfde huisnummer als het nummer dat is toegekend of is gebleken dat het besluit op andere wijze gevolgen voor haar kan hebben. Eiseres is geen rechthebbende van het pand. De aanspraak die zij stelt te maken op een voorkeursrecht, is door haar niet met enig bewijs ondersteunt, ook niet in het nadere stuk. Bovendien zou die aanspraak haar ook niet tot rechthebbende maken. Zij is ook geen rechthebbende van een pand met hetzelfde huisnummer. Haar woning is in een andere straat met een ander nummer gelegen. Gezien wat eiseres in bezwaar naar voren heeft gebracht, heeft het huisnummerbesluit ook op een andere manier geen gevolgen voor haar.
3.6.8.
Dat eiseres belanghebbende is bij de omgevingsvergunning maakt niet dat zij ook belanghebbende is bij het huisnummerbesluit. Dit is een apart besluit en de belanghebbendheid moet bij ieder besluit en de rechtsgevolgen die het heeft op zichzelf worden beoordeeld. Voor zover eiseres doelt dat er sprake is van onlosmakende samenhang tussen de twee besluiten in de zin van de Wabo, doet zich die situatie in dit geval niet voor. Die rechtspraak heeft betrekking op de samenhang tussen verschillende besluitonderdelen die in de Wabo worden genoemd, en niet de samenhang tussen twee afzonderlijke besluiten die op grond van verschillende wetten zijn genomen, zodat het beroep op die rechtspraak alleen daarom al niet slaagt.
3.6.9.
Ook slaagt haar argument niet dat het belanghebbende begrip ruimer moet worden opgevat onder verwijzing naar het verdrag van Aarhus. In de uitspraak van 4 mei 2021 oordeelde de Afdeling dat artikel 8:1 Awb (de omstandigheid dat alleen belanghebbende toegang hebben tot de bestuursrechter) op dit punt moet worden aangepast voor zover het omgevingsrechtelijke zaken betreft èn de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van toepassing is. Dat laatste is hier niet het geval en om deze reden gaat de verwijzing naar de rechtspraak over het Verdrag van Aarhus niet op.
3.6.10.
De beoordeling die het college op grond van de bezwaargronden van eiseres heeft gemaakt, kan naar het oordeel van de rechtbank zonder eiseres te horen op een zitting worden vastgesteld. De rechtbank ziet dan ook geen reden om te oordelen dat het college ten onrechte heeft afgezien van het horen en dat eiseres ten onrechte niet als belanghebbende is aangemerkt.
3.6.11.
Het betoog van eiseres slaagt niet en haar beroep over het huisnummerbesluit is ongegrond.
Is eiseres belanghebbende bij de verleende omgevingsvergunning?
3.7.
De rechtbank overweegt dat eiseres belanghebbende is bij de verleende omgevingsvergunning omdat de aangrenzende percelen aan het bouwplan in eigendom zijn van eiseres. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling wordt de belanghebbendheid in beginsel namelijk aangenomen bij bewoners en eigenaren, en ook bij anderszins zakelijk of persoonlijk gerechtigden van een perceel dat grenst aan het perceel waarover het besluit gaat of dat gelijk te stellen is met een aangrenzend perceel. Bij dergelijke percelen wordt ervan uitgegaan dat feitelijke gevolgen, indien die zich voordoen, in beginsel van enige betekenis zijn. Op grond daarvan kan eiseres op grond van artikel 1:2 van de Awb worden aangemerkt als belanghebbende.
Relativiteit
3.8.1.
Eiseres is het niet eens met de interne verbouwing van het rijksmonument. Zij beroept zich op verschillende onderdelen van het pand waarvan de monumentale waarden aangetast zouden worden. Zo heeft de kapel volgens haar als geheel de allerhoogste waarde en moet daarom volgens haar geheel intact blijven. Met de verlaagde plafonds voor ventilatiekanalen en leidingen, wordt het hele karakter van het gebouw vernield. De kapconstructie moet volgens haar aan de binnenzijde behouden blijven en niet geïsoleerd worden want dit kan wellicht op papier wel, maar is in de praktijk niet onomkeerbaar. Verder stelt zij dat dit de enige en laatste gelegenheid is om de pui aan de achterzijde in originele staat te herstellen. De toepassing van Van Ruysdaelglas zou een goede aanvulling zijn op de isolatie van het pand en op de etages had vloerverwarming toegepast kunnen worden.
3.8.2.
De rechtbank begrijpt dat eiseres daarmee betoogt dat ten onrechte een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f is verleend. Dit is in beginsel een norm die het belang van het behoud van cultureel erfgoed beoogt te beschermen. Niettemin kan eiseres een beroep doen op deze norm, maar dan moet de wijziging van het monument dat met de omgevingsvergunning mogelijk wordt gemaakt, effect hebben op haar woon- en leefomgeving. In dat geval zal op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling het belang van behoud van het cultureel erfgoed geacht verweven te zijn met het behoud van de woon- en leefomgeving. Eiseres is zoals hiervoor is weergegeven eigenaar van twee aangrenzende percelen. Zij woont niet op deze percelen want eiseres woont namelijk ongeveer 230 meter verderop aan [adres] te [plaats], terwijl de percelen gezien de toelichting van de het college tijdens de zitting en de foto’s die behoren tot het dossier, niet worden gebruikt als onderdeel van haar woon- en leefomgeving. Daarop staat groen zoals bamboe, bomen en andere beplanting en geen bebouwing. Verder wekt de feitelijke situatie de indruk dat de aangrenzende percelen door de bebossing en begroeiing aansluiten op de tuin van het monument. Daar komt bij dat de wijziging van het monument hoofdzakelijk bestaat uit een inpandige wijziging. Aan de buitenzijde van het pand worden aan de pui wel werkzaamheden verricht, maar deze bestaan uit het terugbrengen van de pui zoals deze was voor het verval en niet naar de oorspronkelijke situatie.
3.8.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de wijziging van het monument dus niet of nauwelijks effect op de woon- en leefomgeving van eiseres. Zij kan dan ook niet met succes een beroep doen op de door haar gestelde schending van regels. Gelet op het zogenoemde relativiteitsbeginsel zal de rechtbank deze beroepsgronden zoals genoemd onder 3.8.1. daarom niet inhoudelijk beoordelen. Ze kunnen namelijk niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
Het advies van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
3.9.
De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor het standpunt van eiseres dat het advies van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed van 10 april 2020 is genegeerd, juist is. Het college heeft op de zitting nog eens benadrukt dat het advies is gevolgd en dit is naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit ook toereikend gemotiveerd.
Moet het bouwplan voldoen aan nieuwbouwregels?
3.10.
Het betoog van eiseres dat moet worden voldaan aan de eisen van nieuwbouw in plaats van verbouw begrijpt de rechtbank zodanig dat eiseres van oordeel is dat het bouwplan in strijd is met de regels het Bouwbesluit 2012. Dit betoog slaagt niet omdat sprake is van verbouw. Van verbouw is sprake als het bouwplan ziet op het geheel of gedeeltelijk vernieuwen, het veranderen of het vergroten van een bouwwerk. De rechtbank maakt uit de stukken van het dossier op dat het gebouw gedeeltelijk wordt vernieuwd. Daarbij blijven de fundering en de gevel intact. Daarom heeft het college terecht overwogen dat geen sprake van nieuwbouw, maar van verbouw. Op grond daarvan volgt de rechtbank niet het standpunt van eiseres dat het bouwplan aan de nieuwbouwregels moet voldoen.
Toegang tot aangrenzende percelen
3.11.1.
Eiseres voert verder aan dat de toegang tot de percelen altijd via perceel [adres] is gegaan zonder enige beperking en dient ook na de herbestemming geborgd te blijven. Toegang en erfdienstbaarheid via [adres] bestaat al vanaf de aankoop van haar aangrenzende percelen op 8 oktober 1998 wat door de betreffende eigenaren bevestigd wordt. In de tweede plaats is zij van oordeel dat in dat kader sprake is van verkrijgende verjaring vanaf 8 oktober 2008 en meer subsidiair is sprake van bevrijdende verjaring vanaf 8 oktober 2018.
3.11.2.
Het college stelt dat van toegang tot aangrenzende percelen nooit sprake is geweest. Zo ver bekend is hebben beide percelen van eiseres geen eigen toegang tot het perceel van [adres].
3.11.3.
De rechtbank overweegt dat eiseres niet heeft onderbouwd dat er sprake zou zijn van een zakelijk recht waardoor toegang via het perceel aan [adres] gewaarborgd zou moeten blijven. Voor zover eiseres betoogt dat er sprake is van een evident privaatrechtelijke belemmering omdat een erfdienstbaarheid ten bate van de aangrenzende percelen zou zijn gaan gelden, is dit niet met enig bewijs is ondersteunt. Zo legt zij geen notariële akte over en dan rest enkel het beroep op verjaring. De bewijslast daarvan rust op degene die een beroep doet op (het bestaan van) de erfdienstbaarheid. Alleen al daarom is er geen sprake van een evident privaatrechtelijke belemmering. Voor het oordeel van de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van een omgevingsvergunning in de weg staat, is alleen aanleiding wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is namelijk de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit, waarbij de bewijslast wordt beheerst door de in die procedure geldende regels. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in het gestelde recht van overpad terecht geen reden gezien om de vergunning te weigeren.
Parkeren
3.12.1.
Eiseres voert ten aanzien van het parkeren aan dat het uitgevoerde parkeerdrukonderzoek is achterhaald. Zoals iedereen zag aankomen is de parkeerdruk in het centrum toegenomen na afschaffen van betaald parkeren. Het college is niet ingegaan op de mogelijkheid om beschikbare grond te verwerven voor parkeren op eigen terrein.
3.12.2.
Het college stelt dat nieuwe initiatieven voor parkeren worden getoetst aan de Regeling parkeernormen Deurne 2019 (hierna: regeling parkeernormen). Hierbij dient in beginsel in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein te worden voorzien. In de omgevingsvergunning is reeds onderbouwd dat het niet mogelijk is om te parkeren op eigen terrein vanwege de monumentale waarden van het pand en de tuin omdat daarvoor een monumentale tuinmuur deels afgebroken dient te worden. Indien parkeren op eigen terrein niet of niet in voldoende mate mogelijk is, kan gebruik gemaakt worden van een
afwijkingsmogelijkheid die de regeling parkeernormen biedt, waaronder het benutten
van parkeerplaatsen in de openbare ruimte. Hiervoor dient een parkeerdrukonderzoek
te worden uitgevoerd. Het parkeeronderzoek maakt onderdeel uit van de verleende
omgevingsvergunning. Uit het onderzoek volgt dat er sprake is van een acceptabele
parkeersituatie en dat parkeren in de openbare ruimte geen belemmeringen zal
opleveren. Op de piekmomenten is er sprake van een bezettingsgraad van 44,4% met
de parkeerplekken van [adres] erbij komt dit uit op een bezettingsgraad van 59,8%.
Hiermee wordt voldaan aan de regeling parkeernormen. Door eiseres is geen
tegenrapport ingebracht of anderszins aannemelijk gemaakt dat aan het parkeeronderzoek onjuiste uitgangspunten ten grondslag liggen of dat de parkeerdruk is toegenomen. Daarnaast is het ook niet aannemelijk dat door afschaffing van betaald parkeren de parkeerdruk op de piekmomenten boven de toegestane 85% uitkomt.
3.12.3.
Ten aanzien van het parkeerdrukonderzoek van 25 april 2022 overweegt de rechtbank dat deze op het moment van het verlenen van de omgevingsvergunning op 21 december 2023 nog niet achterhaald was. Weliswaar is de omgevingsvergunning negen dagen voor het afschaffen van het betaald parkeren verleend, maar naast het feit dat dit mogelijke probleem toen nog niet speelde, heeft eiseres niet gesteld noch onderbouwd dat de aanwezigheidspercentage boven de toegestane 85% zal uitkomen. Het college heeft verder tijdens de zitting nader toegelicht dat dit ook niet het geval zal zijn. Naar het oordeel van de rechtbank wordt voldaan aan de regeling parkeernormen. In het betoog van eiseres heeft het college terecht geen reden gezien om de vergunning te weigeren.
3.12.4.
De rechtbank overweegt verder dat college voldoende toereikend heeft toegelicht dat het niet mogelijk is om te parkeren op eigen terrein vanwege de monumentale waarden van het pand en de tuin, en omdat daarvoor een monumentale tuinmuur deels afgebroken zou moeten worden. Daar waar eiseres betoogt dat de tuin geen monumentale waarde heeft omdat deze dateert uit de jaren 90, en dat er om die reden geen relatie bestaat tussen het pand en de tuin en dat het college daarom onterecht heeft geoordeeld dat de parkeerplaatsen gevonden moeten worden in de openbare ruimte, slaagt dit niet. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de tuin behouden moet blijven voor die functie en niet voor parkeren op eigen terrein.
Handhaving
3.13.1.
Eiseres verzoekt ten slotte dat het college tot handhaving moet overgaan als wordt aangevangen met de werkzaamheden voordat de omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden. Dat is een kwestie van naleving van de wettelijke voorschriften en handhaving van de omgevingsvergunning is hier niet aan de orde is. In deze zaak gaat het alleen om toetsing van het besluit om de omgevingsvergunning te verlenen.
3.13.2
De rechtbank overweegt dat het college overigens terecht naar voren heeft gebracht dat zes weken na het verlenen van de vergunning mag worden aangevangen met de werkzaamheden en dat het instellen van beroep geen schorsende werking heeft. Het college heeft verder nog toegelicht dat de werkzaamheden inmiddels zijn gestart waarbij tweewekelijks door de gemeente toezicht wordt gehouden op de uitvoering van de verleende vergunning zoals omschreven in de voorschriften. In het geval dat in afwijking van de verleende vergunning wordt gebouwd zal handhavend worden opgetreden.
3.14.
De rechtbank is van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het de omgevingsvergunning op juist gronden heeft verleend.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is in beide zaken ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en dat beide bestreden besluiten in stand blijven. Eiseres krijgt daarom het griffierecht in beide zaken niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.W. Huijben, rechter, in aanwezigheid van mr.I.M.C. van Og, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2025.
Griffier
De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 28 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:844 en van 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2677.
Bijlage 4 artikel 9 van de verordening Commissie bezwaarschriften Deurne 2020.
Uitspraak van de Afdeling van 25 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3252.
Uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1617 en van 3 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1392.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 13 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2015:1510 en 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:712.
Uitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, r.o. 10.36-10.37.
Opgenomen in artikel 8:69a van de Awb.
Artikel 1.12 Bouwbesluit
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 4 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2528 en 30 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY9957.